Categorie: Bestuur & Rechtspraak

  • Heerlijkheid Bredevoort

    Heerlijkheid Bredevoort

    Deze pagina is nog ‘onder constructie’…

    Graafschap Lohn

    De voormalige heerlijkheid Bredevoort maakte oorspronkelijk deel uit van het graafschap Lohn, dat vermoedelijk in de 11e eeuw is ontstaan. Dit graafschap omvatte in 1152 de kerspelen Lohn, Winterswijk, Aalten, Varsseveld, Zelhem en Hengelo (G). In hun streven naar onafhankelijkheid kwamen de graven van Lohn in conflict met de bisschop van Münster, wiens leenheerschappij zij in 1152 tenslotte moesten erkennen. De burcht Bredevoort was in 1246 voor de helft eigendom van graaf Herman van Lohn, die in dat jaar zijn deel in leen opdroeg aan graaf Otto van Gelre.

    Bij de dood van de laatste graaf van Lohn in 1316 viel diens gebied uiteen. De kerspelen Varsseveld en Silvolde kwamen aan de heer van Wisch, de kerspelen Zelhem en Hengelo waren al eerder aan Gelre verkocht. De bisschop van Münster kocht in 1316 van Otto van Ahaus, één van de erfgenamen, de helft van de burcht Bredevoort met diens aandeel in de Lohnse rechten. De andere helft van de burcht was al bisschoppelijk bezit sedert 1284.

    Graafschap Gelre

    Uit deze aankoop ontstond een geschil tussen Münster en Gelre, tengevolge waarvan in 1324 een oorlog uitbrak. Graaf Reinald van Gelre viel het bisdom Münster binnen en werd bij Coesfeld verslagen, maar had echter Bredevoort al veroverd. Bij de vrede, die in 1326 te Wesel werd gesloten, behield Reinald Bredevoort en kreeg hij de gerichten van de omringende kerspelen Aalten, Dinxperlo en Winterswijk in pand. De bisschop van Münster zou dit pand ten allen tijde voor 3500 goudmarken mogen inlossen, hetgeen echter nooit is gebeurd. Vanaf 1326 is er derhalve sprake van een zelfstandig gebied, dat werd bestuurd door een hertogelijk ambtenaar.

    Gemense en Steinfurtse pandschap (1388-1526)

    In 1388 gaf Willem van Gulik, als hertog van Gelre, zijn kasteel, stad en Ambt Bredevoort met de drie kerspelen in onderpand aan heer Hendrik III van Gemen voor een kapitale lening. Opeenvolgende generaties van dit geslacht bleven pandheer van de heerlijkheid tot 1492, toen het pandschap vererfde op diens erfgenamen en naderhand aan de graven van Bentheim-Steinfurt kwam. Eerst in 1526 loste hertog Karel van Gelre de pandsom in en nam de heerlijkheid weer in eigen beheer. In 1534 gaf hij Bredevoort in bewaring aan zijn veldheer Marten van Rossum, die de heerlijkheid in 1545 in pandschap kreeg van keizer Karel V als rechtsopvolger van de Gelderse hertogen.

    Anholter pandschap (1562-1612)

    Toen Van Rossum stierf in 1555, vererfde het pandschap via Johan van Isendoorn op Hendrik van Isendoorn à Blois, die in 1562 de pandsom terugkreeg. Koning Philips II van Spanje gaf vervolgens als hertog van Gelre de heerlijkheid voor 50.000 Vlaamse schilden in pand aan zijn vazal Dietrich van Bronckhorst-Batenburg. Hij was heer van het naburige Anholt in Westfalen, die reeds veel goederen en rechten in de heerlijkheid Bredevoort bezat.

    Na de Reformatie bleven de heren van Anholt rooms-katholiek en aan Spaanse zijde. Dientengevolge werd Bredevoort in 1597 belegerd en veroverd door prins Maurits van Nassau. Vrouwe Gertrud von Milendonck, de weduwe van Jacob van Bronckhorst-Batenburg, kreeg de heerlijkheid in 1602 van de Republiek terug. Maar het pandschap werd door de Staten van Gelderland in 1612 ingelost en vervolgens overgenomen door prins Maurits.

    Over de periode 1526-1612 bevinden zich vele archiefstukken in het Bestand Bredevort in het Fürstlich Salm-Salmsches Archiv op de Wasserburg Anholt bij Isselburg (D). Oudere stukken van vóór 1562 zijn wsch. destijds in opdracht van de Anholtse pandheren overgebracht naar hun huisarchief als bewijsstukken van hun rechten. Na de beëindiging van het

    Pandstad der Oranjes

    In 1697 werd Bredevoort als vrije heerlijkheid opgedragen aan Koning-Stadhouder Willem III, wiens erfgenamen haar bezaten tot 1795.

    Van het Rijksarchief in Friesland werd in 1986 uit de collectie van het Fries Genootschap het reglement voor de poortwachters te Bredevoort van 1726 ontvangen.

    In het huisarchief van de voormalige herberg De Leste Stuver te Bredevoort, berustend te Aalten, bevindt zich o.a. een almanak, gebruikt door de Stadhouder of de Landschrijver als zakagenda in de periode 1737/38.

    In 1646 werd het kasteel te Bredevoort verwoest tengevolge van blikseminslag in de kruittoren. Het duurde ruim 50 jaar, eer nieuwe huisvesting werd gerealiseerd. In 1699 verrees aan de Landstraat te Bredevoort een nieuwe kanselarij, het Ambthuis.

    Ambt Bredevoort (1795-1811)

    Na de Bataafsche Omwenteling in 1795 werden de bezittingen der Oranjes verbeurd verklaard; de heerlijkheid Bredevoort werd onder burgerlijk bestuur gesteld. Anno 1798 werden de heerlijkheden officieel opgeheven. De voormalige municipaliteiten van Aalten, Bredevoort, Dinxperlo en Winterswijk werden ingesteld in 1795 en opgeheven in 1798. De voormalige municipaliteit van Lichtenvoorde werd ingevolge de opheffing der heerlijkheden in 1798 bij het Ambt Bredevoort gevoegd en daarvan weer afgescheiden in 1802.

    Drs. G.J.H. Krosenbrink te Winterswijk schonk in 1994 een rapport inzake de bestuurlijke organisatie van het oude Ambt, opgemaakt ten behoeve van het nieuwe Ambtsbestuur in de periode 1798-1802, afkomstig van het toenmalig ambtsbestuurslid H. Willink Azn. te Winterswijk.

    Het Ambt Bredevoort bleef als bestuurlijke eenheid in stand tot de Franse overheersing. In de jaren 1811 en 1812 werd het opgedeeld in de Mairieën Aalten, Bredevoort, Dinxperlo en Winterswijk.

    Het archief van het Ambt werd bewaard op de kanselarij, het Ambthuis te Bredevoort. In 1795 werd het op last van het Provisioneel Bewind in beslag genomen en geïnventariseerd, waarna het onder het beheer werd gesteld van de secretaris van de Municipaliteit van Aalten. Na de Franse overheersing werden bij het herstel van het Nederlands bestuur bescheiden uit het archief gelicht en overgedragen aan de nieuwe gemeenten Aalten, Dinxperlo en Winterswijk. Ook de voormalige rentmeester J.B. Roelvink van de Nassause Domeinen behield het kanselarij-archief onder zich, dat in 1985 helaas door een rechtsopvolger werd vernietigd.

    Bestuur

    Bredevoort was oorspronkelijk een borgmansstadje naar Westfaals model. De adellijke verdedigers van het kasteel woonden in versterkte huizen op de voorburcht, die daardoor het karakter van een vesting kreeg. In het naburige bisdom Münster oefenden dergelijke borgmannen gezag en rechtspraak uit over hun personeel en de horige bewoners van de door hen beheerde burchtkomplexen te Horstmar en Nienborg.

    Bij de overdracht van Bredevoort in 1326 ontsloeg de bisschop van Münster zijn Bredevoortse borgmannen van hun eed, zodat zij konden overgaan in Gelderse dienst. In 1503 verkregen de Bredevoortse borgmannen vergelijkbare privileges van de toenmalige pandheer, Everwijn van Steinfurt. Stadsrechten zijn echter van Bredevoort niet overgeleverd. De militaire en bestuurlijke rol van de borgmannen was uitgespeeld, nadat in de loop van de 16e eeuw de verdediging werd opgedragen aan een garnizoen.

    Het dagelijks bestuur van de heerlijkheid Bredevoort berustte bij de Drost. Na de Münsterse bezetting tijdens de oorlogsjaren 1672-1674, bestond binnen de muren korte tijd een afzonderlijk stedelijk bestuur van stadhouder en regenten der stad Bredevoort. De Drost fungeerde vaak tevens als Richter. De rechtspraak werd verzorgd door de Richter met twee keurnoten. Het gericht werd eens per twee weken gehouden in Aalten, Bredevoort en Winterswijk. De gerichtsdagen voor Dinxperlo werden te Aalten gehouden.

    De rechtspraak in de stad Bredevoort werd door de Richter van de heerlijkheid met twee keurnoten uitgeoefend, zoals in de overige kerspelen. Andere ambtenaren bij het gericht waren de Landschrijver (secretaris) en de Advocaat-fiscaal (openbare aanklager). De Landschrijver fungeerde ook als secretaris van de Drost. Aangezien deze laatste meestal niet in de heerlijkheid woonde, was de Landschrijver vaak tevens diens plaatsvervanger als verwalter-Drost of Stadhouder. Bredevoort had een vestingcommandant, de “Commandeur der Forteresse”. Deze functie was vaak met die van verwalter-Drost in één persoon verenigd. Verder waren er nog een hele reeks lagere ambtenaren, waaronder een ijker, een scharenslijper, een landmeter en armenjagers (veldwachters).

    Ten gevolge van het feit, dat leden van de adellijke familie van Pallandt en de aanverwante geslachten van Lintelo en van Coeverden lange tijd de functie van Drost van Bredevoort hebben bekleed, bevinden zich ook in het archief van het Huis Keppel een groot aantal stukken betreffende Bredevoortse zaken uit de periode 1638-1796, eveneens berustend in het Gelders Archief te Arnhem.

    De laatste Drost van het Ambt Bredevoort, sedert de Bataafse Omwenteling in 1795, was de Winterswijkse burger W. Paschen Gzn. te Winterswijk. Diens rekening over de periode 1808 aug – 1811 mrt werd op 4 september 1812 door de gezamenlijke maires van Aalten, Bredevoort, Dinxperlo en Winterswijk te Winterswijk afgehoord en aldaar gedeponeerd. Reeds in 1811 verzocht Paschen als tijdelijk maire van Winterswijk aan de voormalige Landschrijver om overdracht van bescheiden betreffende Winterswijkse aangelegenheden. Blijkens een schrijven in het archief van de Gemeente Winterswijk werd in 1813 een kist met archivalia per kruiwagen van Aalten naar Winterswijk overgebracht. Bij de selectie is men destijds tamelijk willekeurig te werk gegaan, zodat ook andere Bredevoortse bescheiden te Winterswijk geraakten. Ook Rentmeester J.B. Roelvink droeg in 1815 Bredevoortse stukken over aan de Burgemeester van Winterswijk. Overigens maakte Lichtenvoorde slechts deel uit van het Ambt gedurende de jaren 1798-1802.

    Sedert 1612 werden de ambtenaren benoemd door de Nassause Domeinraad. Voor aanstellingsgegevens zie het zg. Ambtboek, berustend in het archief van genoemde Domeinraad in het Nationaal Archief in Den Haag. Gegevens van aanstellingen in het Ambt Bredevoort zijn voorts te vinden in het archief van Drost en Geërfden, inv.nrs. 22-33, en in het archiefbestand Plaatselijk bestuur Winterswijk, inv. nr. 14. Via de Drosten zijn ook veel personeelsbescheiden beland in het huisarchief Keppel, berustend in het Gelders Archief te Arnhem.

    Behalve de stad Bredevoort bestond de heerlijkheid uit drie gerechtsdistricten, die samenvielen met de drie kerspelen Aalten, Dinxperlo en Winterswijk. In elk kerspel waren een voogd en één of twee ondervoogden aangesteld, die als tussenpersonen fungeerden tussen de inwoners van de kerspelen en het bestuur in Bredevoort. Ieder kerspel bestond uit een dorp en een aantal buurtschappen, gilden genoemd, die in rotten waren verdeeld. Aan het hoofd daarvan stonden rot- en gildemeesters, die moesten zorgen voor de verdere verspreiding van berichten en de uitvoering van bevelen. Tevens had iedere buurschap een bode, welk ambt verbonden was aan een bepaalde boerderij.

    Financiële zaken werden per kerspel door de plaatselijke geërfden behandeld. Deze vertegenwoordigers van de bevolking werden per dorp en buurtschap afgevaardigd en waren verantwoording verschuldigd aan de Drost. Het stadje Bredevoort had een eigen Rentmeester, die optrad namens de plaatselijke geërfden. Ieder kerspel had een eigen ontvanger der verponding. In Bredevoort traden soms de rotmeesters gezamenlijk als ontvangers der verponding op. De kerkmeesters in elk kerspel, belast met het beheer van kapitaal en bezit van de plaatselijke kerk, werden gekozen uit de geërfden en moesten voor de Drost en hun medegeërfden rekening en verantwoording afleggen. Naast de diaconie als kerkelijke instelling bestond er voor de armenzorg ook een wereldlijke instelling, de provisorie. Evenals de kerkmeesters werden provisoren gekozen uit de geërfden en moesten op dezelfde wijze verantwoording afleggen.

    Bronnen


  • Veemgericht op ’t Walfort

    Veemgericht op ’t Walfort

    In de nabijheid van havezathe ’t Walfort bij Aalten was in de middeleeuwen een zogenaamd veemgericht gevestigd. Veem is Nedersaksisch voor ‘straf’. Het was een speciale rechtbank waarvan de zittingen in de open lucht plaatsvonden bij een bosje met de naam “Sleehegge”. Hier werd vier maal per jaar rechtgesproken bij opgaande zon.

    Het veemgericht werd voorgezeten door een vrijgraaf, een rechter naar oud-Westfaals model. Een vrijgraaf vertegenwoordigde een zogenaamde vrijstoel. Een vrijstoel besloeg een bepaald gebied, meestal gelijk aan de gouwen uit de Karolingische tijd. De vrijgraaf vindt zijn oorsprong bij de Saksen. Na onderwerping van de Saksen door Karel de Grote bleven de oude veemgerichten nog een lange tijd bestaan.

    Deze vrijgraaf en een aantal vrije veemschepenen of bijzitters oordeelden over de aanklacht, na dagvaarding van de verdachte. Het veemgericht zou zijn opgetreden wanneer men moest vrezen dat een bevoorrecht persoon niet voor een reguliere rechtbank kon worden gebracht, en zo een hiaat in het rechtsstelsel hebben opgevuld.

    De Dücker zal ow halen

    De meest bekende en beruchte vrijgraaf op ’t Walfort was Berend de Dücker, tevens burgemeester van Bocholt. Hij werd in 1430 op ’t Walfort benoemd en was bijzonder gevreesd, want zijn veroordelingen eindigden vaak met de dood. De veroordeelde werd door drie anonieme veemschepenen opgehangen aan een strop van wilgentenen. De Dücker heeft het veemgericht 61 jaar lang voorgezeten. Een bekend dreigement van ouders voor hun kinderen, als zij niet wilden gehoorzamen, was nog tot in de 20e eeuw: “De Dücker zal ow halen”.

    Omdat de veemgerichten het monopolie van de overheid om straffen op te leggen ondermijnden, verbood de hertog van Gelre zijn onderdanen gevolg te geven aan een dagvaarding voor het veemgericht. Aan het einde van de zestiende eeuw verdween het veemgericht op ’t Walfort. Het is de enige plek in Nederland waarvan is bewezen dat er een veemgericht was.

    Het Rotterdamsch Nieuwsblad schreef in 1936 over het veemgericht op ’t Walfort:

    Veemgericht op het Walfort - Rotterdamsch Nieuwsblad, 05-02-1936
    Het veemgericht op het Walfort.

    Ontstaan uit den druk der tijden en als reactie op de tyrannieke overheersching der Pandheeren, vergaderde zij [het veemgericht, red.] des nachts. De burgers, die de rechtbank vormden, kenden elkander soms niet. Zij verschenen gemaskerd. Om te voorkomen, dat de gevangenen zouden verklappen, wat er was gebeurd, en waar de zittingen, of liever de bijeenkomsten werden gehouden, was het vonnis, dat geveld werd, steeds de doodstraf. De gemakkelijkst uit te voeren straf was die van den strop.

    Om aan den langskomenden te laten zien, dat men te doen had met een veemvonnis, werd in den boom, waaraan de gehangene was gevonnist, het teeken van het Veemgericht met een bijl gehakt, een z.g. Wolfshaak [of Wolfsangel, red.]. Dit alles lijkt ons, in, den tegenwoordigen tijd zeer wreed. Maar men moet niet vergeten, dat de verbittering in verband met den nood der tijden tot deze maatregelen heeft geleid.

    Want hoofdzakelijk keerden de veemrechters zich tegen de ontslagen krijgsknechten van de vele legertjes der vele elkander voortdurend bestrijdende Potentaatjes.

    Deze krijgslieden, die vriend noch vijand ontzagen, stroopten bij grootere of kleinere troepjes het platteland af. Zij stalen vee, kippen en levensmiddelen. Ook geld, dat bij de boerenbevolking van die oude tijden schaarsch was, benevens huisraad en sieraden. En kerkschatten waren van hun gading.

    Schandelijk gedroegen deze lieden zich tegenover vrouwen en kinderen. En wee, den boer die op een eenzame hoeve woonde zich tegen hun misdaden durfde verzetten. Zijn gezin mishandelde men voor zijn oogen, terwijl hij, gebonden, toezag. Zijn hoeve werd in brand gestoken, en hijzelf als laatste, dood geslagen.

    Het Veemgericht, dat was samengesteld uit bewoners van Bredevoort en Aalten, werd naderhand officieel op het Walfort gevestigd, waar uit de familie van Lintelo, de Richter, Vrijgraaf of voorzitter van de Rechtbank werd verkozen. In 1573 treffen we er als zoodanig Arend van Lintelo aan.

    Lees ook “Een veemgericht op Nederlandschen bodem”, door Dr. H. Kits Nieuwenkamp (1938):

    Bronnen


  • Notarishuis

    Notarishuis

    Bredevoortsestraatweg 67, Aalten

    Deze prachtige villa, gebouwd op een heuveltje, kent een rijke geschiedenis en is aangemerkt als gemeentelijk monument. In eerste instantie deed het dienst als kantongerecht met woning en daarna als kostschool van de dames Hagen. Vervolgens woonde er de gemeentesecretaris Bernard Hendrik Vaags.

    Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren er onderduikers in het huis ondergebracht. De onderduikers waren ‘verstopt’ in een kleine ruimte in een slaapkamer achter de zijkant van een dakkapel, die toegankelijk was via een geheime toegang van de boekenkast.

    Later werd het een notariskantoor van Krijgers Janzen. Nadat de notaris vertrok, was het pand lang in gebruik als locatie van de Volle Evangelie Gemeente ‘Heil en Lof’. Hierna werd de woning particulier eigendom. De tuin stond in het voorjaar vol met prachtige krokussen, een bezienswaardigheid.


    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving

    Bewoners

    Bevolkingsregister 1860-1870

    Aalten 206c

    Frederik Willem Jacob Immink (Ootmarsum, 24-08-1822), kantonregter
    Anna Beatrix Scheij (Oldenzaal, 29-07-1821)

    Bevolkingsregister 1870-1880

    Aalten 269

    Frederik Willem Jacob Immink (Ootmarsum, 24-08-1822), kantonregter
    Anna Beatrix Scheij (Oldenzaal, 29-07-1821)

    Volgende bewoners (1878-1879):

    Aarnoud Sijbrand David van Barneveld (Doesburg, 05-11-1845), koopman
    Louise Gerarda Petronella de Lacij (Haarlem, 13-05-1848)

    Volgende (hoofd)bewoner (1879-1896):

    Aalten 269

    Madelaine Louise Mathilde Dassevael (Amsterdam, 13-11-1809), wed. Hendrik Jan Hagens

    Bevolkingsregister 1880-1890

    Aalten 300

    Madelaine Louise Mathilde Dassevael (Amsterdam, 13-11-1809)

    Bevolkingsregister 1890-1900

    Aalten 292

    Madelaine Louise Mathilde Dassevael (Amsterdam, 13-11-1809)

    Volgende bewoners:

    Bernardus Hendrikus Vaags (Aalten, 18-09-1863), ambtenaar ter secretarie
    Harmina Johanna Wandrina Freriks (28-12-1862)

    Bevolkingsregister 1900-1910

    Aalten 331 > 390

    Bernardus Hendrikus Vaags (Aalten, 18-09-1863), gemeentesecretaris
    Harmina Johanna Wandrina Freriks (28-12-1862)

    Bevolkingsregister 1910-1920

    Aalten B390 > C411

    Bernardus Hendrikus Vaags (Aalten, 18-09-1863), gemeentesecretaris
    Harmina Johanna Wandrina Freriks (28-12-1862)

    Adresboek 1934

    Aalten C411 > Bredevoortschestraat 67

    B.H. Vaags

    Adresboek 1967

    W.C. Krijgers Janzen

    Kenmerken


    Kadastraal nr.I-11823
    FunctieWoonhuis
    Bouwjaar1859
    MonumentGemeentelijk
    monument
  • Markt 3

    Markt 3

    Aalten

    Dit pand op de hoek van de Markt en de Köstersbulte, met zijn karakteristieke klokgevel, heeft al vele bestemmingen gehad waaronder, woonhuis, winkel, bank, VVV-kantoor en politiebureau. Tegenwoordig maakt het deel uit van het gemeentehuis van Aalten.


    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving
    1832I-1163Johannes Peters390 m² huis & erf
    1838I-1163Petronella Hendrika Lichterink, rentenierster390 m² huis & erf
    1849I-1163Lodewijk Vaags e.c., bakker390 m² huis & erf
    1854I-1163Lourens Prins, bakker390 m² huis & erf
    1873I-3158Gerharda Willemina Gussinklo273 m² huis & erf
    1875I-3158Gerrit Peters, kunstdraaijer273 m² huis & erf
    1880I-3642Gerrit Peters, kunstdraaijer133 m² huis & erf
    1919I-3642de N.V. “de Gelders-Overijselsche
    Bankvereeniging” te Deventer
    133 m² huis & erf
    1931I-3642Hendrik Prinzen, manufacturier, kleermaker133 m² huis & erf
    1941I-3642de Gemeente Aalten133 m² huis & erf

    Bewoners

    Bevolkingsregister 1823-1838

    Aalten 271

    Adolph Weggelaar (Aalten, 08-07-1790), chirurgijn
    Magdalena Berendina Catharina Becking (Keppel, 29-11-1791)

    Volgende bewoners:

    Willem te Gussinklo (Aalten, 01-12-1807), winkelier
    trouwt op 05-04-1832 in Aalten met
    Josina Aleida Mierdink (Aalten, 16-05-1811)

    Bevolkingsregister 1838-1850

    Aalten 284

    Willem te Gussinklo (Aalten, 01-12-1807), winkelier
    Josina Aleida Mierdink (Aalten, 16-05-1811)

    Bevolkingsregister 1850-1860

    Aalten 284

    Willem te Gussinklo (Aalten, 01-12-1807), winkelier
    Josina Aleida Mierdink (Aalten, 16-05-1811)

    Bevolkingsregister 1860-1870

    Aalten 284

    Gerrit Jan te Gussinklo (Aalten, 02-05-1841), winkelier

    Volgende bewoner, zuster:

    Gerharda Willemina te Gussinklo (Aalten, 11-02-1839)

    Bevolkingsregister 1870-1880

    Aalten 361

    Gerharda Willemina te Gussinklo (Aalten, 11-02-1839), winkelierster

    Volgende bewoners, zuster en echtgenoot:

    Gerrit Peters (Aalten, 17-12-1839), kunstdraaijer
    trouwt op 12-07-1866 in Aalten met
    Josiena Aleida te Gussinklo (Aalten, 02-12-1843)

    Bevolkingsregister 1880-1890

    Aalten 404

    Gerrit Peters (Aalten, 17-12-1839), kunstdraaijer
    Josiena Aleida te Gussinklo (Aalten, 02-12-1843)

    Bevolkingsregister 1890-1900

    Aalten 398a

    Gerrit Peters (Aalten, 17-12-1839), kunstdraaier
    Josiena Aleida te Gussinklo (Aalten, 02-12-1843)

    Bevolkingsregister 1900-1910

    Aalten 470d > 520

    Gerrit Peters (Aalten, 17-12-1839), landbouwer
    Josiena Aleida te Gussinklo (Aalten, 02-12-1843)

    Bevolkingsregister 1910-1920

    Aalten 520

    Gerrit Peters (Aalten, 17-12-1839), landbouwer
    Josiena Aleida te Gussinklo (Aalten, 02-12-1843)

    Volgende bewoners:

    Aalten 520 > D573

    Cornelis Derk Kappers (Winterswijk, 26-11-1891), ambtenaar Geld. Ov. bank
    trouwt op 14-06-1918 in Winterswijk met
    Johanna Konings (Kotten, 06-02-1896)

    Adresboek 1934

    Aalten D573 > Markt 3

    H. Prinsen

    Adresboek 1967

    Markt 3

    Bureau Sociale Zaken

    Kenmerken


    Kadastraal nr.I-3642
    FunctieWoonhuis, Winkel,
    Bank, Kantoor,
    Politiebureau
    Bouwjaar1900
    Monumentnee
  • Markt 5

    Markt 5

    Aalten

    Dit was in de 19e eeuw de woning van de familie Westerveld, waarvan drie generaties de functie bekleedden van deurwaarder bij het kantongerecht te Aalten, en later Groenlo. Na het overlijden van de weduwe van Hendrik Westerveld in 1916 werd het huis aangekocht door de gemeente Aalten. Sindsdien maakt het pand deel uit van het gemeentehuis van Aalten.


    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving
    1832I-1167G.J. Westerveld340 m² huis & erf
    1840I-1167Gradus Theodorus Westerveld, deurwaarder340 m² huis & erf
    1882I-3159Hendrik Westerveld, deurwaarder340 m² huis & erf
    1917I-5107de Gemeente Aalten303 m² gemeentehuis & erf

    Bewoners

    Bevolkingsregister 1823-1838

    Aalten 270

    Harmen Jan van Eerden (Winterswijk, 15-12-1765), weduwnaar van Johanna Hesselink

    Volgende bewoners, dochter en schoonzoon:

    Gerhardus Theodorus Westerveld (Aalten, 24-11-1800), deurwaarder
    Grada Johanna van Eerden (Aalten, 12-01-1798)

    Bevolkingsregister 1838-1850

    Aalten 283

    Gerhardus Theodorus Westerveld (Aalten, 24-11-1800), deurwaarder
    (1) Grada Johanna van Eerden (Aalten, 12-01-1798)
    (2) Johanna Harmina Arentzen (Aalten, 11-05-1816)

    Bevolkingsregister 1850-1860

    Aalten 283

    Gerhardus Theodorus Westerveld (Aalten, 24-11-1800), deurwaarder

    Bevolkingsregister 1860-1870

    Aalten 283

    Gerhardus Theodorus Westerveld (Aalten, 24-11-1800), deurwaarder

    Bevolkingsregister 1870-1880

    Aalten 360

    Gerhardus Theodorus Westerveld (Aalten, 24-11-1800), deurwaarder

    Bevolkingsregister 1880-1890

    Aalten 403

    Gerhardus Theodorus Westerveld (Aalten, 24-11-1800), oud deurwaarder

    Volgende bewoners, zoon uit Gerhardus Theodorus’ 2e huwelijk en schoondochter:

    Hendrik Westerveld (Aalten, 31-08-1843), deurwaarder
    trouwt op 24-02-1881 in Aalten met
    Barendina Gerharda Freriks (Aalten, 04-04-1841)

    Bevolkingsregister 1890-1900

    Aalten 397

    Hendrik Westerveld (Aalten, 31-08-1843), deurwaarder
    Barendina Gerharda Freriks (Aalten, 04-04-1841)

    Bevolkingsregister 1900-1910

    Aalten 469 > 521

    Hendrik Westerveld (Aalten, 31-08-1843), deurwaarder
    Barendina Gerharda Freriks (Aalten, 04-04-1841)

    Bevolkingsregister 1910-1920

    Aalten 521

    Hendrik Westerveld (Aalten, 31-08-1843), deurwaarder
    Barendina Gerharda Freriks (Aalten, 04-04-1841)

    Adresboek 1934

    Aalten D574 > Markt 5

    Gemeentehuis

    Adresboek 1967

    Markt 5

    Gemeentehuis

    Kenmerken


    Kadastraal nr.I-5107
    FunctieWoonhuis,
    Gemeentehuis
    BouwjaarEind 17e eeuw
    MonumentRijksmonument
  • Markt 7

    Markt 7

    Aalten

    Tot 1818 viel het dorp Aalten bestuurlijk onder het ambt Bredevoort. Dat jaar werd het ambt opgesplitst in drie nieuwe gemeenten: Aalten, Dinxperlo en Winterswijk. Vanaf 1826 werd het statige herenhuis van Hesselink aan de Markt gebruikt als raadhuis. In 1843 kocht de gemeente het herenhuis en liet het verbouwen tot gemeentehuis. Tussen 1830 en 1877 zetelde ook het kantongerecht in dit pand.


    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving
    1832I-1166wed. Arnoldus Hesselink, rentenierster400 m² huis & erf
    1846I-1166de Gemeente Aalten400 m² huis & erf

    Bewoners

    Bevolkingsregister 1823-1838

    Aalten 269

    Berendina Alida Huijnink (Aalten, 20-09-1763), wed. Arnoldus Hesselink

    Volgende bewoners:

    Louis Gerhard Sebastiaan du Pré (Winterswijk, 14-04-1798), Fransch onderwijzer
    Antonia Johanna van Westerbeek Manschot (Aalten, 27-11-1805)

    Bevolkingsregister 1838-1850

    Aalten 282

    Louis Gerhard Sebastiaan du Pré (Winterswijk, 14-04-1798), Fransch onderwijzer
    Antonia Johanna van Westerbeek Manschot (Aalten, 27-11-1805), onderwijzeresse

    Hierna vinden we dit adres niet meer terug in het bevolkingsregister.

    Adresboek 1934

    Aalten D575 > Markt 7

    Gemeentehuis

    Adresboek 1967

    Markt 7

    Gemeentehuis

    Kenmerken


    Kadastraal nr.I-1831
    FunctieWoonhuis,
    Gemeentehuis
    Bouwjaar1880
    MonumentRijksmonument
  • Markt 9

    Markt 9

    Aalten

    In de oude dorpsboerderij Markt 9 was begin vorige eeuw de kruidenierswinkel van Walvoort gevestigd. Aan de Landstraatzijde van het huis stond in een balk boven de grote deuren “OCH GODT LAT DIR BEVOLEN SYN DIT HUIS UND DIE DAER WOENEN IN. DEN 30 AUGUSTI”. Voor een jaartal was geen ruimte meer.

    In 1925 werd het pand door de gemeente aangekocht en verbouwd om de brandweerauto’s onder te brengen. De voorgevel werd daarvoor uitgebroken.

    In 1975 werd de oude brandweerkazerne gesloopt om plaats te maken voor een uitbreiding van het gemeentehuis. Veel Aaltenaren vonden de moderne nieuwbouw ontsierend aan het historische plein. In 2016 en 2017 werd het gemeentehuis gerenoveerd, waarbij de aanbouw uit de jaren 70 werd gesloopt en vervangen door historiserende nieuwbouw.


    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving
    1832I-1163Johannes Peters390 m² huis & erf
    1838I-1163Petronella Hendrika Lichterink, rentenierster390 m² huis & erf
    1849I-1163Lodewijk Vaags e.c., bakker390 m² huis & erf
    1854I-1163Lourens Prins, bakker390 m² huis & erf
    1873I-3112Lourens Prins, bakker341 m² huis & erf
    1917I-3112de Gemeente Aalten341 m² huis & erf

    Bewoners

    Bevolkingsregister 1823-1838

    Aalten 268

    Dirk Gijsbert Rots (Aalten, 09-01-1752), grondeigenaar
    Aaltje Wolterink (Aalten, 04-04-1751)

    Volgende bewoners:

    Johannes Peters (Aalten, 22-11-1800), leerlooyer
    Bartha Johanna van Westerbeek Manschot (Aalten, 03-02-1804)

    Bevolkingsregister 1838-1850

    Aalten 281

    Johannes Peters (Aalten, 22-11-1800), leerlooyer
    Bartha Johanna van Westerbeek Manschot (Aalten, 03-02-1804)

    Volgende bewoners:

    Louis Gerhard Sebastiaan du Pré (Winterswijk, 14-04-1798), Fr. onderwijzer
    Antonia Johanna van Westerbeek Manschot (Aalten, 27-11-1805), onderwijzeresse

    Bevolkingsregister 1850-1860

    Aalten 281

    Louis Gerhard Sebastiaan du Pré (Winterswijk, 14-04-1798), onderwijzer
    Antonia Johanna van Westerbeek Manschot (Aalten, 27-11-1805)

    Volgende bewoners:

    Lourens Prins (Aalten, 23-04-1824), bakker
    Everdina Johanna Voltman (Bredevoort, 19-04-1829)

    Bevolkingsregister 1860-1870

    Aalten 281

    Lourens Prins (Aalten, 23-04-1824), bakker
    Everdina Johanna Voltman (Bredevoort, 19-04-1829)

    Bevolkingsregister 1870-1880

    Aalten 358

    Lourens Prins (Aalten, 23-04-1824), bakker

    Bevolkingsregister 1880-1890

    Aalten 401

    Lourens Prins (Aalten, 23-04-1824), bakker

    Bevolkingsregister 1890-1900

    Aalten 395

    Lourens Prins (Aalten, 23-04-1824), landbouwer

    Volgende bewoners:

    Bevolkingsregister 1900-1910

    Aalten 467 > 523

    Hendrik Jan Kempink (Aalten, 27-12-1879), winkelier
    Aleida Gesina Vreeman (Aalten, 09-10-1881)

    Bevolkingsregister 1910-1920

    Aalten C523

    Hendrik Jan Kempink (Aalten, 27-12-1879), winkelier
    Aleida Gesina Vreeman (Aalten, 09-10-1881)

    Zij verhuizen naar Aalten 109 (Adm. de Ruyterstraat 35).

    Volgende bewoners:

    Aalten C523 > D576

    Johannes Walvoort (Barlo, 14-06-1881), fabrieksarbeider
    Berendina Gesina Wentink (Zelhem, 24-01-1886)

    Adresboek 1934

    Aalten D576 > Markt 9

    Brandspuithuis

    Adresboek 1967

    Markt 9

    Garage

    Kenmerken


    Kadastraal nr.I-3112/1164
    FunctieWoonhuis,
    Winkel,
    Brandweerkazerne
    Bouwjaaronbekend
    Sloop1975
    Markt 9, Aalten (1975)
    Nieuwbouw (aanbouw) gemeentehuis, 1975
  • ’t Smees

    ’t Smees

    ’t Smees 1, Dale

    Boerderij ’t Smees ligt in een ‘groene long’ aan de noordoostkant van de bebouwde kom van Aalten. De huidige boerderij dateert uit de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw. Uit oudere kaarten blijkt dat de oorspronkelijke boerderij ongeveer 100 meter verderop stond, ongeveer op de plek waar nu de kuilvoerplaatsen liggen. ’t Smees heeft eeuwenlang toebehoord aan Havezathe Walfort.

    ’t Smees was ooit de ambtswoning van Aaltens eerste burgemeester Christiaan Casper Stumph. Van 1811 tot 1818 fungeerde de boerenwoning ook als gemeentehuis. Pas onder de tweede burgemeester, mr. A.F. Roelvink werd het gemeentehuis aan de Markt in Aalten gebouwd. Burgemeester Stumph is op zijn eigen landgoed begraven, in de grafheuvel die nog immer te vinden is aan het Nannielaantje op ’t Smees.

    In augustus en september 1949 vond op het Smees de Aaltense Landbouw-, Middenstands- en Industrietentoonstelling (ALMI) plaats. Dit was destijds een enorm evenement met maar liefst 63.000 bezoekers in vijf dagen.


    Archieven

    Verpondingskohier 1647

    Smees oft Buegel, Coeverden, onder d’Havesaet.
    Huis, hof 1/2 sch. boulant 8 mdr. 3de gerve 66 – 13 -.
    Voor t’groenlant 15 dlr. 22 – 10 -.
    Een vercken of 2 1/2 dlr. en pontschatt. 3 – 15 -.

    Liberale Gifte 1748


    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving
    1832C-1283Johan Christiaan Ros, gepens. kapitein1.880 m² huis & erf

    Bewoners

    Eerst bekende bewoner:

    Jan Smees (Dale)

    Jan was in 1650 bouwman op Smees (Verpondingscohier, origineel register).

    Volgende bewoners, zoon en schoondochter:

    Herman Smees (Dale – Dale < 1713), trouwt op 15-07-1677 in Aalten met
    Mette te Meken (Vragender)

    Volgende bewoners:

    Wolter ter Braeck alias te Hengevelt alias Smees (Lintelo – Dale < 1727), trouwt op 31-08-1673 in Aalten met
    Aeltjen ter Beest (De Heurne)

    Wolter en Aeltjen kwamen van Hengeveld in Lintelo rond 1693.

    Volgende bewoners, dochter en schoonzoon:

    Herman te Lohuijs alias Smees (Aalten, 02-08-1674 – Dale < 1748), trouwt op 27-03-1698 in Aalten met
    Geesken te Hengevelt alias Smees (Aalten, 26-08-1677 – > 1748)

    Volgende bewoners, zoon en schoondochter:

    Ant(h)oni(j) Smees (Aalten, 21-01-1708 – Dale, 05-05-1763), trouwt op 24-01-1739 in Aalten met
    Geeske(n) te Winkel (Aalten, 03-12-1710 – Lintelo, 05-03-1790)

    Geeske(n) vertrok naar Nieuw Rensink (Rensink Gradus) in Lintelo; vermoedelijk vóór 1775, aangezien zoon Harmanus in dat jaar trouwt als Harmanus Rensink uit Lintelo en niet als Harmanus Smees.

    Volgende bewoners:

    Christiaan Caspar Stumph (Aalten, 14-02-1745 – Haart, 06-01-1820), trouwt (1) op 12-11-1780 in Amsterdam met
    Jeanne de Lesturgeon (Amsterdam, 21-08-1740 – Dale, 23-01-1789)

    Christiaan vertrok naar het dorp Aalten en woonde na zijn 2e huwelijk op de Hare in Haart.

    Volgende bewoners:

    Register Civique 1811-1820

    Begin 19e eeuw werd ’t Smees blijkbaar dubbel bewoond, getuige de vermeldingen voor zowel Dale 65 als 66. Onderstaande bewonersreeksen zijn nog niet compleet.

    Volgens Registre Civique op 65

    Hendrik Oonk (Winterswijk, 19-04-1752), trouwt op 13-11-1785 in Winterswijk met
    Anna Catrijna te Hofste(e) / Hoovestede (Winterswijk, 03-02-1754 – Dale, 15-02-1806)

    Volgende bewoners, dochter en echtgenoot:

    Derk te(r) Haar (Haart, 22-12-1773 – Aalten, 31-05-1845), trouwt op 17-09-1802 in Aalten met
    Johanna Geertruid Oonk (Dale, 15-09-1786)

    Derk en Johanna Geertruid vertrokken naar Bonte Hek in Dale.

    Volgens Registre Civique op 66, volgens bevolkingsregister 1823 op 65

    Derk Ansink (Aalten, 20-10-1748 – Dale, 27-02-1810), trouwt op 01-05-1791 in Aalten met
    Hermina te Brake (Aalten, 16-11-1760 – Barlo, 01-04-1835)

    Bevolkingsregister 1823-1850

    “Smees”

    Dale 66

    Johann Christiaan Rost (Saxen Gotha/D, 15-12-1755), gepens. capitein
    Christina Petronella Stumph (Bredevoort, 24-08-1786)

    Dale 65

    Hermina te Brake (Aalten, 16-11-1760), wed. Derk Ansink, landbouwster

    Bevolkingsregister 1850-1890

    Hiaat in bewonersgeschiedenis.

    Bevolkingsregister 1890-1900

    Dale 109

    Evert Scheffer (Rheden, 25-09-1839), trouwt op 05-12-1878 in Wisch met
    Hermina Hofs (Varsseveld, 12-06-1853)

    Bevolkingsregister 1900-1910

    Dale 114 > Aalten B402

    Evert Scheffer (Rheden, 25-09-1839)
    Hermina Hofs (Varsseveld, 12-06-1853)

    Bevolkingsregister 1910-1920

    Aalten B402 > C435

    Evert Scheffer (Rheden, 25-09-1839)
    Hermina Hofs (Varsseveld, 12-06-1853)

    Volgende bewoners, dochter en schoonzoon:

    Gerrit Jan de Roos (Kotten, 07-11-1873), trouwt op 20-08-1908 in Aalten met
    Hendrika Geertruida Scheffer (Dale, 07-10-1886)

    Adresboek 1934

    Aalten C435 > ’t Smees 1

    G.J. de Roos

    Adresboek 1967

    ’t Smees 1

    H.B. Kemink
    A.G. Kemink

    Kenmerken


    Kadastraal nr.D-6027
    FunctieBoerderij
    Bouwjaar1920
    Monumentnee
  • Oude Gevangenis

    Oude Gevangenis

    Prinsenstraat 40, Aalten

    De voormalige gevangenis aan de Prinsenstraat in Aalten werd in 1861 in neoclassicistische stijl gebouwd als kantonnaal huis van bewaring met zes cellen en een cipierswoning. In 1886 verviel de kantonnale status, maar het gebouw bleef tot de Tweede Wereldoorlog in gebruik als gemeentelijke gevangenis. Tegenwoordig heeft het pand een woonbestemming.

    Een inventarislijst uit 1933 noemt nog ‘meubilair en overige goederen behorend tot de gevangenis in de Achterstraat’ (de oude naam van de Prinsenstraat). Vóór 1861 bevond het plaatselijke cachot zich aan de Landstraat.

    In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Het volgende schreef hij over de oude gevangenis:

    “Voor kantongerechtzaken behoefde men niet ver te loopen. In ons goede dorp zetelde immers de kantonrechter en werd het kantongerecht in het gemeentehuis gehouden. De gevangenis te Aalten was ook ingericht voor bewaring van gevangenen, langer dan een etmaal. Een cipier was daarvoor aangesteld en lange jaren heeft Wessel te Brake dit baantje vervuld. Hij heeft voor de richtige nakoming van voeding en verzorging der gevangenen een contract moeten teekenen en daarvoor ook nog eenige borgen moeten stellen. Als bijzonderheid publiceeren wij hier het afschrift van dit contract:

    Tusschen het College van Toezicht over het huis van bewaring te Aalten ter eener, en Wessel te Brake, cipier der gevangenen wonende te Aalten, ter andere zijde is op heden aangegaan het navolgende contract wegens het onderhoud der gevangenen gedurende het jaar 1862 en zulks voor den prijs van vijftig cents per gevangene daags.

    Artikel Een.

    De Aannemer verbindt zich tot voeding en verpleging der gevangenen in bovengenoemd huis aan ieder derzelven dagelijks te zullen verschaffen:

    • A. Vier oncen roggebrood van zuiver gebakken meel.
    • B. Drie maatjes warm drinken bestaande uit een deel zoete melk en vier deelen gekookt water.
    • C. Des middags een voedzame middagspijs ten minste overeenkomstig den voedingsstand vastgesteld voor de gevangenen in het algemeen.
    • D. Des avonds twee en een half once goed gebakken roggebrood als boven en twee en een half maatje warme drank, bestaande uit vier deelen gekookt water en een deel zoete melk met vijf wigtjes koffij en de noodige cichorij.
    • E. Het verder noodige drinkwater.

    Artikel Twee.

    De onderscheiden voedingsartikelen moeten van goede qualiteit zijn en naar den eisch gereed gemaakt worden en zullen steeds aan de goedkeuring van het College van Toezicht onderworpen zijn naar welker uitspraak de Aannemer zich zal hebben te gedragen.

    Artikel Drie.

    De Aannemer zal ook gehouden zijn in voorkomende gevallen aan de zieke gevangenen zoodanige spijs en drank te verschaffen als de geneeskundige zal voorschrijven met uitzondering van de geneesmiddelen.

    Artikel Vier.

    De Aannemer zal worden betaald binnen twee maanden na inlevering zijner driemaandelijksche of jaarlijksche declaratie.

    Artikel Vijf.

    In de voorschreven declaratie en Staten zal hij wel den dag van de aankomst der gevangenen doch niet dien van het vertrek kunnen in rekening brengen. Indien echter de gevangenen bij hunne aankomst reeds het middagmaal mogten hebben genoten en zij slechts tot den volgenden dag overblijven, zoodat hun alleen het avondmaal en morgeneten wordt verschaft, of wanneer zij op den dag hunner aankomst weder mogten vertrekken, zoodat hun slechts het middagmaal wordt verstrekt, zal in zoodanige gevallen slechts een halve verpleegdag kunnen worden gedeclareerd. Voor het onderhoud van kinderen tijdelijk bij hunne ouders opgesloten zal de helft van den aannemingsprijs voor iederen geheelen verpleegdag mogen worden berekent. Van een en ander zal in de kolom van Aanmerkingen en den nominatieven staat de noodige melding moeten worden gemaakt.

    Artikel Zes.

    Van de onderhoudskosten der policiegevangenen welke ten laste komen der gemeenten waartoe zij behooren zal de Aannemer steeds afzonderlijke declaraties en nominatieve staten behooren in te dienen. Indien in bijzondere gevallen het noodig mogt zijn de gevangenis te verlichten of te verwarmen zal de Aannemer daarin moeten voorzien op zoodanige wijze als het College van Toezicht zal voorschrijven.

    Artikel Zeven.

    De kosten van zegel en registratie des contracts mitsgaders de zegelgelden der mandaten wanneer die meer dan tien gulden beloopen, komen ten laste van den Aannemer.

    Artikel Acht.

    Indien er eenig verschil mogt ontstaan over het recht verstand en de uitoefening der vorenstaande bepaling zal hetzelve beoordeeld en beslist worden door den Heer Commissaris des Konings in de provincie, zonder beroep op eenige andere autoriteit.

    Na voorlezing van bovengenoemde voorwaarden verklaart de Aannemer, Wessel te Brake, dit alles goed te hebben begrepen, dezelve te zullen opvolgen en tot richtige nakoming zijner verbindtenis te stellen als borgen Jan Wegchelaar, bode en Jan te Hoonte, veldwachter, beide wonende te Aalten welke overigen alhier tegenwoordig verklaren de door den Aannemer na te komen verplichting wel te kennen, zich solidair met hem voor de uitvoering er van aansprakelijk te stellen en aan alle exeptien te recuntieren, welke door hen als borgen zouden kunnen worden opgeworpen. En hebben de Aannemer en zijne borgen deze mede onderteekend.

    Gedaan te Aalten den 10den Dec. 1861. Het College van Toezicht over het huis van bewaring te Aalten,
    w.g. F.W.J. IMMINK (president)
    w.g. L. ROELVINK, secretaris.

    De Aannemer en de borgen:
    w.g. W. TE BRAKE
    w.g. J. WEGCHELAAR
    w.g. J. TE HOONTE.

    Het stuk werd te Groenlo geregistreerd. De kosten hiervan waren 20 cent plus 38 opcenten is 28 cent samen.”


    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving
    1862I-2633
    I-2634
    Het Collegie van toezigt over de
    kantonale gevangenis van Aalten
    280 m² gevangenis, erf
    205 m² huis, erf
    1891I-4414
    I-4415
    de Gemeente Aalten269 m² huis van bewaring & erf
    185 m² huis & erf
    1893I-4556
    I-4557
    de Gemeente Aalten265 m² huis van bewaring & erf
    179 m² huis & erf
    1941I-5611
    I-4557
    de Gemeente Aalten
    Antonius Johannes Veldhuis, koopman
    115 m² huis van bewaring
    179 m² huis & erf
    1967I-5611
    I-4557
    Bernardus Antonius Veldhuis,
    manufacturier
    115 m² ged. huis
    179 m² huis & erf

    Bewoners

    Bevolkingsregister 1860-1870

    “Het Gevangenhuis”

    Aalten 183b

    Derk Jan te Brake (Aalten, 15-12-1833), cipier
    Hendrika Vervelde (Aalten, 20-02-1836)

    Bevolkingsregister 1870-1880

    Aalten 234

    Derk Jan te Brake (Aalten, 15-12-1833), cipier
    Hendrika Vervelde (Aalten, 20-02-1836)

    Bevolkingsregister 1880-1890

    Aalten 257

    Derk Jan te Brake (Aalten, 15-12-1833), cipier
    Hendrika Vervelde (Aalten, 20-02-1836)

    Volgende bewoners:

    Pieter de Vries (Winschoten, 18-05-1855)
    Elisabeth Wilhelmina Maters (Amsterdam, 04-01-1864)

    Volgende bewoners:

    Johannes Bijen (Weerselo, 19-03-1854), rijksveldwachter
    Johanna Gerharda Stockenbroek (Oldenzaal, 14-11-1861)

    Bevolkingsregister 1890-1900

    Aalten 248

    Johannes Bijen (Weerselo, 19-03-1854), rijksveldwachter
    Johanna Gerharda Stockenbroek (Oldenzaal, 14-11-1861)

    Volgende bewoners:

    Hendrik Jan Ansink (Aalten, 11-12-1863), schoenmaker
    Geesje van Aggelen (Zwolle, 19-07-1869)

    Volgende bewoners:

    Jacob Jitzes Sipsma (Bozum, 26-02-1862), veldwachter
    Margaretha Kuiper (Harlingen, 28-08-1860)

    Volgende bewoners:

    Koert Jan Balsters (Groningen, 03-04-1865), gem. veldwachter
    Grietje Morren (Scherpenzeel,14-03-1861)

    Bevolkingsregister 1900-1910

    Aalten 275 > 327

    Koert Jan Balsters (Groningen, 03-04-1865), gem. veldwachter
    Grietje Morren (Scherpenzeel,14-03-1861)

    Volgende bewoners:

    Jan Timmer (Haren/G, 17-12-1873), gemeenteveldwachter
    Alijda de Goede (Amersfoort, 30-03-1873)

    Volgende bewoners:

    Jacob Blom (Haamstede, 21-11-1865), gem. veldwachter
    Johanna Louisa ter Borg (Winterswijk, 09-02-1873)

    Bevolkingsregister 1910-1920

    Aalten B327 > C334

    Jacob Blom (Haamstede, 21-11-1865), veldwachter
    Johanna Louisa ter Borg (Winterswijk, 09-02-1873)

    Bevolkingsregister 1920-1930

    Aalten C334

    Jacob Blom (Haamstede, 21-11-1865)
    Johanna Louisa ter Borg (Winterswijk, 09-02-1873)

    Volgende bewoners:

    Adresboek 1934

    Aalten C334 > Prinsenstraat 40

    H.J. Aalbers

    Volgende bewoners (na 1934):

    Bevolkingsregister 1930-1940

    Aalten C334

    Sieds Douma (Dronrijp, 09-07-1898), grondwerker
    IJbeltje de Jong (Oosterbierum, 12-07-1900)

    Adresboek 1967

    Prinsenstraat 40

    S. Douma
    J. Jansen

    Kenmerken


    Kadastraal nr.I-11456
    FunctieHuis van Bewaring,
    Woonhuis
    Bouwjaar1861
    MonumentGemeentelijk
    monument
  • Ambthuis

    Ambthuis

    Landstraat 17, Bredevoort

    Het oorspronkelijke Ambthuis dateerde blijkens muurankers uit 1699. Het was vervolgens een eeuw lang het machtscentrum van de Heerlijkheid Bredevoort. Het Ambthuis werd ook wel Mauritshuis genoemd. Blijkbaar had Prins Maurits onder de inwoners een onvergetelijke indruk achtergelaten.

    Hoofdgerecht

    Na de kruittorenramp van 1646 was stad en heerlijkheid Bredevoort zonder ambtshuis (combinatie van een rechtbank en stadhuis) geraakt. Het zou toch nog ruim vijftig jaar duren voordat er weer een nieuw ambthuis werd gebouwd. Waarschijnlijk was het gebouw verbonden met de Misterpoort, de stadspoort tegenover het huis. Het gebouw was tevens het hoofdgerecht van de heerlijkheid. In Aalten en Winterswijk waren ook rechtbanken, maar de zware vergrijpen werden altijd in Bredevoort behandeld. De drost fungeerde als rechter.

    In de kelders bevonden zich een aantal cachots, cellen, en een gruwelkamer met de nodige werktuigen. De terdoodveroordeelden hadden een cel zonder daglicht en frisse lucht. Wilde je niet bekennen, dan was dreigen met de martelkamer vaak voldoende om schuld te bekennen. Het vonnis werd traditioneel uitgesproken op ’t Zand. Bij een doodstraf werd de veroordeelde meteen naar de Galgenbulte op de Hollenberg gebracht voor uitvoering van het vonnis. Meestal betekende dit ophanging aan de galg die daar al eeuwenlang op slachtoffers stond te wachten. Het schijnt dat je de galg vanaf de Aalterpoort kon zien staan. Voor de plaatselijke bevolking was zo’n executie sensationeel. Heel Bredevoort en Aalten liep dan ook uit om dit mee te maken.

    Andere functies

    Na de Franse tijd verloor het gebouw haar functie en was het onder andere in gebruik als winkelpand van de katholieke coöperatie. In 1920 werd deze opgericht door de arbeidersvereniging. Vroeger gingen de katholieken naar deze winkel en wie een andere geloofsovertuiging had, ging naar de andere coöperatie iets verderop in de Landstraat.

    Het Ambthuis werd omstreeks 1963 gesloopt. De kelders van het Ambthuis bevonden zich nog onder de winkel, met daarin twee gevangeniscellen. In 1964 werd de eerste steen gelegd voor de bouw van meubelzaak Betting op deze locatie. In 2009 werd dit pand weer gesloopt, na de verhuizing van Betting naar een nieuw winkelpand aan de Prins Mauritsstraat.

    Nieuwbouw

    Nu staat er op de plek van het oude Ambthuis een zorgappartementencomplex met twintig appartementen en een restaurant. De nieuwbouw kreeg wederom de naam ‘Ambthuis’. Uiterlijk vertoont het nieuwe pand veel overeenkomsten met zijn illustere voorganger. Aan het gebouw werd een replica van de historische zonnewijzer bevestigd en voor het gebouw een replica van de muziekkoepel. In de voorgevel werd een originele gevelsteen van het oude Ambtshuis ingemetseld met daarop de tekst “Die kan lide haet en nijt, die overwint in korten tijd.”


    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving
    1832B-104Jan Barend Top, bleeker390 m² huis & erf

    Bewoners

    Bevolkingsregister 1823-1838

    Bredevoort 16

    Johannes Bernadus Top (Weseke/D, 28-07-1749)
    Hermina Legeschaar (Kruiskapel/D, 28-11-1789)

    Bevolkingsregister 1838-1850

    Bredevoort 8

    Johannes Bernadus Top (Weseke/D, 28-07-1749)
    Hermina Legeschaar (Kruiskapel/D, 28-11-1789)

    Bevolkingsregister 1850-1870

    Hier zit nog een hiaat in onze informatie…

    Bevolkingsregister 1870-1880

    Bredevoort 10

    Jean Leander van Eijck (Sint-Niklaas/B, 25-11-1808 – Bredevoort, 25-02-1888)

    Bevolkingsregister 1880-1890

    Bredevoort 17

    Jean Leander van Eijck (Sint-Niklaas/B, 25-11-1808 – Bredevoort, 25-02-1888)

    Volgende (hoofd)bewoner, dochter:

    Johanna Christina Theodora van Eijck (Bredevoort, 18-06-1848)

    Bevolkingsregister 1890-1900

    Bredevoort 11

    Johanna Christina Theodora van Eijck (Bredevoort, 18-06-1848)

    Bevolkingsregister 1900-1910

    Bredevoort 9 > 9

    Johanna Christina Theodora van Eijck (Bredevoort, 18-06-1848)

    Bevolkingsregister 1910-1920

    Bredevoort 9

    Johanna Christina Theodora van Eijck (Bredevoort, 18-06-1848)

    Volgende bewoners (1918-1922):

    Bredevoort 9 > 225

    Carl Rotthoff (Castrop/D, 24-12-1872), ingenieur
    Antonia Johanna Josepha Maria Sevink (Bredevoort, 05-07-1879)

    Adresboek 1934

    Bredevoort 225 > Landstraat 17

    Coöp. Winkel “Eigen Hulp”

    Adresboek 1967

    Landstraat 17

    W.H. Betting
    Mej. J.W. Betting

    Kenmerken


    Kadastraal nr.B-1824
    FunctieOverheidsgebouw,
    Woonhuis,
    Winkel
    Bouwjaar1699
    Sloopca. 1963
    Bouwjaar
    huidige pand
    2010
  • Drosten van de Heerlijkheid Bredevoort

    Drosten van de Heerlijkheid Bredevoort

    Een landdrost, drost of drossaard was in de late middeleeuwen een functionaris die voor een bepaald gebied de landsheer vertegenwoordigde, met als taken handhaving openbare orde, wetgeving, rechtspraak en verdediging van het toegewezen territorium. In de Franse tijd werd de term landdrost ingevoerd voor een Nederlands bestuursambtenaar die een bepaald gebied bestuurde.

    Hieronder volgen achtereenvolgens een chronologisch overzicht van de drosten en van de verwalter-drosten van de Heerlijkheid Bredevoort.

    Drosten

    Verwalter-drosten

    Bronnen


    • E.M. Smilda, Voorlopige lijst van namen van bestuursambtenaren in de voormalige heerlijkheid Bredevoort, verschenen in: Jaarboek Archief van de Graafschap 1980-1981, p. 68-70, ISBN 906011-256-3.
    • Nationaal Archief, Archief Nassause Domeinraad, inv.nr. 685 (Ambtboek).
    • Dr. L. Schmitz: Urkunden des fürstlich Salm-Salm’schen Archives in Anholt, Münster 1902
    • Wikipedia
  • Begroting Aalten sluit op bijna negen miljoen

    Begroting Aalten sluit op bijna negen miljoen

    Dagblad Tubantia, 18 januari 1966

    Het is voorwaar geen wonder dat de begeleidingsnota bij de begroting van 1966 voor de gemeente Aalten begint met de woorden: Tot ons genoegen kunnen wij u meedelen… Want niet alleen is die begroting voor de gewone dienst sluitend op een bedrag van bijna negen miljoen gulden (f 26.600 voor onvoorziene uitgaven inbegrepen) er is tevens in beperkte mate ruimte voor de uitvoering van kapitaalwerken. En dat is een geluid, dat niet alle gemeenten kunnen laten horen.

    Voor die kapitaalswerken denkt men er, afgezien van zuiveringsinstallatie en riolering, in de eerste plaats aan de restauratie van de straten in de oude kern opnieuw ter hand te nemen, waarbij met name aan de Prinsenstraat voorrang zal worden verleend.

    Dat wil niet zeggen dat alles botertje tot de boom is. Door een tekort aan bouwrijpe gronden dreigt er stagnatie in de woningbouw te ontstaan, terwijl te verwachten valt dat de komende uitbreiding van de zuiveringsinstallatie een zware wissel zal trekken op de bevolking, die dan waarschijnlijk de te betalen rioolrechten ongeveer verdubbeld zal zien.

    Expansief en pluriform

    Dat de begroting sluitend is, is onder meer te danken aan een ingaande 1966 meer aangepaste uitkering uit het gemeentefonds ten aanzien van het onderdeel sociale zorg, waardoor de algemene uitkering uit dit fonds naast de algemene verhoging door optrekking van het uitkeringspercentage rond f 160.000 hoger geraamd kon worden.

    Voor rente en afschrijving op nieuwe kapitaalsuitgaven is voor 1966 een bedrag van f 60.000 beschikbaar. Dit bedrag is te gering om een vlotte afwerking van vele noodzakelijke werken mogelijk te maken, terwijl bovendien nog het door de regering ingestelde „leningsplafond” belemmerend werkt. Hiertoe werd een meerjarenplan opgesteld, waarin de straten en wegen, die de eerstvolgende jaren om verbetering vragen werden opgenomen.

    Ten aanzien van het nijpend tekort aan bouwterrein zeggen b. en w. dat op verschillende plaatsen de voorbereidingen tot bouwrijp maken reeds werden getroffen, maar dat de uitvoering nog op zich moet laten wachten omdat over enkele percelen daarin met de eigenaren nog geen overeenstemming bereikt was. De verkrijging van gronden langs minnelijke weg vormt, aldus de nota, in kennelijk steeds meer gemeenten een probleem, dat een ernstig struikelblok vormt bij het pogen een „expansief en pluriform bouwbeleid” volledig te realiseren.

    Elk jaar één

    De nota spreekt verder van de sporadische afgifte van urgentieverklaringen voor de bouw van nieuwe scholen. B. en w. zouden zich al gelukkig prijzen als in een reeks van jaren elk jaar één nieuwe school gebouwd zou kunnen worden. Wel spreken zij hun voldoening er over uit, dat door het gereedkomen van de gymnastiekzaal bij de ulo-school en door de reeds intensief benutte zaal van de lagere landbouwschool binnenkort, wanneer ook de gemeentelijke gymnastiekzaal aan de Dalweg voltooid zal zijn, geen gebruik meer behoeft te worden gemaakt van andere voor dit doel niet geschikte lokaliteiten.

    Met voldoening wordt verder gewag gemaakt van het bestuurlijk contact, dat tussen Winterswijk, Lichtenvoorde, Groenlo, Eibergen, Neede en Aalten tot stand is gebracht. Hoewel er alleen maar sprake is van contact en er geen orgaan in het leven werd geroepen is deze samenwerking ook binnen het raam der bredere organen van waarde.

    In onderdelen

    Om in stijl te blijven zouden wij na deze meer „algemene beschouwingen” over de begroting over willen gaan tot de behandeling in onderdelen zonder zoals dat dan heet uiteraard volledig te zijn.

    Slachthuis: Verwacht wordt, dat dit na de ingrijpende verbouwing door het intensieve gebruik voor exportslachtingen zichzelf zal kunnen bedruipen.

    Drinkwatervoorziening: Omstreeks april 1966 zullen plm. 125 percelen van het plan Heurne-IJzerlo op het waterleidingnet zijn aangesloten. Op het werkprogramma van de waterleidingmaatschappij zijn voor Aalten in 1966 150 percelen geraamd.

    Volkshuisvesting: Ondanks ’t feit, dat er de laatste jaren gemiddeld 100 woningen per jaar gereed kwamen wordt niet ingelopen op het woningtekort. De bouw van zgn. Bogaerswoningen buiten ’t contingent om wordt eveneens belemmerd door het tekort aan bouwrijpe gronden.

    Ringweg: Bestek voor de verbetering is gereed. Mogelijk kunnen de voorbereidende werkzaamheden, zoals het rooien van de bomen nog dit jaar plaats vinden. De weg zal over de volle breedte met inbegrip van het bestaande rijwielpad worden voorzien van een laag asfalt.

    Uitbreidingsplan Kemena: Wacht op noodzakelijke grondaankopen. Hiervoor moet echter eerst de goedkeuring van het partiële uitbreidingsplan worden afgewacht.

    Verharding zandwegen: In 1935 werd 68,90 kilometer verhard, waardoor het totaal aan verharde zandwegen werd gebracht van 49.430 km op 56,32 km. In voorbereiding is de verharding van de Boshoeveweg en van gedeelten van de Kriegerdijk en Bodendijk.

    Onderwijs

    O.L. school Aalten: Mogelijkheden om bestaande oude scholen te vervangen door nieuwe zijn zo gering, dat van vervanging van de school voorlopig geen sprake kan zijn.

    R.K. school Aalten: Het oorspronkelijke plan tot de bouw van een 8-klassige school is gewijzigd in de bouw van twee 6-klassige scholen. Definitieve aanvragen werden nog niet ingezonden.

    Groen van Prinsterschool: Urgentieverklaring. voor bouw van drie lokalen is verkregen. Mogelijkheid om door industriële bouwmethodes te komen tot een zesklassige school wordt onderzocht.

    Vergoeding per leerling: Deze wordt voor 1966 belangrijk verhoogd, namelijk voor het bijz. g.l.o. f 70,- (f 64) per 1.1., voor het bijz. ulo f 125,- (f 102) en voor het bijz. buitengewoon l.o. f 135 (f 125)- per 1.1. De tussen haakjes vermelde bedragen zijn die voor 1965.

    Recreatie VVV

    Ideaal is een nieuw kantoor VVV in oude pand aan de Markt, waar nu reeds de Oudheidkamer gevestigd is. De verzameling zou dan nog beter tot zijn recht komen; misschien binnen afzienbare tijd te verwezenlijken door vertrek huidige bewoner.

    De stichting van een motel bij het kruispunt van de Bredevoortseweg met de nieuwe Hamalandroute zou op prijs worden gesteld. Hierdoor zou tussen Aalten en Bredevoort een aantrekkelijk recreatiecentrum ontstaan met in de onmiddellijke nabijheid het zwembad, het gemeentelijk landgoed „’t Walfort”, het zomerhuisjesgebied en de gemeentelijke camping.

    Industrie: Heeft zich in 1965 niet in die mate ontwikkeld als in de voorgaande jaren. Aantal mannelijke werknemers is nauwelijks toegenomen, hetgeen mogelijk mede een gevolg is van de pendel naar Duitsland, die momenteel vanuit de gemeente 70 mannen en 40 vrouwen bedraagt.

    Bronnen


  • Rechtspraak in Aalten (1810-1877)

    Rechtspraak in Aalten (1810-1877)

    Tijdens de Franse overheersing van ons land (1795-1813) vond er een belangrijke verandering plaats in de bestaande rechtsorde. Nadat Nederland in 1810 door Napoleon Bonaparte bij Frankrijk werd ingelijfd, werd ook hier de Franse wetgeving ingevoerd.

    Vredegerecht

    Bij Keizerlijk Decreet van 9 juli 1810 werd Nederland verdeeld in departementen, arrondissementen, kantons en gemeenten. In elke hoofdplaats van een kanton werd een vredegerecht gevestigd, ook in Aalten. Het kanton Aalten bestond uit de gemeenten Aalten en Dinxperlo.

    De taak van de vrederechter was het vredevol oplossen van een conflict voordat het voor de ‘echte’ rechter werd gebracht om zo een hoop kosten te besparen. Daarnaast had de vrederechter ook de bevoegdheid om kleine, goedkope zaken te behandelen. Andere bevoegdheden van de vrederechter lagen vooral in het personen- en familierecht.

    Kantongerecht

    In 1838 werd de rechtsorde opnieuw gereorganiseerd en werd de vrederechter vervangen door de kantonrechter. De vredegerechten Aalten en Winterswijk werden toen samengevoegd tot het kantongerecht Aalten. Dit gerecht bestreek het vierde kanton van het derde arrondissement (Zutphen) van het Gelderse gerechtshof en was op basis van de Wet van 1 juli 1830 geklasseerd als kantongerecht der vijfde klasse.

    Het Aaltense kantongerecht hield zitting in het gemeentehuis aan de Markt. In 1861 werd in de Prinsenstraat een kantonaal huis van bewaring gebouwd, met zes cellen en een cipierswoning.

    Het kantongerecht Aalten werd in 1877 opgeheven. De gemeenten Aalten en Winterswijk behoorden vanaf dat moment tot het kanton Groenlo. De gemeente Dinxperlo ging over naar het kanton Terborg.

    Archief

    Het archief van het voormalige kantongerecht Aalten is in 1968 samen met het oudste deel van het Groenlose archief naar het Rijksarchief in Gelderland overgebracht. In 1961 heeft de overdracht plaatsgevonden van het archief van het Openbaar Ministerie, dat zich nog in het gemeentehuis van Aalten bevond.

    Rechters en griffiers van het vrede- en kantongerecht te Aalten 1811-1877 (nog incompleet)

    Aanvullingen zijn welkom!

    Ambts-periodeVrederechterBijzonderheden
    ?Jan Izak Huinink (1739-1822)
    ?Abraham Casper Salomon ten Bokkel (1761-1831)advocaat, notaris, landschrijver, vrederechter, tijdelijk burgemeester van Aalten en plaatsvervangend drost
    ??
    Ambts-periodeKantonrechterBijzonderheden
    1838-1855Joseph Gerard van der Schaaff (1798-1877)voorheen vrederechter te Aalten, eervol ontslagen
    1855-1877Frederik Willem Jacob Immink (1822-1893)voorheen griffier van het kantongerecht van Aalten, daarna kantonrechter te Groenlo
    Ambts-periodeGriffierBijzonderheden
    1811Campegius Lambertus Vitringa (1786-1864)voorheen advocaat te Arnhem, daarna griffier te Harderwijk
    Jan Willem te Gussinklo (1787-1829)
    1838-1839Jan Derk Schepers (1800-1848)voorheen griffier van het vredegerecht te Aalten, daarna gemeenteontvanger te Dinxperlo
    1839-1843Jillis van Beuil (1803-1843)voorheen brievengaarder te Aalten, overleden in functie
    1843-1852Bernard Andries Roelvink (1818-1882)voorheen substituut-officier van justitie bij de arrondissementsrechtbank te Zutphen, daarna notaris te Aalten
    1852-1855Frederik Willem Jacob Immink (1822-1893)voorheen advocaat te Borculo, daarna kantonrechter te Aalten
    1855-1877Cornelis Philippus Jacobus Penning (1817-1888)vroegere functie niet bekend, in 1877 op wachtgeld gesteld in verband met opheffing van het kantongerecht te Aalten
  • Kiesdistrict Aalten

    Kiesdistrict Aalten

    Van 1852 tot 1919 was het kiesdistrict Aalten één van de zestien Gelderse kiesdistricten voor de Provinciale Staten. Het district omvatte de gemeenten Aalten, Winterswijk en Dinxperlo en telde drie zetels.

    Na de grondwetsherziening van 1848, die onder censuskiesrecht (stemrecht voor mannen die aan een bepaalde inkomenseis voldeden), voor het eerst rechtstreekse verkiezingen van Provinciale Staten mogelijk maakte1 – en de Provinciewet van 1850 werd Gelderland in 1852 in zestien districten verdeeld, waaronder Aalten.2

    Met de invoering van algemeen mannenkiesrecht in 1917 en de Kieswet van 1919 koos men bij de verkiezingen van 10 april 1919 voor het eerst via evenredige vertegenwoordiging in één provinciebrede kieskring, waarna het kiesdistrict Aalten ophield te bestaan.3

    Oorsprong en achtergrond

    Tijdens het bewind van koning Willem I (1772–1843) waren provinciebesturen benoemde organen, waarin adel en lokale notabelen zonder verkiezing zetelden. Pas met de grondwetsherziening van 1848 konden de leden van de Provinciale Staten rechtstreeks worden gekozen, zij het nog op basis van censuskiesrecht.1

    Instelling van het kiesdistrict Aalten

    In 1850 trad de Provinciewet in werking, waarin onder meer werd bepaald hoe de leden van de Provinciale Staten werden gekozen. Twee jaar later legde de Wet houdende regeling van de verdeling der provincies in kiesdistricten van 5 november 1852 (Staatsblad nr. 197) de definitieve indeling vast: Gelderland werd opgesplitst in zestien kiesdistricten, waaronder Aalten.2

    Opheffing en overgang naar evenredige vertegenwoordiging

    De grondwetsherziening van 1917 introduceerde algemeen mannenkiesrecht en luidde de afschaffing van het districtenstelsel in. De Kieswet van 1919 maakte een einde aan de kleine kiesdistricten en voerde in alle provincies één provincie-brede kieskring in met evenredige vertegenwoordiging. Bij de Gelderse verkiezingen van 10 april 1919 werd dit systeem voor het eerst toegepast, waarbij het kiesdistrict Aalten ophield te bestaan.3

    Afgevaardigden

    Enkele bekende Statenleden namens het kiesdistrict Aalten: 1

    1853–1860: Mr. Rudolph Willem graaf van Lynden (1808–1876)

    1853–1877: Bernhard Jan Boland (1804–1888)

    18531882: Mr. Bernard Andries Roelvink (1818–1882)

    1853–1892: Mr. Wilhelm Arnold Roelvink (1822–1917)

    1860–1885: Jan van der Zande (1819–1885)

    1877–1885: John Bernard William Maitland (1826–1894)

    1886–1892: Jacobus Wilhelmus van Hopbergen (1817–1913)

    1892–1898: Georg Ludwig Carl Heinrich Baud (1858–1921)

  • Galgenbulte

    Galgenbulte

    Hollenberg, Dale

    Galgenbulte, Hollenberg, Aalten

    De Galgenbulte op de Hollenberg was een plek waar in de middeleeuwen veroordeelde criminelen werden geëxecuteerd.

    In de middeleeuwen was op de Hollenberg, vlakbij Havezathe ’t Walfort, een veemgericht gevestigd. Het was een speciale rechtbank, waarvan de zittingen in de open lucht plaatsvonden bij een bosje met de naam ‘Sleehegge‘. Vier maal per jaar sprak men hier recht bij opgaande zon.

    Volgens overlevering mochten veroordeelden van het gericht van Bredevoort, voor hun terechtstelling, hun galgenmaal nuttigen bij de Galgenhutte.

    Berend de Dücker

    In 1430 sprak vrijgraaf Berend de Dücker, destijds burgemeester van Bocholt, hier recht. Hij zat het veemgericht 60 jaar lang voor. Deze Berend was berucht om zijn strenge vonnissen. Hij veroordeelde vaak tot ophanging. De veroordeelde werd aan een strop van wilgentenen opgehangen door drie anonieme veemschepenen.

    Een bekend dreigement van ouders voor hun stoute kinderen was dan ook tot in de 20e eeuw: ‘De Düker zal ow halen‘.

    Uit de ‘Bestuursinrichting Heerlijkheid Bredevoort’ blijkt dat de bewoners van Kempink en Goorhuis in de Heurne de veroordeelde crimineel, nadat hem het vonnis was voorgelezen op ’t Zand te Bredevoort, moesten afvoeren naar de Hollenberg. Zij moesten ook zonder uitzondering galg(en), rad, kruis, en andere instrumenten voor de executie daarheen brengen in opdracht van de officier.

    Aan het eind van de zestiende eeuw is het veemgericht op ’t Walfort verdwenen. Het is de enige plek in Nederland waarvan is bewezen dat er zich een veemgericht bevond.

    Klaas Nijman

    Op 3 oktober 1729 werd na een proces in Bredevoort en vonnis op ‘t Zand, Klaas Nijman, oud 32 jaren en geboren in het ambt Bocholt, op de Hollenberg geëxecuteerd. Hij was een ‘bedelaar en vagebond’ die was beschuldigd van diefstal met geweld, brandstichting en meer vergrijpen. Hij was al in verschillende plaatsen verbannen, maar keerde steeds weer terug. Als afschrikwekkend voorbeeld voor anderen werd hij op de Hollenberg gewurgd en vervolgens in brand gestoken.

    Lees meer

    Harmen Brunsink

    Op 12 februari 1770 werd Harmen Brunsink op de Hollenberg geëxecuteerd. Hij woonde op boerderij de Vosheurne in Lintelo en had daar ‘moeje’ Hendersken Tannemaat vermoord. Harmen kon slecht overweg met deze inwonende tante van zijn vrouw. Tegen de gealarmeerde buren had hij verklaard dat de moeje gevallen was, maar door het aantal en de aard van de verwondingen was dat niet geloofwaardig.

    Harmen werd veroordeeld tot de doodstraf. Hij werd door de beul op een houten kruis gebonden; eerst werden zijn benen en daarna zijn armen aan stukken geslagen. Vervolgens werd hij met een bijl onthoofd. Zijn lichaam werd op een rad geplaatst dat op een paal stond en met ketenen vastgemaakt. Zijn hoofd werd erboven op een staak gezet, om anderen af te schrikken.

    Lees meer

    Vonnis Herman Brunsink, 06-02-1770
    Vonnis Harmen Brunsink

    Laatste executie

    In 1938 schreef G.H. Rots:

    “Dat er ook later na het Veemgericht doodvonnissen zijn voltrokken, bewijst dat daar in de nabijheid van ’t Walfort het einde van menig ter dood veroordeelde kwam. Rechts van den weg naar Bredevoort, verborgen onder het struikgewas en boomen, is ’n klein heuveltje. Daar werd de galg opgericht. En als er iemand moest worden terechtgesteld werden van overheidswege een aantal mannen opgeroepen, om een kring te sluiten om de plaats der terechtstelling. De strop mocht eens breken of de veroordeelde mocht zich eens losrukken. Dan was er de kring van mannen die hand aan hand stonden om het ontvluchten te beletten.

    Na een lang tijdperk waarop er geen doodvonnissen meer werden uitgesproken, moet in ’t begin der vorige (=19e, red.) eeuw de laatste galg zijn opgericht. De veroordeelde heette Klaësken, en omstuwd door de kringsluiters, ging het in optocht naar de galg. Het schijnt echter dat men de man een kans heeft willen geven om te vluchten, want toen men aan de Walfortallee kwam, had men tegen hem gezegd: “Dat is de weg naar Pruisen”. De man heeft dien wenk niet begrepen, en op den heuvel heeft hij als laatste der rij veroordeelden zijn leven aan de galg moeten eindigen. Daarom noemt men dat heuveltje nog altijd de ‘Klaëskesbulte’.”

    Bronnen


  • De moord op moeje Tannemaat

    De moord op moeje Tannemaat

    Op de vroege ochtend van 12 januari 1770 werden de naobers van boerderij de Vosheurne in Lintelo opgeschrikt door een verontrustend bericht. “De moeje is dood, zy is zeer bebloed, zy mag het hoofd wel capot geslagen hebben,” riep bewoner Harmen Brunsink. Uitgebreid forensisch onderzoek door het Gerecht te Bredevoort onthulde een verhaal van een familieconflict dat ontaardde in moord en zou eindigen met een gruwelijke executie.

    Spanningen in huis

    Hendersken Tannemaat, geboren in 1705, had haar hele leven op de Vosheurne gewoond. Haar nichtje, Gijsberta Deemshof, geboren in 1739 in Doesburg als dochter van Henderskens zuster Johanna, werd vanaf haar derde levensjaar door haar ‘moeje’ (tante) Hendersken opgevoed. In 1761 trad Gijsberta in het huwelijk met Harmen Brunsink, geboren in 1729 op boerderij Bekink in IJzerlo. Na hun huwelijk trok Harmen bij Gijsberta en haar ongehuwde moeje in op de Vosheurne.

    Aanvankelijk woonde Hendersken tegen kostgeld bij het jonge echtpaar. In juni 1768 droeg zij echter al haar bezittingen over aan Harmen en Gijsberta, in ruil voor kost en inwoning en alle nodige zorg voor de rest van haar leven. Dit was destijds een gebruikelijke afspraak tussen oudere mensen en hun kinderen—in dit geval haar nicht en echtgenoot. Harmen en Gijsberta beloofden plechtig aan deze verplichting te voldoen.

    De verstandhouding tussen Harmen en de moeje verslechterde echter met de jaren, en er ontstonden spanningen in huis. De tante zou enkele keren tegen Harmen hebben gezegd dat zij de gemaakte afspraak ongedaan wilde maken “omdat gij mij zo slecht behandelt!”

    Een mysterieuze dood

    Een bedstede (foto ter illustratie)
    Een bedstee (foto ter illustratie)

    Op die noodlottige ochtend van 12 januari 1770 riep Harmen in paniek de naobers bijeen omdat de moeje dood was. Het was in deze regio gebruikelijk dat de naobers bij sterfgevallen werden ingeschakeld om praktische zaken te regelen, zoals de begrafenis en het ‘verhennekleden’ — het ontkleden van de overledene en het hullen in het lijkgewaad. Toen de buurvrouwen de slaapkamer betraden, vonden ze Hendersken dood in haar bedstee, haar handen gevouwen over de borst. Haar neus en armen waren blauw, en toen haar muts afviel, ontdekten ze meel in haar haar en bloed dat langs haar hals sijpelde.

    Gijsberta verklaarde dat ze het meel had gebruikt om het bloeden te stelpen. Harmen voegde eraan toe dat de blauwe plekken waarschijnlijk kwamen omdat de moeje aan scheurbuik leed, en dat Hendersken waarschijnlijk haar hoofd had gestoten aan de scherpe randen van de bedplank. Maar het verhaal rammelde. De naobers vertrouwden het niet en brachten de zaak onder de aandacht van het Gerecht te Bredevoort.

    Het onderzoek

    Twee dagen na de dood van Hendersken arriveerden gerechtsdienaren met twee chirurgijnen op de Vosheurne. Bij aankomst bleek het lichaam al gekist. In aanwezigheid van Harmen en Gijsberta onderzochten de chirurgijnen het lichaam. Zij ontdekten meerdere zware verwondingen en kneuzingen aan het hoofd. De letsels maakten duidelijk dat een ongeluk uitgesloten was. De verdenking viel direct op Harmen en Gijsberta, die samen met Hendersken op de Vosheurne woonden en geen overtuigend verhaal konden geven over wat er was gebeurd.

    Beide verdachten ontkenden elke betrokkenheid en beweerden dat ze Hendersken die ochtend dood op de grond voor haar bedstee hadden aangetroffen. Ze zouden haar op bed hebben gelegd, meel op haar hoofd hebben gestrooid om het bloeden te stelpen en haar muts hebben opgezet. Hun verklaringen spraken elkaar echter tegen. Harmen had tegen de buren gezegd dat hij Hendersken dood in bed had gevonden, niet op de grond.

    Vrijwillig en zonder tegenstribbelen gingen ze mee naar Aalten, waar ze in hechtenis werden genomen voor nader verhoor. Toen daarbij de talrijke hoofdwonden ter sprake kwamen, verklaarde Harmen dat deze mogelijk het gevolg waren van een aanval van vallende ziekte. Hendersken zou daarbij met haar hoofd tegen de bedplank, de hekelstoel, de kistjes, een koffer of de bierstelling zijn gestoten. Hij suggereerde ook dat iemand van buiten het huis kon zijn binnengedrongen, aangezien het huis in slechte staat verkeerde.

    Nader onderzoek

    Op 16 januari ging het Gerecht, bijgestaan door een dokter, een chirurgijn en aanklager, opnieuw met de verdachten naar de Vosheurne. De slaapkamer van Hendersken werd minutieus onderzocht.

    De bedstee vertoonde aan het hoofdeinde een grote bloedvlek op de bedplank, alsof het bloed tegen de plank was gespat. Maar deze had geen scherpe randen, zoals Harmen had beweerd. Door langdurig gebruik was de plank juist afgerond en waren er ook binnen in de bedstee geen scherpe randen te vinden. Andere meubels in de kamer—kistjes, een koffer en een hekelstoel—vertoonden geen sporen van bloed. Ook onder de bedstee vond men niets.

    De dokter en de chirurgijn onderzochten het lijk daarop nog nauwkeuriger. Zij verklaarden voornamelijk dat er een lichte kneuzing aan de neus was, evenals zware kneuzingen aan beide ellebogen, armen en handen, waaronder zich gestold, uitgetreden bloed bevond. Deze kneuzingen konden niet anders dan door een uitwendige oorzaak zijn veroorzaakt.

    Niet alleen aan de rechterzijde van het hoofd, ter hoogte van de slaap, waren de uitwendige bekledingen en vleesachtige delen tot op het bot gekneusd, gewond en vernield, maar aan de linkerzijde waren vergelijkbare kneuzingen en wonden te zien, zij het in mindere mate. Men ontdekte aan de linkerzijde van de schedel twee en aan de rechterzijde één wond of opening, elk ter grootte van ongeveer een schelling. Bij het losmaken van de uitwendige delen bleek dat aan de rechterzijde de schedel een fractuur had en dat aan de linkerzijde het uiteinde van het schedelbot sterk naar beneden was gebogen en deels gebroken.

    Na het doorzagen en verwijderen van de schedelpan vond men verschillende scheuringen. Door deze fracturen en naar buiten gedrukt bot waren de hersenen, met name aan de linkerzijde, ernstig beschadigd. Aan beide zijden van het hoofd, vooral links, bevond zich uitgetreden bloed op en onder het harde hersenvlies en ook in de hersenen zelf. Bovendien waren alle bloedvaten geheel met bloed gevuld. Deze combinatie van verwondingen hadden onvermijdelijk haar dood veroorzaakt.

    Hoewel de verdachten bleven volhouden onschuldig te zijn, werden de tegen hen gerezen vermoedens door deze bevindingen alleen maar versterkt. Uit de situatie ter plaatse en de toestand van het lijk viel niet meer te betwijfelen dat er een moord was begaan. Zoiets kon niet ongemerkt gebeuren in een klein huisje als dat van de verdachten, terwijl zij beweerden van niets te weten. De verdachten werden daarop overgebracht naar de gevangenis in het Ambtshuis te Bredevoort.

    Harmens bekentenis

    Tijdens de volgende verhoren hielden Harmen en Gijsberta aanvankelijk vast aan hun verhaal: Hendersken was door een ongeluk gestorven. Maar het bewijs tegen hen stapelde zich op. Op 19 januari, een week na de moord, brak Harmen onder de druk en bekende wat er werkelijk was gebeurd: Hij verklaarde dat hij alleen heeft gehandeld, zonder hulp van zijn vrouw. Hij had vooraf in bed tegen zijn vrouw gezegd: “Daar ligt zoo een klein keseltjen, daar zal ik haar een maal vyf ses mede aan het hoofd slan, dan is zy weg, dan is de rusie uit het huis, dan kunnen wy in vreede en eenigheid leven.”

    Omstreeks vier uur voor zonsopgang was hij opgestaan, had de lamp aangestoken, was naar Henderskens kamer gegaan en hing de lamp aan een spijker boven de bedstee. Bij het betreden van de kamer werd de tante wakker door het licht. Daarop was Harmen bij haar in bed gesprongen, zette zich schrijlings over haar, hield met zijn linkerhand haar hoofd vast en sloeg met zijn rechterhand vijf of zes keer met de kiezelsteen op haar hoofd, totdat zij onder zijn handen dood bleef.

    Gijsberta zou geprobeerd hebben hem te stoppen, maar zonder succes. Toen de moeje dood was en hevig bloedde, gaf hij zijn vrouw opdracht meel op haar hoofd te strooien en het bloed eraf te wassen. Daarna had hij de buren geroepen. De steen waarmee hij haar had geslagen, wierp hij in de greppel achter de oven, bij de plek waar zij water haalden.

    Verklaring van Gijsberta

    Gijsberta legde op 20 en 22 januari haar bekentenis af. Ze verklaarde daarbij over haar ongelukkige huwelijk: “Och wat ben ik ongelukkig! Ik ben met myn Man getrouwt tegen de zin van myne geheele familie, en hy heeft ook van den beginne af, dat ik met hem getrouwt ben, slegt met my geleeft.”

    In de vroege ochtend van 12 januari had haar man, nog voor hij opstond, tegen haar gezegd: “Ik wil de rusie niet langer in huis hebben, ik wil ‘er eens doortasten, ik zal een keseltjen krygen, en geven de Moeje daar mede maar eenen slag aan het hoofd, dan is zy weg, en dan is de rusie uit het huis.” Zij was daarover zeer ontsteld, maar hij probeerde haar gerust te stellen, kuste haar en zei: “Wees tog niet verslagen, laat ik ‘er eens doortasten, het is een oud mensch, dan kunnen wy een gerust leven hebben.”

    Hij kwam zelfs met jenever naar haar bed en zei: “Gy moet braaf Genever drinken, en gy moet half dronken wezen, anders zoud gy te verslagen worden, wy moeten nu door een suren appel byten; maar gy moet my nooit beklappen, zelfs niet als ik eens kome te sterven, en gy krygt een ander man, dan moet gy daar nooit tegen zeggen, dat ik uw eigen bloed vermoord hebbe.”

    Zij zei daarop tegen hem: “Zoud gy daar toe kunnen komen, om myn eigen vleeschelyke bloed om den hals te brengen; als het er op aan komt, dan moet ik het zeggen.” waarop hij had geantwoord: “Ik wil er evenwel doortasten, ik wil de rusie uit het huis hebben.”

    Toen haar man al in de kamer van de moeje was en haar begon te slaan, riep hij Gijsberta om erbij te komen. Zij ging toen naar de kamer, greep naar zijn linnen kiel om hem van de moeje af te trekken en zei: “Foei, foei, wat doet gy toch!” Zij voegde eraan toe dat haar man haar had gedwongen om erbij te zijn, zeggende: “anders zoud gy my naderhand kunnen gaan aanbrengen.”

    Gijsberta verklaarde tevens dat zij al lange tijd bang was met hem in bed te liggen, vrezend dat hij haar met een mes zou aanvallen. Ook deze nacht lag er een mes in zijn broek voor het bed. Zij zei daarom ook tegen hem: ”Ik ben bang, dat gy my kwaad zult doen.” Waarop hij haar verzekerde: “Och neen, ik zal u nooit kwaad doen.”

    Ze bekende ook dat haar man het niet kon verdragen als zij vriendelijk was tegen de moeje, en dat zij sinds zij bij hen inwoonde voortdurend verdriet met haar man heeft gehad.

    Gijsberta heeft van meet af aan verklaard deze gruwelijke daad niet te hebben geholpen uitvoeren. Zij weet ook niet waarmee haar man de moeje heeft doodgeslagen, alleen dat zij ’s morgens, bij het water halen in de greppel voor het huis bij de wilgen, een grijze kiezelsteen in het water heeft zien liggen die er voorheen niet lag.

    Beide verdachten hebben tenslotte bekend dat de tante nooit aan vallende ziekte heeft geleden. De buren en vrienden hebben daarvan ook nooit iets gehoord, behalve pas na haar overlijden.

    Het vonnis

    Vonnis Herman Brunsink, 06-02-1770

    Het Gerecht van de Heerlijkheid Bredevoort oordeelde dat alles erop wees dat Harmen Brunsink, in de nacht van 11 op 12 januari 1770, Hendersken Tannemaat, een weerloos mens van naar schatting bijna zeventig jaar oud, liggend op haar bed in zijn huis, op een gruwelijke manier, weloverwogen en met voorbedachten rade heeft vermoord. Gijsberta werd ten laste gelegd dat zij heeft nagelaten haar man, waar mogelijk, van dit afschuwelijke voornemen af te brengen.

    Harmen werd veroordeeld tot de doodstraf: “om te worden gebragt ter plaatse, alwaar men gewoon is criminele Executie te doen, en aldaar door den Scherprigter gebonden op een houten kruis, van onderen op levendig beenen en armen aan stukken geslagen, en daar na desselfs hoofd met een byle afgehouwen te worden. Dat, dit geschied zynde, vervolgens zyn lichaam op een rad, staande op een paal, zal worden geleid, en met ketenen daar aan gehegt, en zyn hoofd daar boven op een penne worden gezet, anderen ten afschuwelyken exempel.” Deze straf wordt radbraken genoemd.

    Op 10 februari werden de ingezetenen van Dinxperlo op de Hollenberg ontboden om de paal en het rad voor de executie op te richten en de strop te maken. De meesten weigerden of kwamen niet opdagen en kregen daarvoor een boete van 30 daalders per persoon. 18 personen hebben toegestemd en de paal en het rad opgericht.

    Het vonnis werd op 12 februari 1770 op de Hollenberg voltrokken.

    Gijsberta ontliep de doodstraf, maar werd verplicht de executie van haar man te aanschouwen. Vervolgens werd zij voor de rest van haar leven verbannen uit de stad en Heerlijkheid Bredevoort. Zij hertrouwde in 1776 in Silvolde met Jacob Kok en overleed naar verluid in 1813.

    Bronnen


    • Nieuwe Nederlandsche jaerboeken, of Vervolg der merkwaerdigste geschiedenissen, die voorgevallen zyn in de Vereenigde Provincien […]. Vyfde deel. MDCCLXX, uitgegeven door de erven F. Houttuyn te Amsterdam, P. van der Eyk en D. Vygh te Leiden, 1770 (link)
    • ORA Bredevoort
  • De Armenjager

    De Armenjager

    In een tijd waarin de overheid geen tot weinig armenzorg op zich nam, waren veel mensen overgeleverd aan de bedelarij. Ze zwierven rond en knoopten met veel moeite de eindjes aan elkaar. In de achttiende eeuw nam het aantal landlopers behoorlijk toe. Omdat deze mensen vaak door de overheid als lastig werden beschouwd en de kerken niet alle middelen hadden om deze armen een kans op een goed leven te geven, werd de armenjager in het leven geroepen. Deze ‘ambtenaar’ was in dienst van de lokale overheid, maar leidde vaak zelf ook een armoedig bestaan.

    Aanstelling van armenjager Willem Hondarp in 1768

    Onderstaande afbeelding is een fragment uit de akte waarin, na het overlijden van Antoni Freriks op 05-01-1768, de aanstelling van Willem Hondarp tot armenjager is vastgelegd. De akte beschrijft tevens de taken van de armenjager. Daaronder volgt de complete transcriptie:

    Aanstelling Willem Hondarp tot Armenjager in Aalten, 10-03-1768

    “Alzoo door de dood van Toni Frederiks Armenjager van het kerspel Aalten, die Armenjagersplaatsen is komen te vaceren en het tot ruste en vrede en beveiliging der huislieden en borgers van Aalten tegens alle gewelt en overlast van vreemde vagabonden en bedelaars ten hoogsten nodig is, dat die vacante plaats door een ander bekwaam persoon werde vervult, zoo is ’t dat ik op ’t goed getuigenis aan mij gedaan van de onversaagdheid van den persoon van Willem Hondarp, denzelven Will. Hondarp hebben aangestelt, gelijk ik hem aanstelle kragt deeses tot Armejager van het kerspel Aalten, op alsulke emolumenten als van ouds daaraf gegeven zijn en nog gegeven worden, gelastende den bovengenoemden Willem Hondarp om alle vreemde bedelaars, vagabonden en landlopers aanstonds uit ’t kerspel Aalten en selfs uit deese Heerlijkheid te doen vertrekken, en soo er eenige mogten gevonden worden, die eenig gewelt of prolest kwamen te doen, dezelven met geweld te keer te gaan, en zoo mogelijk binnen Bredevoort in ’s Heeren gevangenisse te brengen.

    Landloper door Pieter Quast, 1634. Ets: Rijksmuseum Amsterdam.
    Landloper door Pieter Quast, 1634. Ets: Rijksmuseum Amsterdam.

    Denselven verder gelastende, dat geen collecten het zij van vreemden of ingesetenen sal gedogen, ten zij deselven met een behoorlijk briefje of attestatie van de officier of in absentie van den stadholder deeser Heerlijkheid zijn voorzien, en die daarmede voorsien zijn vrij en onverhindert te laten passeren en repasseren. Dat voorts in geval de voogd of ondervoogd hem Willem Hondarp in het een of ander exploict mogten nodig hebben en hem daartoe kwam te roepen of te laten roepen, dat hij dan aanstonts met hem voogd of ondervoogd zal hebben te gaan en dien te gehoorsamen en te adsisteren, zoo veel hem mogelijk weesen sal. Voorts van tijd tot tijd door de buurten te gaan en wel sorge te dragen, dat de huislieden geen overlast van den een of den anderen werde aangedaan; verder alle vreemde en onberegtegde jagers jagende in deese Heerlijkheid, zoo moogelijk is aan te houden en op te brengen, en zoo hij er eenige mogte kennen die hij niet konde opbrengen, dezelve aan den officier of desselfs stadhouder aan te brengen en verder te doen al wat een getrouw en ordentelijk Armejager verpligt is te doen, en zoo veel moogelijk is zorge te dragen, dat er geen klagten van huislieden komen.

    Dog zoo ’t kwam te gebeuren, dat denzelven Willem Honddarp in ’t een of andere mogte te kort schieten en behoorlijke adsisstentie van de huislieden kwam te versaeken, en hem die assistentie geweigert wierde, zal hij van die verweigeringe aan den officier of aan desselfs stadholder kennisse te geven.

    Ende dit alles tot onzes herroepens toe. Gegeven op den huize Walvaert den 10den Maart 1700 agten zestig en door mij als drossard deeser Heerlijkheid eigenhandig ondertekent en met mijn gewoonlijk cachet bekragtigt.

    Get. Ad. de Pallandt”

    Proces

    Op 20 februari 1804 dient in Bredevoort een rechtszaak tegen Jan Willem Brusse(n), armenjager. Hij heeft op 23 december Willem Beskers, bij het huis van Goormans in Barlo, ‘op moorddadige wijze aangerand’. Brusse heeft hem met de sabel een houw op de elleboog gegeven en daarbij ernstig verwond, zodat hij die arm niet meer kon gebruiken. Brusse bekent, maar verklaart dat toen hij Willem Beskers vroeg of deze een bewijs had dat hij mocht collecteren, deze hem aangevallen heeft. Brusse zou zich alleen hebben verweerd. Boete: 25 guldens.

  • De executie van Klaas Nijman

    De executie van Klaas Nijman

    Klaas Nijman werd op 16 januari 1698 in Dinxperlo gedoopt als zoon van Fredrik Nijman en Berentjen Eppink. Op vijftienjarige leeftijd verliet hij het ouderlijk huis en begon een zwervend bestaan als ‘bedelaar en vagebond’. In 1722 werd hij in Rhenen wegens geweldpleging en diefstal veroordeeld tot een verblijf in het tuchthuis. Na zijn vrijlating volgde een verbanning uit de provincie Utrecht.

    Daarop keerde Nijman terug naar de Achterhoek, waar hij vooral in de omgeving van Dinxperlo en Aalten angst zaaide onder de bevolking. Hij bedelde en stal, bedreigde mensen en schroomde niet om grof geweld te gebruiken. In 1729 stak hij meerdere huizen in brand en werd hij gearresteerd.

    Op 3 oktober 1729 werd Klaas Nijman na een proces in Bredevoort op ‘t Zand ter dood veroordeeld. Hij werd naar de Hollenberg gebracht, waar hij werd gewurgd en daarna in brand gestoken. Deze gruwelijke straf diende als een afschrikwekkend voorbeeld voor anderen. Nijman was toen 32 jaar oud.

    Vonnis

    De volgende 18e eeuwse tekst beschrijft zijn misdaden en vonnis:

    Gepronuntieerd in Bredevoort op ’t Sant, en geëxecuteert buiten op den Hollenborg, op Maandag den 3. October 1729.

    In zaaken Crimineel, voor den Hoog Edelen Geregte der Heerlykheid Bredevoort, tusschen den Advocaat Fiscaal der voorschr. Hooge Heerlykheid, klager ter eenre, en de KLAAS NYMAN, anders KLAAS FREDERIKSEN genoemt, oud omtrent 32 jaaren, en geboortig in den ampten van Boekholt, aan den Heelweg, by Dinxperlo, beklaegde en geinhafteerde ter anderen zyden, gezien en geëxamineert de inquisitoire procedure‚ met allen bygevoegden informatiën, confrontatien, en bewys van A. tot H. incluis, voorts des beklaegdens, buiten de actuele torture, gedaane verklaaringe en confessiën, en waarby denzelven successive, en tot verscheiden maalen heeft gepersisteert, als waaruit gebleeken:

    Dat hy KLAAS NYMAN, zedert zyn vyftiende jaar van zyn Ouders en Geboorteplaats is weggegaan, en als een bedelaar en vagebond het land heeft doorgeloopen. Dat hy ook in den jaare 1722 over verscheidene geweldenaryen, dieveryen, en verdere insolentiën tot Rhenen is gegeesselt, gebrandmerkt, en voor den tyd van zes jaaren in het Tugt- of publicque Werkhuis tot Utregt verwezen, en na expiratie uit de Provintie en Landen van Utregt gebannen, voor den tyd zyns levens, en om nooit daar in weder te komen, by pœne van met de dood te zullen worden gestraft.

    Dat hy met omtrent drie vierendeeljaars uit het voorn. Tugt-of Werkhuis los gelaaten zynde, dog blyvende de straffen van bannissement in zyn vigeur, hy zig daar op, of eenigen tyd daarna wederom heeft begeven na Dinxperlo, en in zyne stoute bedelaryen en geweldenaryen is voortgevaren. Dat hy aldaar eenen DIRK WENSINK, om een bagatelle op de publicque weg by Dinxperlo, met een mes de bek heeft opgesneden.

    Dat hy almede na zyne relaxatie voorsz. wederom verscheidene dieveryen, als van yzerwerk en een byle, en van linnen gepleegt, als een sloop of laken aan geene zyde Doesborg aan de Steege; en nog een hembt van den thuyn aan HENDRIK te Loo of Kistershuis, tusschen Dinxper en het Bredenbroek, en wyders als by de Reformatiën. Dat hy KLAAS NYMAN, ook van jaaren herwaarts by veele ingezetenen onder Dinxperlo en Aalten is berugt en verdagt gehouden geweest, als dat hy niet en dogte, en veel quaats bedreef.

    Dat hy ook agtervolgens den . . . . van de sententie tot Rhenen aldaar suspect is gehouden geworden, van zeer grove misbedryven te hebben gecommitteert. Dat hy beklaagden door zyn . . . . en quaadaardig gedrag en bedenkelyke taale, die hy hier en daar quam te voeren, den goeden huisman, en de ingezetenen op het platte Land, en inzonderheid omtrent Dinxperlo en Aalten, en daar in het ronde, in een geduurigen angst en vreeze heeft gehouden. Dat als hy quam bedelen met het geene ordinaris aan een bedelaar gegeven word, niet tevreden is geweest, ofschoon hem ook dikmaals al meerder wierde gegeven, en met in zigzelfs te brommen, uit de huizen weg ging.

    Dat die angst en vreze by de ingezetenen is verdubbelt geworden, en op het hoogste gekomen, zedert dat in deezen jaaren 1729 in het Kerspel van Aalten brand was ontstaan, en dat daar op al wyder en nog al meerder afbrandingen van huizen daar digt by volgden. Zodanig, dat verscheidene ingezetenen aan haar volk ordonneerden, dat zy, als KLAAS NYMAN aan haare huizen quam, hem maar zouden geven wat hy wilde hebben, om zyne vriendschap te trekken, en hem niet te vertoornen, en dat ook verscheidene menschen, uit vreze voor brandstigteryen‚ des nagts by haare huizen de nagtwaken hebben moeten houden, en waardoor zelfs eenige boerschappen als genoegzaam in alarm zyn worden gesteld.

    Dat hy beklaagde KLAAS NYMAN, ook die geene is, die tot zulke overbooze misbedryven gekomen is, dat hy in den naastverwekenen Zomer in de Kerspelen van Aalten en Dinxperlo, deezes zelfden jaars 1729 zedert den 13. Juny tot den 29. Augustus, en alzo binnen den tyd van een vierendeeljaars drie‚ en geenzints van de minste huizen, het eene na het andere heeft in den brand gestoken, en welke huizen ook totaliter zyn afgebrand, en waarvan de corpora delictorum bekend zyn.

    Als namentlyk op den 13. Juny het huis op Lensink, onder Aalten op den Esch te Yserlo, alwaar hy een stuk witten of voozen turf‚ door middel van een tonteldoos, vuurslag en tabakspyp aan het branden gemaakt, en met dien brandende turf agter aan die zyde van het huis; daar des tyds de wint tegens dit huis opwoei, den brand verwekt heeft. Dat hy agt dagen van te vooren hetzelve huis Lensink ook aangestoken heeft, en dat het al aan het branden is geweest, dog dat het doenmaals door de bewoonders nog geblust is geworden.

    Ten tweeden, het huis op Welink, almede onder Aalten op den Esch te Yserlo, op den 20. Juny, alwaar hy den brand op dezelfde wyze als aan te Lensink met een in brand gemaakte voozen turf heeft in het werk gesteld, en daar mede het huis van agteren aangestoken. Dat hy van beide zyne brandstigteryen, aan Lensink en Welink, voor reden van zig geeft, dat hy zulx gedaan hadde om angst en schrik in de buurde, of onder de menschen te maken.

    Ten derden, het huis aan Grevink, op ’t Rexwinkel in de boerschap Heurne, onder Dinxperlo, op den 29. Augustus, des avonds omtrent 10 uuren, als wanneer hy den brand aldaar met een aangestoken lonte van linnen todden gemaakt, in het stroo dat agter op het hoekschot van het huis lag, heeft verwekt. Dat in dit voorn. huis Grevink, als hetzelve in den brand ging, een jonge kraamvrouw, en die nog geen twee dagen kraams was, op het bedde heeft gelegen, en dewelke by groot geluk de kragten nog hebbende om van het bedde te geraken, den brand nog ontkomen is. Dat hy KLAAS, deeze zyne brandstigtinge aan Grevink, voor reden van zig geeft, dat hy zulks gedaan hadde, om dat dezelfde voorsz. kraamvrouw een tyd lang geleden, en die des tyds nog ongetrouwt waar geweest, hem een stuk pannekoek gegeven hadde, dat hem te klyn ware geweest.

    Dat aan Welink en aan het laatstgenoemde Grevink, verscheiden stuks levendig Vee, ingeoogste Koorengewassen, en verders meede verbrand en verteert zyn.
    Dat hy Beklaagden hier en boven door vier beëdigde geloofwaardige kondschappen is geconvinceert, alhoewel zelve telle quelle heeft willen negeren, dat hy op den 31. Augustus laatstleeden ten huise van ARENT OOSTENDORP, in die boerschap Hoerne, onder Dinxperlo gesproken heeft die naare woorden, als dat dien of deezen hoek in het kort een armen hoek zoude weezen.

    Dat hy almede daarenboven gedreigt heeft, het huis van den tamboers jongen binnen Dinxperlo in den brand te willen steeken, en daartoe gestendigt, en daarby gepersisteert, als dat hy, byaldien niet gevangen was geworden, het ook wel zoude gedaan hebben, en diergelyke verschrikkelyke dreigementen, en dangereuse uittingen van den Beklaagde, als de informatiën en confessiën in deezen meerder komen uittedragen.

    Het hooggemelde Gerigte God, en de Justitie voor oogen houdende, doende regt met advys van onpartydige Regtsgeleerden, verklaart den Beklaagde KLAAS NYMAN, in de pœne der Regten vervallen te zyn, denzelven over zulx in overweginge van deeze drie gruwelyke brandstigteryen‚ mits deezen condemnerende, dat hy ter gewoonlyker plaatse van Justitie gebragt, aan een paal gehegt en eenigermaalen geworgt, en voorts verbrand zal worden, anderen ten afschrikkelyken exempel.

    Aldus by ons ondergeschrevene geadviseert binnen Bredevoort, den 29. September 1729.

    (En was getekent.)

    H.J. TEN HAGEN en H.C. STUMPH

    Bron


    • Regtsgeleerde Verhandelingen over Lyfstraffelyke Misdaaden door een voornaam Regtsgeleerde (Jan Jacob van Hasselt), uitgegeven te Amsterdam bij Hendrik Gartman, 1781 (link)
  • Een belastinggeschiedenis uit het jaar 1717

    Een belastinggeschiedenis uit het jaar 1717

    Aaltensche Courant, 28 februari 1941

    Men vestigt onze aandacht op het Hoofdartikel in het „Weekblad der Belastingen”, no. 3562, met het opschrift „Rekenplichtige aansprakelijkheid uit de oude doos”, van de heer A. A. Vreede te Arnhem. Het artikel behandelt een belastinginvordering in de gemeente Aalten in het jaar 1717. Wij ontleenen hieraan een uittreksel met weglating van beschouwingen van theoretisch en technisch karakter, maar daarentegen met aanvulling van ons door den schrijver verstrekte bijzonderheden van plaatselijken aard, welke voor de lezers van het genoemde vakblad van minder belang waren.

    Een notabel ingezetene van Aalten, Peter Huijninck, landbouwer en keurnoot, (bijzitter op den gerechtsdag), werd in het jaar 1700 door den Ontvanger-Generaal van de Graafschap Zutphen, na overleg met de „Geërfden”, aangesteld als beurder, (ontvanger) der Verponding (grondbelasting) van de kerspelen Aalten en Dinxperloo.

    Deze kerspelen behoorden met de stad Bredevoort en het kerspel Winterswijk tot de Heerlijkheid Breedevoort. De ambachtsheeren van Breedevoort (sedert 1612 de Prinsen uit het Huis van Oranje-Nassau), hadden van ouds representatieve bevoegdheden verleend, in elk kerspel afzonderlijk, aan een paar van de voornaamste scholtengeslachten, en bij gebreke daarvan aan andere grondbezitters. Deze door of vanwege den ambachtsheer gemachtigde personen hadden tot omstreeks het begin der 16e eeuw ook bestuurlijke funktiën, daarna nog alleen het toezicht op de heerendiensten en de zorg voor het innen van sommige jaarlijksche opbrengsten, waartoe later ook eenige aansprakelijkheid voor het binnenkomen van de verponding behoorde. Hiermede hield verband, dat de aanstelling van een ontvanger in overleg met deze gemachtigden, hiervóór als „Geërfden” aangeduid, plaats had, en dat het stellen van zekerheid door een benoemde in de toenmalige acten van borgstelling heette ten behoeve van den Ontvanger-Generaal en ten dienste der Geërfden te zijn gevorderd.

    Deze stukken kwamen evenals alle andere vrijwillige acten, als ook de gerechtelijke acten, tot stand door eene verklaring in een gerechtszitting. Het gerecht, bestaande uit den Drossaart (rechter) of den Stadtholder (plaatsvervangende rechter), twee Keurnooten (bijzitters) en een Landsschrijver (griffier), zetelde te Breedevoort, doch hield beurtelings zitting in elk kerspel, waar dat noodig was. Bij de aanstelling van Peter Huijninck als beurder trad zijn broeder Hendrik Huijninck als borg op, en in de acte van borgtocht werden verschillende vaste goederen van beiden als zekerheid voor het beheer verbonden.

    Verscheidene jaren ging het goed, maar langzamerhand werd de beurder nalatig met de invordering en ontstond er een toenemende achterstand in de afdracht van gelden aan het kantoor van de Graafschap te Zutphen. Op herhaald aandringen van den Ontvanger-Generaal kwam er af en toe een tijdelijke verbetering; o.a. verzocht de Keurnoot Peter Huijninck in zijne kwaliteit van beurder op Mercury (Woensdag) den 21 April 1717, op den Gerichtsdag te Aalten beslag te leggen op vastgoed van Jan ten Heetbrink, den Jongen, en van Mechtelt Brethouwer, wed. Derk Nachtegaal, wegens achterstallige verponding, maar duurzame verbetering kwam er niet.

    Het was in Aalten van algemeene bekendheid, dat deze toestand niet kon voortduren en dat een gerechtelijk optreden tegen den nalatigen beurder niet kon uitblijven. Het is dus begrijpelijk dat de erfgenamen van den sedert overleden borg Hendrik Huijninck vreesden, dat ook het door dezen verbonden vastgoed zou worden aangesproken. Als gevolg hiervan verschenen op Venery (Vrijdag), den 18 Juni 1717 de beurder Peter Huijninck en zijne echtgenoote Geesken Locken voor het gerecht, deelden mede, dat de genoemde erfgenamen hen dagelijks lastig vallen door aan te dringen op maatregelen, waardoor zij schadeloos zouden worden gehouden, en verbonden mits deze een vierde aandeel in het erve en goed Westendorp in IJzerlo en twee derde in het Snoejenbos, op de Haart gelegen, voor zoover Arent Snoejenbos dat in pacht heeft, opdat de erven daarop eventueele schade zouden kunnen verhalen.

    Dit gebeurde nog juist bijtijds, want reeds tien dagen later op Luno (Maandag), den 28 Juni 1717 verscheen een gemachtigde van den Ontvanger-Generaal Hendrik van Essen, voor het gerecht om eene executoriale sommatie uit te brengen tegen den beurder Peter Huijninck met uitnoodiging om binnen tien dagen eene som van 17134 guldens, 1 stuiver, 10 deniers ten kantore van de Graafschap aan te zuiveren, als achterstand over de jaren 1713—1716 en met bedreiging van gerechtelijken verkoop van de bij de borgtochtacte verbonden vaste goederen. Een afschrift van de sommatie werd den volgenden dag door den voogd, (gerechtsdienaar of deurwaarder), Jan Keunen aan den beurder beteekend, sprekende met zijne huisvrouw Geesken Locken.

    Nu sloeg de erfgenamen van den borg, die zich door de acte van 17 Juni nog niet veilig achtten, eerst recht de schrik om het hart, want nog denzelfden dag verscheen namens hen de schoolmeester Rutger Muller te Aalten, schoonzoon van den overleden Hendrik Huijninck, voor het gerecht om beslag te leggen op de roerende goederen van Peter Huijninck, alsook op de vruchten en het mestrecht van door dezen gepachte landerijen, eveneens op diens veeneplas en den daarop staanden turf in het Barlosche Veen, verder op Smeenks zichtvrede, (maairecht), en op zijne mans- en vrouwenzitplaatsen in de Aaltensche kerk. Dit optreden van neef Muller werd oom Peter nu toch te bar. Zelf ziekelijk, liet hij door zijn zoon Adriaan op den 2 Juli 1717 verzet doen tegen dit, door hem waardeloos en onwettig genoemde, beslag.

    De beurder was niet in staat aan de sommatie van den Ontvanger-Generaal te voldoen. Op den 5 Augustus 1717 werd door het gerecht bepaald, dat de publieke verkoop van de verbonden vaste goederen zou plaats hebben op den 10 September 1717 binnen Aalten ten huize van de Wed. van wijlen Harmen Evers. (Waarschijnlijk aan de westzijde van de Landstraat het tweede pand ten noorden van de Hoekstraat). Ten overstaan van het Gerecht, bestaande uit den Stadtholder Jacob Becquer (Becker, red.), en de Keurnooten Jan Evers senior en Jan Evers junior deed de Ontvanger-Generaal bijgestaan door twee rechtsgeleerden op den genoemden 10 September den verkoop plaats hebben na voorlezing van de veilconditiën en van eene omschrijving van de goederen. De eerste veiling geschiedde bij opbod, de tweede onmiddellijk daarna bij afmijning en blijkens de biedingslijst waren er vele gegadigden.

    • Perceel 1. Drie vierde part van het goed Westendorp in IJzerloo. Eigenaren waren Peter Huijninck voor 5/8, en de erven Hendrik Huijninck voor 3/8, waarvan elk 3/8 had verbonden; buiten den verkoop bleef dus 1/4. Kooper van het 3/4 deel werd Gijsbert Prins voor f 2950.—.
    • Perceel 2. Het woonhuis van Peter Huijninck aan de Markt te Aalten 1. Kooper Willem Lourens Kampf namens Adam Willem Kampf voor f 1740.
    • Perceel 3. Bouwland op Smeenk-Winkel, anderhalf schepel. Kooper Derk Neerhof voor f 505.—.
    • Perceel 4. Een stuk bouwland op Smeenk-Winkel, grootte niet vermeld, kooper Willem Eppink voor f 480.—.
    • Perceel 5. Zes schepel land, genaamd het Wijntjesstuk, kooper Adam Willem Kampf voor f 465.—.
    • Perceel 6. Vier stukken hofland in Smeenkgoorden, grootte niet vermeld, kooper als voren voor f 205.—.
    • Perceel 7. De Dalshof, grootte niet vermeld, kooper als voren voor f 230.—.
    • Perceel 8. De Horsterkamp in Linteloo, grootte niet vermeld, kooper Jan Evers voor f 600.—.
    • Perceel 9. De Grevincksweide bij Aalten. grootte niet vermeld, kooper Jan te Bokkel voor f 470.—.
    • Perceel 10. Het pachtkoorn van de verbonden losse perceelen, benevens het jaargeld, de diensten en de smalle pachten door den bouwman van het Westendorp verschuldigd, alles over het loopende jaar; kooper Jan Arentsen voor f 95.—.
    • Perceel 11. Het pachtkoorn in garven van drie vierde van het Westendorp in des bouwmans behuizinge geborgen; koopers Wessel Broekhuys voor f 55 en Jan Arentsen voor f 25.-. Eigenaren van de perceelen 2—7 was de beurder Peter Huijninck en van de perceelen 8—9 de erven van den borg Hendrik Huijninck.

    Dadelijk na de tweede veiling volgde de toeslag, althans in naam, want bijna vijf weken later op 14 October liet de Ontvanger-Generaal voor het Gerecht verklaren, dat er voor de perceelen 3 en 4 op Smeenkwinkel een hooger bod was gedaan door de Douairière van Nagell tot Ampsen, geb. Barones van Coeverden, en dat de eerste koopers konden worden bedankt. Dezen, de landbouwers Neerhof en Eppink, lieten zich echter niet onbetuigd en dienden op 18 October bij het Gerecht een protest in benevens de verklaring, dat zij de veilconditiën getrouw opvolgden en rustig zouden voortgaan met het gekochte te bebouwen en bezaaien, ’t Is voor hen te hoopen, dat zij niet zijn teleurgesteld.

    De totale opbrengst bedroeg f 7542, zoodat de aanvankelijke achterstand van ruim f 17134, was verminderd tot ruim f 9592. Het zou voor de hand liggen, dat de Ontvanger-Generaal zou trachten dit restant op de overige goederen van den beurder zooveel mogelijk te verhalen en zoo noodig door middel van een nieuwen beurder van de nalatige belastingschuldigen zou laten invorderen. Hij volgde echter een anderen heel bijzonderen weg. Daar de z.g.n. Geërfden volgens het heerlijk recht van Bredevoort mede aansprakelijk waren, bracht hij dadelijk na afloop van de veiling bij het Gerecht eene sommatie uit aan de Geërfden van Aalten en Dinxperloo, zonder aanduiding van bepaalde personen, welke sommatie aan den Drost als Erfmarken-richter werd beteekend.

    Reinier Jurrien Baron van Coeverden en Walfaerdt 2 was toen ten tijde vertegenwoordiger van den Ambachtsheer met de titels van Hofrigter, Verwalter, Drossaert en Rigter. De Ontvanger-Generaal liet vervolgens nagaan, welke personen volgens het bestaande landsrecht als Geërfden aansprakelijk waren en op Jody (Donderdag) den 7 October 1717 deed hij eene vrijwel gelijkluidende sommatie voor het Gerecht uitbrengen, waarbij de genoemde som van 9592 gld. 1 st. 10 d., behalve de kosten werd gevorderd van de Heeren Scholte Jan Roerdink en Scholte Berent Arentsen ten Ahave, beiden als „Geërfden” van Aalten en aldaar wonende, benevens de Heeren Reynen van de Mebele en Rosier Jegerink, beiden te Dinxperloo, als „Geërfden” van dat kerspel, het bedrag gesplitst volgens staat en behoudens hun recht van wederverhaal.

    Begrijpelijkerwijs waren de „Geërfden” al heel weinig ingenomen met dit optreden van den Fiscus. Zij bestreden de vordering niet, doch haastten zich al evenmin met de voldoening. Die van Dinxperloo, wier aandeel betrekkelijk gering was, lieten zich het eerst overhalen tot storting van hun portie over te gaan en genoten daarbij den steun van het plaatselijk bestuur. Tot verhaal van dit voorschot verscheen op Sabbathy (Zaterdag) den 20 November 1717 voor het Gerecht eene commissie, bestaande uit Dr. Jur. Evers te Aalten. Vooght Grotenhuys en Garrit Jegerink, beiden te Dinxperloo, door de „Gemeinthe Dinxperloe” „geauthoriseert”, om beslag te leggen op de roerende goederen van den inmiddels overleden beurder en te verzoeken deze met spoed te doen inventariseeren en twee dagen later te laten verkoopen wegens gebrek aan voeder voor de paarden en „beesten”.

    Men zal zich herinneren, dat de schoolmeester Rutger Muller namens de erven van den borg op dezelfde goederen in Juni ook al beslag had laten leggen. Beide partijen bleven in eene langdurige procedure elkaars rechten betwisten. Wel begaf het Gerecht zich op Maandag 22 Nov. naar het huis van de Wed. Peter Huijninck, voor de inventarisatie, doch tot verkoop kwam het voorloopig niet, al zal voor het levende vee wel eene voorziening zijn getroffen. Meer dan een half jaar later, den 24 Juni 1718 beveelt het Gerecht op aandrang van meergenoemden Muller den Voogt en den Ondervoogt in Aalten de beslagen goederen op eene onzijdige plaats na inventarisatie op te slaan ten huize van Jan Janknegt, een der gerechtsdienaren. Verder bevat het Protocol over deze zaak geen bijzonderheden meer.

    De Geërfden van Aalten bleven voorloopig lijdelijk afwachten, zoodat de Ontvanger-Generaal het raadzaam achtte hun het vuur nader aan de schenen te leggen. Na drie maanden op Jovis (Donderdag) den 6 Januari 1718 verscheen Hendrik Casper Stumph, „der Regten Doctor” te Aalten, als bedienend advocaat van den Ontvanger-Generaal voor het Gerecht en verzocht vaststelling van een „schonen vasten dag” voor den gerechtelijken verkoop van hunne vaste goederen.

    In de acte worden genoemd:

    • de windmolen (in den Esch), leenroerig aan den Graaf van Bentem;
    • een part van het hofhoorig goed Hunink;
    • een part van het goed Boeink (Winterswijk);
    • een part van het goed Bouwmeester, alsmede van eenige perceelen van het goed Rigterink;
    • een huis en hof te Aalten;
    • de watermolen;
    • den Hof te Ahave (het goed De Pol te Aalten) met onderhoorige goederen;
    • een part aan het goed Rikkert in Haart-Heume;
    • een part aan Bennink; twee parten aan Het Slaa in Haart-Heurne.

    De veiling werd bepaald op den 8 Maart 1718, wederom ten huize van de Wed. Evers, des achtermiddags om twee uur.

    De beide Geërfden zagen nu, dat de zaak ernstig werd en dat zij over de brug zouden moeten komen. Inmiddels was er ook van ambtelijke zijde orde op zaken gesteld. De oude beurder Peter Huijninck was einde October overleden en een andere Aaltensche ingezetene Adam Willem Kampf (ook wel geschreven Campf en Cempf) werd tijdelijk belast met de waarneming van het beurdersambt. Hij betrok het huis aan de Markt van zijn voorganger, dat hij misschien al bij voorbaat op de gerechtelijke veiling gekocht had en den 12 Maart 1718 passeerden hij en zijne echtgenoote Gesina Smits eene acte van borgstelling, waarbij tevens werden verbonden het goed Bulsink in Linteloo en de perceelen op de gerechtelijke verkooping van wijlen Peter Huijninck aangekocht, terwijl als borg optrad Dr. Jan Casper Evers, die den Busscher Kamp, tusschen Aalten en Bredevoort gelegen, voor het beheer van Kampf verbond.

    De achterstallige belasting werd nu zooveel mogelijk met bekwamen spoed ingevorderd en ten slotte schijnen Scholte Roerdink en Scholte Arentsen er zonder al te veel kleerscheuren te zijn afgekomen.

    De tijdelijke beurder kreeg na eenige maanden eene vaste aanstelling met den ambtstitel van „Ontvanger”. Vooraf waren echter over en weer voorwaarden gesteld. De benoemde moest het beheer van zijn voorganger overnemen, zooals het reilde en zeilde en zijne borgstelling tot een bedrag van f 1000 verbinden tot schadeloosstelling van de Geërfden, als deze dat zouden verlangen; den 30 November 1718 werd zijne borgtochtacte in dien zin aangevuld. Daartegenover werd zijn minderjarige zoon Seger Adolph medewerker van zijn vader met het uitzicht later diens opvolger te worden, zoodat op denzelfden 30 November de ontvanger Kampf een ambtseed aflegde voor zichzelf en tevens voor zijn genoemden zoon. De jonge Kampf is later echter elders burgemeester geworden.

    Voetnoten


    1. Het pand aan de oostzijde van het marktplein met uitgang in de Peperstraat, ten noorden grenzende aan het perceel waarop thans het café Keizer, ten zuiden belend door het huis van Gijsbert Grevinck, dat aan de andere zijde grensde aan de brouwerij met voortuin van Lemmert Te Kavestede. Dit laatste perceel werd blijkens opschrift van een gevelsteen in 1799 verbouwd door Lourens Becking en Willemina Geertruid Schaars tot woonhuis, branderij en landbouwschuur. ↩︎
    2. „Walfaerdt” zal eene wijziging zijn van „Walvoort” den naam van de bekende Havezathe, tusschen Aalten en Bredevoort gelegen. De later ook officieel en in familienamen wel gebezigde schrijfwijze „Walfort” zou foutief en de uitspraak „Walvoort” juist zijn. ↩︎

    Bron


  • Kasteel Bredevoort

    Kasteel Bredevoort

    ’t Zand, Bredevoort (verdwenen)

    Kasteel Bredevoort was een burcht in het hart van het gelijknamige stadje en voormalige heerlijkheid Bredevoort in het Graafschap Zutphen van het Hertogdom Gelre. Het behoorde tot de belangrijkste kastelen van Gelderland. In de 13e en 14e eeuw speelde kasteel Bredevoort een belangrijke rol in de strijd tussen Gelre en Munsterland.

    Het kasteel werd in 1188 voor het eerst genoemd op een lijst van goederen van het bisdom Keulen als “Castrum Breidervort“. Het kasteel is in die tijd een omstreden plek. Het heeft dan ook meerdere eigenaren, waardoor een eeuwenlange strijd volgt om het kasteel. In 1238 komt het kasteel als gemeenschappelijke erfenis in handen van Ludolf van Steinfurt en Herman van Lohn. Het kasteel zal versterkt worden waarbij ze gezamenlijk de kosten dragen. In 1278 wordt de burcht tijdens een wraakactie verwoest door Graaf Everhard I van der Mark. Daarna bleef het kasteel 23 jaar als ruïne bestaan. In een verkoopacte uit 1284 wordt gesproken van “area castri Bredevort”.

    Na een jarenlange strijd om Bredevoort tussen Münster en Gelre komt het kasteel uiteindelijk in 1301 opnieuw in handen van graaf Herman van Loon II. In dat jaar verplichten de bisschoppen van Münster en Keulen zich om Herman van Lohn te helpen bij het herstel van de burcht. In de roerige tijden daarna gaat de burcht regelmatig over in Münsterse of Gelderse handen via strijd of door verkoop. De bisschoppen van Münster en Keulen moesten gezamenlijk de wederopbouw van kasteel Bredevoort betalen.

    Na eeuwen van strijd om het kasteel gaf de bisschop van Münster de strijd op, en wilde vredesonderhandelingen. Na jarenlang onderhandelen werd uiteindelijk op 28 juni 1326 de vrede getekend met het Verdrag van Wesel. Dit belangrijke verdrag werd ook ondertekend door de steden Zutphen, Groenlo, Emmerik en Arnhem. Hierdoor kwam Reinoud II van Gelre in pandbezit van de gerechten in Winterswijk, Aalten en Dinxperlo en het graafschap Bredevoort. Hierdoor komt het gebied definitief bij Gelderland.

    Plattegrond

    In 1562 liet de pandheer van Bredevoort, Diederik van Bronckhorst-Batenburg, heer van Anholt, een plattegrond maken van het kasteel te Bredevoort. Op deze plattegrond werden ook de functies en bouwkundige staat van de verschillende onderdelen beschreven. De maten werden genoteerd in Rijnlandse voeten. Een Rijnlandse voet is ruim 31 cm lang. Het kasteel was een rechthoek die 42 m lang en 36 m breed was. De muren waren ongeveer 65 cm dik. Om het kasteel liep een wal van zand. Op de hoeken waren rondelen. De wal was ongeveer 2 m breed.

    Verklaringen van de beschrijvingen op de plattegrond (vertaald uit oud schrift):

    1. Dit gewelf zal instorten, als het niet snel gerepareerd wordt.
    2. Hier is de trap om naar de ridderzaal te gaan.
    3. Deze muur is bouwvallig. De staande balken zijn onderaan verrot. Dit is een grote zaal: 47 voet lang en 23 voet breed, van binnen gemeten. Eronder is een kelder. De vloer bestaat uit balken en planken en is met estrikken (vloertegels) dichtgelegd. Boven de zaal is maar één zolder.
    4. Dit is een trap om in de grote zaal te komen.
    5. Dit is de keuken, 21 voet lang en 23 voet breed. Eronder is een kelder die net zo groot is als de kelder onder de grote zaal.
    6. Deze schuur is door drost Isendoorn gemaakt. De muren zijn tussen balken gemetseld.
    7. Dit is de wal die rondom het kasteel loopt.
    8. Dit is een erg vervallen schuurtje, net een varkenshok.
    9. De gevangentoren. Hij is 38 voet in het vierkant (van buiten gemeten). De muren zijn 8½ voet dik. [Deze toren is later waarschijnlijk als kruittoren in gebruik geweest, red.]
    10. Hier zijn twee rondelen.
    11. De kamer van de drost (Maarschalcksekamer) boven de poort. [De naam ‘Maarschalckse kamer’ stamt uit de periode 1534-1555 toen maarschalk Maarten van Rossum drost van Bredevoort was, red.]
    12. Dit is de kapel.
    13. Van hieruit stookt men de haard van de ridderzaal.
    14. Dit is de ridderzaal. Het vertrek is 36 voet lang en 19 voet breed. Hieronder bevinden zich de kamers van de burggraaf (slotvoogd) en van de rentmeester. Ook de ingang van de poort ligt hieronder.
    15. Deze muur is goed, voorzover hij boven de wal te zien is.
    16. Deze muur is gemetseld tussen houten balken en heeft een dikte van een halve steen. [De gebruikte stenen waren kloostermoppen van ca. 14 cm breedte, red.]
    17. Een vervallen wenteltrap.
    18. Nog een kamer. Hieronder is een wasruimte. Omdat de wal tegen de wasruimte ligt, is de muur verrot. De stenen zitten los.
    19. Deze muur is grotendeels tussen houten balken opgemetseld en is erg bouwwalling.
    20. Hierin staan de graanmolen en de bakovens. Boven is de kamer van de knecht, met twee zolders en een schoorsteen.
    21. Hier slaapt de drost. Het vertrek is 28 voet lang en 23 voet breed. Daaronder is een vleeskelder.
    22. Deze kamer is in tweeën gedeeld. De vloer is van hout. Ook hieronder ligt de vleeskelder.
    23. Deze kamer boven wordt de salon (pronkkamer, wapenkamer) genoemd. Eronder is de harnaskamer.
    24. Hier raakt de wal de muur, zodat de muur vocht doorlaat en gebreken vertoont. De muur is heel dik en als men het water zou kunnen tegenhouden, zal dat wel enige verbetering geven.
    25. Deze twee kamers en ook de korenzolder liggen boven het bakhuis en brouwhuis.
    26. Deze tekening is in Arnhem gemaakt, nadat alles zo goed mogelijk gemeten is. De tekening klopt aardig. Maar soms is het in het echt iets groter dan hier getekend staat, bijvoorbeeld de kapel, de wenteltrap op de binnenplaats en de gevangentoren.

    Uiterlijk aanzien

    Er is niet veel bekend over hoe kasteel Bredevoort er precies heeft uitgezien. Er bestaan wel tekeningen van het kasteel, maar deze zijn deels gebaseerd op aannames en fantasie.

    Het kasteel was gebouwd op een zandrug van ca. 42 x 26 meter groot en daarmee één van de grotere kastelen van Nederland. Op oude kaarten blijkt de hoofdburcht een typische concentrische burcht te zijn, voorzien van dubbele grachten met daarin een dikke ringmuur. Een voorburcht met zware hoektorens, een rechthoekig burchtmuur voorzien met vier hoektorens waarvan drie torens verlaagd werden tot rondelen.

    Kasteel en stad waren gescheiden door een dubbele gracht. Via een brug had men vanuit de stad toegang tot het kasteel. Met moest daarvoor twee poorten passeren, waarvan de tweede poort voorzien was van een barbacane, ten slotte nog een poortgebouw in de ringmuur voordat men op de binnenhof was. Binnen de burcht stonden verschillende gebouwen rondom een ruime binnenhof. Deze afbeeldingen wijzigden in de loop der tijden, en het uiterlijk en aanzien zal door de eeuwen heen vaak gewijzigd zijn geweest door strijd, oorlog, een stadsbrand, en andere oorzaken.

    3D-reconstructie van kasteel Bredevoort, gebaseerd op een tekening door Jacobus Craandijk uit 1882.

    Verwoest

    Het kasteel raakte zwaar beschadigd door de Kruittorenramp in 1646. Daarna domineerde het kasteel als ruïne ruim 150 jaar het stadsbeeld tot omstreeks het einde van de 18e eeuw. Uit 1791 is de laatst bekende melding van een zichtbare ruïne, overgeleverd in Bredevoortse kerkeraadsnotulen toen Willem V de restanten bezichtigde tijdens zijn bezoek aan Bredevoort. Het hoofdgebouw (zonder voorburcht, rondelen en ringmuur) had een omvang van ongeveer 42 x 36 meter. Daarmee was het één van de grotere kastelen van Nederland.

    Restanten

    Tegenwoordig liggen de restanten van het kasteel in de vorm van fundamenten, gewelven, tunnels en puin van dit kasteel onder en rondom plein ’t Zand en de Hozenstraat in het hart van de stad. In het voorjaar van 2009 werd tijdens archeologisch onderzoek rondom de voormalige school op ’t Zand een deel van de fundamenten blootgelegd. Er zijn muurresten aangetroffen van 2,5 tot 4 meter dik. Op plein ’t Zand zijn fundamenten gevonden van de barbacane. De contouren van dit poortgebouw zijn met messing gekleurde banden in de bestrating zichtbaar gemaakt.

    Bronnen