Op een terrein bij boerderij De Kamp aan de Lichtenvoordsestraatweg in Barlo trof men in 1959 resten aan van een urnenveld uit de Late Bronstijd en Vroege IJzertijd. Het urnenveld is in 2003 aangemerkt als rijksmonument.
De Arnhemsche Courant meldde op 11 maart 1959:
“Bij de landbouwer A.J. te Paske, op de boerderij De Kamp te Barloo, gemeente Aalten, is gisteren bij graafwerkzaamheden een aantal urnen gevonden. Op een diepte van plm. 40 tot 50 centimeter ontdekte men in de morgenuren de eerste urn, die nog vrijwel onbeschadigd was en waarin zich beenderresten bevonden.
Burgemeester E.S. van Veen werd direct van deze vondst in kennis gesteld, waarna gemeentewerklieden met de afgraving verder gingen. Op een terrein van enkele vierkante meters werden in de loop van de dag nog vier urnen blootgelegd. Op ongeveer honderd meter van dit terrein waren enkele jaren terug ook reeds urnen aangetroffen.”
Urnen op De Kamp, Barlo (1959)
Zutphens Dagblad, 11 februari 1953Zutphens Dagblad, 22 oktober 1957Arnhemsche Courant, 11 maart 1959
Christelijk Nationaal Weekblad De Spiegel, 16 november 1957
Langzaam en voorzichtig werd ze uit de ziekenauto getild. Sterke mannenarmen droegen de brancard stapje voor stapje over het erf, waar wat dorre bladeren door de frissen najaarswind voortgejaagd werden tot ze in hun vaart gestuit werden door het gaas, dat rond de kippenloop gespannen stond. Stapje voor stapje gingen de mannen verder, voorbij de mensen, die wat beschutting voor de wind gezocht hadden onder het dak van de open schuur. En Annie lachte tegen al die mensen, want het was voor haar wel een bijzonder blijde dag. Vandaag kreeg ze haar nieuwe, eigen kamertje! En daar hadden deze mensen en nog een heleboel meer voor gezorgd.
De brancard werd neergezet. Annie keek opzij en toen… toen zat er opeens een traan in haar oog, die ze haastig wegveegde. Maar er kwam er nog één en nog één… O, dit – nee, dit had ze na haar afwezigheid niet verwacht! Een heel nieuw huisje met twee openslaande tuindeuren waardoor ze een nieuw tafeltje zag staan – en stoelen – en haar radiootje stond naast haar ledikant op een gloednieuw boekenkastje en dan een mooie lamp – en… en… opnieuw werd haar de ontroering te machtig en terwijl ze naar binnen gedragen werd, liet ze haar tranen van blijdschap en dankbaarheid de vrije loop…
Zou er geen oplossing zijn!
Het zal ongeveer een half jaar geleden zijn, dat Hendrik Arentsen, manufacturier te Aalten voor de zoveelste keer een bezoek bracht bij Annie Smees, die al zo lang, zo heel lang – al wel vijftien jaar – ziek te bed lag en waarvoor menselijkerwijs gesproken geen genezing meer mogelijk was. Arentsen keek eens rond. De kamer waar het ziekbed stond, was aardig wat de ruimte betrof, maar hij wist, dat het er vochtig was en dat ’s morgens om tien uur de zon voor die dag afscheid van Annie nam.
Het verhaal van Annie Smees en Actie Zonneschijn in De Spiegel, 16 november 1957
Zonneschijn had het meisje nodig en dat ontving ze niet in deze kamer.
Wat jammer eigenlijk, dacht de manufacturier, dat dit meisje, dat toch al zo weinig ziet van de buitenwereld, nu ook niet wat meer zonneschijn kan ontvangen. Zou daar nu geen oplossing voor te vinden zijn? Zou er niet een andere kamer voor te vinden zijn? Zou er niet een andere kamer voor het meisje beschikbaar wezen? – Hij praatte er eens over met vader en moeder Smees, maar deze bejaarde mensen wisten het ook niet. Het was immers al zo veel jaren goed gegaan? Drie maanden van elk jaar had Annie in het kleine tuinhuisje gelegen en de rest van elk jaar lag ze in deze kamer.
Was er dan helemaal geen andere plaats in de boerderij, waardoor Annie’s ledikant op het zuiden kon staan? „Onze slaapkamer”, zei moeder Smees, „maar daar zit weer geen raam in, dat op het zuiden uitkijkt.” Tja, dat werd moeilijker. Vooral omdat de boerderij geen eigendom van het gezin Smees is. Toch bleef de heer Arentsen erover nadenken. Zonneschijn moest Annie hebben. Konden hij en al die vrienden, familie en bekenden, die haar regelmatig bezochten haar dàt maar geven! Het moest toch op de een of andere manier kunnen.
Giften stroomden binnen
En het lukte! Het lukte veel beter dan Annie’s vrienden hadden verwacht. Want toen de toestemming gegeven was om de kamer van vader en moeder met die van Annie om te wisselen en als een gezellig ziekenverblijf in te richten met een groot raam, met een schoorsteen, met behang en vloerbedekking, toen stroomden de giften binnen.
Op verjaardagen en bruiloften, van particulieren en zakenmensen, iedereen, die tot Annie’s familie, vrienden en bekenden behoorde was direct bereid om op de oproep van Arentsen te reageren en een steentje (of soms ook wel een grote steen) bij te dragen in de kosten, welke gemaakt moesten worden. Zo ontstond de actie „Zonneschijn” en het bedrag van duizend gulden, dat met de verbetering en aankleding van de kamer gemoeid was, werd al spoedig overschreden en groeide aan tot twéé duizend gulden!
Maar dàt was geweldig! Waarom, zo dacht Annie’s vrienden, zouden we het nu niet ineens helemààl goed doen? Laten we haar een heel nieuw kamertje cadeau geven! En al pratend kwam men ten slotte op het idee om een uitneembaar, verplaatsbaar en dubbelwandig houten huisje te laten maken. Ten slotte was moeder, de enige, die haar dag en nacht verzorgde, al bijna negen en zestig jaar en àls Annie nog eens bij iemand anders verpleegd zou moeten worden, dan kon ze haar huisje prachtig meenemen.
Zo werd er dus besloten en zo gebeurde het ook. Het huisje werd gebouwd en de inrichting ervan verzorgd. Meisjes van de Chr. Landbouwhuishoudshool van Aalten kochten en maakten van hun bijeengespaarde geld de gordijnen, de onderwijzeressen voorzagen ze van handbedrukte motieven, het Oranje-Groene Kruis schonk het vloerkleed, de firma Luimes gaf nààst een geldelijke bijdrage het mooie boekenkastje, waarop het moderne radiotoestelletje kon staan, dat Annie al eerder van een Spiegellezer ontvangen had, nadat er een oproepje voor prentbriefkaarten in ons blad gestaan had en deze mensen Annie persoonlijk bezocht hadden.
Verder waren er nog geschenken en giften van… ach nee, laten we geen namen meer noemen, want anders zouden we misschien iemand overslaan en het is trouwens helemaal de bedóéling niet van al Annie’s vrienden dat hun namen bekend gemaakt worden. Deze gaven, dit brengen van zonneschijn aan een meisje, dat al vanaf har elfde, twaalfde jaar sukkelt met haar rug door een ongelukkige val bij het spelen, waarbij operatief ingrijpen geen bat mocht hebben, al deze onbaatzuchtige liefde en dit tastbaar medeleven was haar geschonken, omdat men van haar houdt, omdat men de door de Here Jezus bevolen naastenliefde in praktijk wilde brengen.
Ontroerende naastenliefde
Zo moet men deze reportage dan ook zien. Temidden van al die narigheid, welke op deze wereld te vinden is, het elkaar vereten door jaloezie of haatgevoelens, het geschreeuw van „dat laat ik niet op me zitten!”, het… enfin, al dat lelijke en nare dat zoveel mensen hun naaste aandoen, temidden daarvan gebeurt dan opeens in de Gelderse Achterhoek dit mooie, dit geven van ontroerende naastenliefde.
Toen de burgemeester van Aalten en de heer Arentsen het woord voerden, stond het kamertje vol met familie en vrienden.
„Het is in geen geval de bedoeling om geld van U los te kloppen,” schreef mevrouw Te Loo uit Bredevoort ons, „maar wij vonden dit spontane medeleven met de zieke Annie Smees zo leuk en zo hartverwarmend, dat we dachten: dit moeten we eens naar De Spiegel schrijven. Het zou een voorbeeld kunnen zijn voor anderen.” En dat is het inderdaad!
Voordat Annie met de ziekenauto aankwam, hebben we eens rondgekeken. We zagen haar vorige ziekenvertrek, waar bijna geen zon komt en van waaruit ze ook praktisch niets zag van de weg. De weg, die tóch al een heel eind van de boerderij vandaan ligt. Ook ligt de kamer helemaal aan de andere kant van het huis, zodat Annie ook niets zag van de werkzaamheden, die door haar ouders, broer en zus rond de boerderij verricht worden, en waardoor ze dus ook weinig contact met haar huisgenoten had.
We hebben ook haar „zomerhuisje” bekeken, dat in de tuin staat. Het is niet groter dan een prieel. Stond haar ledikant erin, dan kon er met moeite één stoel bij. Bovendien viel het voor haar moeder ook niet mee om gedurende de drie maanden, dat Annie daar lag, iedere nacht een keer naar buiten te moeten.
Onbezwaard eigendom
Nee, dan is haar nieuwe kamer in alle opzichten beter. Door een deur is het huisje regelrecht verbonden met de slaapkamer van haar ouders, Annie heeft een beter uitzicht op de weg en op het erf en de zon kan ongehinderd van ’s morgens tot ver in de middag naar binnen schijnen.
Toen ze binnen gedragen werd – we schreven het al – stonden daar verschillende familieleden en vrienden om bij de overdracht aanwezig te zijn. We zagen de burgemeester van Aalten, haar geneesheer, dokter H. Knol met zijn echtgenote, wethouder Te Roele, de voorzitster van het Rode Kruis, afd. Aalten, mevr. Van Egmond en nog veel meer. Allemaal kwamen ze Annie gelukwensen met haar nieuwe verblijf en luisteren naar de oorkonde, die burgemeester Van Veen voorlas en aan haar overhandigde. Er stond het volgende in:
„Op heden, de eerste nov. 1957, werd door de Edelachtbare Heer („ja, dat ben ik, Annie, hoe vind je dat?” lachte de burgervader) E.S. van Veen, burgemeester van de gemeente Aalten aan Mej. Annie Smees, Heurne 4, eveneens gem. Aalten in onbezwaard eigendom overgedragen een dubbelwandig en met pannen gedekt houten gebouw, groot ruim drie bij vier meter, met dubbele ramen, schoorsteenmantel, asbestschoorsteen, tegelterras, elektra aanleg met bijbehoren, balatum, karpet met twee kleedjes, stoeltje, bank, tafeltje, boekenmeubel, lamp, oliehaard met 200 liter tank. Een en ander is het resultaat van een actie gevoerd onder vrienden, familie en belangstellenden onder het motto „Actie Zonneschijn”.
Ook moeder Smees moest vele handen drukken en gelukwensen ontvangen.
Velen tot zegen geweest
Annie Smees in haar nieuwe kamertje, rechts de heer H. Arentsen.
„Het heeft Anneke overweldigd,” zei haar wijkpredikant, Ds. R. Siertsema, „daarom kan zij ook geen woorden vinden om u allen te bedanken en heeft ze mij verzocht dit te willen doen.” „Laten we ook niet vergeten,” zei burgemeester E.S. van Veen wat later, „dat ofschóón Annie dit kruis te dragen heeft, zij tòch kans ziet om velen, die haar bezoeken, met een blij en dankbaar hart weer weg te laten gaan. Onbewust is zij veel mensen tot zegen geweest en ik weet zeker, dat zij dit zal blijven zijn.”
In- en ingelukkig lag Annie daar, de rode cyclamen bloeiden in de vensterbank, bloemen geurden door heel het kamertje en haar gevouwen handen lagen in het milde licht van de blij stralende najaarszon.
Het oorspronkelijke artikel is ook beschikbaar als pdf (klik hier).
Annie en haar zus Mina verhuisden in 1970 naar een aanleunwoning van de Cederhof, Hogestraat 80. Het ziekenkamertje heeft daarna nog enkele jaren dienst gedaan als berging.
Zondag 7 juli 1957 was een smoorhete dag. Veel inwoners van Aalten wilden daarom graag een verkoelende duik nemen in zwembad ’t Walfort. Het was destijds echter niet toegestaan het zwembad op zondag te openen. Honderden inwoners waren het daar niet mee eens en togen die middag naar het bad. De jeugd klom over de omheining en ouderen forceerden toegang tot het zwembad. Even later dook de menigte het verfrissende bad in, en de ijlings ontboden politie kon er niets tegen doen!
Stormloop op ’t Walfort
Nieuwe Winterswijksche Courant, 8 juli 1957
Aalten heeft een mooi natuurzwembad, ’t Walfort. Maar op zondag mag er niet gezwommen worden. De overwegend rechts-Christelijke gemeenteraad heeft met enkele stemmen meerderheid onlangs besloten, dat het zwembad op zondag gesloten moet blijven. Dit besluit heeft een groot deel der Aaltense bevolking, dat de motieven van dit besluit niet delen kan, zeer geprikkeld. Een geprikkeldheid, die zondag j.l. nog bevorderd werd door de enorme warmte, die deed snakken naar een verkoelend bad.
In grote getale trokken oud en jong zondagmiddag naar het Walfort, waar men aanvankelijk voor de gesloten poort bleef staan en protesteerde tegen het gemeentebestuur, dat het meer vrijzinnige protestantse volksdeel en ook de katholieken, joden enz. dit bad onthield, terwijl het smoorheet was. Al spoedig begon de jeugd over de omheining van het zwembad te klimmen en al spoedig waren er ouderen, die de houten schuttingen in trapten en zo de toegang tot het bad forceerden. En even later dook de hele menigte – ’t waren er vele honderden – het verfrissende bad in.
Toen de ijlings ontboden politie en enige bestuursleden van het Bad kwamen, stond men voor een voldongen feit! De politie kon weinig beginnen; er was voor haar geen doen aan, al die mensen uit het water te krijgen. Tenslotte heeft de A.R. wethouder Obbink een toespraak gehouden, die evenwel aan dovemans oren gericht was. Men dacht er nu eenmaal principieel anders over dan het gemeentebestuur en zwom rustig door.
De Volkskrant, 8 juli 1957
Na enkele uren zwemmen deed het zwembadbestuur nog eens een beroep op de zwemmers: ze hadden nu hun kans gehad en het bad moest toch weer gesloten worden. Dit beroep had succes: sportief verlieten allen het bad en even later was de zondagsrust in het zwembad hersteld. Maar het gemeentebestuur van Aalten zit met een probleem; het weet nu duidelijk dat, hoe men deze zaak principieel ook stelt, een groot deel van de bevolking het hiermede niet eens is en van oordeel is, dat de bemoeienis met haar vrijheid op zondag te ver gaat.
Natuurlijk heeft het gemeentebestuur zijn besluit, om het zwembad op zondag gesloten te houden, genomen op voor vele Raadsleden ernstige gronden. Maar wethouder Obbink beloofde deze kwestie „nog eens te zullen bezien” voor hen, die de principiële overwegingen van de Raad niet kunnen delen.
Zwembad Aalten blijft op zondagen gesloten
Tubantia, 9 juli 1957
Archieffoto zwembad ’t Walfort, ter illustratie
Op voorstel van B. en W. van Aalten heeft dit college vergaderd met het zwembadbestuur van „’t Walfort” ter bespreking van de incidenten van jl. zondag toen de jeugd van Aalten het zwembad heeft bestormd. Het zwembadbestuur heeft hierbij te kennen gegeven, het raadsbesluit om het zwembad op zondagen gesloten te doen zijn ten volle te eerbiedigen én dat het de actie van zondag afkeurt; dit laatste in tegenstelling tot geruchten, als zou het zwembadbestuur aan de demonstratie hebben meegewerkt.
Van gemeentewege zal in de loop van deze week ernstig worden gewaarschuwd tegen het betreden van het zwembad op zondag. De nodige maatregelen zullen worden getroffen. Naar we verder vernemen, zullen de raadsfracties van de K.V.P., P.v.d.A. en Gem. Belangen dit seizoen geen nieuw voorstel doen om „’t Walfort” op zondagen open te stellen. Daar uiteraard van andere zijde ook geen nieuw voorstel kan worden verwacht is het vrijwel zeker dat het bad dit seizoen op zondagen gesloten blijft.
Waarschuwing
Tubantia, 11 juli 1957
De loco-burgemeester van Aalten, wethouder W.B. Obbink, heeft naar aanleiding van de zondag op en om het zwembad plaats gevonden betoging bekend gemaakt dat bij herhaling van de ongeregeldheden niet zal worden geschroomd strafrechtelijke maatregelen te nemen. Deze publikatie werd uitgegeven in vervolg op een verklaring van het bestuur van ’t Walfort. Deze luidt als volgt: „Het bestuur van de bad- en zweminrichting „’t Walfort”, in vergadering bijeen op 8 juli 1957, heeft de ongeregeldheden, welke zich zondag jl. op en om het zwembad hebben voorgedaan, besproken. Het betreurt deze reactie op een besluit dat op volkomen wettige wijze is tot stand gekomen, ten zeerste en spreekt unaniem zijn afkeuring uit over dit gezagondermijnend optreden. Het dringt er bij de bevolking speciaal bij de jeugd, met klem op aan het Raadsbesluit te eerbiedigen, vernielingen na te laten en op sportieve wijze het besluit na te leven.”
Aaltense raad herziet besluit
Tubantia, 16 april 1958
De Aaltenaren kunnen de komende zomer op warme zondagen ’s middags vier uur gaan zwemmen in hun eigen zwembad ’t Walfort. De gemeenteraad heeft gisteravond namelijk besloten dat het bad op zomerse zondagen van 15 tot 19 uur geopend zal zijn. Een desbetreffend voorstel, ingediend namens de fracties van de de K.V.P. en Gemeentebelangen, werd na een rustig debat aangenomen met 9 tegen 6 stemmen.
Op zichzelf was dit besluit geen verrassing, wel verrassend was de vrij grote meerderheid die het voorstel kreeg. Anders dan vorig jaar juni, toen een soortgelijk voorstel werd verworpen met 8 tegen 7 stemmen, stemden nu alle drie ch-raadsleden voor. De A.R. bleef onwrikbaar tegen. Zoals bekend is vorig jaar zomer, enkele weken na het afwijzende raadsbesluit, ’t Walfort op een snikhete zondagmiddag door honderden Aaltenaren bestormd en daarna is er gedurende enkele uren gezwommen.
Verstoorde gemoedsrust brengt zondagsrust in gedrang
Het debat van gisteravond opende geen nieuwe gezichtspunten. Het werd vrijwel een herhaling in het kort van de argumenten, die op 30 juni van het vorig jaar uitvoerig en soms vurig ter tafel werden gebracht. Ditmaal was de raad er binnen een half uur over uitgepraat. De heer Luiten, fractievoorzitter van de A.R., noemde het weinig verheffend dat er nu al weer een voorstel komt om het zwembad op zomerse zondagen ’s middags te openen.
Als we nu een ander besluit zouden nemen zou men kunnen gaan denken dat wij toegeven aan de oppositie van de straat. Hij zette nog eens het pro en contra uiteen, moest weliswaar toegeven dat het massale zwemmen in de beek ontoelaatbare toestanden oproept, maar zei niet in te zien waarom in een gemeente als Aalten met haar rijkdom aan natuurschoon zondags ook nog het zwembad geopend moet zijn. Een stuk zondagsrust gaat er z.i. mee verloren.
De heer H.L. Obbink (C.H.) verduidelijkte waarom hij ditmaal een ander standpunt zou innemen dan vorig jaar. Het gebeurde van toen heeft bewezen dat de gemoedsrust van de bevolking zodanig kan worden verstoord als het zwembad gesloten zou blijven, dat de zondagsrust er door in het gedrang zou kunnen komen. Dit had hem doen besluiten zijn standpunt te herzien. De heer Huinink (arb.) kwam weer met het argument van zondagsarbeid in dienst van politie, spoorwegen e.d., die ook wel door anti-revolutionairen wordt verricht.
Archieffoto zwembad ’t Walfort, ter illustratie
(„Alleen noodzakelijke arbeid”, stipuleerde de heer Heinen), en noemde de houding van de A.R. typisch Aaltens. In een gemeente als Varsseveld ligt de situatie heel anders. Wat 50 jaar geleden werd verkondigd gaat nu niet meer op. De zondagsrust zal door de openstelling van het zwembad niet in het gedrang komen, meende hij.
Niet door verzet
De heer Wijkamp (K.V.P.) stelde dat niet de onregelmatigheden van vorig jaar zomer de aanleiding is geweest om het voorstel opnieuw aan de orde te stellen, toen stond direct al vast dat we nog voor het nieuwe badseizoen weer een poging zouden ondernemen.
Nadat de heer Brethouwer (C.H.) had uiteengezet waarom hij zou voorstemmen („het zwemmen in de beek te Lintelo komt de zondagsrust bepaald niet ten goede”), sprak de heer Heinen (A.R.) zijn bevreemding uit over de gewijzigde houding van de heer Obbink en vooral ook van de K.V.P., die enkele jaren geleden zelfs nog tegen het gemengd zwemmen was. De heer Lurvink (K.V.P.) antwoordde dat het zedelijk heil zeker zo belangrijk was als de zondagsheiliging. Na korte replieken, waarin heer Wijkamp een streng optreden van de politie vroeg tegen het zwemmen in de beek werd overgegaan tot stemming.
Nadat burgemeester Van Veen de uitslag had bekend gemaakt richtte de heer Ter Linde (P.v.d.A.) zich over de hoofden van de raad tot de bevolking met het verzoek van het zwembad een gepast gebruik te maken en geen excessen te laten voorkomen. B. en W. zullen ten aanzien van de uitvoering van het besluit nu nader in overleg treden met ’t zwembadbestuur.
Bronnen
Nieuwe Winterswijksche Courant, 8 juli 1957 (via delpher.nl)
In 2012 hebt in de Achterhookse Spreukenkalender 7 platte verhaaltjes estaone onder ’t pseudoniem Hollenbargs Jan, geboren en getogen op ’n Hollenbarg. Dit is ene van dee verhaaltjes waor ’t hele gedoo met begonnen is.
Ik slepe samen met mien ongetrouwde ome in ne beddestae. Wi’j hadden d’r gelukkig ook ne raempken an zodat ’t d’r neet al te benauwd was. Mien opa den sleep nog in ne helen dichte beddekaste met van dee deurkes d’r veur. Hee had ook nog stro as matrasse. As de rogge was edorst kreg e d’r ni’j stro in. Maor hee is wal zowat viefentachtig ewodden. In dee tied, ’t was denke ik zo in 1957 of ’58, werden wi’j allemaolle bange maakt dat de Russen wal ’s konnen kommen. Ze waarn Hongarije al binnenevallen en wee wet bunt ze zo deur Duutsland en dan bunne wi’j an de beurte. ’t Was de kolde oorlog, zo neumen ze dat.
Op ne zaoterdagmorgen, dat was zestien meert 1957 en wi’j slepen nog, begon ’t inens geweldig te knappen buten. Mien ome vlög naor baoven en reern: “daor komt de Russen an, noo zu’j ’t hebben”. Wat ’n spul. Ton wi’j van ’n eersten schrik bekommen waarn kekke wi’j uut ’t raempken en zaggen dat bi’j de buurn de schure in brand ston. Dat geknap kwam van de asbestplaten dee op ’t dak lagen. Deur de hitte van ’t vuur knappen ze uut mekare. Ton alles gebeurd was en de brandweer weg was hewwe de boel bekekken. Wat ne stinkeri’je. En no denk ik wal es, zol’n d’r neet asbestdeeltjes deur de locht waen egaone.
De poggen wee ne stuk asbest in de pokkel hadden ekreggen werden gauw eslacht deur Betsken ter Maot uut Aalten. ’t Vleis smaken good en geenene weet zich drok maken um de asbest. De leu wisten jo ook neet baeter. Maor ik wol nog wal effen zeggen: Wi’j hebt nooit gin Russen ezene, althans gin soldaoten. Later bunt d’r nog wal Russen en Russinnen in Aalten ewest. Op ’t festival van De Klepperklumpkes. Maor ton wazze wi’j d’r helemaole neet meer bange veur. Tieden verandert. Da’s maor good ook. Maor toch: de Rus begint weer kunsten te kriegen…
“Hollenbargs Jan” (Jan Oberink)
Brand bi-j Essink an de Beerninkweg, 16 meert 1957
Enkele fragmenten uit de Java-bode, 22 december 1956
Kerstfeest: Christelijk feest, doch vele gebruiken stammen uit heidendom. In gewijzigde vorm hielden zij stand tegen de tijd.
Reeds enkele dagen voor het Kerstfeest wordt in de mensen een feeststemming wakker, die in de Kerstdagen haar hoogtepunt bereikt. Het is geen toeval dat dan de Kerstboom, hulst en mistletoe opgeld doen en dat Kerstbrood, Kerstkransen en ander Kerstgebak de feestvreugde vergroten. Er wordt zelden aan gedacht, dat dergelijke dingen en gebruiken stammen uit het oude heidendom.
Vroeger vierden onze voorouders omstreeks die tijd het Joelfeest, het feest der vruchtbaarheid, ter ere van de terugkeer van het licht. De kortste dag was voorbij, de dagen gingen weer lengen. Dan werden offermaaltijden gehouden en in de heilige bossen vlamden de offervuren hoog op. Het Kerstfeest is een Christelijk feest, maar al die gebruiken zijn voortgekomen uit heidense bodem en zijn, min of meer gewijzigd, staande gebleven en door de moderne mens overgenomen.
Het is moeilijk de gebruiken van Kerstmis te binden aan een bepaalde dag, want wat hier op de eerste Kerstdag geschiedt, vindt elders plaats op 26 December of zelfs op Driekoningen. Sommige gebruiken, zoals het eten van bepaalde koek- en gebaksoorten zijn gedurende die hele periode tussen Kerstmis en Driekoningen in zwang. In het algemeen kan men zeggen, dat in Nederland op het platteland de eerste Kerstdag de heilige dag is, een dag van bezinning en meditatie en dat de tweede Kerstdag meer als uitgangs- of visitedag wordt benut.
Achterhoek
Bij de oude mensen in de Achterhoek leeft nog het bijgeloof dat op Kerstavond „Derk met de bèèr” rondrijdt, die alles vernielt wat buiten rondslingert. Nog wordt op vele plaatsen alle landbouwgereedschap in de schuur geborgen en wordt het erf schoongemaakt…
In vele gezinnen eet men in de Achterhoek op Kerstavond iets extra’s, en dit gebruik doet denken aan de oude benaming „dikkevretsavond”. In boerengezinnen wordt vaak getracteerd op pannekoek, met worst gebakken. Een spotrijmpje, dat wijst op een extra tractatie, luidt: „Kasaventjen, Kasaventjen, dan gaat ’t er bie ons op. Dan slacht mien va ‘nen pekkelhering en ik, ik kriege de kop”.
In Aalten eet men op Kerstavond „pilleweggeskes”, kleine bolvormige „wegen”, waarop twee deegpillen in kruisvorm gelegd worden. Kinderen kennen nog een oud bedelliedje: „Pilleweggen-aovend, offert geld, Geft de kleine kinder wat, Geft de groten ‘ne schop vör ’t gat!”
Bovengenoemde twee deegpillen in kruisvorm horen oorspronkelijk niet thuis op dit kerstgebak. Zij zijn er op geplaatst toen het gewone volk de naam pilleweg niet meer begreep. Een pil is een petekind of doopkind en de pillegift in de vorm van een pillewegge was een doopgeschenk. Het was tevens een herinnering aan het heidense broodoffer, dat gebracht werd om de demonen van het kraambed te weren. Anijs, kummel en kaneel joegen door hun sterke reuk de goden weg.
Dat men op Kerstavond pillewegen ten geschenke geeft, vindt waarschijnlijk zijn oorsprong in de verering van Maria als kraamvrouw. Het gebruik om op Kerstavond walnoten te eten in de gezellige huiselijke familiekring (in Aalten bijv.) is nog in zwang.
Op 2 februari 1906 werd ten huize van de wed. Jentink op de „Pas” te Barlo een samenkomst belegd door lieden, die chr. onderwijs in Barlo begeerden. Reeds eerder waren pogingen ondernomen om tot oprichting van een chr. school te komen, doch zonder resultaat. Op genoemde samenkomst werd echter de daad bij het woord gevoegd en kwam er een 36 leden tellende schoolvereniging tot stand. Onmiddellijk werden plannen beraamd om te komen tot de bouw van een school.
De voornaamste vragen, t.w. waar de school zou moeten komen en men het geld vandaan zou moeten halen, waren spoedig opgelost. De heer J. Westendorp nam de moeite te voet Barlo te doorkruisen ten einde het middelpunt vast te stellen, waar dan de school zou worden gebouwd. Ook het financiële gedeelte was snel opgelost. De bouwsom, ter grootte van f 6243 werd door collectes in de hele gemeente Aalten bij elkaar gebracht.
De aannemer Elschot uit Bredevoort begon onder architectuur van de heer R. van Lochem spoedig met de bouw, waardoor reeds op 11 juni 1906 door de oudste inwoner van Barlo, de heer A.J. Houwers, de eerste steen kon worden gelegd.
Christelijk Nationale School Barlo, 1960
Op 2 november 1906 werd gestart met 54 leerlingen en twee leerkrachten; hoofd was de heer J.A. Bos. Thans bedraagt het aantal leerlingen 121; het aantal leerkrachten vier. In 1930 werd de heer Bos vervangen door het huidige hoofd de heer M.C. Weenink.
Vrijdagavond werd het jubileum in het Feestgebouw te Aalten feestelijk herdacht. De heer H.C. Lichterink, voorzitter van het schoolbestuur, verwelkomde in zijn openingswoord in het bijzonder dr. Jonker van Amsterdam, die een feestrede hield over het onderwerp „Apostolair en solidair”.
Naar aanleiding van de plannen om in Barlo een nieuwe school te bouwen, liet burgemeester E.S. van Veen namens het college van B. en W. zijn felicitaties vergezeld gaan van de wens, dat het eerste nieuwe schoolgebouw, na de opheffing van de bouwstop, in Barlo zal verrijzen. Spr. meende echter hier een groot vraagteken achter te moeten zetten.
Nadat de secretaris van het schoolbestuur, de heer G.J. Luiten, een historisch overzicht had gegeven, sprak de inspecteur van het l.o., de heer A.J. Siemons uit Velp. Deze ontnam het schoolbestuur voorlopig de illusie van nieuwbouw. Ook deze spreker herinnerde aan de bouwstop. Hij sprak de hoop uit, dat het schoolbestuur in deze volkomen achter de regering zal staan, en zal beseffen, dat de woningbouw alle voorrang verdient.
Hierna boden nog verschillende sprekers hun gelukwensen aan, t.w. ds. J.D. Stegeman als nestor der Aaltense predikanten, ds. L.J. Goede als wijkpredikant van Barlo, mede namens zijn collega; ds. de Ruyter, die verhinderd was, de heer J. Dijkstra, hoofd Groen van Prinstererschool, namens de federatie van de chr. scholen te Aalten en de heer G.J. Luiten namens het comité van oud-leerlingen. Deze overhandigde een cadeau, in de vorm van een elektrische klok.
Na de pauze voerden leerlingen en oud-leerlingen een revue op over het wel en wee der school in de afgelopen 50 jaar.
Vooruitgang op de gebieden van ’t onderwijs, de sociale zorg en zelfs… de woningbouw.
Aalten vroeger
Een van de grotere gemeenten in de Gelderse Achterhoek is Aalten. Een gemeente, gevormd door twee plaatsen: Aalten en Bredevoort, met ruim 14000 inwoners. Aalten is ouder dan Bredevoort, lezen wij in het onlangs verschenen boekje over Bredevoort van Ds. H.A. Hauer, die op gezag van Dr. B.H. Slicher van Bath aanneemt dat Aalten vóór het jaar 600 en Bredevoort tussen de jaren 800 en 1000 ontstond.
In die oude tijden was Bredevoort belangrijker dan Aalten. De „gezagsdragers” uit die grijze oudheid woonden in Bredevoort. Daar stond een „kasteel”, waar omstreeks 1200 de heer Van Lohn de scepter zwaaide. En Bredevoort was vooral gevreesd, vanwege z’n veemgericht. Ergens tussen Aalten en Bredevoort, op het landgoed Walfort, bevond zich ’n openlucht-gerichtplaats, de veemstoel Slehegge.
Burgemeester E. S. van Veen.
De markt te Bredevoort met de Ned. Herv. Kerk waarvoor Koningin Juliana onlangs een bedrag van ƒ 500,— schonk ten behoeve van het restauratiefonds.
Wie zich aan heiligschennis, afval van het geloof, valsheid, meineed, mishandeling, moord of diefstal had schuldig gemaakt, kon voor dit gevreesde veemgericht worden gedaagd. De „indaging” werd met een dolk aan de deur van de beschuldigde vastgehecht. Verscheen de beschuldigde, na driemaal aldus gesommeerd te zijn, niet, dan werd hij voor schuldig gehouden. En dan wachtte hem de doodstraf, de „veemmoord”… En er schijnen harde heren in Bredevoort geheerst te hebben.
Wie nu het vredige kleine stadje Bredevoort doorwandelt, waarover nog de sfeer van vroegere tijden hangt, die ervaart, hoe deze tijden hun loop nemen en de omstandigheden veranderen. Bredevoort is niet meer het gevreesde centrum van een wijde omgeving, maar wel het aardige, vriendelijke stadje, dat – door de wegverbinding Aalten-Winterswijk – wat buiten het grote verkeer is komen te liggen, doch dat men vooral eens bezoeken moet: er is zo menig mooi plekje!
De gemeente Aalten – dus Aalten en Bredevoort, met de er omliggende Buurtschappen – is een vooruitstrevende gemeente. Dat is aan vele symptomen te merken: wie na gaat, wat er de laatste jaren tot stand is gekomen, wie ook de activiteiten van de industrie, de winkelstand, het boerenleven opmerkt, wie het florerende Verenigingsleven ziet: die weet, dat Aalten werkt en lééft! Burgemeester E.S. van Veen was zo vriendelijk ons een en ander te vertellen van de problemen en de plannen, waarvoor het gemeentebestuur van Aalten zich gesteld ziet.
Het onderwijs: veel vooruitgang!
„Om te beginnen met het onderwijs,” zo begon Burgemeester Van Veen het gesprek, „op dit gebied hebben we het laatste jaar goede vorderingen gemaakt. Daar is in de eerste plaats de mooie, de moderne en de grote Chr. Landbouwhuishoudschool, met heel wat meer lesruimte dan de oude school aan de Haartsestraat. Daar waren we uitgegroeid, temeer waar het Christelijk landbouwhuishoudonderwijs te Aalten van regionale betekenis is; uit de gehele omtrek komen de leerlingen; het zijn er op ’t ogenblik 409. Het nieuwe schoolgebouw is nog niet geheel gereed en dus nog niet officieel geopend, maar reeds zijn er enkele klassen ondergebracht.
Daarnaast kregen we een mooie nieuwe kleuterschool aan de Oosterkerkstraat en werd de restauratie van de R.K. lagere school te Bredevoort voltooid. Barlo stichtte voorts een eigen Chr. Kleuterschool. En dan hebben we onze Chr. HBS gekregen, ook een aanwinst van grote betekenis voor de gemeente. Voorlopig zitten we daarmee in de oude landbouwhuishoudschool, met twee dubbele klassen. Het volgend jaar komen we, wat de ruimte betreft, in de impasse. De gemeente heeft een pand aan de Markt te Aalten gekocht, waardoor een voorlopige uitbreiding dezer HBS mogelijk wordt, zij het dan ook zeer provisorisch, zeker zal er binnen afzienbare tijd een definitieve oplossing voor de huisvesting van de Chr. HBS moeten komen.
Er zijn nog meer verlangens op onderwijsgebied: er moeten een nieuwe openbare lagere school en een R.K. lagere school te Aalten en een Chr. Nationale school te Barlo komen; maar deze bouwplannen zijn nog niet voor elkaar. Ook is een bouwplan voor een nieuwe Chr. Lagere Landbouwschool ingediend bij ’t betreffende Departement; wij verwachten hiervan een spoedige beslissing. Dat wordt een belangrijke school voor onze landbouw uit de gehele omgeving.”
De nieuwe Chr. Landb. Huishoudschool aan de Oranjelaan te Aalten nadert haar voltooiing. Een gedeelte van de school werd reeds in gebruik genomen.
Chr. Technische School Aalten.
Woningbouw: méér bouwvolume gekregen
– „Hoe staat het met de woningbouw in Uw gemeente,” vroegen we, waarop Burgemeester Van Veen ten antwoord gaf:
– „Wij hebben, evenals vele andere Gelderse gemeenten in belangrijke mate voordeel gehad van de nieuwe regeling, die een aanvullend bouwvolume toestaat, wanneer een gemeente kan aantonen, dat ze nog voldoende arbeidscapaciteit over heeft, om meerdere woningen te bouwen. Ons gewone volume, dat we jaarlijks kregen, was ongeveer 50 à 55 woningen; dat hebben we in 1956, met een aanvullend bouwvolume, tot 90 woningen kunnen opvoeren. U begrijpt wel, dat we daar blij mee zijn: want de woningnood is ook in Aalten nog steeds de grote zorg.
Ons woningtekort is ook groot: er zijn 2904 woningen volgens de laatste woningtelling, terwijl de geregistreerde behoefte voor de al wonende gezinnen (dus de trouwlustigen en de nieuwkomers niet meegerekend!) 3431 woningen is. Dus een tekort van 527 woningen; trek van dit aantal af de z.g. traditionele samenwoningen (nl. zij, die toch samen blijven wonen, ook al konden ze een huis krijgen), dan is het nog duidelijk, dat ons woningtekort schromelijk is en het laatste jaar erger werd. Van ’t jaar krijgen we 82 nieuwe huizen klaar: 28 particuliere woningen, 16 duplexhuizen en 28 ééngezins-woningwetwoningen.
Sociaal werk
Op andere gebieden, aldus de Burgemeester, kunnen we optimistischer zijn. Neemt U b.v. de totstandkoming van het nieuwe gebouw der Werkinrichting te Aalten: een regionale stichting van de gemeenten Wisch, Dinxperlo en Aalten. Hier is zegenrijk werk tot stand gekomen voor onze minder valide medemensen. Ook bloeit het Mater Amabiliswerk, het R.K. vormingswerk voor jonge meisjes, terwijl daarnaast een Zonnebloem cursus voor het niet katholieke volksdeel is opgericht. Een en al lofwaardige en ook zo nodige activiteit op dit gebied!”
– „Een onderwerp van gemeentelijke zorg is ook het verkeers- en wegenvraagstuk: hoe staat het daarmede?” vroegen we.
Aan de Dinxperlosestraat verrees het nieuwe gebouw van de Sociale Werkinrichting te Aalten.
Wegenvraagstuk en verkeer
– „In 1956 hebben we 11 km. zandweg kunnen verharden, maar hier ligt een moeilijkheid, waarvoor in de toekomst toch ook een oplossing moet komen, nl. de kwestie van de financiering. De regeling is thans, dat de C.T.D. (Cultuur Technische Dienst van het Rijk) 40% der kosten betaalt, de gemeente 30% en de aanwonende boeren zelf ook 30%. Wanneer U nu bedenkt, dat één km. wegdek tegenwoordig rond 30.000 gulden kost, dan begrijpt U, dat deze last voor de boeren te bar begint te worden. De van belanghebbenden geëiste bijdrage ad 30% moet heel wat lager worden.
De stichting „Streekbelangen” heeft o.a. hierop onlangs nog aangedrongen. En men kan het werk van de verharding van zandwegen niet stilzetten; er zijn trouwens ook in onze gemeente, niettegenstaande het onderhoud met de wegschaaf veel verbeteringen heeft aangebracht, nog veel te veel wegen, die in de winter onbegaanbaar zijn. De intensivering van de landbouw eist voortgaande modernisering van ons wegennet. De verbindingswegen zijn over het algemeen in goede staat; de laatste jaren werden de Dinxperlose weg en de Sondernweg sterk verbeterd.
De Haartsestraat te Aalten ondergaat een belangrijke verbetering. De z.g. kinderkopjes moeten plaatsmaken voor een modern plaveisel in de vorm van klinkers, terwijl ook de straat aanmerkelijk wordt verbreed. Koortsachtig wordt er gewerkt om voor het invallen van de winter de straat weer vrij te kunnen geven voor het verkeer.
Maar toch zijn er nog een paar doorgaande wegen, die niet af zijn. Ik denk aan de weg Aalten-Varsseveld, die weliswaar recht getrokken werd en daardoor stellig verbeterd, maar die niet voltooid werd, terwijl evenmin rijwielpaden tot stand kwamen. Tevens is er een eindje weg, n.l. van de Dommen Aanleg in Barlo naar de grens Lichtenvoorde, dat – ook door het verdwijnen van de daarlangs gelegen trambaan – nodig gerestaureerd moet worden. De oorzaak, dat dit niet geschied is, ligt in het feit, dat het provinciaal subsidie in de voltooiing en restauratie niet ter beschikking is.
Gelijk U bekend, heeft het provinciaal bestuur alle aandacht geschonken aan vier provinciale hoofdverbindingswegen, die van het grootste belang worden geacht, maar die de provinciale middelen ook zodanig aanspreken, dat andere wegen op grondige verbetering zullen moeten wachten.
Verder zult U in het dorp Aalten zien, hoe we bezig zijn verschillende knelpunten voor het verkeer te verwijden. Wij zitten nog met het probleem, hoe we het veelvuldige en zware vrachtgoederenverkeer uit Bocholt buiten onze nauwe kom houden. Anderzijds hebben we er helemaal geen behoefte aan om een dode tak van ’t grote verkeer te worden; het personenverkeer in auto’s en op motoren en fietsen houden we, als het kan, natuurlijk graag in Aalten.”
Volop werkgelegenheid, maar meer eigen industrie nodig
– „Hoe staat het met de werkgelegenheid in uw gemeente?” vroegen we nog.
– „U weet het: we leven in de hoogconjunctuur, werkloosheid is er practisch niet. We hebben met behulp van de Cultuur Technische Dienst en met rijkssubsidie gepoogd de gracht om Bredevoort uit te diepen en circa 3 ha. grond op te hogen met het slijk uit de gracht. Daarvoor is voorwaarde: zo veel mogelijk mankracht inschakelen. Maar we hadden ze niet: het werk schoot niet op en is nu met zo weinig mogelijk arbeiders en zo veel mogelijk gemechaniseerde arbeid tot stand gekomen. Er is door dit werk goede, nieuwe cultuurgrond beschikbaar gekomen; ik hoop ook nog voor wat mooie beplanting hier en daar te kunnen zorgen, opdat Bredevoort er wederom een stukje natuurschoon vlak bij zijn gracht zal bij krijgen.
Maar al is er dan praktisch geen werkloosheid, wel moeten nog te veel mensen hun brood verdienen in nabij gelegen gemeenten. Daarom ben ik blij, dat er te Bredevoort in de opgeheven fabriek van Van Eijck & Co.’s Bontweverij een nieuw bedrijf gevestigd wordt, nl. de N.V. Delicatessenfabriek Aparta, die met 30 arbeidskrachten begint en hoopt te kunnen uitbreiden tot 50 arbeidskrachten.”
Tot zover de mededelingen van Burgemeester van Veen van Aalten, die met grote voortvarendheid de belangen van zijn gemeente verzorgt. Een mooie gemeente, waar het goed wonen en werken is!
De oude stadsgracht te Bredevoort. Steeds een geliefkoosd plekje voor wandelaars en vissers.
Met de woningbouw in Aalten is het merkwaardig gesteld. „Een vreemde in Jeruzalem” zou zich kunnen afvragen: wordt hier eigenlijk wel gebouwd? En als hij dan een volmondig bevestigend antwoord krijgt, zal hij meteen de vraag laten volgen: Waar dan? Nog korter kan het antwoord worden geformuleerd: Overal! Daar ligt inderdaad het kenmerkende van de woningbouw in Aalten – de honderden huizen die er na de bevrijding zijn verrezen, zijn niet geconcentreerd in één nieuwe wijk, maar zij staan her en der in de gemeente verspreid.
Aalten-zuid, de Meiberg en ’t Dal
Het gemeentelijk beleid in Aalten is er, wat de woningbouw aangaat, van meet af op gericht geweest het dorp geleidelijk een wat compacter aanzien te geven. Immers, de bebouwing van de gemeente vertoonde nogal wat „gaten”. Daar waren bijvoorbeeld de Piet Heinstraat, de Adm. de Ruyterstraat en de Willem Barendsstraat. Deze schreeuwden bijna om aanvulling. En die is er in de achter ons liggende jaren gekomen, ruimschoots.
Aan de Spinkatstraat naderen de nieuwe huizen hun voltooiing.
Deze bouwmethode had o.a. dit voordeel dat er geen nieuwe straten aangelegd en geen kostbare rioleringswerken uitgevoerd behoefden te worden. Er werd dus efficiënt gebouwd en men bereikte er tevens mee dat in Aalten niet, zoals in de meeste andere gemeenten, de door haar uniformiteit dikwijls weinig riante nieuwbouwwijken ontstonden.
Drie sectoren
Maar…. „de gaten” raken opgevuld en Aalten zal op de duur toch niet kunnen ontkomen aan het beeld van nieuwe wijken. De plannen, volgens welke de gemeente in de komende jaren zal worden uitgebreid, zijn gebaseerd op drie sectoren. Daar is allereerst het bouwplan Aalten-zuid. In deze sector bezuiden de spoorlijn zijn nieuwe wegen geprojecteerd en enkele reeds aangelegd. Daaraan zullen in de toekomst steeds meer huizen verrijzen.
Dan is er het Meibergplan, dat in steeds toenemende mate de belangstelling van de Aaltenaren trekt. En zeer terecht. Als dit project namelijk geheel zal zijn uitgevoerd, zal er – als de voortekenen niet bedriegen – een wijk zijn ontstaan waar het plezierig wonen moet zijn. Het zal een fleurige wijk zijn, met een plantsoentje en groenstroken. Een wijk bovendien, waarin men met het al te eenvormige en strakzakelijke hoopt te voorkomen door de aanleg van een paar lange verbindingsstraten en verscheidene dwarsstraatjes.
Twee der verbindingswegen zijn reeds gereed, namelijk de Spinkatstraat en die naar de Lichtenvoordsestraat. Die Spinkatstraat, waaraan het bedrijf van die naam voor personeelsleden enige fraaie woningen laat bouwen, geeft al een aardige indruk van hoe het op de Meiberg eens zal worden. In totaal zullen er een kleine honderd woningen komen, maar voor het zover is, zullen er wel enkele jaren zijn verstreken.
Uiteraard heeft de gemeente ook moeten uitzien naar terreinen voor particuliere bouw, welke niet in het gedrang zal komen. Deze bouwterreinen heeft het gevonden in de ontsluiting van ’t Dal, waarvoor het onteigeningsplan inmiddels reeds door de gemeenteraad is goedgekeurd. De nu bestaande Dalweg zal daartoe worden doorgetrokken. Hieraan zal binnen niet al te lange tijd de gymnastiekschool worden gebouwd en de christelijke streek-h.b.s. Zo zal ook deze sector van Aalten in niet al te verre toekomst grondig van aanzien veranderen.
Het oorlogsmonument op de Wheme is opgericht ter nagedachtenis aan alle medeburgers die tijdens de bezettingsjaren door oorlogshandelingen zijn omgekomen. Met het gedenkteken wordt tevens de bevrijding in herinnering gebracht.
De oprichting van het gedenkteken was een initiatief van het comité Stichting Monument 1940-1945. Onder de Aaltense bevolking heerste er direct na de bevrijding de behoefte om met een monument de oorlogsslachtoffers te eren.
Het monument bestaat uit een beeld van een mannenfiguur met vrouw en kind. Het beeld van Franse kalksteen is geplaatst op een terras. Het voetstuk bestaat uit metselwerk, beton en natuursteen. Het gedenkteken is 1 meter 31 hoog, 1 meter 43 breed en 90 centimeter diep.
Het monument is onthuld op 16 juni 1956 door Hendrik Jan (Ome Jan) Wikkerink, leider van de voormalige verzetsbeweging in Aalten.
De tekst op het voetstuk luidt:
OM TE DOEN GEDENKEN 1940 – 1945
De groep is met het gelaat naar het zuiden gericht van waar de verdrukking, maar ook de bevrijding kwam. Kunstenares Bé Thoden van Velzen omschreef het beeldhouwwerk als volgt: “… voorstellende man, vrouw en kind, als symbool van het gehele Nederlandse volk, verwachtingsvol uitziende naar de bevrijding, ongebogen en onverzwakt.”
Het gezin Korten, dat na rijp overleg de vertrouwde boerderij in Aalten ruilde voor een onbekende toekomst in Canada, mocht zich na twee jaar eigenaar noemen van een ruime houten woning en 45 hectare grondgebied.
Winter 1951 in Nederland, een belangrijke vergadering over een brandende kwestie. Een vergadering die misschien aan de aandacht van het Nederlandse volk is ontgaan en zeker niet een verslag in de pers heeft gehad, maar waarvan de resultaten daarom niet minder ingrijpend zijn geweest in het leven van een gezin, door generaties vastgeworteld in de vertrouwde omgeving van onze mooie Graafschap. De vergadering was een familie-bijeenkomst van de Kortens op het ouderlijk bedrijf „Lensink” onder Aalten.
Het onderwerp is vertrouwd in vele gezinnen op het Nederlandse platteland: wat te doen wanneer de kinderen opgroeien, gaan trouwen en een keer op eigen benen willen staan, een eigen boerderij willen hebben? Een probleem, weliswaar niet nieuw, maar steeds actueler naarmate de bevolking toeneemt, land verloren gaat door de bouw van industrieën en het aanleggen van wegen, uitbreiding van steden en vliegvelden. Een probleem waar geen inpolderingen een oplossing voor kunnen geven, tragisch door de onoplosbaarheid in eigen land.
Lensink
„Lensink” is een boerderij, twaalf hektaren groot, waar vader Korten met zijn gezin al uithaalden wat er in zat. Een boerderij, welke een bestaan geeft aan één gezin, maar zich verder niet meer laat verdelen. Onder het dak van de vertrouwde boerderij werd op die dag van 1951 een beslissing genomen. Als in eigen land geen oplossing gevonden kon worden dan zou men het over de grenzen proberen. Velen waren reeds voor gegaan, o.a. naar Canada, ook uit eigen omgeving. En de berichten, die van overzee werden gehoord over de ervaringen daar, wekten de hoop dat wellicht een oplossing voor hun probleem zou worden gevonden.
Het zal een weemoedig afscheid zijn geweest in de herfst van dat jaar. Afscheid van de boerderij, de vertrouwde omgeving, van de kinderen die achterbleven omdat andere banden hen in het oude land bonden. Een weemoedigheid misschien verscholen achter de opwinding van het grote gebeuren en de zenuwachtigheid van de voorbereidingen, maar ook verguld door de verwachtingen van een ongewisse toekomst. Zijn die verwachtingen vervuld? Werd in Canada de oplossing gevonden die in Nederland niet meer lag?
In de herfst van 1955, vier jaren na het vertrek uit Nederland, zal Korten op die vraag wel bevestigend antwoorden. Op zijn voorzichtige manier zal hij wijzen op wat er in die tijd werd bereikt, met open oog voor de moeilijkheden die nog in de toekomst liggen, maar tevens met vertrouwen in eigen kunnen en dankbaar voor de horizonten, die voor hem en speciaal zijn kinderen zijn opengelegd. Misschien zullen er zijn, die, de resultaten ziende, zeggen dat het met zo’n stel grote kinderen makkelijk valt succes te boeken. Maar maakt dat enig verschil? In Nederland zou het misschien slechts ten dele of nooit zijn bereikt. De jonge gezinnen zullen langer moeten ploeteren om het zo ver te brengen, er zich misschien meer offers voor moeten getroosten en moeilijker beginjaren hebben. Maar zij hebben de kracht van de jeugd.
Hoe Korten er nu voor staat
In oktober 1951 arriveerde het gezin in Canada en reisde door naar een klein plaatsje in Zuid Ontario, niet ver van Hamilton. Een oude kennis uit Aalten zorgde er voor dat het gezin werk en onderdak vond op een fruitbedrijf, terwijl voor het gezin van een getrouwde zoon een plaats werd gevonden op een boerderij in de buurt. Korten bleef daar twee jaar. De kinderen kregen werk in de fruit- en tabaksteelt, waar gedurende de zomer door lange dagen goede lonen worden verdiend. De gezamenlijke inkomsten werden opgespaard en in de zomer van 1953 was het al zo ver dat eens rondgekeken werd naar te koop staande bedrijven.
Tegen die tijd zal Korten wel gewend zijn geraakt aan dat grote verschil tussen Nederland en Canada, waar boerderijen te kust en te keur voor verkoop worden aangeboden. Goede en slechte, goedkope en dure, grote en kleine. Heel wat uren heeft hij met zijn zoons rondgereden, bedrijven bezichtigend, alvorens hij zijn keus had bepaald. De beschikbare financiële middelen legden beperkingen op, het bedrijf moest groot genoeg zijn voor zijn gezin en ontwikkelingsmogelijkheden voor de toekomst bieden…
Als iemand Korten voor zijn vertrek uit Nederland had verteld dat hij nog eens een uitgestrekte wijngaard zijn eigendom zou kunnen noemen, zou hij hem hebben uitgelachen. Maar dat onverwachte is gebeurd, want in November, amper twee jaar na zijn vertrek, betrok het gezin een bedrijf, groot 45 hektaren, waarvan de helft met druiven; het bedrijf, waar Korten zijn keus op had laten vallen. Men kan zich voorstellen dat het voor een Nederlandse boer van het gemengde bedrijf een hele verandering betekent wanneer hij zijn plaats tussen de koeien verwisselt voor een leven temidden der wijnstokken, vooral wanneer hij geen ervaring heeft met de druiventeelt.
In die positie verkeerden de Kortens. Veel aanpassing werd weer van hen geëist, veel werd en moet nog worden geleerd. Buren in deze streek, waar veel druiven worden geteeld, gaven advies en Korten weet nu ook dat hij bij de Voorlichtingsdienst om raad kan aankloppen. Het snoeien in de winter, aanbinden in het voorjaar, het sproeien en de grondbewerking, de oogst, alles was nieuw en vreemd. Langzamerhand groeien ze er in en leren de knepen van het vak en de eisen, die het stelt.
Warden’s en Niagara’s, Concords, Fredonia’s en Diamond’s, druiven-variëteiten die elk hun eigen verzorging behoeven, zijn namen die hen nu niet vreemd meer in de oren klinken. En dat is wat dit bedrijf meer dan iets anders nodig heeft: vakkennis. Enkele malen gedurende de laatste jaren is het van eigenaar verwisseld, het was verwaarloosd en vervuild toen het werd betrokken. De produktie ligt nog beneden normaal, wat niet alleen een gevolg is van het feit dat het grootste gedeelte van de wijngaard nog jong en niet op volle produktie is. Door snoeien moet worden verbeterd en oude stammen worden verwijderd. De gebouwen behoren opgeknapt te worden, maar dat kan in de ogen van Korten wel even wachten. Eerst moet de produktie op peil worden gebracht. En dat vereist al voldoende tijd en kapitaal.
Voor zijn afzet heeft Korten een contract met een wijnfabriek in de buurt. De prijs, welke hij voor zijn druiven ontvangt wordt in het voorjaar vastgesteld en is verschillend voor de soorten. Het afgelopen jaar varieerden deze prijzen van $ 80 tot $ 100, per ton. Deze druiven worden verwerkt tot wijnen en druivensappen. Enkele variëteiten zijn daarvoor meer in trek dan andere en Korten kan zich gelukkig prijzen met een behoorlijke variatie in de soorten op zijn bedrijf, waardoor hij meer verzekerd is van een goede afzet dan wanneer slechts enkele soorten worden geteeld. Een klein deel van de oogst verkoopt hij als handdruiven aan de groothandel of direct aan het publiek. Hoewel hij hier meer voor kan vragen, kost het ook meer werk en tijd om de mandjes klaar te maken. Bovendien is deze afzet zeer beperkt.
Johannes B. Korten is in de loop der jaren een echte druivenkenner geworden, die zijn uitgestrekte wijngaard met zorg en overleg beheert.
De druiventeelt is onderhavig aan belangrijke risico’s, zoals vorst- en hagelschade, plantenziekten, vogel- en insektenschade, waartegen de teler zich slechts gedeeltelijk kan verzekeren of wapenen. De afzet kost Korten geen hoofdbrekens en hij krijgt een goede prijs voor zijn produkt. Voor de afzet is de Canadese druiventeler voor een niet onbelangrijk deel aangewezen op export naar de Verenigde Staten, waar de produktie regelmatig toeneemt. Veel is echter reeds gedaan op het gebied van afzet-organisatie door druiventelers-verenigingen.
Het ziet er echter niet naar uit dat in de toekomst grote moeilijkheden bij de afzet zullen rijzen. Op het Niagara-schiereiland, waar de Canadese druiventeelt is geconcentreerd en Korten zijn bedrijf heeft, doet zich n.l. eenzelfde verschijnsel voor dat ons eigen land zo goed kent: meer en meer grond wordt hier voor industrialisatie in beslag genomen en ook de met druiven beteelde oppervlakte gaat achteruit. Deze streek, door klimaat en grondsoort zo bij uitstek geschikt voor, heeft door haar ligging in een dicht bevolkt gedeelte van dit land en de aanwezigheid van uitstekende transportfaciliteiten een grote aantrekkelijkheid voor de industrie. Hoewel deze ontwikkeling niet in het algemeen belang van de fruitteelt in deze streek is en men over het instellen van streekplannen spreekt om dit in goede banen te leiden, betekent het voor de teler een garantie voor afzet in de toekomst.
Behalve de wijngaarden telt het bedrijf ruim 20 hektare bouwland en grasland. Oorspronkelijk lag dit allemaal in gras, maar Korten heeft maar twee melkkoeien en twee vaarzen en besloot een gedeelte van het grasland te scheuren. Op het bouwland teelt hij nu tarwe, haver, mais en tomaten, het laatste gewas op een leveringscontract met een conservenfabriek. Ook met het vee is het zo gesteld, dat hij graag meer koeien zou willen houden, vooral omdat hij de mest zo nodig heeft op het bedrijf. Maar hij zit nog niet voldoende ruim in zijn middelen om hier nu al geld in te kunnen steken. Het is nog „alle hens aan dek” om aan de verplichtingen, die met de koop van het bedrijf zijn aangegaan, tegemoet te komen en daarnaast het bedrijf nog te ontwikkelen.
De jongens werken wanneer ze maar even gemist kunnen worden bij anderen, hetzij in het bouwbedrijf of inde tabaksteelt. Ondanks de zware lasten is er echter de voldoening van de opbouw van een bestaan en het vertrouwen in een toekomst zonder vrees voor het probleem dat hen naar Canada dreef: wat moeten de jongens gaan doen? Op eigen boerderij en daarbuiten ligt nu voldoende ruimte voor ontplooiing. Moeder Korten maakt nu haar eigen wijn, niet veel maar van „eigen teelt” en goed van smaak, om zo bij bijzondere gelegenheden eens te proeven. En bij die gelegenheden zullen zij en haar man wel eens herinneringen ophalen aan de tijd in Aalten, op de „Lensink’’, waar nu een zoon de scepter zwaait en een jong gezin opgroeit.
Heeft u interessante verhalen over familieleden die uit Aalten naar Canada zijn geëmigreerd? Stuur ons een bericht!
Nieuwe woonwijk in Aalten – Terreinen voor honderd woningen
HET DORP AALTEN, dat in de na-oorlogse jaren vooral aan de Zuidzijde is uitgebreid door de bouw van nieuwe woningen, zal in de eerstvolgende jaren een belangrijke uitbreiding ondergaan aan de Noordelijke kant. Het gemeentebestuur is er namelijk in geslaagd terreinen aan te kopen, gelegen tussen de Lichtenvoordsestraat en de Damstraat. Het ligt in het voornemen een aantal straten aan te leggen en hier een nieuwe woonwijk te scheppen.
Aanvankelijk heeft het in de bedoeling gelegen in het complex, gelegen tussen de Damstraat en de Meiberg, drie aan elkaar evenwijdige straten aan te leggen, lopend van Oost naar West. Deze woonwijk zou daardoor echter wel wat erg strak worden en daarom heeft de directeur van Gemeentewerken een nieuw plan ontworpen. Wijziging van het uitbreidingsplan is hierdoor noodzakelijk.
Oorspronkelijk plan gewijzigd
Het ontwerp van de directeur van Gemeentewerken heeft bij de leden van de raad een gunstig onthaal gevonden. In het oorspronkelijke bebouwingsplan zouden van de drie evenwijdige straten er twee aan beide zijden bebouwd kunnen worden. De meest Noordelijke weg mocht slechts eenzijdig worden bebouwd, teneinde te voorkomen dat men vanaf de Ringweg zicht zou hebben op de achterzijde van de woningen. Tussen de meest Noordelijk gebouwde woningen en de Ringweg zou namelijk maar een afstand zijn van vijftig meter. In het nieuwe plan is de middelste van de drie straten weggelaten. Hiervoor in de plaats is gekomen een dwarsstraat, die de Noordelijke en de Zuidelijke straat verbinden. Bovendien is tussen de beide straten een straat geprojecteerd, die rechthoekig staat op de dwarsstraat en de Zuidelijke straat.
Bejaardenwoningen
Uit de tekening van de directeur van Gemeentewerken, die wij hierbij publiceren, blijkt dat ook ten Noorden van het dichtst bij de Ringweg geprojecteerde nieuwe straat woningen kunnen worden gebouwd. Het minder riante zicht op de achterzijde van deze woningen stelt men zich voor te camoufleren door het planten van bomen en struiken langs de Ringweg. Het is nog niet zeker dat het doorgaat doch er bestaan plannen om aan de gemeenteraad voor te stellen op het terrein, gelegen tussen de Noordelijke straat en de Ringweg een aantal bejaardenwoningen te bouwen. Dit zullen dan woningen worden met één verdieping. Deze minder hoge woningen werken er bovendien nog aan mede, dat het gezicht daarop vanaf de Ringweg rianter is dan bij woningen met twee verdiepingen. Deze bejaardenwoningen komen dan bovendien in een rustige sfeer, doordat de bewoners aan de achterzijde het zicht hebben op door de gemeente aangelegd plantsoen. Overigens blijkt uit de tekening, dat ook terzijde van de woningen bomen of heesters zullen worden geplant.
Speelterrein
Het terrein tussen de Noordelijke en de Zuidelijke straat zal worden beheerst door twee straten. Het nieuwe plan heeft niet alleen boven het oude het voordeel dat deze wijk nu minder stijf gaat worden, doch bovendien heeft de directeur van Gemeentewerken kans gezien hier nog een speelterrein voor kleuters te projecteren. Met nadruk moet worden vermeld, dat het een terrein voor kleuters zal zijn, want het is te klein om speelterrein voor de ouderen te kunnen zijn. De oppervlakte is namelijk 40 bij 40 meter. Het ligt in de bedoeling het terreintje te betegelen en in het midden een zandbak te plaatsen. Tussen de Meiberg en de Lichtenvoordsestraat ligt ook nog een complex grond. Ook hier zullen woningen gebouwd kunnen worden. De nieuwe woonwijk op de Meiberg zal met de Lichtenvoordsestraat worden verbonden door een nieuwe straat, die ongeveer tegenover de onlangs aangelegde Saksenstraat op de Lichtenvoordsestraat zal komen.
Openbaar gebouw
Op de hoek van deze verbindingsstraat en de Meiberg is in het uitbreidingsplan een terrein geprojecteerd, waarop een openbaar gebouw van beperkte afmetingen kan komen. Rond dit gebouw kan een speelplein of iets dergelijks worden aangelegd. Het terrein leent zich, naar men ons mededeelde, uitstekend voor de bouw van een kleine school. Een definitieve bestemming is aan dit terrein nog niet gegeven. doch verwacht mag worden dat een beslissing daaromtrent niet lang meer op zich zal laten wachten. Tenslotte ziet men op de tekening de „Spinkatstraat”. Het ligt namelijk in de bedoeling een nieuwe weg aan te leggen die de Oosterkerkstraat op de tekening niet meer te zien zal verbinden, via een andere dwarsstraat, met het Meibergcomplex.
Officieel is aan deze verbindingsweg nog geen naam gegeven, doch gemakshalve wordt door de technische dienst van de gemeente Aalten aan deze straat, die achter de spinhulzenfabriek „Spinkat” zal komen te liggen, een naar dit bedrijf genoemde naam gegeven. Bovendien is de directie van „De Spinkat” voornemens in de toekomst aan deze straat woningen te bouwen ten behoeve van personeel van het bedrijf. Het voetpad langs het gebouw van de Vergadering van Gelovigen blijft bestaan. Ook dit pad verbindt de Oosterkerkstraat met de Meiberg.
Honderd woningen
Naar wij vernemen kan de gemeente op de terreinen op de Meiberg in totaal ongeveer zeventig woningen bouwen. Rond het bij de gemeente in eigendom zijnde complex liggen ook nog particuliere bouwterreinen. Er bestaat ook bij particulieren wel animo om hier te bouwen, zodat verwacht mag worden dat hier in totaal honderd nieuwe woningen kunnen verrijzen. Op de tekening ziet men voorts dat tegenover de Noordelijke straat, die op de Meiberg zal worden aangelegd, het begin van een nieuwe straat is geprojecteerd. Het ligt in de bedoeling hier t.z.t. een straat aan te leggen, die de Damstraat zal verbinden met de Bredevoortsestraat. Op het terrein, gelegen tussen deze beide straten, kunnen dan weer tal van woningen worden gebouwd. Zover is het echter nog niet, want de gemeente heeft de daarvoor benodigde gronden nog niet in eigendom.
Vier jaar geleden is Marinus Rhebergen uit Aalten naar Canada vertrokken en momenteel is hij enkele maanden met vacantie in zijn geboorteplaats.
„Canada is, wordt gezegd, het land van de onbegrensde mogelijkheden, maar denk nou maar niet, dat iedere immigrant in Canada in enkele jaren rijk wordt. Denk zelfs maar niet dat ieder, die naar Canada emigreert, daar binnen een paar jaar zich een positie heeft verworven, zoals dat in Nederland nooit mogelijk zou zijn geweest. Er zijn uitzonderingen, er zijn mensen, die het buitengewoon treffen en binnen enkele jaren zich een stevige positie hebben verworven, maar…. het blijven exceptionele gevallen.”
Dit zegt Marinus Rhebergen uit de Richterinkstraat te Aalten, die vier jaar geleden naar Canada emigreerde en gisteren terugkeerde voor een vacantieverblijf in Aalten, waar zijn ouders en verdere familieleden wonen. Vier jaar geleden is Marinus vertrokken, samen met zijn vriend Constant de Jong, ook uit Aalten. Het was eigenlijk een tikkeltje een avontuur voor Marinus en Constant. Beiden hadden werk en beiden waren vrijgezel. Veel zorgen hadden zij niet. Het onbekende trok hen wel en aan ondernemingslust ontbrak hen het niet. Op een goede dag zijn we vertrokken, zomaar, op hoop van zegen.
„Toen we in Canada aankwamen moesten we”, vertelde ons Marinus, „natuurlijk zien wat geld op zak te krijgen. Nadat we aan land waren gekomen, besloten we de eerste de beste fabriek maar eens binnen te stappen. Het was een textielfabriek. Vooraf hadden we „getosst”, waarbij het zo was uitgevallen, dat, mocht er maar één man nodig zijn, ik het eerst aan beurt zou zijn. In die eerste fabriek trof ik het. De directeur – een Engelsman – kon wel mensen gebruiken. Hij gaf hoog op over de goede verhoudingen, die er steeds hadden bestaan tussen het Engelse en het Nederlandse volk. Natuurlijk was ik wel zo wijs niet over de oorlogen met Engeland te praten. Na een paar dagen kwam de directeur mij vertellen dat hij ook voor mijn vriend werk had. Zo kwamen wij beide in hetzelfde bedrijf aan de slag.”
Pamflet om Nederlandse immigranten welkom te heten, jaren ’50. Canadian Museum of Immigration at Pier 21.
Op kantoor
Marinus had echter geen zin om in de textielfabriek te blijven. Hij zocht een betrekking op een kantoor en slaagde tenslotte in een plaats in ’t Noorden van Ontario. „Een beste baan had ik daar”, vertelde Marinus. „Eén bezwaar was er aan verbonden; ik was in die plaats de enige Nederlander en dat was niet prettig. De mentaliteit van de Canadezen is heel anders dan die van de Nederlanders en als puntje bij paaltje komt, blijf je ginds toch altijd Nederlander. Je houdt, of je wilt of niet altijd je Nederlandse gevoel voor gezelligheid en gemeenschapsbeoefening.”
Marinus is nu maar eens naar Aalten getrokken. Voor hoe lang? Och dat weet hij zelf nog niet. Hij is nergens aan gebonden. De baan in Canada heeft hij opgezegd. Zijn baas daar heeft hem een prachtig getuigschrift gegeven en gezegd dat te allen tijde de kantoorstoel weer voor hem klaar staat. Marinus heeft echter geen zin om weer als Nederlander geïsoleerd tussen de Canadezen te zitten. Ergens anders in Canada zal hij straks zijn geluk wel eens weer proberen.
Vooruit komen
Tal van Nederlanders heeft Marinus in de afgelopen vier jaar in Canada gesproken, ook verschillende oud-Aaltenaren. Het gaat hen behoorlijk goed, natuurlijk de een beter dan de ander. „In het algemeen”, zegt Marinus, „moet iemand, die in Nederland een klein bedrijfje of een kleine boerderij heeft, niet denken dat hij in Canada binnen een paar jaar onder de pannen is. Velen, die in Nederland zgn. kleine zelfstandigen waren, zijn dat in Canada ook. Wil men met reuze schreden de weg naar het fortuin op, dan moet men zich volledig aanpassen bij de Canadezen. Dat betekent, hun goede eigenschappen overnemen, maar ook de slechte. Dan krijgt men veel relaties en dat is van enorm belang, echter niet moreel.
Constant de Jong, die gelijk met Marinus is vertrokken, werkt nog steeds in dezelfde fabriek. Hij is minder goed dan Marinus in de gelegenheid geweest te veranderen, omdat hij enkele jaren na aankomst in Canada daar is getrouwd. En Constant is een man met Nederlandse verantwoordelijkheid; een getrouwd man moet niet gaan avonturen. Marinus is het vrijgezellenleven trouw gebleven.
Familie Voortman
Marinus Rhebergen bezocht in Canada dikwijls het gezin Voortman. Dat vond niet alleen zijn oorzaak in het feit dat er vier jongens in dit gezin zijn, waarmee het gezellig praten is, de vrouw van Voortman Sr. is uit Aalten afkomstig. De heer Voortman, die weduwnaar was, is namelijk in Hamilton hertrouwd met mej. Cato te Brake, die enkele jaren geleden naar Canada vertrok. Het gezin Voortman heeft, vertelt Marinus Rhebergen, eerst ’n aantal jaren in Picton gewoond. Na enkele jaren van hard werken en van flink sparen, besloot de heer Voortman een eigen huis te kopen.
Hij slaagde in Hamilton, waar in het centrum van de stad een groot huis te koop was. De heer Voortman werd eigenaar van dit pand en besloot het gedeeltelijk als pension in te richten. De zaken gingen vrijwel vanaf het begin heel goed. Dit was, aldus Marinus Rhebergen, vooral te danken aan de goede naam, die het pension kreeg. Het waren voornamelijk ongehuwde Nederlandse immigranten, die bij de familie Voortman in de kost gingen.
Ze hadden het er best. Niet alleen dat gezorgd werd voor goed eten en drinken, ook aan het scheppen van een gezellige sfeer werd veel aandacht besteed. In het algemeen munten de Canadese kosthuizen niet uit door gezelligheid. De Canadezen zijn minder gesteld op huiselijk verkeer dan de Nederlanders en dat blijkt ook uit de inrichting van hun woningen.
Kosthuizen
Vooral de ongehuwde Nederlandse immigrant heeft het in Canada niet gemakkelijk. Financieel kan hij zich, als hij tenminste van aanpakken weet, wel redden, doch het verdienen van geld alleen maakt de emigratie niet geslaagd, men moet zich ook in de nieuwe omgeving thuis voelen.
Ongehuwden zijn in Canada aangewezen op kosthuizen. „Dat is niet alles”, zegt Marinus. „Er is bijna geen huiselijk verkeer en je mist de gezellige sfeer van de Nederlandse gezinnen. De Nederlandse immigranten hebben ook veelal kostgangers, doch een bezwaar is, dat een Nederlands gezin soms acht tot tien kostgangers heeft. Daar wordt de spoeling wel eens dun van.”
De jongelui, die bij de familie Voortman hun kosthuis hebben, voelen zich stuk voor stuk in Canada op hun gemak en dat is ook het geval met de jongemannen, die hier ’s avonds na het werk enkele gezellige uren door brengen.
Andere immigranten uit Aalten
Ook met tal van andere immigranten heeft Marinus Rhebergen in Canada kennis gemaakt. Uiteraard heeft hij hoofdzakelijk bezoeken gebracht aan uit Aalten afkomstige Nederlanders. De heer J. Bierman uit Lintelo heeft aanvankelijk een paar jaar in het zuiden van Ontario op een boerderij gewerkt. Enkele jaren geleden heeft hij in Cochrane, in het noorden van Ontario, een boerderij gekocht. De grond was goedkoop en is goed. Een nadeel is dat men in het noorden vrij eenzaam woont en dat de winter daar lang is. De heer Bierman verbouwt vooral veel aardappels. De boerderij is ongeveer 500 ha groot.
De heer G.C. Stronks, voorheen wonende aan de Hogestraat te Aalten, werkt in Burlington op een tuinderij. Hij is momenteel bezig met het zelf bouwen van een huis.
De heer Ant. Lammers, die in Aalten een boekhandel had aan de Landstraat, woont met zijn gezin in Hamilton. De heer Lammers is eerst enkele jaren aan het pionieren geweest, doch heeft thans vast werk in een drukkerij en boekhandel. Hij is dus weer in zijn eigen branche beland.
De heer J. Wiggers, in Aalten een der directeuren van meubelfabriek Luimes en Wiggers, woont sedert enkele jaren in Smithfield bij Trenton. De heer Wiggers is een vakman, die ook in Canada veel waardering voor zijn werk ondervindt. Hij heeft zich vooral toegelegd op het verzorgen van interieurs van woningen. Voor zijn eigen gezin heeft hij een prachtig huis gebouwd. De heer Wiggers neemt in Canada het afwerken van woningen aan.
De heer H. Winkelhorst, die in Aalten woonde aan de Koopmanstraat, bezit thans een boerderij in Smithfield. Het bedrijf, dat hij eerst enkele jaren had gehuurd, heeft hij thans gekocht.
De heer Bertus Prinzen, die op de Hogestraat in Aalten een kruidenierswinkel dreef, en één der eerste emigranten uit Aalten was, heeft in Jarvis een grote boerderij – een veebedrijf. De heer Prinsen heeft in Jarvis tal van functies in het openbare leven. Hij is een vraagbaak voor veel immigranten.
De heer Bernard Prinsen uit IJzerlo, heeft in Bloomfield bij Picton een goede boerderij. Het is een gemengd bedrijf. Zijn zoon werkt ook op de boerderij, nadat deze eerst enkele jaren bij de General Motors had gewerkt.
De heer Willem Prinzen, die in Aalten aan de Willemstraat woonde, werkt bij een bouwonderneming, samen met een van zijn zoons. Ook zijn andere zoons hebben goed werk. Het gezin W. Prinsen woont in Bloomfield, waar zij een huis hebben gekocht. In Aalten was de heer Prinsen grossier in textiel.
De broers Geert, Arie en Wim Lammers uit Aalten hebben in Canadese fabrieken goed betaald werk gevonden.
Heeft u interessante verhalen over familieleden die uit Aalten naar Canada zijn geëmigreerd? Stuur ons een bericht!
Het emigratieverhaal van Willy Bulten en Peter Klaassen (1955)
Willy Bulten
Wilhelmina Adriana (Willy) Bulten werd op 3 juni 1928 geboren in Aalten. Willy hield van lezen en dat hielp haar de vijf moeilijke jaren van de nazi-bezetting te doorstaan. De keuken van haar ouderlijk huis werd tijdens de oorlog gebombardeerd, waardoor de familie Bulten moest verhuizen. Ze hielp haar moeder in de bloemenwinkel van het gezin, terwijl haar vader een succesvol hoveniersbedrijf runde.
Na de oorlog ging Willy studeren voor onderwijzeres in Rotterdam. In deze periode kreeg ze een relatie met de knappe Peter Klaassen uit Susteren (Limburg). Peter werd na de Tweede Wereldoorlog ingelijfd bij het Nederlandse leger en diende twee jaar in Nederlands-Indië. Ze trouwden op 12 juli 1954 en maakten hun huwelijksreis op de motor door Europa.
De woningmarkt en de arbeidsmarkt in Nederland waren in de naoorlogse jaren uitdagend voor het ambitieuze stel dat de wereld wilde verkennen. Net als velen voor hen zochten ze hun geluk in het buitenland en overwogen ze emigratie naar Australië, Canada of de Verenigde Staten. In 1955 deed zich een gelegenheid voor om naar de VS te verhuizen. Het avontuurlijke paar ging aan boord van een schip in Rotterdam, op weg naar New York, gevolgd door een treinreis dwars door Amerika.
Ze vestigden zich in het stadje Mount Vernon, net ten noorden van Seattle, in de staat Washington. Later verhuisden ze naar Kirkland, Washington. In 1963 werden ze Amerikaans staatsburger. Ze kregen vier kinderen: Paul, Annely, Janine en John.
Naturalisatie tot VS staatsburger, 1963
Willy & Peter Klaassen-Bulten
In 1971 bracht hun drang naar avontuur en ontdekking de familie Klaassen ertoe om dwars door Amerika te rijden naar Fairfax, Virginia. Willy werd daar directeur van de Commonwealth Christian School. In 1979 richtte ze de Appletree Private School op, waar peuters tot en met groep 3 onderwijs en opvang kregen. Ouders waren enthousiast over deze nieuwe school met de deskundige, energieke en opgewekte directrice met haar charmante Nederlandse accent. Het was zo’n succes dat ze enkele jaren later een tweede vestiging in Noord-Virginia opende. Na twee decennia nam ze afscheid van de Appletree Schools om meer tijd te besteden aan lezen, reizen met Peter, genieten van de schoonheid van de Chesapeake Bay en het bezoeken van familie.
Peter overleed in 2018 en Willy in 2020. Zij werden begraven op Flint Hill Cemetery in Oakton, Virginia.
Even kras en even opgewekt als ze een half jaar geleden uit Aalten vertrok voor een bezoek aan haar familieleden in Canada, is gisteravond mevr. wed. Lammers-Bulsink, in Aalten beter bekend onder de naam „opoe Lammers”, weer in haar woning in de Willemstraat aangekomen.
Op 30 November van het vorige jaar vertrok deze energieke vrouw, van wie men nauwelijks kan geloven dat zij dit jaar 84 wordt, met de Rijndam naar Canada om haar kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen te bezoeken, die na de oorlog naar Canada emigreerden en in brieven verschillende keren hadden geschreven: „opoe, U moest eens kunnen zien, hoe wij het hier hebben”.
Opoe Lammers heeft, na enig overwegen, deze uitnodiging aanvaard en eind vorig jaar vertrok zijn naar Canada. Zij heeft daar haar vele familieleden, die het zich maar moeilijk konden voorstellen dat „opoe” werkelijk kwam kijken, bezocht en haar ogen ook verder goed de kost gegeven. Ook met andere oud-Aaltenaren heeft zij in Canada kennis gemaakt. Het bezoek van hun oude moeder en grootmoeder was voor de kinderen en kleinkinderen in Canada een verrassing, groter dan men zich daar had kunnen voorstellen.
Opoe Lammers, die een prettige tijd heeft gehad in Canada is op 14 Mei j.l. terug gereisd met de Rijndam. Gisteren kwam zij in Rotterdam aan, waar zij door haar kinderen werd afgehaald. Per auto is ze daarna naar Aalten gereden, waar ze gisteravond tegen zeven uur arriveerde. Vele handen van familie, buren en kennissen moest zij bij aankomst schudden. Ze had het best naar de zin gehad in Canada, vertelde ze.
Gisteravond kwam de in Nederland wonende familie Lammers in gebouw „Irene” in intieme kring bijeen. Daar heeft opoe verteld van haar belevenissen en ze wist dit op zeer onderhoudende wijze te doen, zodat ieder zich een beeld kon vormen van de omstandigheden, waaronder de „Canadese tak” van de familie Lammers leeft.
Toen opoe Lammers uit Aalten vertrok nam zij voor de familie in Canada een geluidsband mede, waarop door de Aaltense familieleden gesproken woorden waren opgenomen. Het afdraaien van deze band veroorzaakte in de Canadese familiekring veel blijdschap en verrassing. Opoe Lammers bracht uit Canada ook weer een geluidsband mee. Zo hoorde men gisteravond in de familiesamenkomst de stemmen van de familieleden in Canada. Het bleek dat velen het Aaltense dialect nog niet hadden verleerd.
Heeft u interessante verhalen over familieleden die uit Aalten naar Canada zijn geëmigreerd? Stuur ons een bericht!
Familie Herman Prinzen (9 personen) emigreert naar Argentinië
Herman Prinzen en zijn gezin, dat overmorgen scheep gaat naar Argentinië.
„Dat is dan de laatste koffie, die ie van ons kriegt”, zegt Herman Prinzen uit IJzerlo bij Aalten, en hij zet een dampende kop koffie op tafel. Het is stil in de grote keuken van boerderij „Linquenda”, de keuken, die groter schijnt dan ooit tevoren, omdat er practisch geen schilderijen meer aan de muur hangen. Met een oude, verweerde spiegel is nog getracht de wand enigermate te sieren, wat niet bijster is gelukt en verder hangt slechts eenzaam de Bijbelse dagkalender op het behang.
Door het keukenraam kan men uitzien over de IJzerlose es, die vlak en kaal in magere zonnestralen zich probeert te koesteren. De wind blaast het mul geworden zand van de akkers driftig over het geploegde land. Herman Prinzen, de 48-jarige boer, staart naar buiten. „Hier hebben wij nu ongeveer achttien jaar gewoond”, zegt hij, misschien meer tot zichzelf dan tot ons. „Wij zullen er nu geen achttien dagen meer zijn, zelfs geen acht meer….”
Spaans leren was niet gemakkelijk
„In Argentinië praot ze Spaans!”, zegt een dochtertje van Prinzen. „Heb ie wal es Spaans heuren praoten?” „Nee,” moeten we bekennen. „Is Sunterklaos dan nooit bie oe ’ewest, den kump toch oet Spanje?” „Spaans is een moeilijke taal,” zegt Prinzen. „Leerink, Wim Leerink zogezegd uit de Kerkstraat in Aalten heeft ons wat Spaans geleerd. Tjonge, ’t viel niet mee en we kennen er nog niet veel van.” „Maar kom,” vervolgt hij en hij wendt zijn blik af van de uren aaneen, in stuifzand gehulde es – „daar is mijn werk gedaan” – ik zal u vertellen van onze a.s. emigratie.”
En dan begint boer Herman Prinzen zijn verhaal. Het is een verhaal, waarvan het wezen der dingen een radicale omkeer zal brengen in zijn leven en niet alleen in het zijne, maar in dat van zijn vrouw, mevr. Prinzen-Kämink en van hun zeven kinderen, waarvan de oudste zestien en de jongste nog geen jaar is en in de kinderwagen ligt te kraaien van plezier. „U kent opa Brunsveld,” stelt Prinzen vast. „ledereen hier kent immers opa Brunsveld. Hij is een geboren en getogen IJzerloër en als hij jarig is, dan komen veel mensen op visitie.
Dat was op 24 November van het vorige jaar. De vrouw en ik zaten, het was laat in de namiddag, bij hem te praten, toen ook de heer Kämink, een neef van mijn vrouw, binnen kwam. Kämink is hoofdbestuurslid van de Chr. emigratiecentrale en u begrijpt dat het gesprek al spoedig over de emigratie ging. Nog niet lang geleden had Kämink Argentinië en nog enkele andere landen bezocht om zich op de hoogte te stellen van de immigratiemogelijkheden daar.” „Misschien is daar voor jullie ook wel perspectief,” zei hij.
„We dachten er verder niet zo diep over na, maar een paar dagen later kregen wij een brief van hem. Hij had er namelijk wel over nagedacht. Om kort te gaan, hij schreef dat er in Argentinië bij de prot. chr. school een internaat is, waarvoor men een conciërge zoekt. „Is dat niets voor jullie?” schreef hij. Die vraag was niet zo heel vreemd, als ze op het eerste gezicht wel lijkt. Ik ben hier immers in IJzerlo wel in hoofdzaak boer, maar tien jaar lang ben ik ook conciërge geweest van het verenigingsgebouw „Ons aller belang”, ’t Witte kieltje zat al in de koffer….
„Is onze taak hier misschien afgelopen ?”
Die brief van Kämink heeft mijn vrouw en mij niet weer losgelaten; Er is, schreef Kämink dringend behoefte aan een conciërge – We zijn er geen mensen naar – mijn vrouw en ik evenmin – die bang zijn om naar een ander land te vertrekken of een ietwat onbekende toekomst tegemoet te gaan. We hebben de brief van Kämink principieel bezien. Zo: „Is het misschien ook zo, dat onze taak hier, in de Aaltense buurtschap IJzerlo, is afgelopen en dat er voor ons in een ander en een vreemd land een nieuwe toekomst en een nieuwe taak wacht?” „Ja,” zegt mevrouw Prinzen, „zo hebben wij ons voor deze zaak gesteld.”
„Nu moet u niet denken,” vervolgt Prinzen, „dat het probleem voor ons eenvoudig was. Wij hebben vele jaren, samen met de ouders van mijn vrouw, die nu oud zijn geworden, in deze boerderij gewoond. Zou het nu goed zijn, dat wij gingen vertrekken en onze ouders in de avond van hun leven eenzaam achterlieten?” „U begrijpt, dit is een „zware” zaak om te overwegen.
Onze ouders hebben echter gezegd „Als jullie menen, dat er voor jullie en de kinderen een toekomst ligt in Argentinië, dan moet je dat om ons zeker niet laten. Wij mogen jullie niet tegenhouden, ook al zijn we oud. Wij vertrouwen, dat als jullie een taak wordt gegeven in Argentinië, er ook voor ons zal worden gezorgd ’’ Toen onze ouders dit zo gelovig opvatten, heb ik ’s avonds gezegd: „Wat dunkt je vrouw, hoe moeten wij er mee aan?” „We moesten maar gaan ” Herman,” zei ze. „Alles wordt ons licht gemaakt….” Dat was tegen Kerstmis.
Donderdag vertrekt de boot
We hebben toen geschreven aan Kämink in Hoogeveen en hij heeft verder alles geregeld. Donderdag a.s. vertrekken we met de boot. Ongeveer vier weken zijn we onderweg. Dan komen we in Buenos Aires, de hoofdstad van Argentinië aan. Acht uur moeten we dan nog reizen met de bus voor we in Tres Arroyos, onze nieuwe woonplaats, zijn. Ik zal daar dus, zoals ik al zei, conciërge worden van een internaat. Dat staat 50 meter van de school af en tien minuten van de kerk. We komen dus niet in een onbewoonde streek.
In Tres Arroyos wonen trouwens veel immigranten. Het zijn geen immigranten van de laatste tijd. Er zijn er heel wat, wier ouders of grootouders reeds naar Argentinië immigreerden, doch zij hebben, zoals ik heb gelezen in brieven, die ik uit Argentinië ontving toch altijd nog de Nederlandse volksaard behouden. Zelfs op school wordt nog enkele uren per week les in de Nederlandse taal gegeven. Dat schreef het hoofd van de school mij.
In het internaat verblijven doorgaans zo’n tachtig kinderen. De afstand van huis naar school is te groot om dagelijks af te leggen en daarom blijven de kinderen van April tot December in het internaat. Vier maanden hebben zij vacantie, van December tot en met Maart. Dan gaan ze naar huis. Dat zijn in Argentinië de zomermaanden. In die vacantie heb ik in Argentinië gelegenheid om in de landbouw te gaan werken. Twee van onze dochters, Christina en Johanna, gaan in Tres Arroyos in het internaat werken. Een blijft thuis moeder helpen en de anderen gaan of naar school of blijven thuis, omdat ze nog te jong zijn voor de school. We hebben vier meisjes en drie jongens. Dat is ’t hele verhaal.”
„Of we er niet tegenop zien?” „Neen, nu niet meer,” zegt Prinzen. „We hebben het besluit genomen en geloven nu dat onze levensweg ginds, in Argentinië zal worden voortgezet. Daar schijnt dezelfde zon als hier in de IJzerlose es en daar regeert ook dezelfde God als in Nederland. We hebben een paar drukke dagen achter de rug. Bijna alles is nu echter ingepakt. Nog een paar dagen en dan gaan we.” „O ja, u wilt misschien weten hoe het met onze ouders zal gaan? Ook voor hen wordt gezorgd. Ons vertrouwen is niet beschaamd geworden, want een neef van ons, Wim Kämink gaat 6 Mei trouwen en komt dan hier op de boerderij te wonen. Hij zal niet alleen voor het bedrijf, maar ook, samen met zijn vrouw, voor zijn opa en oma zorgen. Zo zal, ook in dit opzicht, alles goed komen. We zijn daarvoor erg dankbaar.”
In 1955 werd Speeltuinvereniging Bredevoort opgericht. Het was de eerste vereniging van dien aard in de gemeente Aalten. De contributie bedroeg dertig cent per maand, het donateursgeld twee gulden per jaar (bron: Dagblad Tubantia).
In een verslag van de Werkgroep Jeugdzaken wordt een overzicht geschetst van de Aaltense speeltuinverenigingen in het jaar 1973:
Speeltuinvereniging Bredevoort: Locatie: Schoolstraat, Bredevoort. Het gebouw, eigendom van de gemeente, is thans geheel gereed. Aantal leden: 85 gezinnen. Activiteiten: Verschillende binnenactiviteiten. Op de woensdagmiddag in de wintermaanden organiseert deze speeltuinvereniging verschillende binnenactiviteiten voor de jeugd.
Speeltuinvereniging “Robbedoes”: Locatie: Achter de woningen aan de Saksenstraat en de Berkenhovestraat. Aantal leden: 90 gezinnen en 50 donateurs. Activiteiten: 6 dagen per week openstelling speeltuin, 3x per jaar deelname wandeltochten. In de winter: 1x per week bingoavond; 2x per mnd film in het clubhuis; 1x per week schietavond; 2x per mnd instuifavonden; 1x per jaar feestmiddag kinderen.
Speeltuinvereniging “Rond de Vlag” (opgeheven): Locatie: Koopmanstraat. De speeltuinvereniging “Rond de Vlag” is opgeheven. Er worden dan ook geen activiteiten meer voor de jeugd georganiseerd. Aantal leden: 24 gezinnen waren lid. Activiteiten: 1x per jaar avondvierdaagse, 1x per jaar kinderfeest bij Vultink, 1x per jaar buurtfeest bij Vultink.
Speeltuinvereniging “Wildebras”: Locatie: Eerste Broekdijk. Aantal leden: 40 gezinnen en 10 donateurs. Activiteiten: 2x per jaar dropping, 1x per week wandelen, 1x per jaar uitgaansmiddag, 1x per week houtbewerken in clubgebouw, 1x per week ontspanningsavond in clubgebouw.
Speeltuinvereniging “Prins Willem Alexander”: Locatie: Achter de woningen aan de Nijverheidsweg. Eigenlijk kan hier niet gesproken worden van speeltuin, omdat op het terrein geen speelwerktuigen staan. Er is ook geen trapveld. De belangen van deze speeltuin worden behartigd door de buurtvereniging “De Nijverheid”. Aantal leden: 156. Activiteiten: 1x per jaar sportdag in speeltuin, 1x per jaar uitstapje.
Tussen de Admiraal de Ruyterstraat en de Trompstraat in Aalten wordt een weg aangelegd. B. en W. dezer gemeente hebben de raad voorgesteld aan deze weg de naam Abel Tasmanstr. te geven. Deze omgeving ligt in de lijn van de straataanduiding in de omgeving, waar aan diverse straten namen van Nederlandse zeelieden uit het verleden zijn verleend.
Op de hoek van Bodendijk, Bocholtsestraat, Dinxperlosestraat en Eerste Broekdijk is een bebouwd gedeelte ontstaan, dat tot op heden geen naam had. Het werd door de bewoners van lieverlede aangeduid met de naam Plein, een weidese naam overigens, want wie verwachten zou hier een groot plein te vinden vergist zich. In officiële stukken ging men echter in de loop van het laatste jaar ook de naam Plein overnemen en nu stellen B. en W. voor om deze naam dan maar officieel aan deze omgeving te geven. Zij willen echter deze naam ook geven aan het gedeelte straat tot de spoorwegovergang, aansluitende op de Dijkstraat, zoals B. en W. schrijven. Dit gedeelte heette tot op heden ook Dijkstraat en heeft op zichzelf weinig gemeen met een „plein”.
Plein Zuid
In het Dal
Het doortrekken van de Beeklaan in 1965
Het ligt in de bedoeling van het gemeentebestuur binnen afzienbare tijd over te gaan tot z.g.n. ontsluiting van het Dal. Eerst zal een weg worden aangelegd, lopende van de Stationsstraat (bij de Wilhelminaschool) naar de Hogestraat. De klinkers voor de bestrating staan hier al grotendeels klaar. Voor alle wegen, welke hier zullen worden aangelegd willen B. en W. nu maar in een keer namen vaststellen. De tegenwoordige Slingestraat die van de Willemstraat af gedeeltelijk langs de Slingebeek loopt, wil men in de toekomst doortrekken tot de Stationsstr. nabij de Koembrug. De naam Slingestraat willen B. en W. dan doen vervallen en aan de hele weg de naam Slingelaan geven.
In ’t uitbreidingsplan is voorts een weg geprojecteerd, die zal lopen van de Willemstraat bij borstelfabriek Lurvink naar de bovengenoemde Slingelaan. Aan deze weg, die dus vlak voor de Slingebeek op de Slingelaan uit komt, wil men de naam Beeklaan geven. De weg, die van de Stationsstraat (bij de Wilhelminaschool) zal lopen westwaarts tot aan de Beeklaan zou, volgens B. en W. de naam Dalweg gegeven kunnen worden, terwijl B. en W. voorstellen aan de weg, die op de Hogestraat begint, zuidwaarts loopt en uitkomt op de Dalweg de naam Steile Dalweg te geven.
Aalten-Zuid
Het ligt voorts in de bedoeling in Aalten-Zuid enkele wegen aan te leggen. In de eerste plaats een weg, lopende van de Bodendijk in noord-oostelijke richting langs de Hervormde school. Deze straat wil men Vondelstraat noemen. Zuidelijk hiervan komen twee hiermede parallel lopende wegen, die resp. Huygensstraat en Bilderdijkstr. zouden kunnen heten, volgens B. en W.
Tussen de Vondelstraat en de Bilderdijkstraat komt een verbindingsstraat. Deze zouden B. en W. willen noemen naar de dichter Jacob Cats. Ook zal nog een weg worden aangelegd, die loopt van de Koopmanstraat naar de Parallelweg. Aan deze straat stellen B. en W. voor de naam Van Alphenstraat te geven.
Hoek Plein Zuid / Bodendijk
Veel straatnamen in de bebouwde kommen van Aalten en Bredevoort tegenkomen, zijn vastgesteld in 1933. Lees meer >
Aalten verloor belangrijke veemarkt, maar de ontwikkeling ging ongestoord haar gang
In een vijftig jaar geleden door prof. dr. H. Blink geschreven sociografische studie over „Nederzettingen in Gelderland” wordt van Aalten gezegd dat deze plaats niet zo goed partij heeft getrokken van de overgang tot de nieuwe tijd als Winterswijk. Meer dralend, niet het initiatief nemend, heeft Aalten, volgens prof. Blink, Winterswijk laten voorgaan bij de ontwikkeling van het spoorwegnet en zijn industrie is daardoor achtergebleven.
„Aalten is, zo schrijft prof. Blink voorts in zijn werk, thans in een stationnaire toestand met geen vooruitgang.” Door een zeker conservatisme bij het bestuur is zelfs de veemarkt, die hier eens aanzienlijk was, gedeeltelijk naar Lichtenvoorde verplaatst, dat geen marktgelden hief, terwijl Aalten die bleef heffen. Evenwel moeten wij ook opmerken, dat ook andere oorzaken tot die verplaatsing medewerken, in verband met de ligging aan de grens. De bevolking, die in 1840 2136 zielen bedroeg, beliep in 1890 niet meer dan 2224, terwijl in 1900 Aalten 2400 inwoners telde.
Veemarkt Aalten, 1934
Bredevoort werd overvleugeld
Pijpendraaien was hand-, voet- en vakwerk. Hier een voorbeeld van een Aaltense trapdraaibank uit 1880.
Prof. Blink schrijft verder in zijn studie in 1904, dat Aalten, een dorp uit de heerlijkheid Bredevoort, het oude stadje in de schaduw heeft gesteld en zelfs de hoofdplaats der gemeente is geworden, waartoe Bredevoort behoort. Hier is, tegen een zuidhelling van een heuvel met keien en leem, die tot 36 meter hoogte gaat, in de oudheid een nederzetting ontstaan, niet ver van de Slinge, aan een weg van Duitsland naar Arnhem. Hier had van ouds een druk verkeer met karren plaats, dat evenwel verminderde in de achttiende eeuw, omdat bij Westervoort een brug over de IJssel werd gelegd en het verkeer zich verder zuidwaarts verplaatste.
Toch bleef het in Aalten nog altijd betrekkelijk druk en had Aalten belangrijke markten, terwijl er zich ook textielnijverheid ontwikkelde. Voor drievierde eeuw – dit werd in 1904 geschreven – vond men er twee katoenspinnerijen, bombazijn- en demietfabrieken, een blekerij, oliemolens, looierijen, branderijen en brouwerijen naast landbouw en destijds was Aalten het belangrijkste dorp in de z.g.n. „Achterhoek”.
Men vindt er, zo schreef dr. Blink, twee fabrieken van katoenen stoffen, ieder met ongeveer zestig arbeiders, doch die uitsluitend voor het binnenland werken. Belangrijk is hier de kammen- en pijpenfabriek van hoorn met pl.m. 130 arbeiders, terwijl er nog vier kleine pijpendraaierijen voorkomen. „De opkomst dezer fabricatie is” aldus prof. Blink, „ten dele toeval. Hier op de grens werden vroeger veel Duitse pijpen gerookt, die men in Bocholt of elders op de markt kocht.
Omstreeks 1850 zette iemand, die in Duitsland het pijpen draaien had geleerd, zich te Aalten neder en zijn bedrijf nam spoedig in omvang toe, zodat er een kleine fabriek uit ontstond. De fabriek breidde zich uit tot de tegenwoordige omvang, men leerde weldra ook het holle gedeelte van de hoornen bewerken tot kammen, die tegenwoordig zelfs het hoofdproduct vormen.Arbeiders, die op de eerste fabriek het draaien van pijpen geleerd hadden, begonnen vervolgens ook voor zichzelf te werken en zo ontstond hier meer pijpenindustrie. Verder vindt men in Aalten veel kleine klompenmakerijen, maar toch is het eigen bedrijf ter plaatse niet voldoende om de voorhanden werkkrachten arbeid te verschaffen en elke dag gaan er veel arbeiders naar Duitsland om daar te werken. Voor dit doel denkt men zelfs een tram- of spoorlijn aan te leggen.”
Trek naar Bocholt
„Uit Aalten gaan”, zo schreef prof. Blink in 1904, „elke dag wel 150 arbeiders naar Bocholt; ruwe, grote wagens, bij regen met witte huiven overdekt en door twee paarden getrokken, brengen elke morgen de arbeiders naar Bocholt en voeren hen ’s avonds terug.” Tot zover schreef prof. Blink een halve eeuw geleden.
Het is ongetwijfeld interessant ook na te gaan hoe de ontwikkeling van de gemeente Aalten in de laatste vijftig jaar is geweest. Eerst wat betreft de bevolking. De cijfers, die prof. Blink in zijn rapport geeft, moeten wel betrekking hebben op het dorp Aalten (zonder de buurtschappen). Immers, volgens de volkstelling van 1748 bedroeg in dat jaar het aantal zielen van het kerspel Aalten 3298. Hiervan woonden er 1163 in het dorp Aalten. In 1819 bedroeg het zielental officieel 4913, waarvan er 692 in Bredevoort woonden en de rest in Aalten en buurtschappen. In de loop van vijftig jaar is de bevolking van Aalten (dorp) bijna verdrievoudigd. Momenteel wonen er in het dorp pl.m. 6500 personen.
De conclusie van prof. Blink dat de bevolking van Aalten van het midden tot het eind der vorige eeuw vrijwel niet is toegenomen, vindt, naar uit oude bescheiden blijkt, voor een niet onbelangrijk deel zijn oorzaak in de grote emigratie, die hier in het midden van de negentiende eeuw plaats vond, meest naar Amerika. Oorzaak hiervan was dat er in Aalten moeilijkheden op kerkelijk terrein waren voorgekomen, welke zich voortplantten naar maatschappelijk terrein. De ingezetenen, die waren meegegaan met de „afscheiding” en uit de Hervormde kerk waren getreden, ondervonden in hun dagelijkse werk moeilijkheden van de anderen en besloten toen voor een gedeelte te emigreren. Van 1853 tot 1879 waren dat liefst 858 personen, deels wonend in het dorp, deels komend van de buurtschappen.
Textielfabriek vh. Gebr. Driessen, 1937
Omstreeks 1826 werd aan de Dijkstraat door de gebroeders Anton en Jozeph Driessen uit Bocholt een bombazijnfabriek (katoenweverij) gesticht, waarbij ook een spinnerij verrees. Het bedrijf in de Dijkstraat, naderhand gedreven door de zoons van de gebroeders Driessen, onderging in 1894 een splitsing doordat Herman Driessen (de zoon van Anton) een nieuwe fabriek stichtte op „het Blik”, nu Hofstraat geheten. In 1929 werd dit bedrijf omgezet in „N.V. Herman Driessen en Zoon”. Het bedrijf van de Gebr. Driessen aan de Dijkstraat werd in 1918 overgedragen aan een Enschedese combinatie en toen ontstond de N.V. Textielmaatschappij v.h. Gebr. Driessen.
In 1885 kreeg Aalten de eerste pijpenfabriek, t.w. van de fa. Becking en Vaags en daarna, in 1863 een pijpenfabriek van de fa. Peters en Gans. De kammenfabriek, hierboven door prof. Blink genoemd, werd in 1872 opgericht onder de naam „Firma ten Dam en Manschot”. De pijpenfabriek van de fa. Becking en Vaags werd kort na 1918 opgeheven, terwijl ook de kammenfabriek hetzelfde lot onderging. In 1884 echter, was de heer W. te Gussinklo sr. een fabriek voor hoornbewerking begonnen, eerst uitsluitend voor pijpen, later tevens voor knopen, wandelstokken, kammen enz., welke fabriek in 1924 – toen onder beheer van de N.V. Dutch Button Works W. te Gussinklo – werd overgebracht naar Bredevoort. De nog te Bredevoort gevestigde fabriek heeft zich in de loop der jaren uitsluitend toegelegd op de fabricage van knopen. Verleden jaar is het fabriceren van wandelstokken stopgezet.
Zoals prof. Blink constateert waren in Aalten enkele leerlooierijen gevestigd. Vlak bij de beek in de Dijkstraat was er een gevestigd, die van de heer G. Peters, die zijn „koemen”, waarin het leer werd gelooid, bij de brug in de Stationsstraat had. Vandaar dat deze brug nu Koembrug heet. Enkele blekerijen, die te Aalten hebben bestaan, zijn ook in de loop der jaren verdwenen, deels door moderner fabricagemethoden.
Hogere lonen in Duitsland
Tramhalte Lurvink, Dijkstraat
Het feit, dat, volgens prof. Blink, velen uit Aalten in het begin van deze eeuw in Bocholt gingen werken, vond o.m. zijn oorzaak in het feit dat in Duitsland de lonen hoger lagen. Die lonen bedroegen toen 6 a 7 Berliner Thaler per week (7 Berliner Thaler was ƒ 12,60 per week). De trek uit Aalten naar de overzijde van de grens is gebleven tot de eerste wereldoorlog uitbrak, in 1914. Toen kwam hier een eind aan. Nadat eerst met de z.g.n. „Bokkeltsen wagen” de arbeiders naar Duitsland gingen, maakte men sinds 1910 gebruik van de tram. In dat jaar werd namelijk de tramlijn Aalten–Bocholt aangelegd. In de dertiger jaren is deze lijn weer verdwenen.
Er vindt nu ook weer een zeer druk grensverkeer plaats tussen Aalten en Bocholt, doch juist andersom dan 50 jaar geleden. Het zijn nu velen uit Bocholt, die naar Aalten komen, niet om hier te werken, doch om te winkelen. Er zijn Aaltense winkeliers, die hun omzet hierdoor de laatste maanden enorm hebben zien stijgen. Zij adverteren zelfs in bladen, die in Bocholt verschijnen.
De industrie in de gemeente Aalten heeft zich nooit zo kunnen ontwikkelen als in Winterswijk, vooral doordat Aalten minder gunstig was gelegen. Men voelde er minder voor in Aalten een bedrijf te vestigen dan in Winterswijk. De markten te Aalten zijn deels achteruit gelopen door de concurrentie van Lichtenvoorde en het niet altijd even gelukkige beleid van het gemeentebestuur, terwijl daarnaast ook niet moet worden vergeten dat in de eerste wereldoorlog er een verbod gold om goederen te vervoeren naar plaatsen, liggend aan de Duitse grens. Men moest hiervoor speciale vergunningen hebben.
Lichtenvoorde viel niet onder die maatregelen en heeft hiervan geprofiteerd. Overigens is het hier ook weer een opstaan, blinken en verzinken, want Lichtenvoorde heeft zijn markt voor een groot gedeelte moeten afstaan aan Doetinchem, een plaats, waarvan prof. Blink in 1904 schrijft dat het een „aardig plaatsje” is met enige handel. Doetinchem heeft, wat de veehandel betreft, nu zelfs Zutphen verdrongen.
Voor markten was geen plaats
De middenstand van Aalten heeft in het verleden steeds een grote hekel gehad aan de markten. Dit heeft echter tot gevolg gehad, dat er nooit een marktvereniging is opgericht in Aalten en het beheer der markt overheidszaak is gebleven. Het in gebreke blijven van het particulier initiatief, door het vrezen van concurrentie, heeft echter ook tot gevolg gehad, dat er geen bepaalde dagen werden geschapen, waarop in Aalten veel vertier was. Het publiek ging dat vertier in een naburige gemeente zoeken en vanzelfsprekend werden daar ook diverse goederen gekocht.
Naast de verschillende textielfabrieken heeft Aalten na de oorlog een spinhulzenfabriek gekregen. Opvallend voor Aalten is, dat in deze plaats zeer veel grossierderijen zijn gevestigd. In vergelijking met Winterswijk, waar de maatschappelijke ontwikkeling vooral in het begin van deze eeuw opvallend was, moet worden geconstateerd dat in Aalten de bedrijvigheid voor een belangrijk deel heeft gelegen op kerkelijk, sociaal en politiek terrein. Nergens in Oost-Gelderland hebben afscheiding en doleantie zulke grote gevolgen gehad als in Aalten.
Markt Aalten, 1920
Er is ook zeer veel verbittering door ontstaan, welke slechts langzaam is verdwenen en welke nog hier en daar sluimert. De activiteit van de Aaltense bevolking heeft zich ook gericht op het bijzonder onderwijs. Het Chr. onderwijs heeft het openbaar onderwijs geheel overvleugeld. Daarenboven werden grote bedragen bijeen gebracht voor het kerkelijk leven, terwijl ook op sociaal terrein veel activiteit werd ontplooid.
De gevolgen daarvan zijn niet uitgebleven: Aalten heeft verschillende mannen voortgebracht, die op kerkelijk, politiek en sociaal terrein een vooraanstaande plaats in ons land hebben ingenomen. Nog werken velen uit Aalten in naburige plaatsen, o.a. in Winterswijk en in Dinxperlo en Ulft. In de toekomst zal Aalten meer industrie moeten hebben. De belangstelling van het gemeentebestuur gaat dan ook in die richting.
Gerrit Johan Kaemingk werd geboren op 2 november 1890 op Overbeek in IJzerlo, zoon van Theodor Johann Kaemingk en Johanna Hendrika Pennings. In 1917 verliet de toen 27-jarige onderwijzer Nederland om te gaan werken in het ‘verre Indië’.
De reis was inderdaad zeer ver, want de Eerste Wereldoorlog had de normale reiswegen versperd. Na een reis van vier maanden via IJsland, Amerika, Honolulu, Japan en China bereikte hij tenslotte zijn ideaal. Hij werd daar onder andere hoofd van de Idenburgschool in Solo (Surakarta).
Na twintig jaar werd hij gepensioneerd en ging hij opnieuw op reis. Onderweg naar Nederland wilde hij Zuid-Afrika zien. Daar kwam hij in 1937 aan. En omdat hij zichzelf nog niet ‘versleten’ achtte, werd hij daar tijdelijk onderwijzer. Voordat hij zijn plan om terug te keren naar Nederland kon verwezenlijken, brak de Tweede Wereldoorlog uit.
Het gevolg was, dat hij pas in de zomer van 1953 zijn geboorteland weer zag. De tweemaal gepensioneerde onderwijzer logeerde daar tijdelijk in Hoogeveen bij zijn broer Gerrit Willem Kaemingk (1887-1979), destijds voorzitter van de Chr. Emigratiecentrale in Drenthe.
Uitvinding van elektrisch onderwijs, de ‘Elucator’
Eénmaal terug in Nederland presenteerde Kaemingk zijn uitvinding, namelijk het ‘elektrische onderwijs’. Hij noemde zijn methode „Elucator”, een samenvoeging van elektriciteit en educator (oftewel opvoeder). In Zuid-Afrika had hij patent aangevraagd op zijn uitvinding. Het werkte als volgt:
Met behulp van een batterij wordt zwakstroom gevoerd door twee geïsoleerde aanwijsstokjes. Met het ene stokje wijst men op een kaart een plaats aan en met het andere één van de plaatsnamen die rechts op de kaart op een rijtje staan. Als de juiste plaats wordt aangewezen wordt dit door een licht- of geluidssignaal gemeld. Zo kan men ook omgekeerd bij een plaatsnaam de juiste plaats zoeken.
Behalve voor aardrijkskunde had Kaemingk ook kaarten ontworpen voor onder meer tekenen, taalonderwijs, leesles, plantkunde en geschiedenis. In totaal konden ongeveer 50 kaarten worden samengesteld. In een handig bakje dat gemakkelijk in aktetas paste, kon de Elucator met toebehoren worden meegenomen. Hiermee had hij een onderwijsmethode ontwikkeld die verschillende voordelen zou hebben. Zo zou de onderwijzer (vrijwel) overbodig zijn geworden. Het kind kon thuis of in de klas alleen studeren en een fout werd onmiddellijk gecorrigeerd.
De Elucator werd vooral geschikt geacht voor (landen als) Zuid-Afrika, waar kinderen die afgelegen woonden moeilijk een school konden bezoeken. Maar ook een aantal onderwijsexperts in Utrecht, die met de uitvinding van de heer Kaemingk kennis maakten, waren enthousiast. Kinderen vonden de Elucator ‘een betrekkelijk goedkoop gezelschapsspel met vele mogelijkheden’. Het visueel verband, dat hier direct werd gelegd tussen een voorwerp en een woord, een plant en de naam daarvan of een som en de uitkomst scheen ‘zeer gunstig te werken op de bevattelijkheid van het kind’.
Terug naar Zuid-Afrika
Na zijn bezoek aan Nederland keerde hij terug naar Zuid-Afrika, waar twee van zijn schoonzoons een boerderij hadden. Hij overleed op 22 februari 1963 in Glencoe, Natal, Zuid-Afrika.
Gerrit Johan Kaemingk en Truus ten Boom (foto: fam. Kaemingk)Idenburgschool, Solo (Surakarta), Ned. IndiëOverlijdensadvertentie Gerrit Johan Kaemingk
Deze website gebruikt cookies voor een optimale ervaring en analyse van bezoekgegevens. Ga je hiermee akkoord? Zonder toestemming werken sommige onderdelen van de site mogelijk minder goed.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door je Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.