Auteur: Oud Aalten

  • “Winterswijker is gewoon beter dan Aaltenaar” (?)

    “Winterswijker is gewoon beter dan Aaltenaar” (?)

    De Volkskrant, 21 juli 1994

    In een serie over rivaliteit tussen steden en dorpen schreef Gijs Zandbergen het volgende artikel over Aalten vs. Winterswijk:

    1994-07-21 Volkskrant - Aalten-Winterswijk rivalen

    Op het terras van café De Zwaan op de Markt van Winterswijk zitten twee mannen. Zij praten over het geharnaste CDA-kamerlid Wim Mateman uit het naburige Aalten. Zegt de een: ‘Wim Mateman, dat is een nette jongen, want die komt uit Aalten.’ ‘Ja, ja, daar kon je wel eens gelijk in hebben’. Op het eerste gehoor een dialoog die voor slechts één uitleg vatbaar is. Maar een goed verstaander van de Winterswijkse variant van het Achterhoeks weet dat het tegenovergestelde wordt bedoeld.

    Een Winterswijker zal niet gauw zeggen wat hij ergens van vindt. Het liefst zegt hij niets, want dan hoeft hij ook niemand te kwetsen. Maar als het dan toch moet, dan maar voorzichtig en met omwegen. De kans is dan ook groot dat hij Wim Mateman juist géén nette jongen vindt, hoogstens is het een ‘fijne’ jongen. Maar dat is niet zo bijzonder, want fijn of orthodox zijn ze in het streng gereformeerde Aalten bijna allemaal.

    Het op heuvels gebouwde dorp aan de oevers van de Slinge, wordt niet voor niets ‘Jeruzalem van de Achterhoek‘ genoemd. Het CDA had er tot de jongste gemeenteraadsverkiezingen de absolute meerderheid, verloor enkele zetels aan de Christelijke Volkspartij en bezit nu nog acht van de zeventien raadszetels.

    Fijn zijn ze tien kilometer noord-oostwaarts allerminst. Winterswijk is een voormalig links bolwerk, waar de PvdA eens de absolute meerderheid had. Die tijd is al wat langer voorbij. maar na de laatste nederlaag op 2 maart vormen de sociaal-democraten nog steeds de grootste fractie. Overigens bedoelt de gesprekspartner op de Markt net zo goed het tegenovergestelde van wat hij lijkt te zeggen. ‘Daar kon je wel eens gelijk in hebben’ betekent in het Winterswijks: ‘Ik denk dat ik het met je oneens ben’.

    Volkskrant, 21 juli 1994 - Zomerfeest Winterswijk
    Winterswijk: stadse neigingen

    Het is een gecompliceerde zaak, de verhouding tussen de twee gemeenten achter in de Achterhoek. Dat komt vooral doordat er geen duidelijke reden voor rivaliteit is aan te wijzen. Voor de keurig algemeen beschaafd Nederlands sprekende gemeentevoorlichter van Winterswijk is het ‘volstrekt nieuw’ dat de beide dorpen rivalen zijn. ‘En ik ben toch een autochtone Winterswijker.’ Voor de zegsvrouw in Aalten daarentegen klinkt het zeer bekend. Maar wat er nou precies aan de hand is… ‘Moeilijk hoor, het is meer een gevoel.’

    Beide dorpen liggen ver genoeg bij elkaar vandaan om de deur niet plat te lopen, geen van tweeën heeft de ander ooit gedomineerd of dwars gezeten en beide dorpen zijn redelijk welvarend. Tussen jongelui uit Winterswijk en Aalten hebben dan ook nooit vechtpartijen plaatsgevonden. Hoe kan het ook anders: Winterswijkers zijn wat afstandelijk en stijfjes en jeugdige niet-gereformeerde Aaltenaren die in het weekend gaan stappen, doen dat in ‘Las Vegas van de Achterhoek’, Groenlo, waar de discotheken staan.

    Het kost dan ook enige moeite te ontdekken wat Winterswijkers tegen Aalten hebben. Het zit zo: Aaltenaren zijn niet slecht, maar een Winterswijker is gewoon beter. En daarom kijken zij als vanzelfsprekend neer op Aalten. Er is daar geen mooie natuur, geen centrum, geen winkels, geen uitgaansmogelijkheden. Biljarter Hans Vultink komt er vandaan. Zeg nou zelf, biljarten in een dorp zonder kroegen doe je toch alleen als er niks te beleven valt?

    Ze hebben ooit geprobeerd in Aalten wat textielindustrie op poten te zetten. Maar die is nooit goed van de grond gekomen. De textiel in Aalten heeft dan ook nimmer de schoolwandkaarten gehaald. In tegenstelling tot de industrie van Winterswijk, die in een adem met die van Twente werd genoemd. Winterswijk is dan ook een fabrieksstad. Nou ja, geweest. Of in ieder geval van plan het weer te worden. Toen de textielindustrie nog bloeide, werkten er in de Tricotfabriek dertienhonderd man. Dat de textielindustrie intussen naar de lage-lonenlanden is verhuisd, is een andere zaak.

    Winterswijk was en is gewoon de beste. Het heeft het meest typische coulissenlandschap van de Achterhoek. Het streekziekenhuis: in Winterswijk. De muziekschool: in Winterswijk. Het Educatief Centrum voor Natuur en Milieu: in Winterswijk. De dorpen in de omgeving barsten van de jaloezie.

    Aaltenaren daarentegen vinden dat Winterswijkers stadse neigingen hebben. Als de provincie Gelderland iets te vergeven heeft, staat Winterswijk parmantig vooraan: ‘Kom maar op met die voorziening.’ Maar waarom staat het streekziekenhuis niet centraler in de Achterhoek? En dat Centrum voor Natuur- en Milieueducatie: er is er toch al een in Doetinchem?

    Winterswijkers zijn arrogant. Ze dachten ooit veertigduizend inwoners te zullen krijgen, daarom kregen ze al die voorzieningen. Maar het zijn uiteindelijk maar 28 duizend geworden, krap tienduizend meer dan Aalten er heeft. Winterswijk een stad, laat een Aaltenaar niet lachen. Ze zijn trots op Gerrit Komrij, maar ze vergeten erbij te vertellen dat ie op zijn negentiende al is weggevlucht.

    Wat Aaltenaren wel toegeven, is dat je voor je inkopen goed in ‘de metropool van de Achterhoek’ terecht kunt. Maar dan alleen doordeweeks, want elke zaterdag vindt er een invasie van Duitsers plaats. Dan is het net of het hele noordelijke Ruhrgebied over de Markt slentert. Marktkooplui en middenstanders spreken je aan in het Duits en het betaalmiddel is de mark.

    1994-07-21 Volkskrant - Laat u met God verzoenen
    Aalten: Jeruzalem van de Achterhoek

    Misschien zit daar dan toch wat oud zeer, want Winterswijk heeft een zwart verleden. Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer in 1935 verwief de NSB er een recordaantal stemmen: 20,4 procent van de Winterswijkse stemgerechtigden koos voor de partij van Anton Mussert. De kleine pachtboeren en de onkerkelijke middenstand zagen in de jaren dertig dat het hun standgenoten aan de overkant van de grens veel beter ging.

    Niet dat alle Winterswijkers fout waren, want de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers is er per slot van rekening ook ontstaan, maar fatsoenlijk is toch anders. Na de oorlog werden ruim 750 Winterswijkers gearresteerd omdat ze met de Duitsers hadden geheuld.

    Dat is in Aalten nooit gebeurd. Daar wemelde het in de oorlogsjaren van de onderduikers. Op een gegeven moment woonden van de ruim dertienduizend inwoners er 2500 clandestien in het dorp. Dat waren de mensen die zich wilden onttrekken aan de Arbeitseinsatz.

    Maar Aaltenaren zijn niet haatdragend. ledere Winterswijker op weg naar het westen, kan op een groot bord bij de gemeentegrens van Aalten lezen: ‘In naam van Christus vragen wij u: Laat u met God verzoenen.‘ Die boodschap geldt trouwens ook voor de inwoners van de nabijgelegen boekenstad Bredevoort (gemeente Aalten), die dezelfde weg naar het westen moeten volgen. Zij hebben het sierkanon in het stadspark op een nacht richting Aalten geplaatst. De reden? Precies dezelfde als waarom Aaltenaren hun neus ophalen voor Winterswijkers: te betweterig.

    Bron


  • Een wandeling door een huilend bos

    Een wandeling door een huilend bos

    Van Aalten naar Winterswijk

    De Scholtenpad-etappe van Aalten naar Winterswijk is circa 20 kilometer, en voert vooral over zandpaden. Aalten en Winterswijk zijn per trein bereikbaar, op beide stations staat het Scholtenpad direct aangegeven met rood-witte markering. Het totale Scholtenpad is een LAW-wandeling en de beschrijving met goede kaarten is verkrijgbaar bij de in wandelingen gespecialiseerde boekhandels.

    Bij de watermolen van Berenschot, net ten zuiden van Winterswijk, is het ‘openluchtmuseum’ compleet. Het rad beweegt door het kolkende water, de molenaar sjouwt met zakken, en boven, in een ruimte die voor het publiek toegankelijk is, draaien zware stenen veevoeder. De tijd lijkt te hebben stilgestaan, dat is wellicht een cliché, maar bij Berenschot komt die uitdrukking direct bovendrijven.

    Eigenlijk is het hele Scholtenpad een tocht door een tijd die achter ons ligt. De etappe van Aalten naar Winterswijk voert direct na de bebouwde kom langs het vestinghuis het Walfort. Er sjezen wat kinderen op mountainbikes door de tuin, dat is het enige stukje twintigste eeuw hier. Langs de Keizersbeek soppen we even heen en terug naar Bredevoort voor een kop koffie, in het stadje dat is opgetrokken rond een burcht uit de twaalfde eeuw. Maarten van Rossum heeft destijds een vesting van het gehucht gemaakt, met grachten en echte bastions. Maar in 1646 sloeg de bliksem hier in de kruittoren en ging de hele burcht de lucht in, inclusief de drost.

    Van die eigenlijke vesting is nog maar weinig zichtbaar, toch blijft Bredevoort pittoresk. Het is een rommeltje in die stad, van vakwerkhuizen kriskras door elkaar. Volgens de VVV moet dit het middeleeuwse stratenpatroon zijn. We lopen langs het beeldje van Rembrandts vrouw Hendrickje Stoffels naar de Korenmolen, die op een oud stuk stadswal fier boven de daken van Bredevoort uitsteekt.

    Het gaat terug richting hoofdpad, en in de bossen horen we de midwinterhoornblazers, die vandaag een openluchtconcert geven. Om de kilometer staan plukjes blazers, die hun tonen uit de houten traditionele hoorns aan de wind meegeven. Het bos huilt.

    Het Scholtenpad dankt zijn naam aan de zogenoemde scholtegoederen die in de streek rond Winterswijk in de middeleeuwen ontstonden. In die tijd waren de adel en de kloosters zeer machtig, en hadden zij veel grond. De boeren zochten bescherming bij de machtige lieden, en in ruil daarvoor werden ze horig. Aan het einde van de middeleeuwen waren de hofgoederen in deze streek zo uitgedijd dat het beheer moest worden overgedragen aan ‘filiaalhouders’, vooraanstaande boeren, de scholten, die de functie van rentmeester kregen.

    Na de middeleeuwen verslapte de macht van de adel, en kregen de scholten juist meer te vertellen, ze werden zelf eigenaar en ontwikkelden zich tot hereboeren. Scholteboer werd een eretitel. In de zeventiende en achttiende eeuw werden de scholten steeds machtiger, vooral door de lucratieve handel met het westen. En met de winst werden weer nieuwe goederen gekocht zodat een groot aaneengesloten gebied van scholtegoederen ontstond.

    Op de tocht rond Winterswijk komen wandelaars die boerderijen regelmatig tegen. Het aardige van het gebied is dat er nog steeds kleinschalige landbouw plaatsvindt en er nauwelijks ruilverkaveling heeft plaatsgevonden. De boerderijen met hun land worden afgewisseld door bossen en beken. Ze vormen één geheel, één landschap.

    De oude zandpaden zijn bij een herindeling niet rechtgetrokken, maar slingeren hier moeizaam van boerderij naar boerderij, een oude eik ontwijkend en precies over een bruggetje dat voor het gemak eigenlijk tien meter naar links had moeten liggen. De houtwallen, de essenbossen, het geeft het agrarisch gebied iets intiems in een hoedanigheid die je nog zelden in Nederland aantreft.

    We slingeren richting noorden, sommige boerderijen zijn door yuppen overgenomen, in andere woont de boer nog. Langs het pad staat een oud kippehok, er grazen wat schapen, en in de verte loopt een bokje over een stellage van hout.

    Vooral ten zuiden van Winterswijk struikelen wandelaars bij wijze van spreken over laaglandbeken, die hier, in tegenstelling tot in andere delen van Nederland, veelal hun natuurlijke loop hebben kunnen aanhouden.

    Opvallend is dat de beken zo diep zijn uitgesneden. Dat komt door de keileemlaag, die slechts enkele meters onder het zand begint en geen water doorlaat. Overtollig water kan dus niet de grond in en komt in de beken terecht, die daardoor worden uitgesleten. Bij de bruggetjes liggen stuivers in het water, gooi een muntje over je rug de beek in, en je krijgt geluk, heet het. Laten we nou alleen papieren geld en wat guldens bij ons hebben.

    HANS MARIJNISSEN

    Bron


    • Trouw, 31 december 1993 (Delpher)
  • Bernard Leezer

    Bernard Leezer

    Nieuw Israëlitisch Weekblad, 26 maart 1993

    door Loeki Abram

    Bernard Leezer (57) woont in Aalten in de Achterhoek. Hoewel hij zesentwintig jaar een slagerij heeft gehad, vindt hij zichzelf eigenlijk geen slager. Hij is vader van drie zoons en een dochter en grootvader van twee kleinkinderen. Een gesprek over vlees, onderduiken en voetballen.

    „Mijn ouders zijn allebei overleden. Mijn vader was veehandelaar en mijn moeder kwam uit een welgestelde familie in Wilhelmshaven in Noord-Duitsland. Eigenlijk paste ze helemaal niet bij mijn vader. Hij was een Groninger stijfkop die het nieuw zo nauw nam met de etiquette. Dat botste. Als mijn vader thuis kwam en voor het eten zijn handen vergat te wassen, was het huis te klein. Hij wilde zich natuurlijk ook niet zomaar onder de zoden laten schoffelen dus ging hij daar tegen in. En dan zei mijn moeder: ‘Na und wie bist du denn, wie bist du denn überhaupt’? Moeder sprak thuis Duits. Ook vloeiend Nederlands, maar dat sprak ze bijna nooit. Ik ben tweetalig opgevoed.”

    „De vader van mijn moeder was paardenhandelaar. Zij ging altijd met een sjeesje naar de tennisbaan. Wie dat in die tijd deed, behoorde tot de betere klasse. Daarom zeg ik ook dat mijn ouders elkaar uit nood hebben leren kennen. Zij is in 1932 met haar twee kinderen – mijn vader en moeder zijn beide eerder getrouwd geweest – naar Nederland gevlucht. Mijn vader had uit zijn eerste huwelijk zes kinderen. Twee van zijn kinderen, waarvan een met man en kind, zijn vergast. Ik ben het enige kind uit het tweede huwelijk.”

    „Mijn moeder was een dominante vrouw. Zij hield haar eigen kinderen de hand boven het hoofd. De kinderen van mijn vader moesten wijken. Zij moesten zich al vroeg zelf bedruipen. Het was voor hen natuurlijk ook niet eenvoudig een vrouw te accepteren die hun moeder niet was. Vader was een man die terwille van de sfeer iets had van: Laat maar. Toe maar.”

    „Ik ben erg door mijn moeder beïnvloed. Als ik op vakantie wilde zei ze: ‘Du brauchst nicht so weit weg, wenn etwas passiert. Als je oud genoeg bent zul je een vrouw zoeken en gaan werken.’ Ik ben tegen mijn zin in slager geworden. Ik wilde eigenlijk vlieger worden. Moeder wou dat niet hebben. Dus werd het slager, maar eigenlijk ben ik geen slager. Ik ben te emotioneel. Ik ben tegen ritueel slachten, want ik vind dat een dier recht heeft op bedwelming. God heeft ons de dieren gegeven. Prima, maar moet een beest zoveel pijn lijden voordat wij het opvreten?”

    „De eerste joden die werden opgehaald waren de Fuldauers. Zij woonden vlak bij ons in de buurt. Ze werden weggehaald door politieagent Dijke uit Aalten. Het was een klein fanatiek mannetje. De familie Fuldauer liep bepakt en bezakt en hij liep voorop met zijn fiets losjes aan de hand en bracht die mensen naar het Feestgebouw. Daar werden de joden bijeengebracht om vandaar naar Westerbork te worden getransporteerd. Voor het slachthuis stonden mensen en die zeiden: ‘Zo Dijke, dat kun je zo wel volhouden hè?’ Toen zei mijn moeder: ‘Het wordt tijd. We moeten weg.’ Na de oorlog kwam die Dijke een keer bij ons in de winkel. Ik liep om de toonbank heen en zei: ‘Dijke eruit en kom hier nooit weer anders klieven we je. Het was de man die de eerste jidden uit Aalten heeft weggehaald en die kwam binnen alsof er niets was gebeurd.”

    „Kees Ruizendaal bijgenaamd Zwarte Kees – ook een politieagent, maar een goede – heeft ons aan een onderduikadres geholpen. Hij is later in Doesburg gefusilleerd. Ik heb eerst met mijn halfzusje Helga bij Klein-Entink gezeten en later met mijn ouders bij Hendrik Groot-Nibbelink in de Stroete in Lintelo. We zaten bij drie wezen ondergedoken. Het waren eigenlijk nog kinderen. Drika, de oudste was 26, Hendrik en Bernard waren even in de twintig. Voor mij zijn dat helden. Je weet wat er met ze was gebeurd als we gepakt waren. Het waren christelijke mensen. Ze deden wat ze deden uit liefde en niet voor de poen. Ik denk daar vaak over na. Ik vind het ongelooflijk wat zij hebben gedaan. Hendrik is vorig jaar overleden. De dominee hield een mooie preek. Ik ben in de koffiekamer gaan zitten. Ik had zoiets van als ik de dominee aankijk, krijg ik zo’n joekel van een krop in mijn keel. Ik kan me als kerel toch niet laten gaan?”

    „Tijdens mijn onderduik ging ik ’s avonds als het donker was met Hendrik naar buiten. Naast de boerderij stond een oude appelboom. Hij stond vreselijk schuin en moest gestut worden. Daartussen was een klein stukje grond. Als Hendrik die dag bijvoorbeeld rogge had gezaaid dan ging ik ’s avonds ook rogge zaaien op dat stukje grond. Hij was mijn grote voorbeeld, daarom was ik ook zo kapot toen die man stierf. Hij was als een vader voor me.”

    „Ik bracht veel tijd door bij de koeien of bij het paard. De Duitsers hebben Lies – zo heette ze – een keer gevorderd. Het was een sodemieter. Ze beet en trapte iedereen behalve mij. Ik kon bij wijze van spreken bij haar slapen. Hendrik kon Lies weer ophalen omdat de Duitsers haar niet in bedwang konden houden. Ik was zo blij dat ze terug was. Ik kon tenminste weer met haar knuffelen. Drika deed wel spelletjes met me. Mijn vader was te oud om met mij te spelen. Hij was doodsbenauwd dat mij iets zou overkomen. Ik weet niet of hij dat zou hebben overleefd. Hij was stapelgek op me. Toen ik later uit ging en laat thuis kwam kon hij nooit gaan slapen. Hij bleef altijd wakker en zei: ‘Waar is die jonger, nou toch.’ Mijn moeder was nuchterder.”

    „We hebben ook een tijd – toen het bij Groot-Nibbelink te gevaarlijk werd – bij Pennings in Varsseveld gezeten. Het was een hele christelijke familie. In de oorlog ging hij met paard en wagen naar Delft om glas te halen. Hij zat op de bok met in de ene hand de leidsels en in zijn andere hand een bijbel. Pennings had negen kinderen. Ik zit vaak aan de beek en dan denk ik: wat moet er allemaal in die man zijn omgegaan. Hij moest de rust in zijn gezin houden, de rust bij ons houden en zelf koelbloedig blijven. Er is een keer een huiszoeking geweest bij Pennings. Wij werden met zestien andere joden en mensen uit de ondergrondse onder het stro verstopt. Een van die ‘zwarten’ stond met zijn grote laarzen op de hand van mijn moeder. Hij heeft haar hele hand kapot getrapt. Pennings speelde beneden op het orgel: Blijf bij mijn Heer. Elke keer als ik dat hoor moet ik daar weer aan denken.”

    „Wij hebben bij echte christenen ondergedoken gezeten en later heb ik op een christelijke school gezeten. Maar ik heb nooit iets gehad van ik word christen. Mijn halfzusje Helga is gereformeerd geworden. Nou, dat heeft een paar druppels water gekost, maar daar is het ook mee gezegd. Heus, je kunt een paardenstal vol met Trakehners en Hannoveranen hebben, maar als je er een Arabier tussen zet, zie je dat. Je kunt jezelf niet verloochenen. Het eerste dat ze zeggen is: ‘Dat is toch een jodenstreek.’ Thuis hielden mijn vader en moeder mij het joodse leven voor. Mijn moeder was niet echt vroom. Mijn vader was orthodox. Hij heeft zijn hele leven, ook in de oorlog, geen gasser gegeten. Je bent een jid en daar ontkom je niet aan. Ik heb altijd gezegd: ‘Ik ben als jid geboren en ik sterf als jid’.”

    „Ik zou niet in Israël kunnen wonen vanwege de warmte, maar als ik in Erets ben vind ik het heerlijk. We gaan er geregeld heen, want onze dochter woont er. Als ik hier naar sjoel ga dan denk pff, maar daar vind ik het heerlijk. Na afloop sta je lekker met een groepje te sjmoezen. Dat kan hier niet meer. Vroeger wel. Voor de oorlog woonden er zo’n honderd joden in Aalten. Na de oorlog hadden we moeite minje te maken. Het is gewoon een andere sfeer. Je kunt je toch niet voorstellen dat je in Aalten met een keppeltje over straat loopt.”

    „Ik kan niet zeggen dat ik bang ben geweest. Ik kan me alleen herinneren dat ik na de oorlog op school als de dood was voor de postbode. Ik zat op de Groen van Prinsterer. Het was een ouderwetse school met een hele lange gang waar aan het einde de toiletten waren. Als ik de wc uitkwam en meneer Terbrake stond in zijn postbode-uniform aan het andere einde van de gang dan stond ik aan de grond genageld want ik had een ‘zwarte’ gezien. Dat krijg je als je jarenlang te horen hebt gekregen: ‘Die maken je dood.’ Terbrake ging dan gauw naar juffrouw Jonker en zei: ‘Bennie staat aan het eind van de gang.’ Zij kwam mij halen. Ze sloeg een arm om me heen en nam me mee naar de klas.”

    „De Groen van Prinsterer was een fantastische school. Het was een christelijke school. Het scheldwoord jood heb ik er nooit gehoord. Dat was op de openbare school wel anders. Ik kreeg bijles omdat ik op mijn elfde nog niet eens kon lezen en schrijven. Tijdens de onderduik lazen we wel boekjes en toen de oorlog was afgelopen zei mijn vader: ‘Hij leest dat hij barst.’ Maar je moet niet vergeten dat als je mij duizend keer zon boekje voorleest, dat ik het op een gegeven moment wel uit mijn hoofd ken. Eerst trapte ze erin, maar toen ik een ander boekje voor mijn neus kreeg, begreep ik er geen bal meer van.”

    „Tijdens de oorlog was ik mij er niet van bewust dat het om een kwestie van leven of dood ging. Geen mens kan mij vertellen dat een jongetje van een jaar of acht dat begrijpt. Er werd gezegd: ‘Je mag niet naar buiten want daar lopen mensen en die maken je dood.’ Dat dringt toch niet echt tot een kind door. Je kan duizend keer tegen een hond zeggen: ‘Daar mag je niet aankomen.’ En op een gegeven moment komt hij daar ook niet meer aan. Maar waarom dat niet mag, dat begrijpt hij niet.”

    „De laatste periode van de oorlog zaten we weer bij Hendrik in de Stroete. Daar hebben we ook de eerste tijd na de bevrijding gewoond omdat we geen huis meer hadden. Mijn moeder ging op zoek naar haar meubels. Ze heeft een heleboel teruggekregen. Mijn vader heeft bij een christelijke kerk een lening gesloten. Hij was een beetje nonchalant met terugbetalen, want jaren later kregen we nog een aanmaning. Direct na de oorlog heeft hij een advertentie gezet in de krant: ‘Na tweeënhalf jaar ondergedoken te zijn geweest, heropen ik mijn slagerij‘. Mijn vader was geen goede slager. Hij was een veekoopman. Een echte handelaar. Zo van: één twee hup, teken dat beest even af.”

    „Na de lagere school ben ik naar de technische school gegaan. Dat wilde ik helemaal niet, maar mijn moeder zei: ‘Du sollst ein Handwerk lernen.’ Verder heb ik een zooitje diploma’s gehaald. Daarnaast heb ik altijd veel aan sport gedaan: tennis, hockey en voetbal. Ik kreeg van mijn vader geen geld voor voetbalschoenen. ‘Dat moet je maar verdienen’, zei hij. Ik moest mijn vader altijd helpen, maar ik kreeg er geen geld voor. Mijn zwager had een noodslachterij. Als er ’s nachts een noodslachting was belde hij mij uit bed en ging ik hem helpen. Daar kreeg ik ook geen geld voor, maar wel: de kop, de tong, de uier en de lever en dat verkocht ik. Daarvan kon ik mijn voetbalschoenen kopen.”

    „Ik heb als semi-prof bij De Graafschap gespeeld. Van voetbalclub Aalten ben ik naar de Winterswijkse Voetbal Club gegaan. WVC was een elitaire club. Doordat ik in Winterswijk naar school ging en daar in het schoolelftal zat, speelde ik mij in de kijker. Toen ik van Aalten naar Winterswijk ging was ik wel een rotjood. Waarom? Ik verloochende Aalten. WVC was een elite club, die haatten ze. Ik was een echte snelle rechtsbuiten. Maar ik was heel tenger gebouwd. Ze hoefden mij maar tegen de enkel te tikken en dan rolde ik 34 keer over de kop. Later heb ik ook op de midvoorplaats gespeeld. Eigenlijk was ik daar te klein voor, maar ik donderde altijd op de grond en dan hadden we de scheidsrechter op ons hand. Ik heb twee seizoenen bij De Graafschap gespeeld tot ik op een dag door Dick Tol bijgenaamd ‘de knoest’ uit de wedstrijd werd geschopt.”

    „Uiteindelijk heb ik 26 jaar een slagerij gehad. Nu zeg ik: ‘Ik zou het nooit meer willen doen.’ Een onsje van dit, een onsje van dat. Nooit meer, maar ik heb wel plezier gehad. Vooral in het begin van de jaren zestig kregen we veel Duitse klanten. Het vlees was in Nederland goedkoper dan in Duitsland. Je moest oppassen dat je de Duitsers niet voortrok, dan kreeg je trammelant met de Nederlanders. Nederlanders werden bij mij altijd direct geholpen door mijn knecht of door mijn vrouw. Ook al waren er drie Duitsers voor, een Nederlander werd eerst geholpen. Ik maakte een pieskapee en zei: ‘Kurt, ich hilf dir’.”

    „’s Avonds kwamen de restauranthouders uit Bocholt en die bestelden tien, vijftien strengen karbonades Er waren een paar douanebeambten die altijd vlees kwamen halen. Zij hoefden nooit te betalen. Als ze kwamen, zeiden ze: ‘Mann, heute abend habe ich wieder dienst.’ En dan ging ik ’s avonds in mijn Opeltje, het reservewiel eruit, de strengen karbonades erin, hup zo de grens over. Ik kon altijd doorrijden. Mijn vrouw wist van niets en ik dacht wat niet weet wat niet deert. Het was een tijd van avontuur en scharrelen.”

    Bron


  • Grafpijproker de cel in

    Grafpijproker de cel in

    De Telegraaf, 1 februari 1992

    De 20-jarige F.W. R. uit het Achterhoekse Aalten is gisteren door de Zutphense rechtbank veroordeeld tot zeven maanden met aftrek omdat hij zich schuldig had gemaakt aan het zogenoemde ‘grafpijproken.

    De man had er, samen met enkele vrienden, de gewoonte van gemaakt om hasj te roken op het kerkhof. Daarbij groeven ze een gat in de grafgrond waarin de smeulende verdovende middelen werden gelegd. Vervolgens werd er een pvc buis in gestoken dat leidde naar de hasj.

    Door vervolgens aan de pijp te lurken, raakten de junkies in hogere sferen. Met name het roken via de graven bezorgde de verslaafden een extra kick. Volgens een woordvoerder van de Aaltense politie hielden de Achterhoekers zich met grote regelmaat bezig met deze door hen bedachte methode.

    De Aaltenaar had zich al eerder aan deze vorm van grafschennis schuldig gemaakt, maar kreeg van de rechtbank onlangs de gelegenheid zijn leven te beteren. Hij zou een ontwenningskuur gaan volgen in een kliniek in Staphorst, maar was al na een dag terug in Aalten.

    Nadat hij zich binnen de kortste keren weer had vergrepen aan het grafpijproken, besloot de officier van justitie hem opnieuw te dagvaarden, waarna hij gisteren door de meervoudige strafkamer werd veroordeeld.

    Bron


  • Het verhaal van Willem en Janna Manschot

    Het verhaal van Willem en Janna Manschot

    Aalten Vooruit, woensdag 30 mei 1990

    Door J.G. ter Horst

    Het oude huis in de Prinsenstraat, naast het gebouw van de Nederlandse Protestantenbond, is afgebroken. Een zeer oud huis, waarin zich veel lief en leed heeft afgespeeld. Het stond wat scheef ten opzichte van de straat. De ene hoek van de woning stond wel meer dan een halve meter dichter op de straat dan de er tegenover liggende hoek.

    Nu is er een nieuw pand voor in de plaats gekomen. De straat heeft door deze nieuwbouw ongetwijfeld een aantrekkelijker gezicht gekregen. Het oude huis was in zeer vervallen staat. Dat moest er al zo’n twee eeuwen gestaan hebben en werd vanaf het einde van de achttiende eeuw door de smedenfamilie Manschot bewoond.

    Daar in de Achterstraat woonde, toen nummer 193, Jacob Manschot met zijn gezin. Zijn vrouw, Elizabet Arentzen, was een zuster van Roelof Arentzen, de latere assessor van Aalten. Hun zoon Gerrit Willem, geboren in 1802, in het dagelijkse leven aangesproken met de laatste naam, leerde al vroeg het smidsvak van zijn vader en kwam toen bij zijn vader in de smederij. Een oudere zoon uit het gezin, Hendrik Jan, die eveneens grofsmid was, had een smederij elders in het dorp.1 Dan was er nog een dochter, Elisabeth geheten.

    Dubbel huwelijksfeest

    Op 17 december 1833 wordt er feest gevierd in het huis. Zoon Willem trouwt met Johanna Geertruijt Becking, kortweg Janna geheten. En Elisabeth treedt eveneens op die dag dag in het huwelijk en wel met B.D.G. Muller. Muller was koopman en zijn handel was veelomvattend. Behalve manufacturen en galanterieën betrof dit ook graan, verf, ijzerwaren, godsdienstige boeken, muziekinstrumenten, hooi en stro.

    Behalve de familie Manschot, waren ook de Beckings en Mullers verwant aan de meest vooraan-staande ingezetenen, die als assessor, gemeenteontvanger of “mede-regter” veel invloed konden uitoefenen.

    De herberg van Schaars

    Elisabeth verliet het huis aan de Achterstraat en Janna trouwde bij haar schoonouders in. Het is dan nummer 228. Janna Becking werd geboren op 24 november 1809. Zij was een dochter van Lourens Becking, een uit Varsseveld afkomstige landbouwer en van Willemina Geertruijd Schaars, de dochter van een Aaltense herbergier. Na zijn huwelijk in 1799 was Lourens Becking daar herbergier geworden.

    De herberg van Schaars was gelegen aan het begin van de Peperstraat, op de hoek van de Markt, de welke reeds in 1748 door ene Schaars werd gedreven en thans, na bijna tweehonderdvijftig jaar, nog eenzelfde functie heeft. Daar groeide Janna op. Zij zal de dorpsschool naast de kerk hebben bezocht, waar meester Schotman onderwijs gaf.

    Organisten in de kerk

    Jacob Manschot was, zoals gezegd, grofsmid, maar op zondag bespeelde hij tijdens de diensten in de kerk aan de Markt het orgel. Wanneer in 1829 de Zelhemse gemeente een nieuwe organist moet benoemen wordt Jacob aangesteld om als jury te fungeren. Hij moet het spel van de drie sollicitanten beoordelen. In zijn rapport daarover schrijft hij: “…na dezelven ieder de zelve Psalm en gezang opgegeven te hebben is het mij voorgekomen dat de laatst spelende de meeste geschiktheid bezit. gedaan te Zelhem den 24 July 1829. J. Manschot”.

    Maar in 1842 wil hij er mee ophouden, hij is dan ook al 73 jaar. In een adres aan koning Willem II verzoekt hij dat zijn zoon Gerrit Willem hem als organist zal opvolgen. En sindsdien is Willem Manschot organist.

    Het gezin

    Vreugde en droefheid wisselden elkander af in het leven van Willem en Janna. Het oudste zoontje Jacob komt op tweejarige leeftijd te overlijden. Hun oudste dochter Louiza was in 1836 geboren. Elisabeth (Betje) volgt in 1838. Twee jaren later aanschouwt Willemina Geertruijda (Mina) het levenslicht en in 1842 volgt een zoon die weer de naam Jacob krijgt. In 1844 wordt Hendrika Johanna (Heintje) geboren en in 1847 Hendrik Jan, die met de laatste naam wordt aangesproken. De jongste was Barend Johannis in 1850, oftewel Bernard in het dagelijkse leven. Janna’s vader was reeds in 1830, dus nog voor haar huwelijk, overleden. Haar moeder overleefde haar man twaalf jaren en stierf in 1842.

    Als grootvader Jacob 78 jaar wordt, komt zijn tienjarige kleindochter Louiza bij hem met een gedicht: “U te groeten met mijn beden, Op den blijden dag van heden. Dag op welken gij verjaart, Grootvader, mij zoo lief en waard! Dag waarop ik na moet denken, Wat de Hemel mij bleef schenken In ’t bezit van u, die mij Steeds zoo liefderijk staat ter zij.” Zo gaat het vers nog even verder en dan volgt de ondertekening: “Uw liefhebbende Kleindochter Louiza”.

    Het meisje maakt ook een gedicht ter gelegenheid van haar moeders verjaardag: “O welk een vreugde, lieve Moeder, Daar gij heden jarig zijt. Dankbaar aan den Albehouder, Ben ik op deez’ dag verblijd.” Ook met nieuwjaar weet deze dochter haar wensen in dichtvorm uit te drukken, want dan dicht zij een “Nieuwjaarwensch aan onze hooggeachten Grootvader en dierbare Ouders”. Zij versiert haar wensen met omlijstingen van ranken, bloemen, slingers of ornamenten.

    De oude Jacob Manschot overlijdt in 1850 op 82-jarige leeftijd, nadat hij zes jaar weduwnaar was geweest, Willems broer was toen ook reeds overleden.

    Ten tijde dat de Manschots in de Achterstraat woonden, had het huis (onder het donkergele vlekje) een spitse kap. (Collectie E.M. Smilda).

    De smederij van Willem

    Willem Manschot wijdt zich met ijver aan zijn werk in de smidse. Voor Kobus Prins maakt hij “een blat aan de hakke”. Hij smeedt een “haar”, dat is zo’n klein aambeeldje om een zicht of zeis te scherpen, haarspit genoemd. Hij maakt een “grepe”, repareert de “achterassche van een wagen” en legt ijzeren banden om de velgen van wagenwielen. Hij levert een “mes om brood te snijden”, klinkt “een ijzer op een plaat aan den haard” en vervaardigt voor L. Prins “een oven deure”.

    En tussen al die smederijwerkzaamheden door heeft Willem tevens de zorg voor zijn bezittingen aan gronden en boerderijen, die hij verhuurd heeft. Daar moeten ook nu en dan reparaties plaats vinden. Hier worden “4 koperen krukken met zijn toebehoor” aangebracht, daar de “sluttinge gerepareerd, aan de vensters een nieuwen plaatgrendel met een nieuwe knip” gemaakt.

    Soms wordt hij door klanten betaald met wederdiensten, zoals Kobus Prins die, ten behoeve van Willems vee, een paar voer hooi uit de Ruiterij, het weiland bij De Pol, ophaalde. Anderen vervoerden de geoogste rogge “uit den Esch”. Want Willem had ook zelf een boerderij-bedoening en bezat aan de overzijde van de straat een schuur voor zijn vee. Evenals iedere ingezetene hield hij één of twee koeien, mindervermogenden hadden een geit, ‘de koe der armen’. In de slachtmaand kwam een eigen gemest varken op ‘de leer’ te hangen, dat een dag later in stukken gesneden in de pekelton terecht kwam en nog weer later aan de zoldering in de keuken, de ‘wieme’, kwam te hangen. Voor de dagelijkse daaraan verbonden werkzaamheden zal hij wellicht een knecht of daghuurder hebben gehad. Gezeten burgers hielden tevens een paard en hadden een rijtuig als vervoermiddel, wanneer men op visite ging.

    Paarden waren ook Willem niet vreemd. Hoe vele had hij er in zijn smidse al niet van nieuwe hoefijzers voorzien. Maar eens werd hem dat noodlottig, toen hij een trap kreeg van een paard. Het kwam heel hard aan. Zwaar gekwetst werd hij in bewusteloze toestand in zijn bedstede gelegd. Zijn vrouw verpleegde hem twee weken, toen stierf hij. Janna was weduwe geworden, de kinderen halfwees en de kerkeraad moest omzien naar een nieuwe organist.

    Gerrit Willem (Willem) Manschot (1802-1853)
    De grofsmid en kerkorganist G. Willem Manschot, die in 1853, na de klap van een paard, overleed. (Collectie H. ten Dam).
    Johanna Geertruijt (Janna) Manschot-Becking (1809-1892)
    J.G. (Janna) Manschot-Becking (1809-1892) woonde bijna zestig jaar in de Achterstraat. (Collectie H. ten Dam).

    Veel bezittingen

    Nu stond Janna plotseling alleen met haar zeven, nog jonge kinderen. De oudste dochter Louiza is nog maar zeventien jaar en de kleine Bernard slechts drie jaar. Aanvankelijk werd nog getracht het bedrijf met behulp van een knecht voort te zetten, maar dat bleek niet mogelijk. Janna werd genoodzaakt de smederij op te heffen.

    Het is goed dat er heel wat bezittingen zijn. Dat stelt haar in staat uit de opbrengst daarvan in haar levensonderhoud te voorzien en bovendien haar kinderen onderwijs te laten volgen. Niemand van de jongens was in de gelegenheid geweest het smidsvak van hun vader te leren. En sindsdien kwam dit beroep dan ook niet meer in de familie voor.

    Sedert het overlijden van haar man heeft Janna de administratie gevoerd van de verhuurde gronden en bouwplaatsen. Die administratie hield ze bij in een “Landhuur”-boek van folio-formaat. Daarin werden de gronden onderscheiden in hofland, bouwland, weiland en onontgonnen percelen.

    Hofland voor moestuinen

    Met hofland bedoelde Janna de betrekkelijk kleine stukjes, die vlak bij het dorp lagen en als moestuin werden gebruikt. In haar administratie vermeldt zij namen van percelen waarvan sommige nog bekend zijn. Van het hofland waren de meeste stukken in diverse kavels verdeeld en elke kavel had zijn huurder.

    Op de “Boskerhof” lagen vier kavels. Mogelijk is dat nabij ’t Boske geweest, aan het eind van de Richterinkstraat en aan de Varsseveldsestraatweg. Het perceel in “den Kraayenboom” bestond eveneens uit vier kavels. Die naam is thans nog bekend voor de grond tegenover de landbouwschool aan de Lijsterbeslaan. Hendrik Jan Meinen was huurder voor ƒ 3,50, evenals Lammert Prange. Willem Kasseler en Lammert Klompenhouwer hadden kennelijk een kleiner stuk, want zij betaalden ƒ 2,-, respectievelijk ƒ 1,50. Later had Janna zelf daar een tuin in gebruik evenals Willem Huls, vrouw Hoftijzer en Abraham ten Dam.

    Dan is er sprake van de Knibbelweide, dat op de Kemena zal hebben gelegen. Daar waren zes kavels. De totale opbrengst hiervan was ƒ 14,20 per jaar, wat evenwel na 1883 gestegen was tot ƒ 19,70. Verder lag er nog een kavel in de Paardeweide, die ene Laak had gehuurd. De Paardeweide lag eveneens op de Kemena, waar nu het gebouw van de Christelijke Scholengemeenschap staat.

    Tenslotte vermeldt Janna’s boekhouding dertien kavels hofgrond op het Smees. Daar tuinierden onder anderen Berend Prins, Jan Kappers bijgenaamd “Hompele”, Hendrik-Jan Schaapveld. Later waren onder anderen huurder Jan de Wikker, Kris Veldboom, Jan te Hoonte en “de vrouw van de Wildeboer”.

    De tuinen op het Smees veranderden vaak van huurder. We komen ook de namen tegen van Willem Walvoort, Jan Neerhof, H.H. ter Beest, later aan Fles verhuurd, D.J. Hoitink, G.J. Rots en Hendrikus te Hennepe.

    Tot 1862 bracht de hofgrond ieder jaar een bedrag van ƒ 81,70 aan pacht op. Van 1863 tot 1882 wordt dit door bemiddeling van notaris mr. B.A. Roelvink verhuurd. De opbrengst is dan beduidend hoger, namelijk ƒ 98,05. Wanneer deze notaris in 1882 overlijdt, wordt hij opgevolgd door notaris Maitland, maar Janna gaat voortaan weer zelf de huurafspraken maken. De opbrengst is dan echter wel enkele guldens minder per jaar.

    Niet iedereen betaalde de huur op tijd. Overeengekomen was betaling met Sint Maarten, dat is 11 november, maar sommigen kwamen het geld pas in het volgende jaar brengen. Janna moest wel eens tot mei wachten. In een aantal gevallen, als de huurschuld steeds opliep, werd betrokkenen de huur opgezegd. Sommigen hadden drie jaar achterstand.

    Het verhuurde bouwland

    Maar behalve hofland bezat Janna ook bouwland, dat ze verhuurde. Dat waren veelal percelen van één of meer schepelzaad grootte. Dat bouwland was gelegen “voor op de Esch”, waarmee bedoeld wordt het perceel waar nu de fabriek van Sonoco staat aan de Damstraat. Op het Smees lag 64.50 are, op de Boskeres 55.10 are. In de Giezenbos “een molderszaad”, verder lag daar 50.90 are, het bouwland Draaiom was 28.70 are, dat zij in 1872 verkocht aan de “Hervormde Armen”, het Holland 58 are, de Neerhoffer Delle 42.50 are, Smachtschot 65.10 are, alsmede nog een “molderszaad”. Dan was er sprake van Langevoren, negen schepelzaad groot, oftewel 1.27.70 ha. Achter de Linde had Janna nog bouwland evenals het stuk Peereboom, groot 38.40 are en vier stukken Kempink, vijf schepelzaad op Prinsenkamp en nog een perceel “op den Nes” gelegen.

    Verschillende van deze gronden bezat Janna samen met haar beide broers. De meeste percelen waren voor een geldbedrag verhuurd, maar ook waren er enige tegen de derde garf verpacht. Dat wil zeggen dat de huurder het derde deel van de opbrengst als pachtprijs verschuldigd was in natura. Voor de huurder had het dit voordeel dat, als de oogst weinig opleverde, ook de pachtprijs minder was.

    De derde garf betrof het gewas rogge, terwijl soms de landheer-/vrouw (verhuurder/ster) recht had op wat vruchten uit de boomgaard. In latere jaren werd de derde garf afgeschaft op het “Smachtschot”, dat onder die voorwaarden gehuurd was door Lievers. Deze heeft toen “de garven gekogt voor 8 gulden”.

    Janna maakt ook meermalen van wederdiensten gebruik. In 1880 heeft “Derk Hoftijzer een nieuwe wateremmer meegebragt van Bocholt” en een jaar later zaaide deze voor haar “een schepelzaad spurje … een schepelzaad knolzaad… twee schepelzaad rogge… een Dag en twee kar aarde gevaren”. Voor al dat werk werd ƒ 7,77 van de pachtprijs in mindering gebracht.

    Ene Heuzinkveld vervaardigde in 1866 voor Janna 23 el grof linnen laken. Waarschijnlijk had zij het vlas (of garen) bijgeleverd. De dienst was ƒ 2,75 waard, zodat Heuzinkveld de rest van het huurbedrag, zijnde ƒ 1,75, nog moest betalen.

    Weilanden

    Zoals reeds werd opgemerkt, behoorde een weiland achter de Pol, Ruiterij geheten, tot het bezit van de Manschots. Ook had Janna 1.14.84 ha weiland op het Smees, dat in 1870 (waarschijnlijk) verkocht werd voor ƒ 1390,-.
    Ook aan de Boterdijk in het Goor lag een weiland ter grootte van 1.82.40 ha, dat eveneens in 1870 werd verkocht. De opbrengst daarvan was belangrijk minder, namelijk ƒ 600,-. Uit de erfenis van haar broer Jan verkreeg Janna een weide “op het Broek”, terwijl ze ook nog wei- en bosgrond bezat in de Giezenbos.

    Plaggen-en schaddengrond

    De bos- en veengronden werden niet verpacht. Wel kon de opbrengst daarvan onderhands of openbaar aanbesteed worden, zoals bomen die op stam verkocht werden. Dat gebeurde ook met veengronden. Het veld werd dan eerst afgemaaid en de bovenste zode met rietstoppels en wortels afgestoken. Dat waren schadden, die gedroogd werden en als brandstof gebruikt. Ook van de met heide begroeide percelen werden plaggen gestoken die veelal in de potstal of paardestal terecht kwamen en vermengd met de uitwerpselen van de dieren als mest op de akkers werd gebruikt.

    Janna bezat bosgrond in het Goor, hetwelk voor de helft eigendom was van haar schoonzuster Elisabeth, die met Muller was getrouwd. Later, na het overlijden van deze ouders, ging het halve eigendom naar de vijf kinderen, de Erven Muller.

    Dan is er nog sprake van twee stukken bosgrond in de Schaarsheide, van bosgrond op de Kieftsheide, op de Hollenberg, bij de Smeesweide (dennenbos, hakhout en heide), en “bosjes in den Barloschen Esch”, veengrond in Varsseveld en schaddengrond in ’t Goor alsook in “Stapelkamps Bosch” dat ze van haar overleden broer Jan had geerfd en delen moest met haar broer H.J. Becking.

    In het jaar 1880 verkocht Janna voor ƒ 17,90 aan plaggen en schadden. Kort tevoren had zij “aan de Prange uit Lintelo verkogt voor 260 Gulden hout” van één van haar bouwplaatsen.

    De bouwplaatsen

    Tot het bezit van Janna c.s. behoorde ook een aantal bouwplaatsen. Als eerste wordt genoemd het Neerhof in Dale, waarvan D.J. Neerhof de pachter was. De pacht werd in 1866 beëindigd, toen de boerderij verkocht werd.

    Dan is er de bouwplaats Lubbers in Barlo (Meinenweg), die aanvankelijk aan J.H. Lubbers was verhuurd, maar vanaf 1867 aan G.J. Mierdink voor “zestig gulden en 96 Eijeren”. In 1877 wordt de boerderij aan de huurder verkocht voor ƒ 13.370,-.

    Vervolgens de bouwplaats Pennings (Hofstedeweg). Gerrit Jan Pennings is de pachter, die daarvoor jaarlijks moet opbrengen “de som van 48 gulden, 8 pacht hoenders, 96 eijeren en 4 ponden vlas”. In 1872 is Pennings “na Amerika vertrokken” en wordt de boerderij verpacht an Roelof Somsen voor “56 gulden en 96 eijeren”. Zo nu en dan verleent Somsen wederdiensten door voor Johanna schadden op te halen, waarmee hij ƒ 7,65 verdient hetwelk op de pachtprijs in mindering wordt gebracht.

    Het Slaa in de Heurne behoorde ook, samen met haar broers, tot Janna’s bezit. Tot 1868 was G.J. Huitink de pachter, vervolgens Jan de Breukelaar “Welke jaarlijksch moet betalen 40 Gulden en 60 eijeren”. Vanaf 1880 werd het Slaa verpacht aan Wensink, die daarvoor ƒ 48, moest neertellen en zestig eieren. In die jaren noteert Janna ook: “aan Wensink een Kalf verkogt voor ƒ 5,50”.

    Dan is er nog de Slaa Schoppe, dat van 1852 tot 1867 door J. Weggelaar was gepacht, daarna door Evert Jan Beernink. De pachtprijs was ƒ 20,-. In 1874 heeft Beernink voor Janna vlas gebraakt hetwelk hem 75 cent opleverde.

    Wanneer haar broer Jan kinderloos overlijdt, laat deze aan Janna aandelen in drie bouwplaatsen na, namelijk “Brijzak” door bouwman Smees gepacht, “De Scheper” op de Haart, dat aan Hendrik Jan Rensink was verhuurd voor ƒ 65,-. Deze boerderij werd echter in 1890 verkocht. De derde bouwplaats is Bekker op de Haart, die voor ƒ 40,- verhuurd was. Ook deze boerderij werd verkocht en bracht, samen met De Scheper, ƒ 12.600,- ор. Tenslotte wordt genoemd het Grevengoed in Barlo, hetwelk voornamelijk uit bouwland bestond. Het moet een groot goed geweest zijn, gelegen “naast Zwietink” en “bij Wolterink“, dus aan de Markerinkdijk.

    Tot besluit

    Tenslotte nog iets over de kinderen van Janna. Mina trouwde met J.G.H. Martens in Eibergen. Zij werd al vroeg weduwe en trok later met haar kinderen, voorzover deze nog thuis waren, in bij haar moeder in de Achterstraat, nadat zij een zenuwinzinking, als gevolg van de dood van haar man en daarop van haar twee jongste kinderen, na zes jaren was te boven gekomen.

    Na het overlijden van haar moeder verhuisde ze naar een pand aan de Markt, thans nummer 12. Louiza trouwde met Hendrik Beukenhorst, goud- en zilversmid in Winterswijk. Gelijktijdig treedt ook Betje in het huwelijk en wel met Abraham ten Dam, de latere kammenfabrikant. Haar zoon Jacob kreeg, vermoedelijk als gevolg van een onbeantwoorde liefde, een zeer diepe depressie, waarvoor hij jarenlang in Zutphen opgenomen moest worden. Hij stierf ongehuwd in 1873. Zijn broer Jan werd arts in Winterswijk en trouwde met A.G. Tenkink van “Meenk” in Miste. Dochter Heintje werd de echtgenote van haar achterneef B.H. Becking, die een hammenrokerij had en in zout grossierde. Hij stond zodoende bekend als “Salt-Becking”.

    De jongste zoon Bernard voerde met zijn zwager de directie van de kammenfabriek Ten Dam & Manschot. Hij liet aan de Bredevoortsestraat een huis bouwen, thans nummer 51. De Ten Dams woonden aan de overkant, op nummer 40.

    Janna bleef tot haar dood in de Achterstraat wonen en overleed op 22 januari 1892. Zij werd 82 jaar.

    Het bovenstaande is een samenvattende bewerking van een familiekroniek, voor een belangrijk deel ontleend aan het “Landhuurboek”, samengesteld door Henk ten Dam te Zwolle, getiteld “Johanna Geertruyt Manschot-Beckings Landhuurboek vertelt (1799-1892)”, deel I en II, 1985, te raadplegen in het archief van de gemeente Aalten.

    Voetnoot


    1. Wij denken dat dit niet klopt. Gerrit Willems oudere broer Hendrik Jan (*1799) werd inderdaad ook grofsmid, maar overleed in 1839 als vrijgezel in het huis aan de Prinsenstraat, destijds nummer 228 (bronnen: ecal.nu en wiewaswie.nl). Er was wel een andere grofsmid die Hendrik Jan Manschot heette en die woonde aan de Kerkstraat, maar dat was een broer van Jacob en dus een oom van Gerrit Willem. ↩︎
  • Het Jeruzalem van de Achterhoek

    Het Jeruzalem van de Achterhoek

    Algemeen Dagblad, 2 februari 1990

    ER OP UIT met KOOS SMEDES

    Kolossale pilaren ondersteunen in Aalten het gewelf van de NH St. Helenakerk, die met zijn gigantische omvang het centrum van het dorp moeiteloos beheerst. Koster A.J. Heusinkveld gaat mij voor naar het koorgedeelte en wijst naar de plafondschilderingen hoog boven hem. Ik zie Maria met het Kind, het hoofd van Christus, engelen, koningen en een voorstelling van de Heilige Geest. Ze sluiten niet op elkaar aan.

    Grote stukken wit onderbreken de rond 1900 ontdekte en toen blootgelegde schilderingen die er, meent Heusinkveld, in 1471 werden aangebracht. Hij wijst opnieuw naar boven: „Kijk daar staat weliswaar 1411, maar laat je daardoor niet van de wijs brengen. De man die dat schilderde was op dat moment waarschijnlijk dronken en maakte toen in plaats van een ’7’ een ’1’. Dat zei mijn voorganger tenminste altijd.”

    Laatste Oordeel

    Eind november van het vorig jaar werden ook de eeuwenoude schilderingen op de wand van de Consistorie blootgelegd en gerestaureerd. Ze beelden het Laatste Oordeel uit en dat liegt er niet om: engelen leiden de goede mensen naar Jeruzalem, terwijl de slechteriken onder ons naar het vagevuur worden gebracht. Daar zitten sommigen al te zweten in enorme ijzeren kookpotten.

    De kerk, met mooie kroonluchters, staat barstens vol banken. „Die zijn zondags — wanneer we 3 diensten hebben — vaak alle bezet”, aldus de koster. „Er is plaats voor 1000 man. Jawel, in Aalten met 3 gereformeerde kerken, 1 roomskatholieke kerk, onze Nederlands Hervormde kerk en een synagoge wonen veel gelovigen. Ons dorp wordt ook wel het Jeruzalem van de Achterhoek genoemd.” „Het is hier soms voller dan vol”, beaamt Evert Smilda, voorzitter van de Vereniging Oudheidkamer Aalten, die mij rondleidt. „Ik was eens een keer aan de late kant en vroeg de man bij het gangpad om wat op te schuiven. Hij deed het wel, maar met tegenzin. “Wie bunt zuunig in schoeven”, zei hij.”

    Koster bellen

    Het in 1100 gestichte en in gotische stijl veranderde gebouw is te bezichtigen. Wie de koster belt — 05437-72896 — of bij hem aanklopt op Kerkstraat 2, wordt geholpen. „Als de mensen mij maar niet tijdens het eten bellen.” Aalten (11000 inwoners) is best een aardig dorp, met een door auto’s vergeven Markt die als eerste in Gelderland tot beschermd dorpsgezicht werd verklaard. Dat dankt het plein vooral aan de St. Helenakerk en aan twee oude panden, die nu het gemeentehuis vormen, met een weinig opwindend stuk nieuwbouw ernaast.

    Oud in jaren is het restaurant Stegers aan de overkant. In het terrasmuurtje aan het trottoir is een eeuwenoude steen gemetseld die oorspronkelijk in de gevel zat. Er valt, vaag, een hert op te zien op zijn achterpoten. Een woord van 26 letters staat erbij. Niemand weet wat het betekent. „We staan hier voor het raadsel van Aalten”, zegt Smilda. „We weten overigens wel dat zo’n opstaand hert een symbool voor de rechtspraak was. Welnu, hier in de herberg is vroeger wellicht recht gesproken.” We lopen verder door het dorp (een echt streekcentrum) met enkele oude panden zoals Huize Ahof en het mooie 19e eeuwse herenhuis (nu pension) Beekhuize.

    Frerikshuus

    We belanden tenslotte in het boeiende museum Frerikshuus aan de Markt, dat vol staat met gebruiksvoorwerpen: kostuums, zilverwerk, porselein en wat al niet. Eén kamer is geheel gewijd aan de hoornindustrie die hier een eeuw lang, tot in de jaren 70, een unieke plaats innam. Prachtige pijpen, kammen en wat maar van buffelhoorns te maken viel, zijn er te zien.

    In de grote schuur achter het prachtige huis worden o.m. ambachten uitgebeeld, zoals de radmakerij. Het museum is in deze tijd open op maandagen, woensdagen en vrijdagen van 14-17 uur. Van 31 maart tot en met 12 mei is er een speciale expositie over de bezettingstijd en de bevrijding. Vele onderduikers hielden zich hier in Aalten tijdens de Tweede Wereldoorlog met succes schuil.

    Het dorp ligt in de eeuwige charme van de Gelderse Achterhoek met veel bos, bosschages, besloten akkers en weilanden, stille weggetjes.

    Bredevoort

    Twee kilometer van Aalten droomt het duizendmaal mooiere stadje Bredevoort met zijn mij al van verre toewinkende walkorenmolen, zijn aloude St. Joriskerk, zijn stille straatjes, zijn bejaarde aandoenlijke pandjes, zijn weemoed. Ik hernieuw op de valreep de kennismaking met bakker Ben Helmink, de voorzitter van de VVV, die vertelt dat er nog steeds wordt gerestaureerd. Huize St. Bernardus, zegt hij, „dat grote gebouw uit 1764 aan ons plein ’t Zand, is net klaar. Je gelooft je ogen niet. Het is nu werkelijk prachtig. En zo waardig! Bredevoort wordt elk jaar mooier. Dat is het.”

    Sint-Joriskerk, Bredevoort
    Sint-Joriskerk, Bredevoort

    Bron


    • Algemeen Dagblad, 2 februari 1990 (via Delpher)
  • Aaltenaar Jan Kappers: een leven vol muziek

    Aaltenaar Jan Kappers: een leven vol muziek

    De Graafschapbode, 11 november 1987

    Ondanks en misschien juist doordat zijn vader hem al jong de maat van de muziek bijbracht met een pook op de kachelrand, heeft de Aaltenaar Jan Kappers altijd een groot gevoel voor ritmiek gehad. Vader Kappers heeft zijn zoon veel meegegeven op het gebied van de muziek en daarvoor is Jan nog altijd dankbaar. Nu is hij zelf al weer langer dan veertig jaar bezig met het opleiden van anderen in de muziek en nog altijd heeft hij er niet genoeg van. „Muziek en bloemen geven klank en kleur aan het leven. Beiden zou ik niet kunnen missen” zegt de man die in de regionale muziekwereld een bekende figuur is geworden.

    „Muziek is voor mij belangrijk. Je maakt er vrienden door en het samen spelen en dan te komen tot een harmonieus geheel is het mooiste wat er bestaat. En bloemen en muziek zijn naar mijn mening nauw aan elkaar verwant, zodat ook bloemen mijn liefde hebben” vertelt Jan Kappers in zijn woning aan de Slingelaan in Aalten.

    Al heel wat mensen in de regio heeft hij op het muzikale pad geholpen. „Daardoor heb ik een grote vriendenkring opgebouwd. Vroeger was ik er bijna dag en nacht mee bezig, maar de laatste jaren doe ik het toch wat kalmer aan”.

    Als Jan opsomt wat hij nog aan muziek doet, dan blijkt dat niet gering te zijn. Hij heeft een aantal korpsen onder zijn hoede en bijna elke middag en avond komen kinderen en ook volwassenen naar hem toe om de fijne kneepjes van de muziek te leren.

    „Bij mezelf zat de muziek er al vroeg in. Mijn vader was er veel mee bezig en dan leer je het vanzelf. Wanneer ik het nog net zolang wil doen als mijn vader, dan heb ik nog even te gaan” lacht Jan Kappers, wiens vader op 78-jarige leeftijd nog de baspartij meeblies bij de Eendracht.

    Jan vertelt dat hij op negenjarige leeftijd de eerste muzieklessen kreeg van Bram te Loo en daarna van de vermaarde Bredevoortse dirigent Willem Wensink. „Ik weet van Wensink nog, dat hij de trompet aan een touw ophing. Dan moest je, met de handen op de rug, hierop blazen. Eerst na lang oefenen heb ik dat geleerd” voegt hij er aan toe.

    Tijdens en na de oorlog

    Na militaire dienst en de mobilisatie kwam Jan op het Aaltense distributiekantoor terecht. Daar deed hij alles wat van de Duitse bezetter niet mocht. Hij werd opgepakt. Een tijdlang was er geen muziek voor hem. Maar na de oorlog pakte hij de draad weer op en gaf nu zelf de maat aan. Hij begon met de oprichting van een jeugd- en tamboerkorps bij de Eendracht.

    Er was veel animo voor, zo meteen na de oorlog. Men repeteerde in het toenmalige gebouw Patrimonium maar bij mooi weer trok men naar buiten. Het tamboerkorps werd daar niet altijd met evenveel vreugde ontvangen.

    „Het was soms ook niet om aan te horen” bekent Jan Kappers, en hij vertelt dat in het voorjaar het jongvee in de weilanden op de vlucht sloeg als de tamboers voorbij kwamen.

    In deze jaren na de oorlog oogstte Jan veel succes met zijn jeugd- en tamboerkorps. Zijn succes bleef niet onopgemerkt en werd hij een veelgevraagd man. Achtereenvolgens was hij dirigent of instructeur bij korpsen in Dinxperlo, Varsseveld, Silvolde, Groenlo, Zieuwent en Bredevoort.

    Jan studeerde door en behaalde de bevoegdheid als docent. Veel van zijn leerlingen hebben het ook een heel eind gebracht in de muziek, carrière gemaakt als dirigent of instructeur.

    Discipline

    Waar Jan in de muziek grote waarde aan hecht is de discipline. „Vooral in concerten en concoursen is deze noodzakelijkheid. Maar ook nu de jeugd veel vrijer is dan vroeger, moet deze discipline er zijn” vindt hij. Het opleiden van jeugdige musici ligt Jan wel. „Vooral als er aanleg is, komt het plezier vanzelf en dan worden het goede muzikanten”. Jan heeft ook tambour-maîtres opgeleid. „Die hebben een heel eigen en niet gemakkelijke taak” vindt hij.

    De tambour-maître moet zelfbeheersing hebben. Dat schetst Jan met zijn verhaal over een van de eerste keren dat hij met het tamboerkorps van de Eendracht deelnam aan een concours. „Dat was in Ermelo. Er waren drie juryleden, die rond het korps liepen. Er kwam de opdracht om te beginnen. Maar één van de juryleden stond in de weg en de tambour-maître hield zijn mond stijf dicht. Totdat het jurylid uit de weg ging. We haalden wel een eerste prijs”.

  • Jan Elferink: bankdirecteur, organisator en… buutreedner

    Jan Elferink: bankdirecteur, organisator en… buutreedner

    Dagblad Tubantia, 24 maart 1987

    BREDEVOORT – Als je hem niet kent, komt het geen moment bij je op, dat deze man wel eens bankdirecteur van beroep kan zijn. Bankdirecteuren worden geacht voortdurend met gulden-tekentjes in de ogen rond te lopen, maar Jan Elferink past zeker niet in dit schema. Hij is gevat en altijd in voor een grap. Een rappe prater en nooit voor één gat gevangen. Maar de Bredevoorters die zakelijk met Jan Elferink te maken hebben, weten dat onder deze goedlachse vriendelijkheid ook een goed zakenman schuil gaat. Een man die weet waar hij over praat als het om geldzaken gaat.

    Dat heeft hij ook wel geleerd in zijn 42-jarige bankloopbaan. Dit jaar stapt Jan er uit. Per 1 september, nadat hij zijn opvolger G.W. te Brinke heeft ingewerkt, gaat hij met vut. „Ik ben nu 60 jaar en de jaren boven de zestig zijn kostbaar. Daarom stap ik er maar uit. Ik heb nog genoeg om handen. Ik heb al tegen mijn vrouw gezegd: als ik overdag het werk doe wat ik nu ’s avonds doe, dan heb ik tenminste een paar avonden per week vrij,” verklaart Elferink zijn vertrek.

    Het is 42 jaar geleden dat hij, op 18-jarige leeftijd, begon op de Raiffeisenbank in Lichtenvoorde. „Dat wilde ik altijd al graag. Maar toen ik in 1943 van de ulo kwam, zei mijn vader dat ik maar moest helpen in zijn schildersbedrijf. Mijn beide broers waren tewerkgesteld in Duitsland, dus ik moest wel”.

    Maar de oorlog was nog maar net voorbij, of Jan zag zijn kans schoon. De geldsanering na de oorlog zorgde er voor dat de banken extra personeel moesten aantrekken. Per 1 oktober 1945 werd hij aangenomen en precies een jaar later stapte hij over naar de bank in Bredevoort. „Toen ik hier kwam dacht ik: een paar jaar ervaring opdoen en dan overstappen naar een andere plaats. Maar daar is het nooit van gekomen. We voelen ons hier in Bredevoort goed thuis. Gelukkig helemaal opgenomen”.

    Twaalf jaar lang fietste Jan elke dag op en neer tussen Lichtenvoorde en Bredevoort. Tot hij in 1958 trouwde en een echte Bredevoorter werd. Want dat laatste mag je toch wel zeggen wanneer je ziet hoe hij in de Bredevoortse gemeenschap geïntegreerd is.

    Keiharde zaak

    In 1963 werd Jan benoemd tot directeur van de bank in Bredevoort. „Dat bankwezen is een keiharde geldzaak. Daar ben je echt mee bezig. Het is misschien daarom dat ik als tegenhanger al die plezierige en gezellige aktiviteiten buiten mijn werk heb aangetrokken”.

    Als Jan begint met het opnoemen van aktiviteiten waarbij hij betrokken is of is geweest, dan is hij wel even bezig. Volksfeest, gondelvaart, ijsbaan, bestuurslid schoolvereniging, bestuurslid St. Bernardus, ga zo maar door. En dat buiten al die „losse dingen” waar hij mee bezig is. Het houden van veilingen voor een goed doel, het organiseren van carnavalsbijeenkomsten voor de Zonnebloem, conferencier bij de boerenkapel in Lichtenvoorde, het optreden als buutreedner tijdens het carnaval.

    „Daar wilde ik mee ophouden toen mijn maat, Bonekamp uit Lichtenvoorde, er mee stopte. Maar er kwamen van alle kanten zoveel verzoeken dat ik toch elk jaar weer een buut maak. „Dat alles houdt je op de been. Van jongs af aan hou ik van schoppen. Dat was op school al zo, maar ook later bij de toneelvereniging. Op mijn veertiende was ik daar al lid van”. Dat hij graag lol maakt is ook bij zijn collega-bankdirecteuren bekend. Die kennen hem als „Enerink uit Smallevoort”.

    Elferink verheelt niet dat het werk van een bankdirecteur in een kleine gemeenschap als Bredevoort iets anders is als in een grote stad. „Je bent hier niet alleen financieel bezig, maar ook sociaal”. Elferink heeft het bankwezen in ruim veertig jaar sterk zien veranderen. Van een klein kamertje met een kast en een brandkast waar spaarbankboekjes werden bijgeschreven naar een uitermate modern, geautomatiseerd kantoorgebouw waarin de hele geldhandel plaats heeft maar waar ook reizen, verzekeringen en effecten worden verkocht.

    G. te Brinke nu directeur

    BREDEVOORT – Per 1 juli zal G.W. te Brinke uit Lochem als directeur in dienst treden van de Rabobank in Bredevoort. Te Brinke is geboren en getogen in Zelhem en is 41 jaar. Hij begon zijn bancaire loopbaan in 1966 in Doetinchem en is sedert 1977 werkzaam in Lochem.

  • Zwerftocht langs de grens

    Zwerftocht langs de grens

    NRC Handelsblad, 11 augustus 1986

    „Wie zet puntdroad biej ’n Iessel”

    Een nieuwe zwervende redacteur stuit op rudimenten van het Achterhoekse nationalisme.

    Villa Beekhuize, Dijkstraat, Aalten
    Villa ‘Beekhuize’, Aalten

    Door HENRI BEUNDERS — „Bij Arnhem eindigde de wereld! Nog lang nadat wij hier kwamen wonen, in 1969, vroegen vrienden die belden dat ze ons wilden opzoeken: „Kunnen we nog wat voor jullie meenemen?” Mevrouw Pruim zegt het met een spottend lachje, maar er klinkt een nog altijd niet verflauwde verontwaardiging doorheen.

    Sinds twee maanden drijft ze samen met haar man, eens Haags advocaat en sinds jaar en dag kantonrechter te Terborg, een pension in hun, uit 1826 stammende kapitale pand „Beekhuize” in Aalten. Terug naar het westen willen ze nooit. „De Achterhoeker is erg tolerant, hartelijk en gastvrij. Hier eindigen veel zaken in een schikking”, zegt Pruim tijdens het serveren van het ontbijt.

    De IJssel een grotere barrière dan de landsgrens waar ze zo dichtbij wonen? Wie in Dinxperlo een tijdje door de Heelweg — linkerstoep Nederland, rechterstoep Duitsland — loopt, zou het wel haast denken. Men wandelt, fietst en winkelt over de grens alsof die niet bestaat. Mevrouw Pruim haalt haar kleine ontbijtbolletjes in Bocholt. De douaniers komen voor alle passanten hun hokje nauwelijks meer uit.

    Met grensproblemen heeft de kantonrechter dan ook nooit te maken. „Nou ja, nooit, laatst moest er een kofferbak open. Lag er een vrouw in. „Ik lig altijd in de kofferbak als ik met mijn man uit rijden ga”, had ze gezegd. Ze bezat simpelweg geen pas. Die kreeg wel een proces-verbaal aan de broek”.

    Achterlijk

    Veel op heeft men in Aalten echter niet met de Duitsers. De informatie over en weer stelt niet veel voor. In Aalten valt een reclameblaadje uit Bocholt in de bus, in het hoekje „Grenspost” bericht De Graafschapbode dat de Anholter windmolen weer wieken heeft. Of dit komt omdat Aalten protestants-gereformeerd is en Munsterland katholiek? Men weet het niet. Misschien is het, zo menen sommige Aaltenaren, wel de mentaliteit zoals die bijvoorbeeld afstraalde van het plakkaat dat de Duitsers als vóór de finale voetballen in Mexico bij de grensovergang Heurne-Aalten hadden opgehangen: „Jetzt betreten Sie das Land des Weltmeisters”. Een Nederlandse douanebeambte vertelt glunderend dat zij er als de kippen bij waren om na afloop er het woordje „vice” tussen te krabbelen. „Iedereen vond het prachtig dat ze hadden verloren”.

    Behalve voor de westerlingen blijkt de IJssel echter ook voor vele Achterhoekers nog altijd een grens naar een andere wereld. De waardering voor die andere wereld is de laatste tijd wel sterk veranderd. „Vroeger was alles wat uit het westen kwam mooi. Zonder drie flats was je als dorp achterlijk. Er is daardoor veel moois vernield”, vindt mevrouw Pruim. Die tijd lijkt voorbij. Het nostalgie-golfje dat na de stormvloed van de moderniseringsdrift over de IJsseloever sloeg, heeft nog net op tijd wat oude fraaiigheden kunnen redden. Als je hier wat rondrijdt, zie je hoe men overal bezig is weer kronkelige en bollende straatjes met kasseien aan te leggen in de dorpskernen, en hoe de culturele regionale renaissance in volle gang is.

    „Wie zet puntdroad biej ’n Iessel. De leu uut ’t west’n komt der niet meer in!” van de Achterhoekse „Nationalisten” die enige jaren terug deze dreigende taal uitsloegen — het was de voedingsbodem van het succes van de popgroep Normaal — wordt weinig meer vernomen. Op het oogstfeest in De Heurne, een gehuchtje tussen Aalten en Dinxperlo, loopt een enkeling niettemin met een door de Road voor Achterhooks Belang uitgegeven „paspoart” op zak. Maar bij de meesten lijkt dit verkapte minderwaardigheidsgevoel allang plaats te hebben gemaakt voor een stevig verankerde trots op het eigene.

    In het maïslandschap is op het akkertje voor de demonstraties maaien met de zeis, schovenzetten, vlegeldorsen, ploegen en eggen nog een halve hectare rogge verbouwd. Men lacht en maakt grappen als ook sommige bejaarde boeren deze oude technieken al bijna verleerd blijken te hebben. Alleen de handen van de manden- en mutsenmaker gaan nog snel en routineus, zij hebben hun vak nooit opgegeven. De talloze telelenzen, video- en super-8-camera’s waarmee de ruim 1500 autochtonen en toeristen elkaar staan te filmen doen vermoeden dat het oogstfeest in De Heurne zich reeds in de dubieuze overgangsfase bevindt van oprecht volksplezier naar toeristische attractie.

    Klootschieten

    Klootschieten - NRC Handelsblad, 11 augustus 1986
    „Men moet beter uitkijken als er wordt gegooid, want een kloot kan hard aankomen”. (Foto NRC Handelsblad/Vincent Mentzel)

    Op zoek naar een nog niet door de massa ontdekte uiting van opgeleefde folklore verwijst een van de talloze kleurige boombiljetten (kermis, motorcross, bonte avond, men kan het zo gek niet verzinnen of het hangt wel aan een beuk of eik aangekondigd) naar de grens ten zuiden van Winterswijk. Daar is bijna het hele ‘buurtschap’, meer dan 80 mannen, vrouwen en kinderen uitgelopen om mee te doen aan de wedstrijden klootschieten.

    Telkens twee teams van 5 of 6 leden proberen het vier kilometer lange parcours door het prachtige ‘„’coullissenlandschap’ tussen Woold, Kotten en Achterwoold in zo weinig mogelijk schoten af te leggen. Het is niet moeilijk te zien waarom ”t aole spel’ zo snel aan populariteit kan herwinnen.

    Wie kan gooien, kan ook klootschieten. Er wordt een hark over de weg gelegd, men neemt tot daar een aanloopje en gooit de houten, met lood verzwaarde ’tennisbal’ van om en nabij de halve kilo zo ver mogelijk over de straat. De anderen hollen er roepen achteraan „Astubleef”, juicht er een over zijn worp van wel 80 meter. „Ie gooit er met de pette naor”, roept een ander die de kloot van zijn voorganger uit de maïs aan de overkant van de sloot moet zoeken.

    Op het erve Esselinkhaar staan de thermosflessen gereed op een keukentafeltje. Men is halverwege, tijd voor een pauze. Organisator Massop van de Winterswijkse Klootschieters Vereniging spreekt de enthousiaste maar onervaren nieuwelingen nog eens vermanend toe. „Dit parcours is wel verzekerd, maar men moet beter uitkijken als er wordt gegooid, want een kloot kan hard aankomen”. Als bewijs laat hij zijn scheenbeen zien waar een half jaar terug een kloot, al stuiterend over ditzelfde stukje klinkerweg, tegenaan knalde. Hij tobt er nog mee. Vandaar dat er alleen koffie wordt geschonken. „Vroeger was het „zoepen en nog eens zoepen”, daar kwamen steevast brokken van”. Dat was trouwens, zo legt hij uit, ook de reden dat vroeger dit goedkope vertier van het ‘klootjesvolk’ vaak verboden was.

    Dat het woord sindsdien vooral de lachlust opwekt — „er is geen zak an” had de kantonrechter verzekerd — deert Massop al lang niet meer. „Het is een serieuze sport. Onze bond heeft dan ook geweigerd toe te geven aan de Nederlandse Sportfederatie die wilde dat we het „kogelwerpen” gingen noemen”. En hij drukt een folder en een sticker in de hand. ‘Klootschieters doen het op de weg’. Volgend jaar worden de nationale kampioenschappen, in bakermat Twente, voor het eerst gehouden in de Achterhoek. Voor de Kottense grensbewoners is het vooral een zondags spelletje. „Het is mooi weer, je ziet mekaar weer eens, het is gezellig”, zo zegt een van de koffieschenksters. „Volgende week hebben we hier paardenspannen”.

    Tiroleravond

    De geringe hoeveelheid alcohol wordt ’s avonds ruimschoots goedgemaakt op de door de Winterswijkse afdeling van „Jong Gelre” georganiseerde Tiroleravond op camping Nieuw Beusink. Een dikke 40 vaten Grolsch, 200 glazen het vat, heeft men aangesleept voor de verwachte 800 bezoekers. Men zit aan lange tafels, men danst, men drinkt, het rumoer zwelt allengs aan, maar het blijft gemoedelijk. De Grensland Muzikanten spelen de hier zo populaire Egelander-muziek van Ernst Mosch. Jong en oud danst erop. De Achterhoekse formatie Free Sense speelt de tweede helft van de avond wat moderners en luidruchtigers. Iets na twaalven zet de groep „Steer it up” van Bob Marley in. „’t Bier is op! Oh wat baal ik, ’t bier is op” zingt de zanger. En normaal zomers weekeinde langs de Achterhoekse grens is voorbij.

    „Men moet beter uitkijken als er wordt gegooid, want een kloot kan hard aankomen”. (Foto NRC Handelsblad/Vincent Mentzel)

    Bron


  • Historie van de posterijen in Aalten

    Historie van de posterijen in Aalten

    Dankzij de speuractiviteiten van de Aaltense historicus E.M. Smilda zijn veel historische gegevens over de postbestelling in de gemeente Aalten boven water gekomen. Een terugblik in de geschiedenis van het postwezen leert dat koeriers en bodes begin 19e eeuw verantwoordelijk waren voor de bezorging van brieven en berichten van zowel de overheid als particulieren.

    Precies op de plek waar in 1986 het toenmalige nieuwe postkantoor aan de Peperstraat opende, begonnen Hendrik Jan te Gantvoort en Garret Jan Hoopman in 1812 een “postwagendienst” naar Zutphen.

    Karvoerder

    Bekend is dat in 1742 ene Hendrik Hoopman “karvoerder” was en tweemaal per week naar Zutphen reed. Hoopman woonde destijds ook in de Peperstraat, een locatie die door de eeuwen heen een belangrijke rol heeft gespeeld in het plaatselijk postwezen. In 1784 is er sprake van een “postwagen” die tweemaal per week via Zutphen naar Aalten, Bocholt en Borken reed. Op twee andere dagen legde men de route omgekeerd af. Brieven werden voor een stuiver meegenomen en afgeleverd bij “Roelof Arentzen in De Klok”.

    De eerder genoemde Te Gantvoort reed met zijn postwagen via Zelhem en Hengelo naar Zutphen. In 1827 was Jilles van Buul de eerste door de gemeenteraad aangestelde “distributeur der brievenpost”. In 1832 benoemde de raad Jan Berend Lohuis als eerste bode. Hij verzorgde de post naar Groenlo. Gerrit Schotman was in 1843 zijn opvolger. Gerrit Jan te Tuunte werd belast met de brievenloop naar Winterswijk.

    Met de invoering van de postwet in 1850 verviel de bemoeienis van de gemeente met het postwezen. Schotman verloor zijn baan en Te Gantvoort emigreerde in 1854, op 60-jarige leeftijd, met zijn gezin naar Amerika.

    Vaak verhuisd

    De Aaltense post zou nog tal van keren verhuizen. Zo opereerde men vanuit een schuur in de Dijkstraat, vanuit de Landstraat (later schoenhandel Ebbers), hoek Kerkstraat-Peperstraat (later modehuis De Postiljon) en vanaf 1922 in de voormalige burgemeesterswoning, het zogenoemde Tackshuis, aan de Haartsestraat. Op 26 juni 1986 verruilden de posterijen die locatie voor nieuwbouw aan de Peperstraat.

    Ongeveer 20 jaar later werd het postkantoor in Aalten opgeheven. Sindsdien kan de Aaltense bevolking voor haar postzaken terecht bij de Primera aan de Bredevoortsestraatweg.

    Bron


  • Eerste schotelantenne Aalten

    Eerste schotelantenne Aalten

    Aalten Vooruit, 11 december 1985

    AALTEN – Door de firma PEA (Pennings Ebbers Antennes) is onlangs de eerste schotelantenne van Aalten geplaatst. Gerard Pennings en Jan Ebbers zijn anderhalf jaar geleden naast hun dagelijkse werk met PEA begonnen en het bedrijf begint al goed te lopen: ze krijgen steeds meer opdrachten om antennes te plaatsen op de Aaltense daken, maar ook in andere plaatsen.

    Eerste schotelantenne Aalten - Aalten Vooruit, 11-12-1985
    Jan Ebbers en Gerard Pennings van de firma PEA plaatsten onlangs Aaltens eerste schotelantenne.

    Uniek is het feit dat ze onlangs een zogenaamde schotelantenne hebben geplaatst (zie foto). Deze antenne, met een doorsnee van 120 centimeter, is in staat om rechtstreeks programma’s te ontvangen, die door de E.C.S.-satelliet wordt uitgezonden. Daardoor heeft men de beschikking over een tiental programma’s zoals die van het ATN Channel, Music Box, Europa T.V., SAT 1, Teleclub, RTL, RAI, News World, TV 5 en World Press News.

    De schotelantenne dient zeer nauwkeurig te worden afgesteld. Er dient namelijk een direkte verbinding te ontstaan tussen het hart van de schotel en de satelliet, die zich 36.000 kilometer loodrecht boven de evenaar bevindt. De totale afstand tussen satelliet en schotelantenne bedraagt 41.000 kilometer!

    Naast de schotelantenne dient men voor ontvangst van de verschillende programma’s over een ontvanger te beschikken en een afstemapparaat dat zich binnenshuis bevindt.

    De toekomst heeft nog heel veel te bieden, de satellietprogramma’s zullen alleen maar uitbreiden en door de onderlinge concurrentie wordt de apparatuur om deze programma’s te ontvangen alleen maar goedkoper.

    De heren Ebbers en Pennings van PEA (Polstraat 35), zijn te allen tijde bereid meer informatie over de schotelantenne te geven, terwijl ook een demonstratie mogelijk is.

    Bron


    • G. Schreurs
  • Waterskiën achter de auto

    Waterskiën achter de auto

    Algemeen Dagblad, 25 juli 1985

    AALTEN — Wat betreft doldwaze evenementen is Amerika altijd een voorloper geweest. Toch kunnen de Nederlanders er ook wat van. Zo worden zaterdag 27 juli in het Gelderse Aalten alweer voor de derde maal de waterskikampioenschappen achter auto’s gehouden.

    Organisator Henk Houwers is er trots op dat hij als eerste dit festijn in ons land heeft geïntroduceerd. „Een aantal jaren geleden heb ik het waterskiën achter auto’s eens in Amerika gezien. Meteen dacht ik waarom zouden we dat ook niet in ons land kunnen doen. We hebben tenslotte voldoende sloten en plassen daarvoor.”

    Bij de kampioenschappen in Aalten is de snelheid niet belangrijk. Op het 550 meter lange parcours aan de Slingebeek (nabij camping Goorzicht) zal de jury de zestig beginnelingen en gevorderden beoordelen op techniek, presentatie en kleding. Wat het laatste betreft, kunnen de meest vreemde uitdossingen worden verwacht. „Sommigen komen verkleed als een oud omaatje, anderen weer als Batavier,” zegt Houwers.

    „Het leuke is dat alles mag, maar niets hoeft. Een kushandje naar de jury kan bijvoorbeeld al extra punten opleveren.” Het evenement begint om 14 uur en wordt in de pauze opgeluisterd met een roeiwedstrijd op boomstammen van vierhonderd kilo.

    Waterskiën achter auto's, 27 juli 1985
    Waterskiën achter auto’s, 27 juli 1985

    Bron


  • Aaltense boerderijnamen verklaard

    Aaltense boerderijnamen verklaard

    Aalten heeft een groot aantal boerderijen met een eigen naam. In het adresboek van de gemeente Aalten uit 1967 worden er zo’n 480 genoemd. Bijna al deze namen zijn uniek. Om verwarring te voorkomen lag het voor de hand om een boerderij een naam te geven die nog niet voorkwam. Wel vindt men bijvoorbeeld het Oude Loo en het Nieuwe Loo, Groot Kampe en Klein Kampe, zelfs ’t Paske, Groot Paske, Klein Paske en Nieuw Paske. Dit zijn vaak boerderijen, die voorheen één hofstee vormden, maar die bij verdeling onder de kinderen in delen is gesplitst. Namen met “Olde” of “Oude” wijzen dan op het oorspronkelijke huis.

    Wanneer men die namen gaat bekijken, doet men een interessante ontdekking. Ze zijn in te delen in verschillende groepen. Zo is er een groep namen, waaruit men kan opmaken hoe de begroeiing rondom het erf vroeger was en in wat voor milieu de boerderij werd gesticht. Een andere groep wijst op het bedrijf, dat daar vroeger naast landbouw en veeteelt werd uitgeoefend. Veel boeren, en vooral de kleine, hadden voldoende tijd om er iets naast te doen en er wat bij te verdienen, wat dikwijls noodzakelijk was.

    Nu is het geven van namen aan boerderijen al zeer oud. In het verpondingskohier van 1647/50 staan onder Aalten de personen genoteerd die de verponding (een grondbelasting) moesten betalen, evenals onder Bredevoort. Maar onder de buurtschappen worden de namen van de boerderijen vermeld, met daarachter de namen van de bewoners. Zo hebben we een lijst van hofsteden die toen bestonden. Veel van de tegenwoordige namen komen er al in voor.

    Uit verschillende archieven van kerken en kloosters en dergelijke kan nog een vroegere lijst, van vóór 1500, worden samengesteld. Zo blijkt bijvoorbeeld dat het Kurtebeke in de Heurne al in 1200 werd genoemd. Vóór 1500 vinden we onder andere de Ahof (Huis de Pol), den Honhof (Nonhof), Buclo (Bokkel), Marchwardinck (Markerink), Welinch, Hengevelt, Ruwenhove, ten Westendorpe, de Boegel (nu Smees), Lohues, Lichtwerdinck (Ligterink), Meijnencamp, Snoeijenbuijsch, en nog vele anderen. In totaal zijn er 72 boerderijnamen bekend uit die tijd.

    Bolwerkweg 7, Barlo (Het Bokkel)
    ’t Bokkel, Barlo

    Men moet wel een zeer grote fantasie bezitten om zich te kunnen voorstellen, hoe het Aaltense land er eeuwen geleden uitzag. Negen tiende van het land bestond uit heide, bos en moeras. De bebouwbare oppervlakte was gering en werd slechts gebruikt voor de teelt van groenten en enkele graangewassen. De meeste boerderijen waren klein: stedekes. Markeverdeling, kunstmest en betere afwatering hebben een einde gemaakt aan de prange en de marode van de boer.

    Boerderijen, genoemd naar de begroeiing van de omgeving

    Namen die voor zichzelf spreken zijn: Heidekamp, Heidelust, Heidehof en Heideman. De Neeth (den Heet): heide. Onder ’t Veld verstond men woestliggende grond, voornamelijk wel het heideveld, zie ook Veldhuis. ’t Boske, den Bosch, Bosvliet, Giezenbosch, Boschhoeve, Oosterbosch, Paskerbosch, Scholtenbosch en het Boskerslag (een stuk bos, dat aan de gemeenschappelijke grond onttrokken was), ’t Loo, ’t Loohuis, Looman, het Oude en Nieuwe Loo.

    De volgende namen vragen om een verklaring: Bokkel, in 1284 Buclo genoemd, beukenbos. Het Walfort heette voorheen het Waldenvort, een voorde (door de Slinge) bij het Wald, bij het bos. Zo ook Walvoort op de Haart, met een voorde door de Keizersbeek.

    Gendringseweg 44, Lintelo (Olde Brusse)
    ’t Olde Brusse, Lintelo

    De naam Voorst (van forestis) werd gebruikt voor een woud, waarin niet gejaagd mocht worden; het was privé jachtterrein van de koning of de heer. Het terrein van de Snoeijenbos is in het bos gerooid. Brusse is gevormd van: Brusch, struikgewas, ’t Hagt en het Heegt: bos van laag hout, misschien bestaande uit hagedoornstruiken.

    De Slehegge kan aan de sleedoorn herinneren, ’t Heggeltje: een kleine hagt. De Hakstege lag aan een smal pad (stege) door het hagt. De Rieste dankt zijn naam aan het rijshout. De Heisterkamp is gesticht op een terrein, waar veel struikgewas groeide.

    In 1386 komt de naam Varenvelde en later nog het Verrevelt voor, wat nu het Vervelde is, De Veernhof is ook ontstaan in een veld vol varens. De Tente dankt zijn naam aan de tente, het boerenwormkruid. De Greute herinnert aan de gruit, de gagel, waarmee men het bier gistte en die op moerassige grond groeide, evenals het riet, wat men terugvindt in de naam de Riete. Woest onbebouwd land, vage vindt men terug in Vaags.

    Boerderijen, genoemd naar dieren

    De Kiefte (Kievit), de Kikvorsch, Welpshof (Wulp), Nachtegaal, Koekoek, Vossebult, Vosheurne, Gantvoort, genoemd naar de gans. Het voormalige Grevink was genoemd naar de das, de greving, die zo goed holen graven kan.

    Boerderijen, op een hoogte gelegen

    Men moet zich van deze hoogten geen grote voorstelling maken. Een verhevenheid van een halve meter werd al een bult, een horst of een heuvel genoemd. Deze hoogten boden geen enkele bescherming tegen de vochtige omgeving. De huizen waren erg vochtig.

    Namen als De Bulte, Bultink en De Heuvel spreken voor zich. De Brink (brinc) was een met gras begroeide hoogte. De Bree (van bride) wordt beschouwd als een akker op de es. Drenthel (oorspronkelijk Drenthelo): bos op een hoogte. Haartman en Haartelink: een haart is een hooggelegen heideveld. Hengeveld (heng, helling), Hillen (hil, heuvel), Hoopman, de Klinke (heuvelachtige heidegrond met hier en daar plassen en poelen).

    De Horst (een met laag hout begroeide hoogte), Leemhorst, Seinhorst, Stokhorst en Winkelhorst. Leeland (lee, heuvel, ook gerichtsplaats), de Limbarg (leemberg?). De Pol: een zandheuveltje, dat als een eilandje boven de omgeving uitstak. Pikpolle (pec, armoede): schamele hut op een pol.

    Tammel (in 1384 Tanbulen): dennenbos op een bult? Hondorp: dorp, terp, hoogte ter grootte van een hont, een oppervlaktemaat. Ook het Westendorp wijst op een hoogte. Wierkamp: wier, wierde, hoogte uitstekend boven een natte omgeving.

    Boerderijen, in op bij een moeras gelegen

    Het grootste gedeelte van de gemeente Aalten was vroeger moeras. Alleen de heuvelrug Bocholt–Vragender stak boven de moerassen uit. Deze broeken waren ontstaan doordat de riviertjes de Slinge, het Zilverbeekje en de Keizersbeek het water niet voldoende konden afvoeren. Daarom hebben zoveel boerderijen een moerasnaam, zoals Goorhuis, Goorman, Goorzicht, Moorveld, de Stroete (drassig onland), Veenemaat, Groot en Klein Veenhuis, ’t Veentje, Wijnveen (winne boerderij, boerderij in het veen), Hagenbroek (een broek met hagendoornstruiken), Kortenbroek (een broek met kort gras en daarom onvruchtbaar land), de Woerd (woert, laag liggend land).

    Bolandsweide (bol, week, moerassig, modder). De Nonhof (in 1281 den Honhof) en de Hennepe (in 1284 Honepe), beide namen van “hoen” en “huun” gevormd. Luiten, in de volksmond Luten, was laaggelegen slecht land, lute, terwijl Maris vrijwel hetzelfde voorstelde: moeras. Glieuwe: gliede, zwarte glanzende grond, turf. Somsenhuus: somp, moerassig land. Pietenpol (in 1640 Pytenpoel): pitte, put, kuil, dus een poel op een lage plaats, De Put (kuil, poel). ’t Slaa: slade, heideplas, moeras. Te Sligte (in 1384 Schlichte): vlak moeras. Mager: pover schraal land. Het Navis bezat een vochtige weide; nate, nat en vis, Wisch, wiese, weide. Bij Amerongen staat nog de middeleeuwse woontoren de Matewisch.

    Pietenpol, Lieversdijk 4, Haart
    Pietenpol, Haart

    Kampnamen

    Kiefteweg 4, Heurne (Stapelkamp)
    Stapelkamp, Heurne

    Een aantal namen eindigen op -kamp. Oorspronkelijk waren de kampen kleine stukjes land, die in de bossen van struikgewas en bomen waren ontdaan, ontgonnen bos dus. Later heeft het woord kamp de betekenis gekregen van akker.

    De Kamp, Grote en Kleine Kampe, Barnekamp (een terrein, dat door afbranden van bos is ontstaan), Boomkamp, Graaskamp, Haverkamp, Heidekamp, Heisterkamp, Langenkamp, Leemkamp, Maatkamp, Middelkamp, Nieuwkamp, Schuttenkamp (een boerderij, die nogal verscholen, verborgen in het land lag?), Stapelkamp (een plaats waar een stapel, een gerichtspaal stond, een gerichtsplaats dus), Tolkamp, Wierkamp. Verder ook de namen Oud, Nieuw en Klein Kempink, Kemper en Overkempink.

    Ontginningsnamen

    Slechts enkele namen herinneren aan het ontginnen van woeste gronden. Nijland, Nijveld, Nijhof, Nieuwkamp, Nieuwe Weide. De Bijvanck, wat er bij gevangen, bijgenomen werd. Te Brake wijst ook op het ontginnen, het breken van de woeste grond. Ruwhof: rude, rode, ontgonnen land.

    Boerderijen, die herinneren aan passen, hekken, tollen enz.

    Een pas is een doorgang in een landweer, een houtwal. De bewoner van de nabij gelegen boerderij moet oppassen, toezicht houden op de binnenkomende personen. Zo’n boerderij droeg soms de naam “Pasop”. Langs de Romienendiek liggen bijvoorbeeld het Paske, de Pasop en de Paskerhut: de bewoners moesten de personen in de gaten houden die door de Wolboom en het Zwarte Veen de marke binnenkwamen. Op de grens met het Varsseveldse gebied bij de Varsseveldseweg, ligt ook een Pas. Aan de Varsseveldse zijde liggen hier de Loerdijk en de Kijkuit. De marken waren goed beschermd.

    ’t Pashuus, de Nieuwe Pas, Oude en Nieuwe Pasop, Nieuw, Groot en Klein Paske. Ook het Fort moet tot deze groep gerekend worden: furt, een doorgang door een landweer. De bewoners van Straks (strang, streng) en Ongena waren voor de binnenkomende vreemdelingen wel ongemakkelijke heren!

    Tot degenen die mede de marke onder hun hoede moesten nemen, behoorde de bewoner van het Markerink, vroeger March-ward-inck geheten. Een werde was een wachtpost, een plaats waar men toezicht moest houden op de binnendringende ongure elementen. Een zelfde activiteit werd verwacht van het Ligterink, dat in 1435 Licht-werd-inck genoemd werd: het oppassen viel daar schijnbaar nogal licht. De plicht, van het wachthouden lag ook op de Kuier en de Kuierman: koeren, kuren betekende “uitkijken”.

    Woonde de schutte, die het vee van een andere marke, dat in de eigen marke was binnengedrongen, in beslag moest nemen, moest schutten, op de Schuttenkamp en woonde zo iemand ook op de Man-schot-weide? Aan de tollen herinneren Slotboom, de Stokkert, ’t Bonte Hek, Klaphekke, ’t Tolhuis, Tolkamp en Tolder (tolgaarder).

    Herinneringen aan de kerk

    De Pater, ’t Klooster (genoemd naar het klooster Schaer), Kerkhof (een hoeve van de kerk), Kerkkamp, Neerhof (den Heerhof, bewoond door de monniken), De Kloeze, kluizenaar, misschien ook Klaus. Kosters custerie: de opbrengst van dit goed was voor de koster.

    Kleine woningen

    Kleine woningen kregen de naam van hutte: de Hutte, Bazenhutte, Bramer Hutte, Brassenhutte, Bruggenhutte, Jacobshutte, Paskerhut, Wendelenhutte, Stronkshutte. Soms werd een woninkje afgeschoten in een schuur, een schoppe: de Schoppert, Drenthelschoppe, Freriksschure, Kortenschoppe, Reinders Schoppe, Schurink, Slaa Schoppe. Ook een spieker (korenopslagplaats) werd wel als woning ingericht: Brussen Spieker, Drenthel Spieker, Spiekershof, ’t Ni-je Spieker. Koskamp (van kotkaap, cote, hut).

    Boerderijen, waar een nevenbedrijf werd uitgeoefend

    Beestman (veehoeder), de Scheper (schaapherder), Sweenen (zwijnenhoeder), Fukker (fokker), Peerdeboer, ’t Villeken (waar gestorven dieren werden gevild en de huiden werden gelooid), Baten (beten, het looien van huiden). De Brasse (brouwerij), Pakkebier (backe, ook brouwerij), Schenk (schenkhuis, tapperij) en Slikkertap (een tap in het slik, moeras).

    Brethouwer (moeten we ‘bret’ hier interpreteren in de betekenis van plank, dus iemand die planken maakte?), de Klumper en Klompenhouwer (‘houwen’ is hakken of snijden), Kolstee (plaats waar houtskool werd gebrand), Kuiper, Draaijer, Kappers, Kleuver (herinnering aan het kappen en kloven van hout), de Smid en ’t Smees (vroeger Smedeserve). Papiermolen, de Olde Mölle, ’t Olde Mulder, de Görter (grutter, pelmolenaar), Te Roele (in 1640 ten Rule – rullen, pellen van graan, pelmolen).

    Bouwhuis Wever, Kloosterdijk 9, 't Klooster (2009)
    Bouwhuis Wever, ’t Klooster

    Den Blauwen (blauwverven van linnen), de Wever, Bouwhuis Wever, Weversborg, de Pellewever (wever die fijner goed weefde, zoals damast en tafellinnen), Schreurs, Snieder en Snijdershuis (kleermakers). Kremer (marskramer) en Klodde (voddenkoopman). Speelman (iemand die met een muziekinstrument de feesten opvrolijkte) en de Piepert (pijper, fluitspeler). Krieger (bewoond door een soldaat? In 1640 kwam in Barlo ook een soldaetencamp voor).

    Boerderijnamen eindigend op -ink enz.

    Een veertigtal boerderijnamen eindigen op -ink. Deze wijzen grotendeels op het bezit, op het goed van een bepaald persoon. Ze zijn voornamelijk samengesteld uit een persoonsnaam + -ink. Er zijn uit alle mogelijke archiefstukken lijsten samengesteld van eigennamen, die in de middeleeuwen voorkwamen en aan de hand van deze lijsten kan men een aantal boerderijnamen verklaren.

    Eppink, Romienendiek 4, Dale
    Eppink, Dale

    Dit zijn b.v. Ansink (van Anso), Beusink en Bussink (van Buse), Bulsink (van Bule), Beunk (in 1640 Bo-ynck-mate), Buunkmate (Bonninckmate) en Bunink (1248 Bonninck), alle drie van Bono. Misschien is ook Bongen van Bono afgeleid), Bijnen (1284 Benninck, van Benno), Deunk (in 1366 Dudinc? van Dudo), Elferink (van Alfhard), Eppink (Eppo), Mekkink (Menko), Pennings (Pinno), Pöppink (Poppo), Wensink (Wenzo), Wesselink (Wezilo), Wikkerink (Wikko), Obeling en Oberink (Obo), Lurvink (Lurvo), Rensink (Rinzo), Lensink (Landso), Siebelink (Siebo), Swietink en Swijtink (Swid), Welink (Willo), Wennink (Wanno). Ook Oonk moet hierbij gerekend worden; 1366 Odino (Odo), Gussinklo: bos op het goed van Godso.

    Hoenink, Huinink en Hunink lagen in een hoen, een huun, een moeras. Een andere verklaring waar we, volgens het CBG Centrum voor familiegeschiedenis, rekening mee moeten houden is dat namen als Hoenink en Huinink teruggaan op de Germaanse persoonsnaam Huno.

    Er is echter een aantal namen, die niet op persoonsnamen zijn terug te voeren. Zij hebben duidelijk op iets anders betrekking. Dat zijn: Bekink (ligt bij een beek), Bultink (ligt op een bult), Doornink (ligt in of bij een doornbos), Eekink (ligt op een terrein met eiken), Essink (ligt op een Es), Heijink (ligt op de hei), Kempink (ligt bij of in een kamp), Haartelink (ligt op een Haart). Rengelink kan duiden op een “rinc”, wat een gerechtsplaats was. Op de Borninckhof ontspringt de Haartse Wetering, daar liggen dus bronnen. Op het vroegere Richterink hield de richter zijn geding.

    Er is een tijd geweest, dat men de betekenis van de uitgang -ink niet meer begreep. Men ging toen namen vormen met “stedeke” en “goet”. Zo vinden b.v. Heijnengoet, Goossenstedeke enz. In het latere taalgebruik liet men de woorden stedeken en goet weg. Freriksgoet werd Freriks, Rutgerstedeken werd Rutgers. Ook hier weer veel boerderijnamen, gevormd van persoonsnamen: Freers, Freriks, Bullens (van Bullo), Ebbers (van Ebbo), Goosen (Goosen, Goos), Heinen (Hein), Lammers (Lammo), Lievers (Lieven), Lindert (Lindert), Lubbers (Lubbert), Reinders (Reinder), Rutgers (Rutger), Wiggers en Wiechers (van Wigger), Wubbels (van Wubbel), Wolters (Wolter) en Rikkert (Rico).

    Namen eindigend op -huis (-huus in het dialect) zijn Bartshuis, Devenhuus, Dorushuus, Japikshuus, Kobushuus, Matthijsenhuus, Luuksenhuus (volksnaam voor Lucas). Boerderijen met enkel een eigennaam: Maas (volksnaam van Thomas), Thijs (Mattheus), Jonen (Johannes), Liezen (Elisabeth), Wendelenhutte (Wendelin), Karsjes (Christina), Koop (Jacob).

    Aparte vermelding

    Naast de boerderijen die in bovenstaande groepen zijn ingedeeld, zijn er nog enkele, die aparte vermelding verdienen: de Tuunte was omgeven door een tuun, een gevlochten omheining, evenals de Vreman en het Vreveld. De Zigtvrede had enkele voorkeursrechten bij de jaarlijkse verdeling van de markegronden. Een van deze boerderijen wordt in 1640 Seegvreden genoemd, geheten naar de seege, de geit. De Hegge was omringd door een haag. Het Sonderen had ook rechten; een deel van de gemeenschappelijke grond mocht voor eigen gebruik worden aangewend. Dat deel werd uit de marke afgezonderd. Het Meijnen is eveneens een deel van de gemeenschappelijke marke geweest.

    Het Haverland en de Haverkamp hadden de plicht haver te leveren aan heer of kerk, enz. Op de Hemelmaat werd recht gesproken; een hegemael, een heimael, was een door een heg omgeven ruimte, waar een mael, een rechtzitting gehouden werd. De Akkermaat dankt zijn naam aan een weide, die in een dag gemaaid kon worden en de Maandag aan het stuk land dat in een dag met het gemende vee kon worden geploegd. Een vroegere naam zou dus geweest zijn: Mendag. De Hogewind moest eigenlijk de Hogewend heten, want dit was het hoge eind van het land, waar de ploeg gewend werd, gekeerd.

    Het Grotenhuis geeft inlichtingen over de omvang van het huis en het Nieuwenhuis (in 1640 Nijenhuis) wijst op een toen nieuw gebouwde woning, net als Nijboer. Het Lankhof en Scheel geven de vorm van het land aan: lang en scheef. Het Korten (in 1640 Kortenstedeken) was maar kort van land. De Heurne had een vorm van een hoorn, een spits toelopend stuk land evenals de Timp en de Timpert. Droevig was het gesteld met de Prange, de Marode en de Drommelder, welke namen alle drie vertaald kunnen worden door ellende.

    Het Smol was “klein en gering”. Kan de Huikert een hooiweide zijn geweest of is het een vervorming van de volksnaam Huik voor Hugo? Het Botervat: botterweide? Het Westendorp, het Oosterbosch, de Oosterhoeve en de Oosterman ontlenen hun naam aan de windstreken, waarnaar ze gericht liggen. Op de landbouw wijzen: Bouwlust, Bouwhuis en het Bovelt (bouwveld). Is het Hillo (Heiligelo?) een herinnering aan het heidendom of was het een lo op een hil (heuvel)? De Leste Stuver was vroeger een herberg bij Bredevoort waar rondtrekkende mensen hun laatste stuiver kon verbrassen.

    Hessenweg 18, Dale (Grotenhuis)
    ’t Grotenhuis, Dale

    Fantasierijke personen hebben zeker gewoond op Avondrood, Morgenrood, Bestevaer (‘grootvader’), Driekleur, Midden in ’t Land, Nooitgedacht en de Vlijt. En de bedenkers van de namen Meihof en Meihuis hebben zeker oog gehad voor het mooie groen en de kleurrijke bloemen in de maand mei.

    Bron


  • Oorman

    Oorman

    Een oorman, soms oormenneke genoemd, is een kamer die bij sommige (dorps)boerderijen werd aangebouwd, waar de bejaarde ouders van de bewoners hun laatste levensjaren woonden. Tegenwoordig zou men wellicht de term ‘aanleunwoning’ gebruiken. Een oorman was soms ook gehuurd door een alleenstaande persoon. Het was een kamertje van ongeveer twee bij twee en een halve meter, waarin een alkoof als slaapplaats diende.

    Over de herkomst van het begrip ‘oorman’ schrijft E.M. Smilda in Aalten en Bredevoort in oude ansichten het volgende:

    “De benaming ‘oorman’ moet naar mijn mening zeker niet worden beschouwd als te zijn afgeleid van ‘zoals de oren van een mens uitsteken, zo ook is een oorman een uitbouwsel aan het boerenhuis’. Integendeel, het is genoemd naar de bewoner zoals dat in deze streek gebruikelijk is. Beter gespeld heet het huisje ‘oirman’. Vondel laat in een van zijn stukken vragen: “Hebt gij dan geen oir?” Met ‘oir’ wordt erfgenaam bedoeld. In het eindkamertje, bij een boerderij aangebouwd, kon de oudere man die wel een oir had zijn laatste levensjaren doorbrengen. Hij was de oirman, woonde daar, hielp nog wel wat hier en daar en had de kost vrij. In geheel Nederland komt deze originele naam ‘oirman’ alleen in Aalten voor.”

    De laatste Aaltense oorman bevond zich in de Hogestraat, nummer 38/40.

    Bronnen


    • ‘Aalten en Bredevoort in oude ansichten’, door E.M. Smilda
  • Twee nieuwe textielfabrieken in Aalten

    Twee nieuwe textielfabrieken in Aalten

    Trouw, 11 september 1982

    AALTEN – „Omdat de stemming in de textielindustrie niet direct feestelijk genoemd kan worden, willen we de officiële opening niet met veel klaroengeschal doen plaatsvinden. Toch willen we het evenement niet geruisloos laten voorbijgaan”, schreef de directie van Textielgroep Twente in een brief waarin de pers werd uitgenodigd de opening van twee nieuwe fabrieken in Aalten bij te wonen.

    Het is ook niet niks. Al jaren stapelt de ene textielrampspoed zich op de andere. Nog deze zomer ging Schuttersveld failliet, moest Spinnerij Nederland 475 banen schrappen en Van Heek Scholco 67. In de verwante bedrijfstak confectie wacht een inkrimping bij Bendien Smits. Maar Textielgroep Twente opent twee nieuwe fabrieken in Aalten: Wisselink Textiel en Koala Tricotage.

    Gemeente

    Nu moet gezegd worden dat de eerste aanzet voor de nieuwbouw niet kwam van de concernleiding maar van de gemeente Aalten. De twee bedrijven waren sinds jaar en dag gevestigd in de dorpskern en veroorzaakten daar geluids- en trillingsoverlast. De directie wilde best verhuizen naar een industrieterrein, mede omdat in splinternieuwe fabrieken de produktie beter georganiseerd kon worden. Voorwaarde was echter wel dat verschillende overheden een flinke duit in het zakje zouden doen. Waarvoor directeur drs. H.J. Hesselink en burgemeester Bekius hard op Haagse deuren hebben gebonsd.

    Niet vergeefs. Van de totale investeringssom van 17 miljoen gulden kwam tien miljoen van de overheid in welk bedrag is begrepen de aankoop door de gemeente van de oude fabrieksgrond. De oude gebouwen zijn inmiddels gesloopt; 122 woningen zijn op hetzelfde terrein in aanbouw.

    De directie is inmiddels vol goede moed dat de zeven miljoen die voor de nieuwbouw zelf moesten worden opgebracht, juist zijn besteed. Dat Textielgroep Twente met vijf werkmaatschappijen (vestigingen in Aalten, Enschede, Weerselo, Tilburg, Geldrop en Bree in België) redelijk marcheert schrijft directeur Hesselink ondermeer toe aan de grote spreiding van het produktiepakket.

    Juist in een gevoelige bedrijfstak als de textiel vindt hij het belangrijk meerdere ijzers in het vuur te hebben. Als het met de afzet van bepaalde artikelen slecht loopt, heb je nog wat achter de hand. De activiteiten van het concern zijn inderdaad sterk gespreid. Zo maakt werkmaatschappij Wisselink zowel consumentengoederen (lakens en dekbedovertrekken) als doek voor industriële toepassingen en tentdoek. De Gunne in Weerselo vervaardigt tuinkussens, tuinmeubelen en slaapzakken, Stilo Print in Tilburg bedrukt T-shirts en het tricotagebedrijf Koala houdt zich bezig met onderkleding en vrijetijdskleding.

    Ondergoed

    Koala voert ondermeer het aloude merk Jansen en Tilanus, voor generaties Nederlanders een synoniem met het woord ondergoed. Veel belangrijker voor Koala is echter het merk van die naam dat in de presentatie alle nadruk krijgt. Die presentatie is daarom zo belangrijk omdat de afzetkanalen voor onderkleding nogal veranderen en het merk toch zijn positie in de markt probeert te houden. Nog niet zo lang geleden werd ondergoed veel in gemengde textielzaken gekocht. Dat type winkel loopt terug, andere verkooppunten als sportzaken en textielsupermarkten komen er voor in de plaats.

    Voor die marktpositie van een Nederlands textielbedrijf acht Hesselink het van wezenlijk belang dat er snel geleverd wordt. Dat is een voordeel op de buitenlandse concurrentie dat hij mede zegt te kunnen realiseren door de middelgrote omvang van de groep: 500 werknemers bij 80 miljoen omzet. Men kan snel reageren door de beperkte omvang van de werkmaatschappijen.

    Dit betekent niet dat de financiële resultaten schitterend zijn. In 1981 werd netto 1,5 miljoen gulden verloren. Voor 1982 wordt een beter resultaat verwacht. Bovendien gaat Hesselink nogal prat op de gezonde vermogenspositie van de groep. Dezer dagen is die positie verder verbeterd door een achtergestelde lening van zes miljoen, verstrekt door de Nationale Investeringsbank.

    Met winstuitkeringen zijn we altijd voorzichtig geweest, zegt Hesselink. Er is – in tegenstelling tot menig ander textielbedrijf – redelijk geïnvesteerd. Wat tot uiting komt in moderne weefmachines. De bezoeker staat wel even te kijken van superlichte spoelen die de inslagdraden met een snelheid van 900 meter per minuut door het garen schieten.

    Meer artikelen over het textielverleden van Aalten en Bredevoort: klik hier.

    Bron


  • Piet Bloot

    Piet Bloot

    Schilder, tekenaar en dichter

    Pieter (Piet) Bloot (1924–1982) kwam in de zomer van 1940 als zestienjarige jongen uit het gebombardeerde Rotterdam naar Aalten. Op initiatief van de gereformeerde predikant Th. Delleman—voorheen dominee in Aalten, daarna in Rotterdam-Kralingen—verscheen in de Aaltense kerkbode een oproep om Rotterdamse kinderen uit getroffen gezinnen een onbezorgde zomervakantie te bieden. Piet was één van de gelukkigen.

    Wat als vakantie begon, werd een verblijf van vijf jaar. Bloot werkte in die periode in de hoornindustrie in Aalten. Omdat hij een passie voor tekenen had, keerde hij na de bevrijding terug naar Rotterdam, waar hij aan de Academie voor Beeldende Kunsten reclametekenen leerde.

    Piet kon echter niet meer aarden in Rotterdam en vertrok eind 1947 weer naar de Achterhoek. Hij ging werken bij het elektrotechnisch installatiebedrijf ERBA Van Lochem in Aalten. In september 1949 leerde hij Johanna Wildenbeest kennen, geboren op boerderij de Kiefte in de Heurne. Ze trouwden in 1952 en kregen drie kinderen.

    Begin jaren vijftig startte Bloot samen met collega Leendert Rhebergen onderaan de Hogestraat een eigen zaak: Rhebergen en Bloot, een elektrotechnisch installatiebedrijf met winkel in elektrische apparatuur.

    Piet Bloot overleed op 30 januari 1982, 57 jaar oud, en werd begraven op begraafplaats Berkenhove.

    Publicaties

    In 2016 verscheen bij uitgeverij Fagus Zo ik niet had geloofd, brieven van mijn moeder, gebaseerd op circa 160 brieven en kaarten die zijn moeder hem tussen 1940 en 1945 vanuit Rotterdam stuurde, aangevuld met zijn eigen herinneringen. Bloot is tevens opgenomen in Kunstig Aalten (2021), een overzichtswerk van Aaltense kunstenaars, samengesteld door Leo van der Linde.


    Galerij

    Een selectie uit het werk van Piet Bloot:

  • Hulpactie ‘Aalten helpt Koronowo’

    Hulpactie ‘Aalten helpt Koronowo’

    Begin jaren 80 van de vorige eeuw verkeerde Polen in een zware economische crisis. Er was grote schaarste en veel eerste levensbehoeften waren op de bon. Onder het motto ‘Help de Polen de winter door’ werden in heel Nederland hulpacties op touw gezet. Een daarvan was de solidariteitscampagne ‘Pak van je hart’, waarbij vrachtwagenchauffeurs samenwerkten met kerken om de Poolse bevolking te voorzien van voedsel- en kledingpakketten. Aalten bleef daarbij niet achter en organiseerde meerdere hulptransporten naar het stadje Koronowo.

    In december 1981 verscheen het volgende artikel in een krant:

    Tonny Westerveld, Bevrijding 49, was een van de mensen die als reserve-chauffeur het transport naar Polen heeft meegemaakt. De chauffeurs van de twee eerste vrachtauto’s waren Dick Kuiperij en Henk Neerhof. Voor Tonny Westerveld, die overigens een tienjarige ervaring heeft als chauffeur op internationale transporten, was het de eerste keer dat hij naar Polen reed.

    Zaterdag 18 december vertrok het convooi ’s nachts om drie uur, en zeven uur later stond het bij Helmstedt voor de grens tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de DDR. De formaliteiten namen daar nogal wat tijd in beslag want het duurde tot ongeveer twee uur ’s middags aleer zij konden vertrekken.

    Ongeveer drie uur later stonden zij voor de Poolse grens. Daar was men veel sneller klaar. De ambtenaren waren verplicht pakketten open te maken wat zij dan ook met enkele deden, maar zij hadden het overigens heel snel bekeken, wellicht mede door de vele officiële stukken met stempels van de gemeente die getoond konden worden, zoals Westerveld veronderstelde.

    De reis door Polen werd de laatste paar honderd kilometer gehinderd door veel sneeuwval. Een 50 kilometer over de grens in Łagów werd overnacht maar niet op de plaats waar tevoren een afspraak was gemaakt, want toen men zich bij de politie meldde werd hun meegedeeld dat zij in een andere gelegenheid de nacht konden doorbrengen.

    Zondagsmiddags omstreeks half vijf kwam het convooi in Bydgoszcz aan, waar men een vrouwelijke gids, Mirca, kon meenemen. Met haar hadden de comitéleden enkele weken eerder al contact gehad en zij was van alles op de hoogte.

    In Koronowo

    Het was zondagavond omstreeks acht uur toen men in Koronowo arriveerde. De pastoor, waar men zich meldde, was stomverbaasd toen hij de twee grote vrachtauto’s zag , hij kon zijn ogen nauwelijks geloven en dacht dat er niemand het land kon binnenkomen.

    Wij willen morgenochtend graag hulp hebben, was de vraag van de Aaltenaren. “Je vraagt je dan wel af, hoeveel tijd de lossing dan in beslag zal nemen”, zegt Westerveld. Er was namelijk in beide auto’s 34 ton ingeladen. 12 ton aan kleding en 22 ton aan levensmiddelen. Hiervan zou in Koronowo 28 á 29 ton gelost worden. Het overige moest in Bydgoszcz worden uitgeladen. Maar de andere morgen stonden er 12 Polen om te helpen en om een uur of tien waren dat er al zo’n dertig.

    “De mensen daar waren bezig met iets dat ze niet begrepen”, zoals Westerveld het uitdrukte. Ze waren stomverwonderd. Om twaalf uur waren de voor Koronowo bestemde goederen gelost en kon de terugreis worden ondernomen via Bydgoszcz. Daar kwam men bij de predikant van de Evangelische gemeente, die met niet minder verbazing dan de pastoor uit Koronowo de Aaltenaren bekeek. Hij had nu nog geen hulpgoederen verwacht en met steeds verwonderder blikken keek hij naar wat uit de auto’s werd gehaald en voor zijn verbaasde ogen opgestapeld. Tenslotte werd in het Warminsky-hospitaal in Bydgozcz de meegebrachte medicamenten en injectiespuiten afgegeven.

    De terugreis

    Voor de chauffers was het nu de vraag: hoe komen we zo snel mogelijk de stad uit? Maar medewerkers van het ziekenhuis stonden al klaar met een auto om de Aaltenaren langs de kortste route tot buiten de stad te begeleiden in de richting Poznań. Ergens op een parkeerplaats overnachtten zij in hun auto. Het was erg koud, zo’n 23 á 24 graden onder nul.

    Dinsdagmorgen werd de tocht vervolgd, na eerst te hebben ontbeten. Men had zelf allerlei levensmiddelen meegenomen voor onderweg. Als men bij inwoners van Polen in huis was werden de meegebrachte maaltijden opgewarmd, maar ook kon men onderweg zelf een eitje bakken of koffie zetten als dit nodig was.

    Een tachtig kilometer voor de grens ontdekte men een Engelse automobilist die pech had met zijn auto. Maar de Aaltenaren konden hem niet helpen. Tot hun grote verwondering zagen ze echter een auto van de Nederlandse wegenwacht passeren. Aan de inzittenden werd de situatie uiteengezet en toen kon het euvel worden verholpen. De wegenwachters behoorden bij het grote convooi dat al eerder in Nederland was teruggekomen, maar zij waren al een dag of negen in Polen omdat sommigen hun pas waren kwijt geraakt en daarom naar Warschau waren geweest om een regeling te treffen.

    Op onze vraag: Hoe is de sfeer in Polen? kwam als antwoord: Angstig. De mensen zijn onvoorstelbaar bang. Maar meteen werd er aan toegevoegd: Zij zijn ook bijzonder gastvrij. Woensdag 23 december ’s middags om één uur waren de beide vrachtauto’s met hun inzittenden weer in Aalten terug.

  • Steenoven uit 1708 gevonden in ’t Klooster

    Steenoven uit 1708 gevonden in ’t Klooster

    27 oktober 1980

    Een unieke vondst, zo noemde de heer H. Hofs uit Varsseveld, het blootleggen van de resten van een oude ticheloven (steenbakoven) in de buurtschap ’t Klooster bij Bredevoort. De oven dateert uit 1708. De werkgroep bodemonderzoek van de Oudheidkundige werkgemeenschap Aalten, Dinxperlo, Wisch is al geruime tijd bezig om de resten van de steenoven voorzichtig bloot te leggen.

    De plaats van de oude steenoven is gevonden mede dank zij de heer W. Lobeek die vroeger heeft gewoond op de boerderij de Götter. Het was deze oud-bewoner van het Klooster, die zaterdagmorgen zeker tachtig belangstellenden welkom kon heten bij de vindplaats. De belangstelling was dermate groot, dat men komende zaterdag opnieuw een excursie naar het Klooster zal houden. De heer R. Wartena, streekarchivaris en bestuurslid van ADW hield een inleiding over wat men weet van de steenoven.

    Het is wel zeker dat het hier gaat om de oven van Matthijs van ’t Waliën. Deze kreeg voor zijn diensten, de aanplant van een groot bos, onder meer de goedkeuring om hier een steenoven te bouwen en deze te exploiteren. Het leem mocht worden gegraven op de gronden van het klooster. Matthijs kon echter zijn verplichtingen niet nakomen. Er gingen meteen veel bomen dood en de strenge winter van 1709 zorgde er voor dat een derde van de bomen het loodje legde.

    Zonder pardon

    Hij zag geen kans de bomen te herplanten en in die tijd was het nog niet zo, dat men erg zuinig was op werkgelegenheid In 1719 wordt Matthijs gedwongen de ticheloven binnen een half jaar af te breken en de stenen binnen een jaar weg te voeren. Volgens de overeenkomst moet het waarmanshuis, een arbeidershuis, blijven staan. Van dit huis is tot nu toe niets teruggevonden. Mogelijk is echter dat de boerderij Götter het vroegere waarmanshuis is.

    De oven werd inderdaad afgebroken, maar blijkbaar niet verder dan maaiveldhoogte. De vloer, met een oppervlakte van 9×11 meter en wat muurtjes zijn blijven staan en ook de leemputten zijn nog duidelijk herkenbaar. De heer Hofs vertelde het een en ander over de opgravingen, waar de werkgroep sedert juli 1979 mee bezig is. De onderzoekingen hebben tot nu toe een goed resultaat opgeleverd, al had men de hoop in de directe omgeving van de oven wat meer sporen aan te treffen.

    De werkgroep heeft de resten in kaart gebracht en zal deze binnenkort weer toedekken. Want zouden deze aan de buitenlucht blootgesteld blijven, dan blijft er niet veel van over.

  • „Laot ons het Lohüs as ’t effen kan”

    „Laot ons het Lohüs as ’t effen kan”

    Aalten, Boschparij in het Loohuis

    Bouwt Aalten üt van Noord naor Züd
    Naor allen kant töt veer in ’t land …!

    Maakt van de rosse, rowwe heide,
    Ne vlakke vette wiete weide
    Maakt van de grootste wöesterni’je
    Ne regelrechte kweekeri’je!
    I’j bouwt en graaft, i’j denkt en doot
    Den ievren mens geet ’t altied good
    Maor och, laot, as ’t efkes kan,
    An ons „’t Lohüs Geurken” dan!

    De dennen soest er zacht en wee,
    As ’t rüschen van ne veere zee,
    Ze vetelt mi’j van de olde tiën
    To’k daor as kind kweem schaatsen zien!
    Zacht rispelden ’t in de tekskes
    Van ne olden berken stam,
    He vetellen mi’j van vrogger,
    To vader mooder nam.

    I’j houwt en bouwt, i’j hakt en liekt
    Ow arbeidsvrucht, pas later bliekt,
    I’j doot, wa’j doot, maor as ’t efkes kan
    Och, laot ons ’t Lohüs Geurken dan.

    Joh. Beernink
    Aalten, 14-2-1928

    Bovenstaand gedicht publiceerde Joh. Beernink in de tijd toen men overal in de Achterhoek de schop in de grond zette om woeste gronden te ontginnen. Wie deze dichter was, weet ik niet, maar ongetwijfeld een Aaltenaar en u kunt het gedicht vinden in „archief” 1929 van de Oudheidkundige Vereniging „de Graafschap”.

    In die tijd dreigde ook in Aalten een prachtig natuurterrein verloren te gaan. Het betrof een complex van 21 ha, gelegen aan de Haartsestraat in Aalten, bestaande uit bos en bouwland met in het bos een uniek vennetje, het „Darde Geurken ’t Lohuus”. Het werd in de zomer druk bezocht door wandelaars en hele generaties van Aaltense ingezetenen hebben de eerste beginselen van de schaatssport op het vennetje geleerd.

    Dat dreigde nu alles verloren te gaan. Maar het deemoedig verzoek van Beernink „och, laot ons ’t Lohüs Geurken, as ’t efkes kan”, vond weerklank in Aalten. „Aaltens Belang” zag al direct de noodzaak in om dit natuurgebied voor Aalten te behouden en in 1929 werd dan ook het complex gekocht. Naar bestuursleden mij later vertelden in een soort van impulsieve bui, want… ze hadden er eigenlijk geen geld voor. Wel werden door verschillende Aaltense ingezetenen bedragen toegezegd, maar het zou toch een zwaar blok aan het been worden.

    Men nam contact op met de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland en mr. G.J. ten Houten uit Winterswijk kwam eens kijken. Deze Winterswijkse advocaat was ook de grote stimulator voor het behoud van het Korenburgerveen en het in bezit brengen daarvan van Natuurmonumenten. Ook mr. ten Houten zag direct de grote waarde van dit natuurterrein en door zijn bemiddeling kon Aaltens Belang het zorgenkind aan Natuurmonumenten overdragen, waarbij ze zelf ook nog een behoorlijk bedrag kon schenken. En zo kan „’t Loohuis” dit jaar z’n gouden jubileum herdenken als natuurterrein. Een feit waaraan de heer J. te Lindert uit Aalten me een dezer dagen herinnerde.

    In het begin van dit jaar is ’t vennetje in ’t Loohuishos in de gemeenteraad van Aalten nog eens ter sprake geweest. Er werd namelijk meegedeeld dat het ven zou worden uitgebaggerd, zodat er weer geregeld water in zou staan en de kleinere kinderen hier weer zouden kunnen schaatsen.

    De Bredevoortse grachten vond men te gevaarlijk voor deze beginnelingen. Daar een ven z’n betekenis ontleent aan de specifieke vegetatie die soms vrij zeldzaam is, stelde de heer te Lindert zich eens met Natuurmonumenten in verbinding, teneinde te weten te komen wat men met ’t Darde Geurken van plan was. Het antwoord was echter zeer geruststellend. Het was werkelijk de bedoeling om middels uitbaggeren weer wat water in het ven te krijgen.

    ’t Darde Geurken is in de loop der jaren dichtgewaaid met blad en zo en ook dichtgegroeid door allerhande vochtminnende planten. Het is dus de bedoeling de oude toestand weer te herstellen. Niet om er een schaatsvijver van te maken, al deelde Natuurmonumenten mee, dat er geen bezwaar bestond om op bescheiden schaal aan de beginners gelegenheid te geven het schaatsen te leren. Maar dit mag niet gaan ten koste van de natuurwaarden van het gehele Loohuis en van ’t Darde Geurken in het bijzonder.

    Zo is dan een kleine deining rond het Loohuis, veroorzaakt door het verslag van die raadsvergadering, weer gladgestreken. Dat Natuurmonumenten iets aan het ven moet doen, is begrijpelijk. Door de natuurlijke verlanding groeit de zaak dicht, waardoor de vegetatie verandert. Zeldzame planten nemen de benen en de zaak verandert meestal in een berkenbos. Enkele jaren geleden had ik al gezien dat bijvoorbeeld het eenjarige wollegras aardig op z’n retour was. Deze gang van zaken kunnen we ook zien in het Vragender- en Korenburgerveen.

    De Aaltense bevolking kan dus gerust zijn. Het natuurmonument ’t Lohuis, met z’n Darde Geurken (het eerste en tweede Geurken zijn volkomen uitgedroogd) blijft volkomen bewaard. Wat Aaltens Belang vijftig jaar geleden voor de gemeenschap wist te behouden, blijft ook behouden.

    J.G. Vos, 28 juli 1979

  • Modelspoor Panorama

    Modelspoor Panorama

    Beerninkweg 2a, Aalten (verdwenen)

    Modelspoor Panorama Aalten

    Wat begon als een uit de hand gelopen hobby groeide uit tot een van de meest geliefde attracties van Aalten: het Modelspoor Panorama van Bernard Buesink. In zijn tuin aan de Hollenberg bouwde hij vanaf 1973 aan een indrukwekkende miniatuurwereld in Oostenrijkse sfeer, compleet met spoorlijnen, bruggen, een bergrivier, skiliften en een stad — allemaal op schaal 1:22,5.

    Uit de hand gelopen hobby

    Bernard Buesink had een diepe passie voor modeltreinen. Aanvankelijk beperkte hij zich tot kleine modellen in vitrinekasten, maar al snel ontstond het idee om een grootschalig landschap in de open lucht te bouwen. In het hart van zijn tuin, op een eilandje in de vijver, begon hij aan een panoramisch berglandschap van maar liefst 250 m². Rondom deze miniatuurwereld schilderde hij zelf een 50 m² grote wandschildering — het panorama waar de attractie zijn naam aan dankt.

    Openstelling voor publiek

    In eerste instantie was het modelspoor alleen bedoeld voor familie en vrienden. Maar in 1979, na een tip van een kennis, stelde Buesink zijn creatie open voor het publiek. Wat begon met enkele nieuwsgierige campinggasten, groeide uit tot een regionale trekpleister. In samenwerking met de VVV werd de baan gedurende de zomermaanden op zondagmiddagen opengesteld. Het trok bezoekers uit binnen- en buitenland, met op piekmomenten tot wel 600 mensen op één middag.

    Meer dan miniatuur

    Buesink hield het niet bij kleine treinen. Hij bouwde ook drie grotere locomotieven, waarvan de grootste 5,5 meter lang was, en zes wagons, waaronder een speciaal exemplaar dat als stofzuiger fungeerde om het 300 meter lange spoor schoon te houden. Bezoekers konden hiermee een rondrit maken om zijn huis. Wegens geluidsoverlast moest deze attractie in 1989 worden stilgelegd, en in 1998 verkocht hij het grootste deel van het materiaal aan café-restaurant ’t Noorden in Aalten.

    De Bos-Express

    Toch bleef Buesink actief. Eén locomotief hield hij achter, waarmee hij tot 2015 de “Bos-Express” liet rijden op een traject van 90 meter in zijn tuin. Kinderen en volwassenen konden tegen een kleine vergoeding een ritje maken — een laatste overblijfsel van de ooit zo uitbundige modelbaan.

    Sluiting en nieuwe plannen

    In 2015 werd de poort definitief gesloten vanwege de afnemende gezondheid van Buesink. Het terrein werd verkocht en de complete installatie opgeborgen. Bernard Buesink overleed in 2018. Zijn kleinzoon, Ramon Vreeman, erfde niet alleen het materiaal, maar ook de passie. Hij is sinds 2022 voorzitter van de Stichting Miniatuurpark BerBuland, waarmee hij het doel nastreeft het werk van zijn opa op een andere locatie nieuw leven in te blazen.

    Meer informatie over het project en de toekomstplannen is te vinden op: www.berbuland.nl

    Bronnen