Categorie: Biografie

  • Ds. Johannes Hendrik Frederik Gangel

    Ds. Johannes Hendrik Frederik Gangel

    Nederlands Hervormd predikant

    Johannes Hendrik Frederik Gangel werd geboren op 7 december 1839 in Appeltern als zoon van Bernardus Gangel, schoolonderwijzer van beroep en Christina Leemhorst. Hij studeerde theologie aan de Universiteit van Utrecht. In 1879 werd Gangel beroepen als predikant van de Nederlands Hervormde kerk in Aalten.

    Hij volgde de vrijzinnige ds. Klinkenberg op. De verhoudingen tussen de beide predikanten van Aalten, ds. Gangel en de vrijzinnige ds. C.F.S. Pape, werden al spoedig beschadigd. Pape had een waarnemer benoemd om zijn catechisaties te geven omdat hij zelf ziek was. De regels gaven echter de kerkenraad die bevoegdheid. Ds. Gangel en de kerkenraad hadden ongetwijfeld een rechtzinnige waarnemer willen benoemen.

    In Aalten werd Gangel al snel een geliefd figuur. Hij was zeer betrokken bij zijn gemeente en wist op een heldere en inspirerende manier te preken. Gangel was in zijn tijd een progressieve predikant die streefde naar vernieuwing binnen de kerk. Hij was voorstander van moderne bijbelkritiek en wilde dat de kerk zich meer zou richten op het dagelijks leven van de gelovigen. Ook was hij een groot voorstander van het gebruik van het Nederlands in de kerk, in plaats van het Latijn of het dialect dat in sommige gemeenten nog werd gebruikt.

    In Aalten was Gangel zeer actief in het verenigingsleven. Zo was hij oprichter van een zangvereniging en een toneelvereniging. Ook was hij betrokken bij het onderwijs en zette hij zich in voor de oprichting van een christelijke school.

    Gangel was niet alleen actief binnen de kerkelijke gemeenschap, maar ook daarbuiten. Zo was hij betrokken bij de oprichting van een ziekenfonds en de oprichting van een afdeling van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. Hij was daarnaast lid van de gemeenteraad en vervulde diverse andere maatschappelijke functies.

    Hoewel Gangel een geliefd predikant was in Aalten, kreeg hij in de loop der jaren te maken met diverse conflicten. Zo had hij aanvankelijk moeite om zich aan te passen aan de conservatieve en orthodoxe gemeente van Aalten. Het duurde dan ook even voordat hij hier zijn draai kon vinden.

    De schoolkwestie

    Een volgend conflict ontstond toen (de overigens niet altijd even tactische) ds. Gangel een vertegenwoordiger van de Unie School en Evangelie in de hervormde kerk een lezing wilde laten houden over het belang van het christelijk onderwijs. De kerkvoogden weigerden echter daarvoor toestemming te geven. Ruim zestig gemeenteleden, onder wie ds. Pape, waren het met de kerkvoogden roerend eens en lieten dat ook in een schrijven duidelijk blijken: ze hadden ‘met verontwaardiging’ gehoord van het plan van ds. Gangel en gaven blijk van hun ‘volle sympathie’ voor het besluit van de kerkvoogden, ‘het gedrag van genoemden predikant ten hoogste afkeurend’. De Christelijke Gereformeerde (c.q. Afgescheiden) Gemeente gaf echter wél toestemming om de lezing in haar kerkgebouw te houden. Gangels houding t.o.v. de christelijke school zorgde er overigens voor dat de School met den Bijbel in Aalten er veel leerlingen bij kreeg.

    Het schoolbestuur nodigde de hervormde leden echter niet uit wanneer er een bestuursverkiezing gehouden werd. Het bestuur wilde namelijk ‘de beginselen zuiver houden’, en wilde voorkomen dat er teveel hervormde invloed zou komen. Ds. Gangel was het daarmee natuurlijk niet eens en protesteerde, niet zonder enige drift. Ook een tweede vergadering was voor hen niet toegankelijk. Dat leidde tot een stevig conflict, zowel met ds. Breukelaar, voorzitter van het schoolbestuur, als met de Christelijke ‘Afgescheidene’ Gemeente, zoals de Christelijke Gereformeerden zich nog steeds noemden. Ook schoolhoofd Siebel vertrok naar de opgerichte hervormde lagere school.

    De Doleantie

    Intussen was de strijd tegen de vrijzinnigheid en tegen de macht van de kerkelijke besturen in hervormd Amsterdam tot een uitbarsting gekomen. De meerderheid van de kerkenraad was namelijk door de kerkelijke besturen geschorst, waarop dezen op 16 december 1886 de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) oprichtten, onder leiding van vooral (onder meer) dr. A. Kuyper (1837-1920), zelf een van de geschorste ouderlingen.

    In de hervormde gemeente te Aalten was ook de sfeer tussen ds. Gangel en zijn vrijzinnige collega ds. Van Oostrom-Soede, te snijden. Van Oostrom Soede kwam al enige tijd niet meer op de kerkenraad, en zijn vrouw wilde de beschuldiging die zij tegen ds. Gangel had uitgesproken niet terugnemen (ds. Gangel was volgens haar ‘het gemeenste sujet van de wereld’). Ze mocht daarom niet meer aan het avondmaal deelnemen. Verscheidene conflicten tussen beide predikanten maakten de sfeer er niet beter op. De gemeente merkte dat natuurlijk ook en daar ontstonden twee groepen van aanhangers (de Ganglianen en de Soedenezen). De liberale kranten schreven met welbehagen over de kerkelijke onrust in Aalten.

    Op 15 februari 1887 besloot de Aaltense kerkenraad in Doleantie te gaan, door zich te onttrekken aan de hervormde kerkelijke besturen. Drie kerkenraadsleden hadden op die vergadering laten weten dat zij “zich met smart genoodzaakt voelen het ambt neer te leggen”. De kerkenraad hakte toen de knoop door. Het besluit werd in een officiële kerkenraadsacte vastgelegd. In tegenstelling tot ds. Gangel had ds. Van Oostrom-Soede de kerkenraad meegedeeld niet met de Doleantie mee te gaan. De eerste zondag na het Doleantiebesluit verliep rustig en konden de Dolerenden gewoon van het hervormde kerkgebouw gebruik maken.

    Een onrustige zondag…

    Op zondag 6 maart 1887 verliepen de gebeurtenissen echter minder geruisloos. De hervormde classis had ds. Bergsma opdracht gegeven in de hervormde kerk van Aalten te preken; ds. Gangel was echter ook van plan de kerkdienst in die kerk te leiden. Zodra kerkvoogd G.J. Lammers de kerkdeuren had geopend renden aanhangers van beide predikanten de kerk in om de kansel te veroveren. “Een pootige Soediaan [volgens de Dolerende kerkenraad omgekocht door huisvrienden van ds. Oostrom-Soede] bezet de verheven domineesplaats, en van allerlei posteert zich op of bij de trap, dringt, stompt en krabbelt als soms op de Amsterdamse Beurs”, schreef een krant.

    De Dolerende kerkenraad notuleerde: “Treurig was daarbij de houding van den Burgemeester Hora Adema die bij die worsteling juist de kerk voorbij ging en niets deed om het te verhinderen, evenmin toen hij vijf minuten later door kerkvoogden geroepen, het tieren en vloeken bij den kansel aanschouwde en hoorde en weigerde het volk tot rede te brengen, waarop kerkvoogden hem verzochten de kerk te doen ontruimen”.

    De kerkenraad besloot de volgende zondag geen dienst te houden omdat E. van Eerden, een medestander van ds. Oostrom-Soede, had gedreigd ds. Gangel te zullen doodschieten zodra hij op de preekstoel zou staan.

    Kerkvoogd G.J. Lammers (foto: ‘Een kerk in de lens’).
    Kerkvoogd G.J. Lammers (foto: ‘Een kerk in de lens’).

    Ds. Gangel naar de autoriteiten

    Terwijl tegenstanders van ds. Gangel met zakken vol stenen zich op het station hadden verzameld toen ze hoorden dat hij ’s avonds zou terugkomen van zijn treinreis naar de commissaris van de koning, reed de predikant echter – samen met ouderling W. te Gussinklo – door naar Den Haag, om daar met de minister van justitie te spreken, Baron Du Tour van Bellinchave.

    Toen ds. Gangel ’s avonds dus niet met de trein in Aalten terugkwam liepen de teleurgestelde aspirant-stenengooiers naar de pastorie in de Hoekstraat, waar ze schreeuwden: “Hop, hop, hop, hang Gangel en de Ganglianen op“. Uiteindelijk moest ds. Gangel natuurlijk toch weer naar huis, maar ds. Van Dorsen van Varsseveld waarschuwde hem voor de zekerheid voor het gevaar dat dreigde.

    Om half twee ’s nachts kwam de predikant in Aalten aan, maar omdat niemand hem wilde rijden liep hij naar de pastorie, begeleid door een zeventigtal geestverwante boeren uit de Aaltense buurt Lintelo, met stokken gewapend.

    De zondag daarna bleef de kerk dicht; ze werd door soldaten bewaakt, evenals de hervormde pastorie. Zaterdag waren namelijk vijftien huzaren en veertig infanteristen in Aalten gearriveerd om de orde te handhaven. Dat verhinderde echter verdere ongeregeldheden niet. De burgemeester had voor de zekerheid de cafés gesloten.

    Een noodkerk

    Intussen was de kerkenraad aan de slag gegaan met de bouw van een houten noodkerk aan de Varsseveldsestraatweg (de ‘Plankenkerk’). Architect Van de Wilk had de bouwplannen gemaakt voor de ‘loodblauw geverfde keet met een inderdaad sober doleerend voorkomen’. Een avondmaalsstel en een doopstel werden aangeschaft en op 1 mei 1887 kon het gebouw in gebruik genomen worden. De preek ging over 1 Koningen 18 vers 21: “Toen naderde Elía tot het ganse volk en zeide: Hoelang hinkt gij op twee gedachten? Zo de HEERE God is, volgt Hem na, en zo het Baäl is, volgt hem na. Maar het volk antwoordde hem niet één woord“. Vierentwintig jongelui deden toen belijdenis en ’s middags werden zes kinderen gedoopt.

    Om de kerkelijke gegevens veilig te stellen schreef ds. Gangel de lidmatenboeken vanaf 1816 tot de Doleantie over, en bovendien kopieerde hij de notulen van de kerkenraad vanaf de vergadering waar besloten werd in Doleantie te gaan. De reden daarvan was dat men bang was dat op bevel van de rechter die boeken te eniger tijd zouden moeten worden teruggegeven. Dat gebeurde uiteindelijk in de zomer van 1888. Ook de hervormde pastorie moest toen worden teruggegeven op bevel van de rechtbank. In de Hogestraat werd in 1888 daarom een nieuwe pastorie gebouwd. De bouw ervan kostte fl. 5.100.

    Onenigheid over de kerkbouw en over meer

    Allerlei meningsverschillen en conflicten maakten het Dolerende kerkelijk leven er in de eerste jaren niet aangenamer op. Zo wilde ds. Gangel graag van de Plankenkerk af en een stenen kerk bouwen. Dat zou volgens hem kunnen worden gefinancierd door de zitplaatsen in de nieuwe kerk te verhuren, zoals op veel andere plaatsen ook het geval was. Daarmee konden volgens hem rente en aflossing betaald worden. De kerkvoogden vonden echter dat er beter ‘een vrijwillige jaarlijkse inschrijving kon worden gehouden voor de kosten van de eeredienst’. Ds. Gangel vreesde dat dit veel te lang ging duren terwijl de Plankenkerk ongerieflijk was: ’s zomers heet, ’s winters ijskoud. Het bleef wrijven.

    Ds. Gangel vond het nodig dat ook de ouderlingen het huisbezoek op zich zouden nemen. Maar dezen vonden dat het veel te veel tijd zou nemen om de intussen 1.700 leden tellende gemeente geestelijk te verzorgen. Men had de gemeente in vier wijken verdeeld: Dale en Barlo, IJzerlo en Heurne, Aalten en Haart en een wijk voor Lintelo, elk met twee ouderlingen.

    De classis komt er bij

    De verhoudingen in de Dolerende kerkenraad werden er ondertussen niet beter op. Tijdens een weekdienst op een woensdagavond had ouderling De Wijn voor opschudding gezorgd ‘door de ongehoorde openlijke verguizing’ van vermoedelijk de predikant. De Nieuwe Rotterdamsche Courant berichtte er over en ook de classis was uiteraard op de hoogte van de conflicten. Deze stuurde daarom een commissie naar Aalten die onder leiding stond van ds. J.C. van Schelven (1854-1904) te Dieren om een onderzoek in te stellen. Toen bleek dat ook ouderling Lammers het niet erg goed met de predikant kon vinden: “De gerezen onaangenaamheden hadden haar ontstaan de danken aan het drijven van ds. Gangel om in plaats van de houten noodkerk een stenen kerk te bouwen”. Ouderling Wijn bracht nog ter tafel dat ds. Gangel een ernstig ziek gemeentelid willens en wetens niet had bezocht.

    Ds. Gangel hield zich uiteraard ook niet stil en wees er op dat hij heel veel extra werk heeft moeten doen. De hele correspondentie met betrekking tot de rechtszaken na de Doleantie moest door hem verzorgd worden. Bovendien had hij te maken met veel werk voor de school, voor het Suppletiefonds (waaruit het schoolgeld voor kinderen van behoeftige gemeenteleden betaald werd), de Jongelingsvereniging en de zondagsscholen, zodat hij veel slaaptekort had opgelopen.

    Ds. Van Schelven drong op verzoening aan. Uiteindelijk sloten Gangel en Lammers vrede, maar De Wijn wilde de hele zaak aan de manslidmaten voorleggen, al werd later ook vrede met hem gesloten door bemiddeling van ds. P.C. Koster (1857-1929) van Velp. Ds. Gangel vond zijn werksfeer zo langzamerhand ondraaglijk worden en wilde zich in Velp vestigen, ‘omdat mijn werk afgezien van de verzoening, hier onmogelijk gemaakt is’. Toch trok hij dat besluit in februari 1889 weer in  omdat hij ‘na zwaren strijd voor zich zelven, bezweken is voor de aandrang van zoovele leden der gemeente op hem uitgeoefend’. Twee kerkenraadsleden bezochten hem en zeiden blij te zijn met zijn beslissing. De anderen zwegen in alle talen.

    Preeklezen en notulen schrijven

    Een andere oorzaak van de onenigheid tussen kerkenraad en predikant betrof het ‘preeklezen’ door ouderlingen bij afwezigheid van de predikant. Ouderling Lammers had op zekere dag dienst en kon een keuze maken uit een aantal preken die ds. Gangel aan hem overhandigd had. Hij wilde zich daartoe echter niet lenen en verkoos ‘zelf maar een woordje te spreken’ en verklaarde tussen neus en lippen door tegelijk ook even tegen het ‘preeklezen’ te zijn. De predikant bleef niets anders over dan mee te delen dat als er geen preeklezers waren hij zou moeten zorgen de zondagse dienst bij zijn afwezigheid niet te laten doorgaan.

    Ook het opstellen van de notulen bleek oorzaak van verwijdering. Ds. Gangel had tot nog toe de notulen altijd geschreven en deed daarin uitvoerig kond van alle onaangenaamheden die in de kerkenraad voorvielen. Dat wekte wrevel bij anderen in de kerkenraad. Vandaar dat ouderling W. te Gussinklo benoemd werd tot scriba. Deze moest echter zijn functie weer aan de predikant overdragen, omdat hij sommige zaken naar eigen zeggen ‘opzettelijk had weggelaten’.

    Ds. J.H.F. Gangel (1839-1908) op iets oudere leeftijd.
    Ds. J.H.F. Gangel (1839-1908) op iets oudere leeftijd.

    De bouw van de Westerkerk (1891)

    In maart 1891 werd tijdens de manslidmatenvergadering rondvraag gedaan over de wens om een stenen kerk te bouwen en de Plankenkerk daarmee te kunnen sluiten. De stemming liet zien dat er vierennegentig voorstanders, dertig tegenstanders en twaalf blanco stemmers waren. De bouw ging dus door. De plaats was bepaald naast de nieuwe pastorie aan de Hogestraat. Niet het hele bedrag kon direct op tafel komen, dus werd een lening van fl. 15.000 afgesloten. De bouw verliep zeer voorspoedig, want al in hetzelfde jaar was de kerk gereed. Gemeenteleden hielden een rondgang om geld in te zamelen voor een luidklok. Ook kwam er een gedenksteen ter waarde van fl. 40. Die kon deels betaald worden van het restant van het geld voor de luidklok (fl. 15); ds. Gangel betaalde de resterende fl. 25.

    Op ‘een woensdag in februari 1892’ werd de kerk in gebruik genomen. Ook de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Gemeente was uitgenodigd en aanwezig. Intussen waren de huurprijzen bepaald van de zitplaatsen in de nieuwe kerk. De duurste plaatsen kostten fl. 5, de prijs van de ‘middenklasse’ zitplaatsen bedroeg fl. 3,50 en de goedkoopste kostten fl. 2. “Aan de armen en minvermogenden werd een plaats van fl. 5 aangeboden, midden in kerk!”

    De kerk was voorzien van een zeshoekige preekstoel die op een centrale pilaar rustte. Aanvankelijk was er geen galerij in de kerk; die werd in latere jaren gebouwd. Wel was er een orgel, dat voorin de kerk stond, maar in 1898 zo slecht geworden was dat een commissie zich bezon op de aanschaf van een nieuw instrument. Toch vond de kerkenraad – de plannen ziende – het niet echt noodzakelijk, maar gaf uiteindelijk toch toestemming fl. 1.500 bij elkaar te halen onder voorwaarde dat de behoeftige gemeenteleden ontzien zouden worden bij de rondgang door de gemeente.

    Een jaar sparen leverde het benodigde geld op. De kerkenraad besloot dat het orgel geplaatst zou worden ‘op een plaats waardoor het orgel het minste licht wegneemt’, en dat was boven de preekstoel, waarvan de pilaar iets moest worden ingekort.

    Kerk A en Kerk B (17 juni 1892 tot 1 januari 1909)

    Het kerkgebouw van Kerk A gezien van de achterkant met consistorie.
    Het kerkgebouw van Kerk A gezien van de achterkant met consistorie.

    Zoals al eerder aangegeven was in 1892 de landelijke ‘Vereniging’ tot stand gekomen van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken, respectievelijk afkomstig uit Afscheiding en Doleantie. De beide kerken gingen per 17 juni 1892 samen verder als De Gereformeerde Kerken in Nederland.

    De synodes hadden afgesproken dat in plaatsen waar de vereniging tussen de twee kerken niet zomaar voor elkaar was, beide kerken tóch Gereformeerde Kerk zouden heten. De oudste van de twee – meestal de Christelijke Gereformeerde Gemeente – zou een ‘A’ achter de kerknaam plakken; de jongste – meestal de Nederduitsche Gereformeerde Kerk – een ‘B’. Vanaf 17 juni 1892 bestonden in Aalten dus twee (geheel zelfstandige) Gereformeerde Kerken: De Gereformeerde Kerk te Aalten A (de vroegere Christelijke Gereformeerde Gemeente) en De Gereformeerde Kerk te Aalten B (de Dolerende kerk).

    De samensprekingen in de ijskast

    Ook in Aalten zouden beide kerken met elkaar in gesprek moeten gaan om te trachten tot eenheid te komen. Zo nu en dan werden gecombineerde kerkenraadsvergaderingen gehouden. Maar vooral in Kerk A bestond bezwaar tegen de ‘Vereniging’ van beide gemeenten. De meerderheid van de leden van Kerk A was tegen, ook tegen het houden van gecombineerde kerkenraadsvergaderingen. Verder wilde men in Kerk A niet dat ouderlingen van beide kerken samen huisbezoek deden. Besloten werd de zaak van de ineensmelting vooralsnog te laten rusten.

    Voor kerkenraad A was een belangrijk punt om met de ineensmelting rustig aan te doen de vrees dat in eigen gelederen een scheuring zou ontstaan. Wat zouden de tegenstanders van ineensmelting doen als beide kerkenraden zouden besluiten samen te gaan? De voorbeelden waren elders in het land te zien. Zo hadden twee christelijke gereformeerde predikanten op hun synode een bezwaarschrift ingediend tegen de ‘Vereniging’ en hadden – toen de ‘Vereniging’ toch doorging – de ‘voortgezette’ Christelijke Gereformeerde Kerk gesticht.

    En zo hadden bijvoorbeeld in het Friese Suawoude de kerkenraad en de gemeente zich onder leiding van hun ds. J.W. Draijer (1851-1894) in 1893 zich losgemaakt van de Gereformeerde Kerken ‘om te blijven wat wij waren, namelijk christelijk gereformeerd’. Voor zoiets was men ook in Aalten bang. Dat remde ongetwijfeld het tot stand komen van de eenwording van beide kerken.

    Anderhalf jaar nadat kerkenraad A de samensprekingen in de ijskast had gestopt, vroeg kerkenraad B in een brief of kerkenraad A de ineensmelting van beide gemeenten eigenlijk wel wilde. En zo ja, wat deed de kerkenraad dan allemaal om tot samengaan te komen? Of was de kerkenraad misschien bang voor een scheuring in eigen gelederen? Kerkenraad A antwoordde toen dat de meerderheid van de kerkenraad intussen weliswaar voor samengaan was, maar dat wilde niet zeggen dat het dan ook meteen kon doorgaan. Kerkenraad A schreef niets over de houding van veel van de eigen gemeenteleden…

    Dat vond kerkenraad B jammer. Hij besloot de weekgodsdienstoefeningen – zo’n beetje het enige dat gezamenlijk gedaan werd – stop te zetten. En dat vond kerkenraad A weer jammer.

    Ds. Gangel vertrekt

    Ds. Gangel vertrok in 1895 naar de Gereformeerde Kerk te Rijswijk (Z.H.), na op 28 april afscheid genomen te hebben van de gemeente te Aalten. Het jaar daarop al werd hij gereformeerd predikant te Voorst, maar in 1900 ging hij van de Gereformeerde Kerken ‘terug’ naar de Nederlandse Hervormde Kerk. Hij overleed op 27 juli 1908 in Arnhem.

  • Gerrit Jan Lammers

    Gerrit Jan Lammers

    Journalist, ambtenaar en oud-directeur van de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD)

    Gerrit Jan Lammers werd op 23 oktober 1903 geboren in Aalten, zoon van molenaar Johannes Christiaan Lammers en Maria Scheurer. Zij woonden in de Molenstraat op nummer 3. Gerrit Jan trouwde op 25 juli 1928 in Arnhem met Maria Evertje van Dreven (Wageningen, 28 december 1900).

    Sinds 1921 was hij werkzaam in de journalistiek en tot 1940 was hij parlementair redacteur bij de aan de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) gelieerde krant De Standaard.

    Lammers stond bekend als een starre en rechtlijnige calvinist. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd hij in 1940 medewerker van het door de Duitsers tot illegaal verklaarde blad Vrij Nederland. In juni 1941 arresteerde de Duitse Sicherheitsdienst (SD) hem vanwege zijn ondergrondse werkzaamheden, waarna men hem tot eind 1943 gevangen hield in het Duitse Braunschweig.

    Na de oorlog

    Na de oorlog maakte hij deel uit van de Commissie voor de Perszuivering die zich richtte op het zich ontdoen van journalisten en directeuren van kranten die in de oorlog pro-Duits waren.

    Lammers studeerde vóór en tijdens de oorlog rechten. In 1945 deed hij doctoraal examen aan de Vrije universiteit te Amsterdam en in 1952 promoveerde hij op een later beroemd geworden proefschrift met als onderwerp: “De Kroon en de kabinetsformatie”.

    Voor hij in 1952 naar de Rijksvoorlichtingsdienst ging, was Lammers chef van de afdeling voorlichting van het ministerie van Sociale zaken (1946-1947) en daarna hoofd van de afdeling algemene zaken van dat ministerie. Hij werd in 1952 benoemd tot hoofddirecteur van de Rijksvoorlichtingsdienst en bekleedde deze functie tot 1968.

    Gerrit Jan Lammers was Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en Commandeur in de Huisorde van Oranje. Ook droeg hij tal van buitenlandse onderscheidingen. Lammers heeft tal van publicaties op staatsrechtelijk gebied op zijn naam.

    Dr. Gerrit Jan Lammers overleed op 7 november 1976, 72 jaar oud. Hij werd begraven op de algemene begraafplaats aan de Rodelaan te Voorburg.

    Zoon

    In 1931 kregen Gerrit Jan en Maria Evertje een zoon: Johannes Christiaan Jan (Han) Lammers. Toen vader Gerrit Jan in 1941 door de Duitsers gevangen was genomen, vertrok moeder Lammers met Han naar haar schoonouders in Aalten. Hier bezocht de jongen de MULO, waar hij vanaf 1942 orgelles kreeg. Het orgelspel zou later zijn grootste hobby worden.

    Tegen het einde van de bezetting vertrok Han, slechts veertien jaar oud, alleen op de fiets naar Den Haag, waar zijn beide ouders op dat moment verbleven. Han Lammers zou later, net als zijn vader, een indrukwekkende carrière opbouwen. Zo was hij onder andere journalist, raadslid en wethouder in Amsterdam, burgemeester van Almere en commissaris van de Koningin van de provincie Flevoland. Han Lammers overleed in 2000.

  • Dela Maria Vaags

    Dela Maria Vaags

    Actrice

    Dela Maria (Marja) Vaags werd op 29 december 1956 geboren in Aalten. Als kind woonde ze aan de Bredevoortsestraatweg 105. Later verwierf ze nationale bekendheid als actrice, voornamelijk door haar rol als Regina Jongschaap in de dramaserie Vrouwenvleugel. In 1994 won de serie de Gouden Televizier-Ring voor beste televisieprogramma.

    Vaags studeerde in 1981 af aan de Academie voor Expressie door Woord en Gebaar. Na deze studie volgde ze privélessen bij onder anderen Ton Lutz, Shireen Strooker, Hans Hoes, Rudolf Lucieer, Warren Robertson en Ad van Kempen. Na haar opleiding richtte zij met onder anderen Martine van Os de theatergroep Dames & Heren op.

    Verder heeft ze gastrollen gehad in Goede tijden, slechte tijden en Medisch Centrum West, en speelde ze onder andere in enkele van de Sinterklaasfilms van Martijn van Nellestijn. Daarnaast speelde ze een seizoen bij het Theater van de Lach van John Lanting. En speelde ze onder andere bij Stichting de Verwarring Zoo Story van Edward Albee en het stuk de Overgang bij Stichting de Nel.

    In 2007 werd bij Vaags baarmoederhalskanker geconstateerd. Vier jaar later, op 29 juli 2011, overleed zij op 54-jarige leeftijd in haar woonplaats Amsterdam aan de gevolgen van deze ziekte. Ze liet een zoon achter.

    Dela Maria Vaags in 1994
    Dela Maria Vaags in 1994

    Bronnen


  • Johan Obbink

    Johan Obbink

    O.a. medeoprichter Zuivelfabriek, Landbouw en Boerenleenbank, raadslid en wethouder

    Johan Obbink werd op 23 januari 1869 geboren op boerderij de Rikkert in de Aaltense buurtschap Heurne. Hij was een tweelingbroer van theoloog en hofprediker Herman Theodorus Obbink. Op 25 juni 1891 trouwde hij met Berendina Hendrika Sondern van Groot Heinen in Lintelo. Samen kregen zij drie zonen en twee dochters.

    In 1919 kocht hij boerderij Nieuw Slaa, samen met zijn zoon Hendrik Willem, en ging daar wonen.

    Maatschappelijke verdiensten

    Johan Obbink heeft vele jaren een vooraanstaande plaats ingenomen in het openbare leven in Aalten. Zo was hij in 1896 één der oprichters van de Coop. Zuivelfabriek en in 1898 van de Coop. Landbouwvereniging, welke instellingen hij jarenlang als bestuurslid heeft gediend. Op zijn initiatief werd in 1903 de Coöp. Boerenleenbank opgericht, waarvan hij meer dan een kwart eeuw kassier was.

    Verder was Obbink voorzitter van de Ring van Boerenleenbanken ‘De Graafschap’, lid van de Prov. Staten van Gelderland, commissaris nam de P.G.E.M. en lid van de plaatselijke commissie der Stichting Crisissteun Landbouw Gelderland, raadslid en later wethouder voor de gemeente Aalten, bestuurslid van het Onderling Boerenverzekeringsfonds, poldermeester van het waterschap “De Baakse Beek”, medeoprichter van de Bond aankoopvereniging in Gelderland, lid van de Raad van Toezicht op de Rijkslandbouwwinterschool te Winterswijk en president-kerkvoogd van de NH kerk te Aalten.

    Het belang van vooral de landbouwende bevolking stond bij hem steeds op de voorgrond en dat leidde er toe, dat Obbink niet alleen geëerd, maar ook gevreesd werd om de felle onverzettelijkheid waarmee hij onbevreesd zijn mening verdedigde. En juist deze eigenschap heeft hem stellig gemaakt tot een pionier voor de idealen die hij stelde en in zijn strijd daarvoor heeft Obbink veel tot stand gebracht.

    Voor zijn uitzonderlijke verdiensten is Obbink door H.M. de Koningin benoemd tot ridder in de Orde van Oranje Nassau.

    Johan Obbink overleed op 9 mei 1957 op 88-jarige leeftijd, thuis in de Aaltense Heurne. Hij werd begraven op de Oude Begraafplaats aan de Varsseveldsestraatweg in Aalten.

    Johan Obbink (1869-1957)

    Begrafenis

    Zijn begrafenis vond plaats onder zeer grote belangstelling. Onder leiding van Ds. D. Groeneboer werd in de Oude Helenakerk de rouwdienst gehouden. Namens het gemeentebestuur werd deze dienst bijgewoond door burgemeester E.S. van Veen en wethouder J. te Roele, verder waren onder de aanwezigen vele bestuurders van de organisaties, waarin de heer Obbink een werkzaam aandeel heeft gehad, zowel uit plaatselijke kring als regionaal en ook landelijk.

    Na de rouwdienst vertrok om half drie een lange stoet, waarin tal van bloemstukken werden meegevoerd, naar de begraafplaats. Daar aangekomen werd de kist met het stoffelijk overschot door buren van de familie Obbink naar de laatste rustplaats gedragen.

    Hier sprak burgemeester E.S. van Veen namens de gemeente. De burgemeester schetste de heer Obbink als een gemeenschapsmens in de ruimste zin van het woord.

    In gelijke zin sprak de heer T.G. Elkink uit Ruurlo, voorzitter van de Ring de Graafschap van de Boerenleenbanken, de opvolger van Obbink. Elkink schetste de grote invloed die Johan Obbink bij de landbouwers had; ook buiten Aalten had de stem van de heer Obbink vaak een overwegende en beslissende invloed.

    Voor het landelijk verband der boerenleenbanken sprak de heer H.J. Hendriksen, adjunct-directeur van de Raiffeisenbank te Utrecht: “De naam van Johan Obbink is in de annalen dezer bank geboekstaafd, want dankbaar wordt daar herdacht wat een drietal, hooguit een viertal pioniers heeft gepresteerd aan zegenrijke arbeid voor honderdduizenden landbouwers en van deze pioniers was de heer Obbink uit Aalten niet de minste.”

    Bronnen


    • Graafschapbode, 15 mei 1957 (eigen archief)
    • Zutphens Dagblad, 16 mei 1957 (Delpher)
  • Ton Kötter

    Ton Kötter

    Componist, dirigent en trompettist

    Anthonius Julius Hendrikus (Ton) Kötter werd op 9 november 1906 geboren in Aalten, op nummer 184a (Hogestraat). Twee jaar na zijn geboorte verhuist het gezin naar Groesbeek. Op 23 mei 1929 trouwt Kötter in Ubbergen met Tobina Anna Maria van Spreeken (Rotterdam, 11 oktober 1896).

    Toen hij twaalf jaar was, kreeg hij privé trompetles. Op zijn 14e kreeg hij viool- en trompetles aan de muziekschool in Nijmegen. Daarna studeerde hij privé muziektheorie en compositie. Hij werd lid van de Marinierskapel der Koninklijke Marine als trompettist. Aan de Hochschule für Musik in Berlijn studeerde hij compositie en orkest-directie bij professor Freidenberg en Wilhelm Furtwängler.

    Na de Tweede Wereldoorlog werd Kotter dirigent van verschillende harmonie- en fanfare-orkesten, o.a. van de Politiekapel te Nijmegen. In 1948 werd hij dirigent bij diverse orkesten in de omgeving van Tilburg, o.a. ook bij het bekende Koninklijke Harmonie “Sophia’s Vereeniging”, te Loon op Zand, en van 1950 tot 1965 van de Andels Fanfare Corps, Andel. Daarna dirigeerde hij Soli Deo Gloria in Enschede. In 1965 werd hij docent aan het Conservatorium Enschede. Van 1967 tot 1977 was hij dirigent van Excelsior Eibergen.

    Ton Kotter overleed op 21 april 1991.

  • Ds. Herman Theodorus Obbink

    Ds. Herman Theodorus Obbink

    NH predikant, theoloog, bijbelvertaler en hofprediker

    Herman Theodorus Obbink werd op 23 januari 1869 geboren op boerderij de Rikkert in de Aaltense buurtschap Heurne. Hij was een tweelingbroer van Johan Obbink, o.a. medeoprichter van de Zuivelfabriek en ‘de Landbouw’ in Aalten.

    Op 16-09-1889 vertrok Herman, 20 jaar oud, naar Doetinchem, en woonde daar aan de Burg. van Nispenstraat (link). Daar stond de Latijnse school (later Stedelijk Gymnasium / Gemeentelijk Lyceum).

    Op 20 september 1892 vertrok hij uit Doetinchem naar Utrecht, waar hij studeerde aan de Universiteit Utrecht. Vervolgens stond hij als predikant in Hoogersmilde, Kamperveen, Middelburg en Den Haag. Op 2 december 1901 promoveerde hij te Utrecht op “De heilige oorlog volgens den Koran”.

    Op 20 april 1897 trouwde hij met Jantine Gérardine ten Cate (1874-1949). Het echtpaar kreeg drie zonen.

    Hoogleraar

    In 1910 volgde zijn benoeming tot hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam met de leeropdracht “Algemene godsdienstgeschiedenis en de geschiedenis van de israëlietische godsdienst”. Zijn oratie was getiteld “De beteekenis van Egypte en Babylonië in de oude religieuze denkwereld”.

    In 1913 werd hij benoemd tot hoogleraar Theologie en Godsdienstgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Zijn oratie was getiteld “Over Oud-Aegyptische voorstellingen aangaande dood en leven”. De onderwerpen van beide oraties reflecteren zijn interesse in de Egyptische en Babylonisch-Assyrische wereld, die hij altijd in connectie met het Oude Testament heeft bestudeerd. Aan de Universiteit Utrecht gaf hij ook taalcolleges Assyrisch en Oudegyptisch.

    Bijbelvertaler en hofprediker

    In 1924 verscheen Obbinks vertaling van het Oude Testament. Deze werd in 1927 aangevuld met een vertaling van het Nieuwe Testament door zijn collega Annéus Marinus Brouwer (1875-1948). De vertaling, de “Utrechtse vertaling“, wordt meestal “Obbink en Brouwer” genoemd. Hij was rector van de Universiteit Utrecht in 1928/1929. In 1939 ging hij met emeritaat; zijn zoon Hendrik Willem Obbink volgde hem op.

    Van 1929 tot 1947 was Obbink hofprediker. In die hoedanigheid ging hij in 1937 voor in de inzegening van het huwelijk van koningin Juliana en prins Bernhard. Ook doopte hij prinses Beatrix, leidde hij de begrafenis van koningin Emma en van prins Hendrik, de man van koningin Wilhelmina (bron).

    Onderscheidingen

    Obbink was lid van de Koninklijke Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen (1929) en ontving een eredoctoraat van de Universiteit van Debrecen. Hij werd benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, Commandeur in de Huisorde van Oranje en Commandeur in de Orde van Verdienste (Hongarije).

    Herman Theodorus Obbink overleed op 29 december 1947 te Utrecht, op de leeftijd van 78 jaar. Hij werd begraven op begraafplaats Den en Rust te Bilthoven.

    In Utrecht is een straat naar hem vernoemd, de Obbinklaan.

    Bronnen


  • Gerrit Jan Heinen

    Gerrit Jan Heinen

    Klokkenmaker

    Gerrit Jan Heinen was klokken- en torenuurwerkmaker en woonde op ’t Kampe in IJzerlo, aan de later naar hem vernoemde Klokkemakersweg.

    Gerrit Jan Heinen werd op 11 april 1858 geboren in IJzerlo. Op 12 juni 1885 trouwde hij in Aalten met Aleida Johanna Lohuis. Samen kregen zij vijf kinderen. Heinen overleed op 4 december 1929 en ligt begraven op de Oude Begraafplaats aan de Varsseveldsestraatweg.

    Op 1 juni 1873 schreef De Maasbode:

    AALTEN, 22 Mei. Is men dikwijls in de gelegenheid een minachtend vonnis te hooren uitspreken over de verstandelijke ontwikkeling van een zoogenaamden achterhoekschen boer, en wordt wel is waar dat gevoelen ook hier ter plaatse door velen gedeeld; het volgende geval strekt zeker om daaromtrent eene tegenovergestelde meening ingang te doen vinden.

    Het uurwerk in den toren der hervormde kerk, dat in 1861 werd vervaardigd door zekeren Bartstra, deskundige in dat vak, bleek al spoedig van te lichte constructie te zijn, weshalve werd beraadslaagd de gebreken, die het aankleefden, te verhelpen. Jaar en dag verliepen echter, zonder dat men eenige verbetering in den bestaanden toestand kon bespeuren, totdat zich een paar jaren geleden, zekere Heinen, dilettant-klokkenmaker op het plaatsje Kampe, in IJzerlo onder deze gemeente, tot heeren kerkvoogden wendde, met de verzekering, volkomen in staat te zijn een geheel nieuw aan alle eischen voldoend uurwerk te vervaardigen. Hij kreeg hierop fiat, nadat tevoren was overeengekomen omtrent prijs en wijze van betaling, die niet eer dan na onvoorwaardelijke goedkeuring van het geleverde zou plaats hebben.

    Verwondering over de bekrompenheid van heeren kerkvoogden, om een dergelijke zaak aan een empiricus in ’t vak toe te vertrouwen, bleef niet achterwege. Thans echter, nadat velen tijdens het vervaardigen en ook na de voltooiing zich hebben overtuigd van de waarlijk fraaie, door Heinen zelf ontworpen en uitgevoerde constructie, nu aan dit uurwerk een algemeene tevredenheid, zoowel wat slag- als gangwerk betreft, ten deel valt, heeft die verwondering plaats gemaakt voor eene rechtmatige bewondering van Heinens bekwaamheid in dit vak, waarin hij nimmer of nooit eenig onderwijs mocht erlangen. Van harte wenschen we hem toe, dat zijn verdere pogingen hetzelfde gunstig gevolg mogen hebben, dat hij in deze zaak mocht ondervinden.

    Lees ook: ‘De klokkenmakers Heinen te Aalten

    Bronnen


  • Gooswijn van der Lawick

    Gooswijn van der Lawick

    Kapitein en drost van Bredevoort

    Gooswijn van der Lawick of Goosen van der Lauwick (Diepenheim, ca. 1547 – Bredevoort, 23 juni 1629) was kapitein, heer van Geldermalsen, leenman van ter Hegge en ten Velde, drost van Bredevoort en lid van het ridderschap van Zutphen en Nijmegen.

    Gooswijn was een zoon van Goossen van der Lawick, heer van Geldermalsen en drost van Buren, en van Anna van Asperen van Vueren. Hij trouwde met de weduwe van Floris van Buckhorst, Joanna Bentinck en werd daardoor ook beleend met kasteel en heerlijkheid Buckhorst bij Zalk in Overijssel. Twee van zijn zoons, Christoffel en Georg Nicolaas, zouden later ook drost worden van Bredevoort.

    Staatse dienst

    Gooswijn van der Lawick maakte zich beroemd tijdens het beleg en ontzet van Bredevoort in 1606. Nadat de Spanjaarden Bredevoort wisten te overrompelen kon de burgerij en garnizoen het kasteel Bredevoort op vluchten om daar de verdediging van de stad voort te zetten in afwachting van een ontzet van omliggende Staatse legers. De Spanjaarden hadden echter geen kruit en kogels. Die waren toevallig daags tevoren door Gooswijn van der Lawick binnen het kasteel gebracht. Daardoor lukte het de Spanjaarden niet om het stadje in te nemen, ze raakten zonder munitie. Van der Lawick nam als bevelhebber in 1629 ook deel aan de Inname van Wesel, samen met Wolf Mislich.

    Bronnen


  • Wolf Misslich († 1639)

    Wolf Misslich († 1639)

    Militair en gouverneur van Bredevoort

    Kapitein Wolf Misslich was in het begin van de 17e eeuw bevelhebber van het Staatse garnizoen in Bredevoort. In 1629 nam hij deel aan de inname van Wesel, waarvoor hij door de Staten-Generaal werd beloond. Nog datzelfde jaar werd hij benoemd tot gouverneur van de heerlijkheid Bredevoort. Zijn omvangrijke nalatenschap aan de armen maakte hem tot een van de grootste weldoeners uit de geschiedenis van het stadje.

    Van soldaat tot gouverneur

    In augustus 1629, tijdens de Tachtigjarige Oorlog, kregen Gooswijn van der Lawick en Wolf Misslich (respectievelijk drost en militair bevelhebber van Bredevoort) van prins Frederik Hendrik het bevel met zeshonderd soldaten naar Emmerik op te trekken om deel te nemen aan de inname van Wesel, een belangrijke vestingstad die in handen was van de Spanjaarden.

    Misslich en zijn troepen veroverden twee Spaanse schansen aan de Lippe. Voor zijn verdiensten ontving hij van de Staten-Generaal een gouden penning ter waarde van honderd rijksdaalders.1

    Na deze militaire successen werd Mislich benoemd tot gouverneur van Bredevoort, een strategisch gelegen vestingstad in het oosten van Gelderland.

    Familie, nalatenschap en liefdadigheid

    Misslich wordt in een akte van 27 juni 1629 aangeduid als “van Paterborn” (Paderborn), wat erop wijst dat hij daar vandaan kwam.2 Hij was aanvankelijk gehuwd met Catharina van Jeveren; uit dit huwelijk werd dochter Anna Margaretha geboren. Anna Margaretha trouwde met kapitein Robert van Giffen; zij kregen een dochter Catharina. Zowel Anna Margaretha als haar dochter overleden in de zomer van 1639, kort vóór Misslich zelf. Na de dood van zijn eerste vrouw was Misslich hertrouwd met zijn dienstmeid Nelleke Servaes.3

    In een wilsbeschikking van 26 december 1628 liet Misslich al zijn filantropische kant zien. Hij legateerde daarin onder andere 500 Carolusgulden aan de armen van Emmerik; hij benoemde zijn dochter Anna Margaretha tot erfgename van zijn overige goederen en bedacht daarnaast zijn neef (naamgenoot sergeant Wolf Misslich) vijfhonderd gulden, zijn — toen nog — dienstmeid Nelleken driehonderd gulden en zijn knecht Jurrien twintig rijksdaalders en een mantel.4

    Zijn liefdadigheid kreeg in de jaren daarna steeds meer vorm. In 1637 kocht hij van de Gedeputeerden van de Graafschap Zutphen een huis met schuur, hof en toebehoren binnen de stad Bredevoort, met de bepaling dat het pand na zijn overlijden zou toekomen aan de armen.5 Op 13 juli 1639 vermaakte hij 6.000 Carolusgulden aan het Nieuwe Weeshuis in Zutphen en 100 rijksdaalders aan de armen van Lochem.6

    Het bekendste deel van zijn nalatenschap ging echter naar de armen van Bredevoort. Volgens zijn testament liet hij zijn huis, hof en bijbehorende gronden na aan de armenzorg van de stad — een schenking die werd later geschat op 15.000 gulden, in die tijd een bijzonder groot bedrag. Deze gift gaf aanleiding tot het lokale gezegde: “De armen van Bredevoort bunt rieke.” 7

    Het huis van Misslich stond vermoedelijk in de buurt van het Ambthuis. De huuropbrengsten van het pand kwamen volledig ten goede aan de armenzorg. Tot in de negentiende eeuw werd het fonds dat uit zijn nalatenschap voortkwam nog beheerd door diakenen en provisoren van de kerk. In 1808 vertegenwoordigde het fonds nog altijd een waarde van ruim 6.000 gulden.

    Een van de gronden die aan de armen van Bredevoort toekwam, was het Erff und Guedt Lenckhoff in Aalten, dat Misslich in 1638 van graaf Georg Ernst van Limburg Stirum had gekocht.8 Dit landgoed lag in het gebied tussen de huidige Bodenvoor, Bredevoortsestraat en Haartsestraat (later bekend als Lankhaverstegge) en strekte zich uit tot aan het Smees. De Lankhofstraat is er naar vernoemd.

    Overlijden

    Op 1 augustus 1639 droeg Misslich een deel van zijn bezittingen over aan zijn schoonzoon Robert van Giffen, waaronder een goed in Nieuw Vossemeer bij Steenbergen en aanzienlijke renten op de Veluwe en Emmerich.9

    Kort daarna overleed Misslich; op 17 augustus 1639 werd zijn testament geopend.10 Hij werd begraven in de Sint-Joriskerk te Bredevoort.11

    In 1661 wordt hij in de archieven nog genoemd als “de gestrenge en manhaftige gouverneur” in verband met de verkoop van een huis “tot profijt der armen”.12

    Wolf Misslich was niet alleen een bekwaam militair en bestuurder, maar ook een man met een groot sociaal geweten. Zijn gulle schenkingen zorgden ervoor dat de armen van Bredevoort generaties lang steun ontvingen. Bijna vier eeuwen na zijn dood leeft zijn naam nog voort in de geschiedenis van het stadje dat hij diende.

  • Evert Maarten Smilda

    Evert Maarten Smilda

    Historicus, docent en veteraan

    Evert Maarten Smilda werd op 10 juni 1928 geboren in Utrecht. Hij is op 11 november 2020 overleden. Smilda heeft in Aalten een grote rol van maatschappelijke betekenis gespeeld. Zo leverde hij onder andere een belangrijke bijdrage aan het op de kaart zetten van de Aaltense geschiedenis.

    Nederlands Indië

    Hij werkte in een laboratorium als instrumentmaker toen hij als militair werd uitgezonden naar Nederlands Indië, het tegenwoordige Indonesië. In Arnhem volgde hij zijn militaire opleiding en in Zaandam leerde hij voor ‘geweermaker’. Dat was zijn functie in Indonesië. Evert was net twintig toen hij naar het oosten vertrok. De bootreis duurde een maand.

    Smilda diende twee jaar in Indonesië. De taak van de Nederlandse militairen was om een poging te doen om de rust te laten terugkeren na het vertrek van de Japanners. Ze trokken van dorp naar dorp. Als het ‘gewone’ leven weer werd opgepakt gingen de jongens verder.

    Bij terugkeer in Nederland was er voor de oud-Indiëgangers veel niet goed geregeld. Evert was zijn baan kwijt. Hij pakte echter de draad op en volgde een opleiding voor amanuensis. Later haalde hij een graad in de wiskunde, natuurkunde en scheikunde en gaf jarenlang les op de LTS in Aalten.

    Kort nadat Evert uit dienst trad leerde hij zijn toekomstige vrouw Itte kennen. In 1959 kwam hij met zijn vrouw naar Aalten om te gaan werken als amanuensis aan de Christelijke Scholengemeenschap. Door avondstudie werkte hij zich op tot leraar aan de avondmavo en de LTS.

    Plaatselijke geschiedenis

    Smilda had een grote belangstelling voor geschiedenis. Al vroeg in de jaren zestig zag Smilda het belang van het mooie Aaltense dorpsgezicht in. Hij heeft bij de provincie Gelderland gelobbyd om verschillende karakteristieke panden op de monumentenlijst te krijgen die anders afgebroken zouden worden. Mede daardoor werd het centrum van Aalten het eerste Beschermde Dorpsgezicht van Gelderland.

    In 1962 was hij betrokken bij de oprichting van de oudheidkundige werkgemeenschap ADW. In dezelfde tijd kwam hij in het bestuur van de Aaltense Oudheidkamer. Veertig jaar zat hij in het bestuur, waarvan negentien jaar als voorzitter. Samen met anderen heeft hij de basis gelegd van wat nu het Nationaal Onderduikmuseum is.

    In 1964 schreef hij ‘Twee eeuwen tussen Es en Slinge‘, over de koperslagers in de Peperstraat. Later verzorgde hij de uitgifte van ‘Aalten in oude ansichten‘ en twee delen ‘Aalten, zoals het was zoals het is‘ in samenwerking met G.J. Timmer.

    Toen de plaatselijke Joodse gemeenschap het onderhoud van de Aaltense synagoge niet meer kon betalen nam Evert, op dat moment voorzitter van de Vereniging Oudheidkamer Aalten, het initiatief om de synagoge tot Gemeentelijk Monument te laten verklaren en richtte hij in 1983 samen met anderen de stichting ‘Vrienden van de Aaltense synagoge‘ op.

    Op het toenmalige asielzoekerscentrum Groot Deunk in Barlo verzorgde Smilda lessen Nederlands. Ook was hij 22 jaar lid van de Gemeentelijke Monumentencommissie in Aalten. Samen met met Duitse historici werkte hij aan de uitgifte van tweetalige geschiedwerken.

    In 2005 werd Smilda lid van het Aaltens Evergreenkoor. Op zijn 92e verjaardag werd Evert door het koor verrast met een aubade bij de Zuiderkerk. Dat was tevens bedoeld als afscheidscadeau voor Smilda, die eerder dat jaar had aangegeven te willen stoppen als koorlid. In een open Landauer getrokken door twee prachtige paarden, maakte Evert met zijn vrouw een rit door het dorp. De aanwezigheid van zijn familie maakte de verrassing compleet.

    Smildapad

    Op het terrein van de voormalige Technische School worden 56 woningen gebouwd. Tussen het zuidelijk en het noordelijk deel van het bouwplan aan de Ludgerstraat zal een straat worden aangelegd. Oudheidkundige kringen en sympathisanten van de synagoge hebben verzocht om deze te vernoemen naar Evert Smilda, als erkenning voor al zijn maatschappelijke verdiensten. De gemeente heeft in oktober 2022 positief gereageerd en besloten dat de straat de naam Smildapad zal dragen.

  • Dick Fries

    Dick Fries

    Winkelier

    Dirk (Dick) Fries (30-03-1924 – 08-10-2002), zoon van Georg Fries en Jansje Meijerman, was een begrip in Aalten. Iedereen kende hem van zijn winkel in rookartikelen, Sigarenmagazijn Dick Fries. Ook was hij een bekende verschijning op straat, met zijn blindengeleidenhond.

    Fries was blind geworden tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 1949 opende hij zijn winkel aan de Landstraat in Aalten. Ondanks zijn handicap wist hij de weg in zijn winkel feilloos te vinden. Ook het afrekenen met de klant leverde voor hem geen probleem op.

    Iedere sigarenliefhebber wist het winkeltje van Dick Fries in Aalten wel te vinden. Dick Fries was zelfs Hofleverancier. Twee jaar na zijn overlijden verhuisde de inventaris van deze winkel naar het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem.

  • Gerrit Hendrik Heinen

    Gerrit Hendrik Heinen

    Ondernemer, fotograaf, decoratie- en kunstschilder en levensgenieter

    Gerrit Hendrik Heinen (Aalten, 01-08-1851 – Aalten, 26-09-1930) werd geboren aan de Varsseveldsestraat in Aalten. Zijn ouders waren Jan Willem Heinen en Antonetta Piepers.

    Op negentienjarige leeftijd vertrok Gerrit Hendrik naar Warnsveld, na een jaar kwam hij in 1871 weer terug in Aalten. In 1877 vertrok hij opnieuw. Ditmaal naar Rotterdam, om het vak van huis- en decoratieschilder te leren. Twee jaar later kwam hij in Amsterdam terecht. Daar begon hij een schildersbedrijf en had na enige jaren meer dan honderd gezellen in dienst.

    Heinen kreeg opdrachten voor wand- en plafondschilderingen, onder meer voor het Doelen Hotel, het Centraal Station te Amsterdam en de stations van Enschede en Antwerpen.

    Schiller

    Heinen maakte het zogezegd en investeerde in onroerend goed. Hotel-Café Schiller aan het Rembrandtplein was de ontmoetingsplaats voor de huizenhandel en Heinen was daar dan ook vaak te vinden.

    Daar werkte destijds ook Gerrit Jan Prins uit Aalten, de latere eigenaar van het café aan de Prinsenstraat. Door bemiddeling van Heinen werd op 1 april 1901 de officiële opening gevierd van ‘Sociëteit Schiller Prins’ in aanwezigheid van de heer Schiller uit Amsterdam. In 1902 schonk Heinen vier wandschilderingen, samen de vier jaargetijden vormend, voor de nieuw aangebouwde serre van Schiller.

    Heinen bleef ook Aalten vaak bezoeken. Hij was een levensgenieter, stedeling en natuurlijk kunstenaar in het decoratieve. Hij droomde ervan om van Aalten een kunstplaats te maken en stelde enkele werken beschikbaar aan de Oudheidkamer. De drommen mensen bleven echter uit.

    Op een van zijn reizen naar het buitenland leerde Heinen de Zwitserse Marie Streuli kennen. In 1880 trouwde hij met haar en samen kregen ze negen kinderen. Ze woonden aan de Keizersgracht. Gerrit Hendrik Heinen is de vader van onder anderen Marie Heinen, directrice van het Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid. Gerrit Heinen en Marie Streuli scheidden in 1911.

    Fotografie

    In 1894 maakte Heinen een serie foto’s van Amsterdam die hij in eigen beheer uitgaf onder de titel ‘Panorama’s en stadsgezichten van Amsterdam’ met 26 opnames. Voor zijn fotografie koos hij hoge standpunten, zoals het Rijksmuseum, het Centraal Station, het Paleis voor Volksvlijt en het Doelen Hotel, maar ook watertoren van Nieuweramstel en de zolders van gewone woonhuizen. In het Centraal Station in Amsterdam zijn nog steeds schilderingen van Heinen aanwezig.

    Heinen verdiende zoveel geld als ondernemer dat hij in 1913 kon ophouden met werken. Hij bleef wel bas-reliëfs schilderen. De laatste jaren van zijn leven bracht hij door in Italië, waar hij kennis maakte met Pietro Armati, een Italiaans kunstschilder, die hij naar Aalten bracht en aan opdrachten hielp.

    In 1930 stierf de schilder in Aalten. Hij werd begraven op begraafplaats Berkenhove.

  • Servaas van Leuven

    Servaas van Leuven

    Genees-, Heel- en Vroedmeester

    Servaas van Leuven was van 1836 tot 1896 arts te Aalten. Hij werd geboren op 12 maart 1811 in Kampen, als zoon van Jan Adrianus van Leuven, kleermaker, en Johanna Maria Huijzer. Van Leuven overleed in 1898 op 87-jarige leeftijd.

    Op 1 mei 1836 arriveerde Van Leuven in Aalten als opvolger van de kort daarvoor overleden chirurgijn Adolph Wechgelaar. Aanvankelijk vestigde hij zich op diens woonadres aan de Dijkstraat.

    Op 18 mei 1838 trouwde hij in Aalten met Henriette Wilhelmina Christina Theodora Rost, dochter van de gepensioneerde kapitein Johann Christian Rost. In 1839 verhuisde het echtpaar naar de Peperstraat. Niet lang daarna vestigden zij zich definitief aan de Bredevoortsestraatweg. Tegenover hun woning, op de hoek met de Peperstraat, bevond zich de stalhouderij waar het paard en de koets van dokter Van Leuven stonden.

    Het echtpaar kreeg maar liefst tien kinderen. Twee van hen overleden op zeer jonge leeftijd en werden begraven in de grafheuvel op ’t Smees.

    Werk als arts

    Servaas van Leuven was een gewaardeerd en gerespecteerd arts die decennialang een belangrijke rol speelde in de plaatselijke gezondheidszorg.

    Zestig jaar lang oefende hij met grote toewijding zijn vaak zware en afmattende werk uit. Vooral op verloskundig gebied muntte hij uit door ijver en plichtsbetrachting. Bij nacht en ontij, in winterse kou en storm, werd zijn hulp zelfs op hoge leeftijd nooit tevergeefs ingeroepen.

    In een tijd waarin medische hulp in de Achterhoek schaars was, gold hij voor velen als een reddende engel. Hij voerde duizenden bevallingen uit en bood aan vele minderbedeelden belangeloze zorg en advies.

    Laatste jaren en overlijden

    Na ruim zestig jaar praktijk te hebben gevoerd, beëindigde Van Leuven in 1896 op 85-jarige leeftijd zijn werkzaamheden als arts.

    Servaas van Leuven overleed op 24 november 1898 in Aalten en werd begraven op de Oude Begraafplaats aan de Varsseveldsestraatweg.

  • Warnar Willem Marinus Moll

    Warnar Willem Marinus Moll

    Onderwijzer, met diverse maatschappelijke functies

    Warnar Willem Marinus Moll werd op 17 augustus 1857 geboren in Bredevoort. Hij overleed op 18 november 1937 in Winterswijk.

    De Aaltensche Courant schreef een dag na zijn overlijden:

    Op den leeftijd van ruim 80 jaren is een bekende figuur uit onze gemeente Woensdag overleden. De heer W.W.M. Moll, oud-onderwijzer, de altijd opgeruimde krasse grijsaard, is na enkele dagen ongesteldheid in het Ziekenhuis te Winterswijk verscheiden.

    Sinds menschenheugenis heeft „Meester Moll” het onderwijs te Bredevoort gediend, en het grootste deel van Bredevoorts ingezetenen heeft hij op de schoolbanken gezien. Buiten de school nam de heer Moll intens deel aan het maatschappelijk leven, en in velerlei functies heeft hij het openbare leven gediend.

    Z’n grootste liefde had wel de Tuberculosevereeniging, welke te Aalten zetelde. Voor deze vereeniging was hij lange jaren de steunende kracht. Jaren lang vervulde hij voorts het voorzitterschap van de Boterfabriek en Bredevoorts Belang, en vervulde bestuursfuncties in het veefonds, de vereeniging voor ziekenhuisverpleging, Zwanenbroek-commmissie enz. Van de oprichting tot 1922 was hij commissaris van de Geld.-Westf. Tramweg Mij. Van de oprichting dezer maatschappij gaf de heer Moll mede den eersten stoot. Verder bekleedde de overledene nog het voorzitterschap der commissie tot wering van schoolverzuim, welke functie hij reeds een groot aantal jaren vervulde.

    Bredevoort in de eerste plaats, en de gemeente Aalten verliezen in den heer Moll een medeburger, die zeer veel voor de belangen zijner woonplaats heeft gedaan. Maandagmiddag wordt het stoffelijk overschot op de algemeene begraafplaats te Bredevoort ter aarde besteld. Ongetwijfeld zullen velen zich gedrongen gevoelen den overledene de laatste eer te bewijzen.

    Bronnen


  • Pater Jan de Vries

    Pater Jan de Vries

    RK missionaris in Belgisch Congo

    Jan de Vries (Bredevoort, 21 maart 1911 – Bafwasende, 19 december 1964) was een kind van Johan de Vries, stationschef van het tramstation te Bredevoort en diens vrouw Aleida Wensink. Hij was vele jaren werkzaam als rooms-katholiek missionaris in Belgisch Congo (het tegenwoordige Zaïre), waar hij in 1964 werd vermoord.

    Toen hij 12 jaar oud was vertrok hij naar Bergen op Zoom naar het Juvenaat van de Priesters van het Heilige Hart van Jezus, na deze opleiding werd hij geprofest op 8 september 1930. Hij volgde daarna studies filosofie in Liesbosch en theologie in Hees (Nijmegen). Op 14 juli 1935 werd Jan tot priester gewijd.

    Missionaris in Belgisch Congo

    Op 27 augustus 1937 vertrok hij naar Belgisch Congo waar hij rondreizend missionaris was geworden in het aartsbisdom Stanleyville. Daar trok hij door het oerwoud van dorp naar dorp, een periode die hij beschreef in het kinderboekje Waar het oerwoud ruist (1938). Later werd hij directeur van enkele scholen in Avakubi, waar hij een zangkoor begeleidde, en Bafwasende als novicemeester, waar hij broeders opleidde uit Belgisch Congo. De laatste jaren was hij missieoverste en pastoor van Lubutu en Batama. In 1960 was De Vries nog in Bredevoort voor de viering van zijn zilveren priesterjubileum.

    Waarschijnlijk zijn toen deze filmopnamen gemaakt:

    Moordpartij Bafwasende 1964

    In datzelfde jaar werd Congo onafhankelijk, en toen de Simba’s zich tegen de nieuwe regering verzetten, ontstond een burgeroorlog. De Vries was op retraite in Stanleyville, maar keerde daarop meteen terug naar zijn missie in Batama. Daar werd hij op 31 oktober 1964 samen met vier broeders en twee zusters door de rebellen gevangengenomen en mishandeld. Zij waren onder de zevenentwintig personen die met een vrachtauto naar Bafwesende werden vervoerd.

    Op 25 november werden de paters door een soort krijgsraad ter dood veroordeeld. Op 27 november werden zij naar de oevers van de rivier de Lindi bij het dorp Bafwasende gebracht. De achtergebleven vrouwen hoorden mitrailleurvuur. De vrouwen werden op 19 december bevrijd door huurlingen.

    De dood van Jan de Vries maakte diepe indruk in Bredevoort. Nog hetzelfde jaar werd een gedenksteen geplaatst in de plaatselijke RK kerk. Toen enkele jaren later zijn huis gesloopt werd om een doorgang te realiseren naar een nieuw aan te leggen straat, besloot de gemeente Aalten (vermoedelijk in 1969) deze straat Pater Jan de Vriesstraat te noemen.

    Bronnen


    • Nazareth, Bredevoort en zijn katholieken – Jos Wessels, Uitgeverij Fagus, 1997 (ISBN 90-70017 16-4)
    • Pater Jan de Vries, een man met een missie – Hans de Graaf 2014, Uitgeverij Lammers Dtp
    • Wikipedia
  • Gerrit Jan Prinsen

    Gerrit Jan Prinsen

    Makelaar/taxateur, met diverse maatschappelijke functies

    Gerrit Jan Prinsen werd geboren op 14 augustus 1888 in huis nr. 242 te Aalten (Lichtenvoordsestraatweg 16), als zoon van nachtwaker Gerrit Jan Prinsen en Dela ter Maat. Hij overleed op 7 juni 1941 in Aalten. Gerrit Jan Prinsen werd begraven op begraafplaats Berkenhove.

    De Aaltensche Courant schreef destijds het volgende over hem:

    In den leeftijd van 52 jaren is overleden de heer G.J. Prinsen, beëedigd makelaar en taxateur. Een zware ziekte waarmee hij ruim acht maanden streed, liefdevol verpleegd door zijn echtgenoote, bracht Zaterdag 7 Juni het einde van zijn aardsche leven.

    Enkele weken geleden zaten wij aan zijn ziekbed en hoopten met hem dat spoedig de voorjaarszon mocht komen en herstel van krachten zou kunnen brengen. God heeft het anders gemaakt en dat Hij het was, trooste thans zijn weduwe en familie.

    Onze gemeente heeft in den heer Prinsen een goed burger verloren. Niet als een die van zich deed spreken, maar als een naar wien werd geluisterd. Duidelijk kwam dit tot uitdrukking in de woorden van den voorz. van Aalten’s Belang op de laatst gehouden jaarvergadering: „al zullen we in de toekomst hem, die één onzer werkzaamste leden was, en naar wiens adviezen op onze vergaderingen ieder met aandacht luisterde, noode missen“.

    Als president-kerkvoogd der Ned. Herv. gemeente en voorzitter van het Orgelcomité heeft de heer Prinsen een groot aandeel gehad in de algeheele restauratie van het orgel. Voorts was de thans overledene lid van den Raad van Commissarissen der Middenstandsbank, voor welke steeds groeiende instelling hij gaarne zijn tijd gaf.

    Ambtshalve verrichtte de heer Prinsen meerdere groote transacties en gaf als bouwkundige meerdere panden in de loop der tijden een nieuw aanzien. Zoo kocht hij b.v. het terrein voor den watertoren der W.O.G. nabij den Lindeboom, in opdracht van die maatschappij. Ook de kleinere man hielp hij gaarne voort en won door zijn hulpvaardigheid en rechtvaardigheid steeds hun vertrouwen. De zekerheid dat zijn nagedachtenis dankbaar in veler harten zal voortleven zij de nabestaanden tot troost.

    Gerrit Jan Prinsen (1888-1941)

    Bron


    • Aaltensche Courant, 10 juni 1941 (Delpher)
  • Abraham ten Dam

    Abraham ten Dam

    Fabrikant

    Abraham (Bram) ten Dam werd geboren op 14 juli 1834 in de Kerkstraat te Aalten, als zoon van zilversmid Harmen Jan ten Dam en Petronella Johanna Gerber. Op 6 juni 1861 trouwde hij met Elisabeth Manschot.

    In 1871 stichtten Abraham en zijn zwager Bernard Manschot een kammenfabriek aan de Damstraat in Aalten: Ten Dam & Manschot. Zij woonden tegenover elkaar aan de Bredevoortsestraatweg, Bram in het huis waar nu Fysiotherapie van Panhuis is gevestigd en Bernard in de witte villa er tegenover. De zoon (en opvolger) van Bram, Herman, heeft de woning aan de Bredevoortsestraatweg 52 laten bouwen.

    Ten Dam is tevens raadslid en wethouder geweest in de gemeente Aalten.

    Abraham ten Dam overleed op 1 februari 1915, 80 jaar oud, en werd begraven op de Oude Begraafplaats in Aalten.

    Overlijden Abraham ten Dam - Aaltensche Courant, 03-02-1915
    Aaltensche Courant, 3 februari 1915
  • Izaak Antonie de Moor

    Izaak Antonie de Moor

    Waarnemend (NSB-)burgemeester (1944-1945)

    Izaak Antonie de Moor, geboren op 31 mei 1905 te Goedereede, werd in 1939 tot burgemeester van Breskens benoemd. In 1941 sloot hij zich daar aan bij de N.S.B. Na ‘Dolle Dinsdag‘ vluchtte hij naar Aalten, waar hij vanaf 18 september 1944 het burgemeestersambt waarnam, tijdens de onderduikperiode van burgemeester Monnik. Toen hem een paar dagen voor de bevrijding de grond te warm onder de voeten werd, nam hij de wijk naar Grijpskerk, waar hij bij de bevrijding werd gearresteerd. Na 1½ jaar internering werd hij voorlopig in vrijheid gesteld.

    Op 10 maart 1947 stond De Moor terecht voor het oorlogstribunaal te Groenlo. De punten der tenlastelegging waren als volgt: groepsleider en onderkringleider der N.S.B., buurtschapshoofd N.V.D., lid N.A.F. ambtsperiode te Breskens; de eed van trouw aan Mussert af te leggen; scholingsmiddagen N.V.D. uit te schrijven; de gemeentebode J.J. Bliek te bedreigen; een wapenvergunning bij de Beauftragte van de Rijkscommissaris aan te vragen; door bij het terugvoeren van Ned. Militairen als krijgsgevangenen naar Duitsland te zeggen: „Ze verdienen niet anders, ze hebben niet anders gedaan dan saboteeren”; te colporteeren met Volk en Vaderland en de Zeeuwsche Stroom; medewerking te verlenen aan de arbeidsinzet voor de kustverdedigingswerken; te Goes een opleidingscursus voor burgemeesters te geven.

    De ambtsperiode te Aalten

    De dagvaarding betreffende zijn ambtsperiode te Aalten omvatte de volgende tenlasteleggingen: medewerking verlenen aan arbeidsinzet O.T. te Zevenaar en Bocholt; hulp van de Landwacht in te roepen voor controle op onderduikers, voor vordering van rijwielen en voor arrestatie onderduiker bij Te Giffel. Voorts heeft beschuldigde alle ondergedoken gemeente-ambtenaren ontslagen en de Sicherheitspolizei te Doetinchem in kennis gesteld van de arrestatie van drie personen, waaronder B.H. Wikkerink, wegens het voeren van illegale activiteit. Tenslotte heeft hij de hulp ingeroepen van de te Aalten gestationeerde Grüne Polizei in verband met de arrestatie van de ondergedoken joodse familie Baruch.

    Beschuldigde zette uiteen, dat hij door het aanvaarden van het burgemeesterambt te Aalten de bevolking zoveel mogelijk ter wille had willen zijn. De president: „U hebt al uw krachten gegeven aan de Duitse, dus vijandelijke zaak ter vernietiging van het Nederlandsche materiële zowel als geestelijke verzet. Toen U in Breskens zag, wie en wat de Duitsers waren, had u in Aalten niet meer als burgemeester moeten optreden.” Beschuldigde: „Ik had te kiezen tussen landwachter of burgemeester. Voor de landwacht voelde ik niets”. De president: „U had ook nog een andere weg kunnen kiezen: geen van beide.”

    Daarop kwam ter sprake, waarom beschuldigde op 10 oktober 1944, toen de S.S. in Aalten razzia had gehouden en de aangehouden personen in het feestgebouw werden gebracht, daarbij tegenwoordig was geweest. Beschuldigde: „De S.S. was voornemens de kerken af te zetten. Ik wist dat dit in Aalten veel beroering zou geven, daarom trachtte ik goed te maken wat er nog goed te maken was. In enkele gevallen heb ik nog iets ten gunste van de aangehoudenen kunnen doen.” Beschuldigde ontkende de zes gijzelaars te hebben laten arresteren. „In het rapport aan Doetinchem”, aldus beschuldigde, „heb ik het wel verklaard. Wijlen v.d. Glas, de landwachtcommandant gaf de opdracht tot arrestatie van gijzelaars. Als burgemeester moest ik het rapporteren.”

    De president: „Waarom poogde u een nieuw bevolkingsregister samen te stellen, u wist toch, dat het oude bewust was verdwenen. U was in alle opzichten een willoos werktuig in de handen van de Duitsers.” Voorts wees spreker er op, hoe gevaarlijk het was aan Vossers mede te delen, dat de secretaris der gemeente, Bijlsma, er met de gemeentepapieren en bescheiden vandoor was gegaan en genoemde Vossers te zeggen, waar B. zich waarschijnlijk bevond. President: „U was een overtuigd en fel N.S.B.-er.” Beschuldigde: „Fel niet, ik was idealist. Ik had het als roeping en taak beschouwd iets voor het Nederlandse volk te doen.”

    Nadat de verschillende punten der tenlastelegging tijdens de ambtsperiode in Breskens waren behandeld, kwam tenslotte de arrestatie van de te Aalten ondergedoken familie Baruch ter sprake. Beschuldigde gaf toe, onvoorzichtig te hebben gehandeld. Hij had het in een gesprek met de Grüne Polizei gezegd. De president: „U wist zelf, welke beestmensen de G.P. waren.” Beschuldigde: „Het is op dat moment niet tot me doorgedrongen. Ik heb kunnen verhinderen, dat de Oberleutnant de drie bedoelde Joden liet doodschieten. Op mijn aandringen zouden ze op transport naar Doetinchem worden gesteld. Daar de bevrijding naderde, konden ze in Aalten blijven. En bij mijn vertrek heb ik Tilbusscher gezegd, dat de Joden direct vrijgelaten konden worden, hetgeen ook is geschied.”

    Uitspraak

    Beschuldigde, die geen verdediger had, zei in zijn slotwoord dat hij thans weer in het arbeidsproces ingeschakeld is. Hij riep de clementie van het Tribunaal in. „Ik heb een les voor mijn leven gehad. Bovendien werd mijn huis in Breskens weggebombardeerd, mijn 17 pensioenjaren zijn weg. Ik was ambtenaar in hart en ziel; ik erken totaal fout te zijn geweest. Geef mij de gelegenheid thans weer voor mijn gezin te zorgen”, zo riep hij uit.

    Na Raadkamer zei de president, dat het billijk zou zijn, beschuldigde een internering op te leggen langer dan de voor-interneering. Het Tribunaal wenste echter rekening te houden met de omstandigheden, waarin beschuldigde zich thans bevindt. Aan hem werden de volgende maatregelen opgelegd: Internering gelijk aan de voor-internering; ontzetting uit het recht een overheids- of semi-overheidsfunctie te bekleden; ontzetting uit de beide kiesrechten en verbeurdverklaring radio.

    De Moor overleed op 17 februari 1984, op 78-jarige leeftijd, in Warnsveld.

  • Aron Jedwab (Willem Herfstink)

    Aron Jedwab (Willem Herfstink)

    Joodse ‘vondeling’, geboren in de onderduik

    In de vroege ochtend van 21 september 1943 legt Piet Hoogenkamp, de assistent van de Aaltense huisarts tevens verzetsman Joop der Weduwen, voor het huis met adres Patrimoniumstraat 12 in Aalten een pakket neer. Op dat adres woont verzetsleider Hendrik Jan Wikkerink alias Ome Jan met zijn gezin. Er wordt aangebeld.

    Het pakket blijkt een pasgeboren baby te zijn. Het is de zoon van Lena Jedwab-Kropveld en Yitzack Jedwab, rabbi (voorganger) van de Joodse gemeente in Aalten. Het echtpaar zat vanaf medio 1942 ondergedoken op boerderij De Ronde van de familie Veldboom in Lintelo. Verzetsleider Ome Jan en dokter Der Weduwen hebben het te vondeling leggen van tevoren zo afgesproken.

    Vondeling

    Dochter Jo Wikkerink vertelde daar later over:

    “We wisten dat de bevalling op komst was en het baby’tje zou bij ons gebracht worden. Vader en moeder hebben het alleen aan de oudste drie verteld. De jongsten wisten niets. Ze konden dan ook niet hun mond voorbij praten. Vader en moeder hebben ‘s avonds in de donkere kamer gewacht. Het leek voor de buurt dan net of ze naar bed waren. Toen er werd aangebeld wisten ze dat het kindje er was. Ze hebben de jongsten uit bed gehaald en verbaasd geroepen: “Kom ‘ns kieken wat d’r now is!”

    Het joodse kindje was dus in de onderduik geboren en werd drie dagen later door mevrouw Dela Wikkerink-Eppink met de naam ‘Willem Herfstink’ aangegeven en als zodanig in het geboorteregister van de gemeente Aalten ingeschreven. De naam was symbolisch gekozen. Willem verwijst naar Koningin Wilhelmina, Herfstink naar de eerste dag van de herfst (21 september) en het Saksische achtervoegsel ‘ink‘ betekent ‘behorend tot het erf of de familie van’.

    Omdat zich om één uur ’s nachts slechts enkele personen – zoals artsen – op straat mochten bevinden, werd vier uur ’s ochtends opgegeven als tijdstip waarop de baby gevonden was. Hierdoor werd het onderzoek naar de herkomst van het kind aanzienlijk bemoeilijkt. ”Ik kwam wel eens ’s avonds laat met een dikke buik thuis met de trein. Dan had ik ‘contrabande’ bij me alsof ik hoogzwanger was. Toen Wimke op de stoep gelegd werd, zeiden ze dan ook: “Dat zeggen ze nou wel, maar het zal d’r wel ene van één van de meisjes zijn.”

    Arisch verklaard

    De volgende dag moest de dienstdoende gemeente-arts, dokter Knol, de vondeling onderzoeken. De baby was niet besneden en daarom gaf hij de verklaring af dat het kind 100% Arisch was. “De volgende dag is vader meteen naar Schepers gegaan, die schuin tegenover ons woonde (hij werkte bij te Paske). Vader wist: als ik het daar vertel, dan weet meteen iedereen in Aalten het. Achter ons, naast Vossers, woonde een NSB-vrouw. Die lag op haar knieën voor het wiegje van Wimke te kijken of hij wel Arische trekken had.”

    Lennie en Yitzchak waren inmiddels verhuisd naar een andere schuilplaats in Lintelo. In juni 1944 verplaatste het verzet hen in een met hooi bedekte wagen naar het huis van Bernard en Gesina Wevers in de buurtschap Dale, achter de Ringweg, net buiten het dorp Aalten.

    Aanvankelijk wilden zij het echtpaar Jedwab niet in huis opnemen omdat zij al onderdak boden aan evacués. Een dominee van de gereformeerde kerk bracht de vrome calvinisten op andere gedachten: hij predikte dat de vervolgden geholpen moesten worden.

    Bernard, een timmerman, bouwde voor hen een kamer achter de kast waar ze al hun tijd doorbrachten. Mevrouw Wevers kookte voor haar Joodse gasten zoveel mogelijk volgens koosjere regels.

    Willem was ondertussen liefdevol in het gezin van de familie Wikkerink opgenomen. Vooral moeder Dela en oudste dochter Lien Wikkerink zorgden voor ‘Wimke’ zoals zij hem noemden. Dela Wikkerink liep met de baby in de kinderwagen regelmatig naar het onderduikadres van de Joodse ouders in Dale. Ze nam vaak wat fruit uit de moestuin mee in haar tas. Er waren mensen in Aalten die zeiden: “Wat vrouw Wikker toch altied bi-j Wevers mot?”

    Tegen het einde van de oorlog werden twee Duitse soldaten ingekwartierd in huize Wevers. Terwijl de soldaten in het huis waren, zaten Lena en Yitzack in stoelen in hun verborgen kamer en mochten ze niet bewegen of geluid maken, soms dagenlang.

    Na de oorlog

    Na de bevrijding in maart 1945 werd het gezin herenigd en kreeg de kleine zijn echte naam: Aron Jan Willem Jedwab. De naam Willem bleef bestaan en de tweede voornaam Jan verwijst naar zijn redder Jan Wikkerink. Koningin Wilhelmina kwam vrij snel na de oorlog naar Aalten en bezocht de familie Wikkerink om deze te eren voor hun daden in het verzet. Jo Bulsink-Wikkerink: “Ik zie Wilhelmina nog staan. Ze sloeg mijn opa op zijn schouder en zei: Wikkerink, u heeft een dappere zoon”.

    Het jonge kind Willem kende zijn eigen ouders niet of nauwelijks. Jo Wikkerink – de tweede dochter in het gezin – trok toen een jaar lang in bij de familie Jedwab, zodat Willem iets makkelijker kon wennen aan zijn eigen ouders en nieuwe omgeving. Het gezin Jedwab emigreerde in 1947 naar de VS en daar veranderden zij hun achternaam in Jade.

    Patrimoniumstraat 12, Aalten
    Patrimoniumstraat 12, Aalten
  • Antoon Stapelkamp

    Antoon Stapelkamp

    Christelijk vakbondsbestuurder en antirevolutionair politicus

    Antoon Stapelkamp werd op 27 februari 1886 geboren op huisnummer 162 (Hogestraat 26) in Aalten en overleed op 19 januari 1960 in Utrecht. Hij was de zoon van Gerrit Jan Stapelkamp, fabrieksarbeider en keuterboer, en Hendrika te Sligte. Op 12 juni 1913 trad Antoon in het huwelijk met Johanna Aleida Stronks, met wie hij vijf dochters en twee zoons kreeg.

    Stapelkamp groeide op in een gereformeerd gezin met vier kinderen in Aalten. Na afronding van de christelijke lagere school moest hij als twaalfjarige zijn bijdrage gaan leveren aan het gezinsinkomen. Hij trad in dienst bij de sinds 1872 in Aalten gevestigde knopen- en kammenfabriek Ten Dam en Manschot, waar zijn vader al werkte en die enkele jaren later ook zijn jongere broer Herman in dienst nam.

    Gestimuleerd door hun ouders volgden beide jongens ’s avonds vervolgonderwijs. Maar alleen bij de jongste resulteerde dat in diploma’s en een loopbaan in het onderwijs. Antoon bleef meer dan twintig jaar hoornen kammen maken bij Ten Dam en Manschot.

    Op veertienjarige leeftijd was Stapelkamp getuige van een debat tussen de Enschedese socialist J.F. Tijhof en H. Verveld, de voorzitter van de interconfessionele Nederlandsche Christelijke Textielarbeidersbond ‘Unitas’. Onder de indruk van het optreden van Verveld meldde hij zich aan als jeugdlid van de afdeling die deze in Aalten had opgericht. Deze afdeling bleek echter niet levensvatbaar.

    Bestuurlijke carrière

    Van belang voor Stapelkamps maatschappelijke en politieke ontwikkeling was het lidmaatschap van de Gereformeerde Jongelingsvereniging, de kweekvijver van bestuurlijk talent van het gereformeerde volksdeel. Behalve secretaris en voorzitter van de Aaltense afdeling was hij bestuurslid van de Gelderse sectie van de Nederlandsche Bond van Jongelingsvereenigingen op Gereformeerde Grondslag.

    In de plaatselijke afdeling van het werkliedenverbond Patrimonium werden zijn bestuurlijke kwaliteiten al spoedig opgemerkt, wat in 1903 resulteerde in zijn verkiezing tot secretaris. Hij weigerde evenwel, omdat hij zich als zeventienjarige te jong en te onervaren vond. Elf jaar later zou hij deze functie wel aanvaarden.

    In 1914 richtte Stapelkamp met enkele Patrimonium-vrienden de Vereeniging van Christelijke Hoornbewerkers op, een plaatselijke vakbond die zich op 1 maart 1914 als zelfstandige organisatie bij het CNV aansloot. Zelf nam hij de taak van secretaris op zich. De vakvereniging was echter te klein om een toekomst te hebben en de Hoornbewerkersbond ging weldra ter ziele. Stapelkamp stichtte daarop een Aaltense afdeling van de Nederlandsche Bond van Christelijke Fabrieks- en Transportarbeiders (NBCFHT). Hijzelf werd wederom secretaris.

    Na een periode als actief lid en bestuurder van de NBCFHT werd hij in 1931 lid van het CNV-bestuur. Het gezin Stapelkamp verhuisde naar Den Haag, waar de bond een nieuw hoofdkantoor had gevestigd. Dat betekende het einde van Stapelkamps prille lidmaatschap voor de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) van de Aaltense gemeenteraad.

    Voorzitter CNV

    In 1935 werd hij benoemd tot voorzitter. Hij probeerde een eigen CNV-koers uit te zetten en invloed uit te oefenen op het kabinetsbeleid, waarin bezuinigingen centraal stonden. Hoewel hij de hoofdlijn van het beleid van de kabinetten Colijn deelde, was hij het vaak niet eens met de concrete maatregelen.

    In de bezettingsjaren ontwikkelde Stapelkamp zich tot een krachtig voorzitter. Door hem aangevoerd volgde het CNV in het eerste jaar van de bezetting een koers van ontwijkende aanpassing, waarbij contact met de bezetter beperkt werd tot het onvermijdelijke en structurele hervormingen werden afgewezen. In november 1940 accepteerde Stapelkamp een uitnodiging van het Deutsche Arbeitsfront om een oriëntatiereis naar Duitsland te maken. Dit werd hem nog lang verweten.

    Op 30 juni 1941 werd Stapelkamp met circa negentig andere bekende antirevolutionairen gearresteerd. Hij verbleef tot december 1942 achtereenvolgens in de kampen Schoorl, Buchenwald, Haaren en St. Michielsgestel. Na zijn vrijlating was Stapelkamp aanjager van de ondergrondse ‘Binnen-contactgroep’. Ook herstelde hij de contacten met vertegenwoordigers van de andere werknemers- en werkgeversorganisaties.

    Na de Tweede Wereldoorlog werd Stapelkamp opnieuw benoemd tot voorzitter van het CNV, een functie die hij bekleedde tot zijn aftreden in 1947. Verder was hij:

    • Lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, van 20 november 1945 tot 4 juni 1946
    • Wethouder (van maatschappelijke aangelegenheden) van Utrecht, van november 1945 tot 2 september 1946
    • Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 4 juni 1946 tot 3 juli 1956
    • Lid van de Provinciale Staten van Utrecht, van 20 juni 1946 tot 4 juli 1950

    Begin 1960 kreeg Stapelkamp te kampen met een verwaarloosde suikerziekte. Hij overleed aan de complicaties daarvan.

    Publicaties


    Pseudoniem: ‘Socius’.

    • ‘Mag boycot onder de toelaatbare strijdmiddelen in den economischen strijd worden gerangschikt?’ in: Verslag van de veertiende algemeene vergadering van het Christelijk Nationaal Vakverbond (Utrecht 1929) 57-70;
    • ‘De christelijke vakbeweging: vrucht van het verleden; eisch van het heden; levensvoorwaarde voor de toekomst’ (Utrecht 1945);
    • ‘Dr. H. Colijn en het sociale leven’ in: Een groot vaderlander. Dr. H. Colijn herdacht door tijdgenooten (Leiden 1947);
    • ‘Het sociale beleid van het kabinet-Drees’ (Den Haag z.j.);
    • ‘Verantwoorde emigratie’ (Den Haag 1951);
    • ‘De gemeenten en de werkgelegenheidspolitiek’ (Den Haag 1953);
    • ‘De banier opnieuw geheven. Geschiedenis van het Christelijk Nationaal Vakverbond in Nederland in de jaren van de tweede wereldoorlog’ (met J. Schipper, Hoorn 1956).

    Literatuur


    • ‘Om te doen gedenken. Verslag van de buitengewone vergadering van het C.N.V. en van de receptie-samenkomst ter gelegenheid van het afscheid van K. Kruithof als voorzitter en het optreden van A. Stapelkamp als zoodanig’ (Utrecht 1935);
    • ‘Onze nieuwe voorzitter’ in: De Gids, 31.10.1935;
    • Verslag 22e algemene vergadering Christelijk Nationaal Vakverbond gehouden op donderdag 24 en vrijdag 25 juli 1947 (Hoorn 1947) 38-61;
    • Trouw, 20.1.1960; J. Schipper, ‘In dankbare herinnering’ in: De Gids, 6.2.1960;
    • ‘Stapelkamp ter nagedachtenis’ in: De Gids, 6.2.1960;
    • 29e Jaarverslag CNV 1960-1961-1962 (Hoorn z.j.) 31-32.