Categorie: Gebruiken & Tradities

  • Huisslacht

    Huisslacht

    In vroeger tijden was november de tijd wanneer er geslacht moest worden. Het slachten gebeurde destijds nog niet op slachthuizen, maar gewoon bij de boer op het erf. Het werd meestal uitbesteed aan een ‘huisslachter’ een slager die aan huis slachtte. Over de huisslacht in Aalten en de gebruiken eromheen schreef G.H. Rots in 1937 het volgende:

    “De drukste en gewichtigste dagen van het jaar waren wanneer er geslacht moest worden. Als November in ’t land kwam, dan kwam de slachtperiode. De „wieme was lèug”, en in ieder huisgezin dacht men er over één of meer varkens of een „beestjen” te slachten. De huisslachters hadden handen vol werk.

    Als er morgens geslacht was, kwamen zoo tegen half twaalf de „vetpriezers”. Dan werd er door de buren gekeurd of de „nierkes wal onder ’t vet zatten”. De dikte van ’t spek werd getaxeerd, en eindelijk kwam de vrouwe met de „flessche”, want geheelonthouders kende men vroeger niet. Op de slachtdagen zorgde men dat men wat „in de flessche” had. De slachters kregen ’s morgens den eersten „borrel”, ’s middags de vetpriezers en ’s avonds kwam het groote feest: de slachtvisite.”

    Hoe het slachten in zijn werk ging

    In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw was het nog toegestaan om zelf aan huis te slachten. Een fornuispot met flink wat water werd aan de kook gebracht. Het varken werd gedood met behulp van een schietmasker, dat een pin in zijn kop schoot. Het varken raakte bewusteloos. De keel van het dier werd vervolgens doorgesneden en het bloed werd opgevangen in een speciale platte pan.

    Het varken werd schoongemaakt en met kokend water overgoten, zodat de haren gemakkelijker verwijderd konden worden, het zogenaamde ‘krabben’ van het varken. Het dier werd vervolgens aan een ‘leere’ opgehangen en opengesneden.

    In een grote teil werden de ingewanden opgevangen. De darmen werden schoongemaakt. Eerst werden ze gespoeld met water en daarna werden ze schoon geschraapt en kon men deze gebruiken om worst te maken. De darmen werden dichtgebonden met worstenpinnen en opgehangen aan het plafond.

    Al het vlees van het varken werd gebruikt. Van het vlees van de kop werd ‘hoofdkaas’ of zure zult gemaakt. De worsten en hammen werden aan het plafond te drogen gehangen. Het slachten en verwerken van een varken kostte een week werk, maar leverde voor een jaar vlees voor eigen gebruik op. Een manier om vlees voor bederf te behoeden was inzouten. Het vlees werd dan in een kuip zout gelegd. Het zout werd goed in het vlees gewreven. Ook kon men vlees conserveren in weckglazen. Zo kon men vlees vele maanden goed houden.

    Een bekende huisslachter in Aalten en omgeving was Bertus ter Maat. Bovenstaand interview met de destijds 77-jarige Aaltenaar werd in 1991 gemaakt door FilmAalten.

    Slachtvisite

    Over de slachtvisite schreef Rots: “Die slachtvisites waren de uitgaansavonden voor de bevolking. Dan kwamen de buren bij elkaar en was men gezellig bijeen. Het begon met een köpken koffie met ’n beschuutjen. Daarna kwam de flesch op tafel. Op die avonden werden de gebeurtenissen van dien tijd besproken. De een wist dit, de ander had dat gehoord, en een derde had „korts de krante nog elaezene”, en den wist het sekuur. En de „vrouwleu” vertelden elkaar de geheimen van den burgerlijken stand en hetgeen daarmee in verband stond. Ondertusschen noodigde de huisvrouw nog eens: „Drinkt er um nog is uut”. „De poggen bunt good met-evallene”. En eindelijk, als het tijd van naar huis gaan was, verkeerde men in de allervroolijkste stemming.

    Men stelle zich niet voor dat alle varkens die men gemest had voor eigen gebruik bestemd waren, kun je begrijpen. Eén varken moest zeker verkocht worden, en van het andere dat men zelf hield werden de hammen of schinken ook verkocht, want schinken zelf houden, „dat was joo um ’t opmaken te doone”, neen daar moest ook klein geld van gemaakt worden. En als men een vaars of „bolle” slachtte, dan werden zeer zeker de nagelhouten verkocht. Er waren enkele opkoopers die deze fijnere vleeschwaren inzoutten en rookten, en naar de grootere plaatsen verzonden. Het geld dat de varkens opbrachten moest veelal bestemd worden voor betaling van hooigras, hypotheekrenten enz. althans voor buitengewone uitgaven.”

    Bronnen


  • Waarom luiden de klokken?

    Waarom luiden de klokken?

    Al eeuwen luiden de klokken van de Oude Sint Helenakerk in Aalten om de bevolking op de hoogte te stellen van sterfgevallen, het zogenaamde ‘overluiden’.

    Het komt regelmatig voor dat de klokken van de Oude Helenakerk ’s ochtends op diverse tijdstippen geluid worden. Vroeger gebeurde dat overigens vaker dan tegenwoordig. In vroeger tijden wist ook bijna iedereen wel wat dit betekende. Aan de hand van het tijdstip en het aantal slagen konden de mensen namelijk afleiden in welke buurtschap iemand gestorven was en ook of het een kind was, een vrouw of man en of de overledene gehuwd of ongehuwd was.

    Het gebruik dat de klokken geluid worden als ergens een sterfgeval heeft plaatsgevonden heet ‘overluiden’. Al vele eeuwen klinkt er klokgelui uit de monumentale toren van de kerk op dagen midden in de week. Menigeen staat er even bij stil en denkt: memento mori.

    De klokken van de Oude Helenakerk op de Markt in Aalten worden nog altijd voor dit plechtige moment gebruikt, altijd in overleg met de nabestaanden. Het overluiden kan voor alle overledenen gedaan worden, dus niet alleen voor leden van de Protestantse Gemeente.

    Betekenis

    Worden de klokken geluid om 9.30 uur dan betreft het een inwoner van de buurtschap Lintelo. Gebeurt het om 09.45 uur dan is iemand van de Haart overleden. Om 10 uur wordt geluid voor een sterfgeval uit Dale of IJzerlo en om 10.15 uur voor iemand uit de Aaltense Heurne. Gaat het om iemand uit Barlo dan is het tijdstip 10.30 uur. Vaak wordt om 11 uur geluid, dan wordt een overledene uit het dorp Aalten overluid.

    Bij een man of weduwnaar wordt er voor en na het overluiden driemaal geklept met de klepklok. Bij een vrouw of weduwe wordt er twee keer driemaal voor en na het overluiden met de klepklok geklept. Bij een ongehuwde of een kind gebeurt dat drie keer tweemaal voor en na het luiden.

    Overluiden Aalten
  • Nôkse karke

    Nôkse karke

    De oude Sint Helenakerk was zelfs voor ras-Winterswijker Bernard Stegeman een inspiratiebron.😊 Hij schreef het gedicht Nôkse karke over Aaltens markante middelpunt op de Markt (jaartal onbekend). De tekening is van geboren Aaltenaar Piet te Lintum.

    ‘Maor noo löp miene reize toch haoste ten end’
    Lao’ws kieken, mi’j wacht er nog ééne.
    Jao ‘k zee ’t al, daor ginder dee karke op den bult,
    Zoo mooi, a’k nog zelden heb e-zeene.
    Das Aalten, mo’j wetten, ’t aardige darp,
    waor ‘k nog iederbods geerne komme praoten,
    Ik kenne er de menschen, ik weet ‘er den weg
    Deur zien wondere, golvende straoten.
    Wat ligt er dat marktplein daor hoog’ op den bult
    En hoo noks hönk dee karke der teggen,
    ‘k Hebben e-heurd, dat ’t darp naor den bult is e-neumd,
    Maor of ’t waor is, dat dörv’ ik neet zeggen.’

    Oude Helenakerk, Aalten, tekening Piet te Lintum
  • Aaltense boerderijnamen verklaard

    Aaltense boerderijnamen verklaard

    Aalten heeft een groot aantal boerderijen met een eigen naam. In het adresboek van de gemeente Aalten uit 1967 worden er zo’n 480 genoemd. Bijna al deze namen zijn uniek. Om verwarring te voorkomen lag het voor de hand om een boerderij een naam te geven die nog niet voorkwam. Wel vindt men bijvoorbeeld het Oude Loo en het Nieuwe Loo, Groot Kampe en Klein Kampe, zelfs ’t Paske, Groot Paske, Klein Paske en Nieuw Paske. Dit zijn vaak boerderijen, die voorheen één hofstee vormden, maar die bij verdeling onder de kinderen in delen is gesplitst. Namen met “Olde” of “Oude” wijzen dan op het oorspronkelijke huis.

    Wanneer men die namen gaat bekijken, doet men een interessante ontdekking. Ze zijn in te delen in verschillende groepen. Zo is er een groep namen, waaruit men kan opmaken hoe de begroeiing rondom het erf vroeger was en in wat voor milieu de boerderij werd gesticht. Een andere groep wijst op het bedrijf, dat daar vroeger naast landbouw en veeteelt werd uitgeoefend. Veel boeren, en vooral de kleine, hadden voldoende tijd om er iets naast te doen en er wat bij te verdienen, wat dikwijls noodzakelijk was.

    Nu is het geven van namen aan boerderijen al zeer oud. In het verpondingskohier van 1647/50 staan onder Aalten de personen genoteerd die de verponding (een grondbelasting) moesten betalen, evenals onder Bredevoort. Maar onder de buurtschappen worden de namen van de boerderijen vermeld, met daarachter de namen van de bewoners. Zo hebben we een lijst van hofsteden die toen bestonden. Veel van de tegenwoordige namen komen er al in voor.

    Uit verschillende archieven van kerken en kloosters en dergelijke kan nog een vroegere lijst, van vóór 1500, worden samengesteld. Zo blijkt bijvoorbeeld dat het Kurtebeke in de Heurne al in 1200 werd genoemd. Vóór 1500 vinden we onder andere de Ahof (Huis de Pol), den Honhof (Nonhof), Buclo (Bokkel), Marchwardinck (Markerink), Welinch, Hengevelt, Ruwenhove, ten Westendorpe, de Boegel (nu Smees), Lohues, Lichtwerdinck (Ligterink), Meijnencamp, Snoeijenbuijsch, en nog vele anderen. In totaal zijn er 72 boerderijnamen bekend uit die tijd.

    Bolwerkweg 7, Barlo (Het Bokkel)
    ’t Bokkel, Barlo

    Men moet wel een zeer grote fantasie bezitten om zich te kunnen voorstellen, hoe het Aaltense land er eeuwen geleden uitzag. Negen tiende van het land bestond uit heide, bos en moeras. De bebouwbare oppervlakte was gering en werd slechts gebruikt voor de teelt van groenten en enkele graangewassen. De meeste boerderijen waren klein: stedekes. Markeverdeling, kunstmest en betere afwatering hebben een einde gemaakt aan de prange en de marode van de boer.

    Boerderijen, genoemd naar de begroeiing van de omgeving

    Namen die voor zichzelf spreken zijn: Heidekamp, Heidelust, Heidehof en Heideman. De Neeth (den Heet): heide. Onder ’t Veld verstond men woestliggende grond, voornamelijk wel het heideveld, zie ook Veldhuis. ’t Boske, den Bosch, Bosvliet, Giezenbosch, Boschhoeve, Oosterbosch, Paskerbosch, Scholtenbosch en het Boskerslag (een stuk bos, dat aan de gemeenschappelijke grond onttrokken was), ’t Loo, ’t Loohuis, Looman, het Oude en Nieuwe Loo.

    De volgende namen vragen om een verklaring: Bokkel, in 1284 Buclo genoemd, beukenbos. Het Walfort heette voorheen het Waldenvort, een voorde (door de Slinge) bij het Wald, bij het bos. Zo ook Walvoort op de Haart, met een voorde door de Keizersbeek.

    Gendringseweg 44, Lintelo (Olde Brusse)
    ’t Olde Brusse, Lintelo

    De naam Voorst (van forestis) werd gebruikt voor een woud, waarin niet gejaagd mocht worden; het was privé jachtterrein van de koning of de heer. Het terrein van de Snoeijenbos is in het bos gerooid. Brusse is gevormd van: Brusch, struikgewas, ’t Hagt en het Heegt: bos van laag hout, misschien bestaande uit hagedoornstruiken.

    De Slehegge kan aan de sleedoorn herinneren, ’t Heggeltje: een kleine hagt. De Hakstege lag aan een smal pad (stege) door het hagt. De Rieste dankt zijn naam aan het rijshout. De Heisterkamp is gesticht op een terrein, waar veel struikgewas groeide.

    In 1386 komt de naam Varenvelde en later nog het Verrevelt voor, wat nu het Vervelde is, De Veernhof is ook ontstaan in een veld vol varens. De Tente dankt zijn naam aan de tente, het boerenwormkruid. De Greute herinnert aan de gruit, de gagel, waarmee men het bier gistte en die op moerassige grond groeide, evenals het riet, wat men terugvindt in de naam de Riete. Woest onbebouwd land, vage vindt men terug in Vaags.

    Boerderijen, genoemd naar dieren

    De Kiefte (Kievit), de Kikvorsch, Welpshof (Wulp), Nachtegaal, Koekoek, Vossebult, Vosheurne, Gantvoort, genoemd naar de gans. Het voormalige Grevink was genoemd naar de das, de greving, die zo goed holen graven kan.

    Boerderijen, op een hoogte gelegen

    Men moet zich van deze hoogten geen grote voorstelling maken. Een verhevenheid van een halve meter werd al een bult, een horst of een heuvel genoemd. Deze hoogten boden geen enkele bescherming tegen de vochtige omgeving. De huizen waren erg vochtig.

    Namen als De Bulte, Bultink en De Heuvel spreken voor zich. De Brink (brinc) was een met gras begroeide hoogte. De Bree (van bride) wordt beschouwd als een akker op de es. Drenthel (oorspronkelijk Drenthelo): bos op een hoogte. Haartman en Haartelink: een haart is een hooggelegen heideveld. Hengeveld (heng, helling), Hillen (hil, heuvel), Hoopman, de Klinke (heuvelachtige heidegrond met hier en daar plassen en poelen).

    De Horst (een met laag hout begroeide hoogte), Leemhorst, Seinhorst, Stokhorst en Winkelhorst. Leeland (lee, heuvel, ook gerichtsplaats), de Limbarg (leemberg?). De Pol: een zandheuveltje, dat als een eilandje boven de omgeving uitstak. Pikpolle (pec, armoede): schamele hut op een pol.

    Tammel (in 1384 Tanbulen): dennenbos op een bult? Hondorp: dorp, terp, hoogte ter grootte van een hont, een oppervlaktemaat. Ook het Westendorp wijst op een hoogte. Wierkamp: wier, wierde, hoogte uitstekend boven een natte omgeving.

    Boerderijen, in op bij een moeras gelegen

    Het grootste gedeelte van de gemeente Aalten was vroeger moeras. Alleen de heuvelrug Bocholt–Vragender stak boven de moerassen uit. Deze broeken waren ontstaan doordat de riviertjes de Slinge, het Zilverbeekje en de Keizersbeek het water niet voldoende konden afvoeren. Daarom hebben zoveel boerderijen een moerasnaam, zoals Goorhuis, Goorman, Goorzicht, Moorveld, de Stroete (drassig onland), Veenemaat, Groot en Klein Veenhuis, ’t Veentje, Wijnveen (winne boerderij, boerderij in het veen), Hagenbroek (een broek met hagendoornstruiken), Kortenbroek (een broek met kort gras en daarom onvruchtbaar land), de Woerd (woert, laag liggend land).

    Bolandsweide (bol, week, moerassig, modder). De Nonhof (in 1281 den Honhof) en de Hennepe (in 1284 Honepe), beide namen van “hoen” en “huun” gevormd. Luiten, in de volksmond Luten, was laaggelegen slecht land, lute, terwijl Maris vrijwel hetzelfde voorstelde: moeras. Glieuwe: gliede, zwarte glanzende grond, turf. Somsenhuus: somp, moerassig land. Pietenpol (in 1640 Pytenpoel): pitte, put, kuil, dus een poel op een lage plaats, De Put (kuil, poel). ’t Slaa: slade, heideplas, moeras. Te Sligte (in 1384 Schlichte): vlak moeras. Mager: pover schraal land. Het Navis bezat een vochtige weide; nate, nat en vis, Wisch, wiese, weide. Bij Amerongen staat nog de middeleeuwse woontoren de Matewisch.

    Pietenpol, Lieversdijk 4, Haart
    Pietenpol, Haart

    Kampnamen

    Kiefteweg 4, Heurne (Stapelkamp)
    Stapelkamp, Heurne

    Een aantal namen eindigen op -kamp. Oorspronkelijk waren de kampen kleine stukjes land, die in de bossen van struikgewas en bomen waren ontdaan, ontgonnen bos dus. Later heeft het woord kamp de betekenis gekregen van akker.

    De Kamp, Grote en Kleine Kampe, Barnekamp (een terrein, dat door afbranden van bos is ontstaan), Boomkamp, Graaskamp, Haverkamp, Heidekamp, Heisterkamp, Langenkamp, Leemkamp, Maatkamp, Middelkamp, Nieuwkamp, Schuttenkamp (een boerderij, die nogal verscholen, verborgen in het land lag?), Stapelkamp (een plaats waar een stapel, een gerichtspaal stond, een gerichtsplaats dus), Tolkamp, Wierkamp. Verder ook de namen Oud, Nieuw en Klein Kempink, Kemper en Overkempink.

    Ontginningsnamen

    Slechts enkele namen herinneren aan het ontginnen van woeste gronden. Nijland, Nijveld, Nijhof, Nieuwkamp, Nieuwe Weide. De Bijvanck, wat er bij gevangen, bijgenomen werd. Te Brake wijst ook op het ontginnen, het breken van de woeste grond. Ruwhof: rude, rode, ontgonnen land.

    Boerderijen, die herinneren aan passen, hekken, tollen enz.

    Een pas is een doorgang in een landweer, een houtwal. De bewoner van de nabij gelegen boerderij moet oppassen, toezicht houden op de binnenkomende personen. Zo’n boerderij droeg soms de naam “Pasop”. Langs de Romienendiek liggen bijvoorbeeld het Paske, de Pasop en de Paskerhut: de bewoners moesten de personen in de gaten houden die door de Wolboom en het Zwarte Veen de marke binnenkwamen. Op de grens met het Varsseveldse gebied bij de Varsseveldseweg, ligt ook een Pas. Aan de Varsseveldse zijde liggen hier de Loerdijk en de Kijkuit. De marken waren goed beschermd.

    ’t Pashuus, de Nieuwe Pas, Oude en Nieuwe Pasop, Nieuw, Groot en Klein Paske. Ook het Fort moet tot deze groep gerekend worden: furt, een doorgang door een landweer. De bewoners van Straks (strang, streng) en Ongena waren voor de binnenkomende vreemdelingen wel ongemakkelijke heren!

    Tot degenen die mede de marke onder hun hoede moesten nemen, behoorde de bewoner van het Markerink, vroeger March-ward-inck geheten. Een werde was een wachtpost, een plaats waar men toezicht moest houden op de binnendringende ongure elementen. Een zelfde activiteit werd verwacht van het Ligterink, dat in 1435 Licht-werd-inck genoemd werd: het oppassen viel daar schijnbaar nogal licht. De plicht, van het wachthouden lag ook op de Kuier en de Kuierman: koeren, kuren betekende “uitkijken”.

    Woonde de schutte, die het vee van een andere marke, dat in de eigen marke was binnengedrongen, in beslag moest nemen, moest schutten, op de Schuttenkamp en woonde zo iemand ook op de Man-schot-weide? Aan de tollen herinneren Slotboom, de Stokkert, ’t Bonte Hek, Klaphekke, ’t Tolhuis, Tolkamp en Tolder (tolgaarder).

    Herinneringen aan de kerk

    De Pater, ’t Klooster (genoemd naar het klooster Schaer), Kerkhof (een hoeve van de kerk), Kerkkamp, Neerhof (den Heerhof, bewoond door de monniken), De Kloeze, kluizenaar, misschien ook Klaus. Kosters custerie: de opbrengst van dit goed was voor de koster.

    Kleine woningen

    Kleine woningen kregen de naam van hutte: de Hutte, Bazenhutte, Bramer Hutte, Brassenhutte, Bruggenhutte, Jacobshutte, Paskerhut, Wendelenhutte, Stronkshutte. Soms werd een woninkje afgeschoten in een schuur, een schoppe: de Schoppert, Drenthelschoppe, Freriksschure, Kortenschoppe, Reinders Schoppe, Schurink, Slaa Schoppe. Ook een spieker (korenopslagplaats) werd wel als woning ingericht: Brussen Spieker, Drenthel Spieker, Spiekershof, ’t Ni-je Spieker. Koskamp (van kotkaap, cote, hut).

    Boerderijen, waar een nevenbedrijf werd uitgeoefend

    Beestman (veehoeder), de Scheper (schaapherder), Sweenen (zwijnenhoeder), Fukker (fokker), Peerdeboer, ’t Villeken (waar gestorven dieren werden gevild en de huiden werden gelooid), Baten (beten, het looien van huiden). De Brasse (brouwerij), Pakkebier (backe, ook brouwerij), Schenk (schenkhuis, tapperij) en Slikkertap (een tap in het slik, moeras).

    Brethouwer (moeten we ‘bret’ hier interpreteren in de betekenis van plank, dus iemand die planken maakte?), de Klumper en Klompenhouwer (‘houwen’ is hakken of snijden), Kolstee (plaats waar houtskool werd gebrand), Kuiper, Draaijer, Kappers, Kleuver (herinnering aan het kappen en kloven van hout), de Smid en ’t Smees (vroeger Smedeserve). Papiermolen, de Olde Mölle, ’t Olde Mulder, de Görter (grutter, pelmolenaar), Te Roele (in 1640 ten Rule – rullen, pellen van graan, pelmolen).

    Bouwhuis Wever, Kloosterdijk 9, 't Klooster (2009)
    Bouwhuis Wever, ’t Klooster

    Den Blauwen (blauwverven van linnen), de Wever, Bouwhuis Wever, Weversborg, de Pellewever (wever die fijner goed weefde, zoals damast en tafellinnen), Schreurs, Snieder en Snijdershuis (kleermakers). Kremer (marskramer) en Klodde (voddenkoopman). Speelman (iemand die met een muziekinstrument de feesten opvrolijkte) en de Piepert (pijper, fluitspeler). Krieger (bewoond door een soldaat? In 1640 kwam in Barlo ook een soldaetencamp voor).

    Boerderijnamen eindigend op -ink enz.

    Een veertigtal boerderijnamen eindigen op -ink. Deze wijzen grotendeels op het bezit, op het goed van een bepaald persoon. Ze zijn voornamelijk samengesteld uit een persoonsnaam + -ink. Er zijn uit alle mogelijke archiefstukken lijsten samengesteld van eigennamen, die in de middeleeuwen voorkwamen en aan de hand van deze lijsten kan men een aantal boerderijnamen verklaren.

    Eppink, Romienendiek 4, Dale
    Eppink, Dale

    Dit zijn b.v. Ansink (van Anso), Beusink en Bussink (van Buse), Bulsink (van Bule), Beunk (in 1640 Bo-ynck-mate), Buunkmate (Bonninckmate) en Bunink (1248 Bonninck), alle drie van Bono. Misschien is ook Bongen van Bono afgeleid), Bijnen (1284 Benninck, van Benno), Deunk (in 1366 Dudinc? van Dudo), Elferink (van Alfhard), Eppink (Eppo), Mekkink (Menko), Pennings (Pinno), Pöppink (Poppo), Wensink (Wenzo), Wesselink (Wezilo), Wikkerink (Wikko), Obeling en Oberink (Obo), Lurvink (Lurvo), Rensink (Rinzo), Lensink (Landso), Siebelink (Siebo), Swietink en Swijtink (Swid), Welink (Willo), Wennink (Wanno). Ook Oonk moet hierbij gerekend worden; 1366 Odino (Odo), Gussinklo: bos op het goed van Godso.

    Hoenink, Huinink en Hunink lagen in een hoen, een huun, een moeras. Een andere verklaring waar we, volgens het CBG Centrum voor familiegeschiedenis, rekening mee moeten houden is dat namen als Hoenink en Huinink teruggaan op de Germaanse persoonsnaam Huno.

    Er is echter een aantal namen, die niet op persoonsnamen zijn terug te voeren. Zij hebben duidelijk op iets anders betrekking. Dat zijn: Bekink (ligt bij een beek), Bultink (ligt op een bult), Doornink (ligt in of bij een doornbos), Eekink (ligt op een terrein met eiken), Essink (ligt op een Es), Heijink (ligt op de hei), Kempink (ligt bij of in een kamp), Haartelink (ligt op een Haart). Rengelink kan duiden op een “rinc”, wat een gerechtsplaats was. Op de Borninckhof ontspringt de Haartse Wetering, daar liggen dus bronnen. Op het vroegere Richterink hield de richter zijn geding.

    Er is een tijd geweest, dat men de betekenis van de uitgang -ink niet meer begreep. Men ging toen namen vormen met “stedeke” en “goet”. Zo vinden b.v. Heijnengoet, Goossenstedeke enz. In het latere taalgebruik liet men de woorden stedeken en goet weg. Freriksgoet werd Freriks, Rutgerstedeken werd Rutgers. Ook hier weer veel boerderijnamen, gevormd van persoonsnamen: Freers, Freriks, Bullens (van Bullo), Ebbers (van Ebbo), Goosen (Goosen, Goos), Heinen (Hein), Lammers (Lammo), Lievers (Lieven), Lindert (Lindert), Lubbers (Lubbert), Reinders (Reinder), Rutgers (Rutger), Wiggers en Wiechers (van Wigger), Wubbels (van Wubbel), Wolters (Wolter) en Rikkert (Rico).

    Namen eindigend op -huis (-huus in het dialect) zijn Bartshuis, Devenhuus, Dorushuus, Japikshuus, Kobushuus, Matthijsenhuus, Luuksenhuus (volksnaam voor Lucas). Boerderijen met enkel een eigennaam: Maas (volksnaam van Thomas), Thijs (Mattheus), Jonen (Johannes), Liezen (Elisabeth), Wendelenhutte (Wendelin), Karsjes (Christina), Koop (Jacob).

    Aparte vermelding

    Naast de boerderijen die in bovenstaande groepen zijn ingedeeld, zijn er nog enkele, die aparte vermelding verdienen: de Tuunte was omgeven door een tuun, een gevlochten omheining, evenals de Vreman en het Vreveld. De Zigtvrede had enkele voorkeursrechten bij de jaarlijkse verdeling van de markegronden. Een van deze boerderijen wordt in 1640 Seegvreden genoemd, geheten naar de seege, de geit. De Hegge was omringd door een haag. Het Sonderen had ook rechten; een deel van de gemeenschappelijke grond mocht voor eigen gebruik worden aangewend. Dat deel werd uit de marke afgezonderd. Het Meijnen is eveneens een deel van de gemeenschappelijke marke geweest.

    Het Haverland en de Haverkamp hadden de plicht haver te leveren aan heer of kerk, enz. Op de Hemelmaat werd recht gesproken; een hegemael, een heimael, was een door een heg omgeven ruimte, waar een mael, een rechtzitting gehouden werd. De Akkermaat dankt zijn naam aan een weide, die in een dag gemaaid kon worden en de Maandag aan het stuk land dat in een dag met het gemende vee kon worden geploegd. Een vroegere naam zou dus geweest zijn: Mendag. De Hogewind moest eigenlijk de Hogewend heten, want dit was het hoge eind van het land, waar de ploeg gewend werd, gekeerd.

    Het Grotenhuis geeft inlichtingen over de omvang van het huis en het Nieuwenhuis (in 1640 Nijenhuis) wijst op een toen nieuw gebouwde woning, net als Nijboer. Het Lankhof en Scheel geven de vorm van het land aan: lang en scheef. Het Korten (in 1640 Kortenstedeken) was maar kort van land. De Heurne had een vorm van een hoorn, een spits toelopend stuk land evenals de Timp en de Timpert. Droevig was het gesteld met de Prange, de Marode en de Drommelder, welke namen alle drie vertaald kunnen worden door ellende.

    Het Smol was “klein en gering”. Kan de Huikert een hooiweide zijn geweest of is het een vervorming van de volksnaam Huik voor Hugo? Het Botervat: botterweide? Het Westendorp, het Oosterbosch, de Oosterhoeve en de Oosterman ontlenen hun naam aan de windstreken, waarnaar ze gericht liggen. Op de landbouw wijzen: Bouwlust, Bouwhuis en het Bovelt (bouwveld). Is het Hillo (Heiligelo?) een herinnering aan het heidendom of was het een lo op een hil (heuvel)? De Leste Stuver was vroeger een herberg bij Bredevoort waar rondtrekkende mensen hun laatste stuiver kon verbrassen.

    Hessenweg 18, Dale (Grotenhuis)
    ’t Grotenhuis, Dale

    Fantasierijke personen hebben zeker gewoond op Avondrood, Morgenrood, Bestevaer (‘grootvader’), Driekleur, Midden in ’t Land, Nooitgedacht en de Vlijt. En de bedenkers van de namen Meihof en Meihuis hebben zeker oog gehad voor het mooie groen en de kleurrijke bloemen in de maand mei.

    Bron


  • Oorman

    Oorman

    Een oorman, soms oormenneke genoemd, is een kamer die bij sommige (dorps)boerderijen werd aangebouwd, waar de bejaarde ouders van de bewoners hun laatste levensjaren woonden. Tegenwoordig zou men wellicht de term ‘aanleunwoning’ gebruiken. Een oorman was soms ook gehuurd door een alleenstaande persoon. Het was een kamertje van ongeveer twee bij twee en een halve meter, waarin een alkoof als slaapplaats diende.

    Over de herkomst van het begrip ‘oorman’ schrijft E.M. Smilda in Aalten en Bredevoort in oude ansichten het volgende:

    “De benaming ‘oorman’ moet naar mijn mening zeker niet worden beschouwd als te zijn afgeleid van ‘zoals de oren van een mens uitsteken, zo ook is een oorman een uitbouwsel aan het boerenhuis’. Integendeel, het is genoemd naar de bewoner zoals dat in deze streek gebruikelijk is. Beter gespeld heet het huisje ‘oirman’. Vondel laat in een van zijn stukken vragen: “Hebt gij dan geen oir?” Met ‘oir’ wordt erfgenaam bedoeld. In het eindkamertje, bij een boerderij aangebouwd, kon de oudere man die wel een oir had zijn laatste levensjaren doorbrengen. Hij was de oirman, woonde daar, hielp nog wel wat hier en daar en had de kost vrij. In geheel Nederland komt deze originele naam ‘oirman’ alleen in Aalten voor.”

    De laatste Aaltense oorman bevond zich in de Hogestraat, nummer 38/40.

    Bronnen


    • ‘Aalten en Bredevoort in oude ansichten’, door E.M. Smilda
  • Nirwana & De Keet

    Nirwana & De Keet

    Varsseveldsestraatweg 1 en 3, Aalten

    Het begin van de Varsseveldsestraatweg, van de kruising met de Landstraat / Lichtenvoordsestraatweg tot de toenmalige Ds. Stegemanschool, was vroeger erg smal. Het werd daarom in de volksmond het “Nauw van Calais” genoemd. In de jaren zeventig van de vorige eeuw is de straat verbreed door een aantal woningen te slopen. In twee panden die voor de verbreding moesten wijken hadden jeugdgroepen een onderdak gevonden, Nirwana en De Keet.

    In een krantenbericht uit (vermoedelijk) begin jaren zeventig stond het volgende:

    In het kader van de verbetering van de kruising Varsseveldsestraat met de Landstraat zal de gemeente Aalten één dezer dagen een begin maken met de sloop van de panden Varsseveldsestraat 1 en 3. De sloop is noodzakelijk omdat de doorgang ter plaatse veel te nauw is. In de panden, die, in afwachting van de sloop, reeds geruime tijd leeg stonden hebben twee jeugdgroepen een onderdak gevonden. De ene groep heeft zich de hemelse naam “Nirwana” aangemeten, de andere groep heet gewoon “De Keet”.

    Met de sloop van hun behuizingen worden de groepen min of meer met de ondergang bedreigd, omdat men nog geen nieuw onderdak gevonden heeft. Niettemin is men van plan de panden zonder moeilijkheden te verlaten. Met de ontruiming is al begonnen.

    Voor talloze Aaltense jongelui is het voortbestaan van beide groepen van het grootste belang. “De groepen voorzien duidelijk in een behoefte”, zo meent groepscommandant der rijkspolitie J. Westerink, die zich overigens bijzonder positief over de groepen uitlaat. Ook de gemeentelijke overheid stelt zich sympathiek op, maar vindt wel, dat de jongelui eerst moeten proberen zelf een onderdak te vinden, voordat zij bij de gemeente aankloppen. Uit een gesprek met beide groepen blijkt al gauw, dat er grote onderlinge verschillen zijn.

    Nirwana

    De Nirwana-groep is een duidelijk “links” georiënteerde groep. Opmerkelijk zijn de overeenkomsten met de in Lichtenvoorde zo vergalde “Pick”, een jongerengroep die in die gemeente nogal wat stof heeft doen opwaaien. “Nirwana” kent geen bestuur. Er is geen enkele controle op wat de aanwezigen doen. Wie zin heeft in een flesje pils pakt dat en men vertrouwt er op, dat het ook betaald wordt. Gebeurt dat niet, dan maakt niemand zich daar druk over. Ons uitgangspunt is vertrouwen, zeggen de trouwste Nirwana-leden.

    Grif wordt toegegeven dat in de club regelmatig getript wordt. Bij een onderzoek dat de politie enige tijd geleden instelde (Nirwana-leden spreken van “de inval”) wees alles op het gebruik van drugs, hoewel de politie geen verdovende middelen heeft kunnen vinden. Wel werd een waterpijp in beslag genomen.

    Nirwana kent een kussenzolder, waar vrij-lustigen zich naar hartewens kunnen uitleven. Toch stelt men duidelijk prijs op een sociaal gedrag. Hierover één van de Nirwana-leden aan het woord: “Enige tijd geleden kwam het veel voor dat stelletjes hier binnen kwamen en dan meteen door renden naar de zolder. Voor ons waren ze dan onbereikbaar. We vonden dat een a-sociaal gedrag. Daarom zijn we er met zijn allen om heen gaan zitten en hebben hen zo duidelijk gemaakt dat wij ook hun belangstelling verdienden”.

    Er wordt in deze club veel geslapen. Mensen die geen slaapplaats kunnen vinden kunnen hier terecht. Er blijken heel wat buitenlanders van deze mogelijkheid gebruik te hebben gemaakt. Maar ook Aaltense jongelui die bijvoorbeeld vanwege ruzie met de oudelui niet naar huis willen kunnen in Nirwana een onderdak vinden.

    Politieke belangstelling gaat uit naar de CPN, de PSP en misschien de PvdA. Politieke onderwerpen dienen vaak tot gespreksstof. Men overweegt in de toekomst een Nirwana-krant te gaan uitgeven. De overige activiteiten zijn vrij beperkt. Er wordt veelal naar muziek geluisterd, weinig gepraat en veel niets gedaan.

    De Keet

    Pal naast Nirwana, aan de rechterzijde heeft “De Keet” een onderdak gevonden. Enkele duidelijke verschillen springen in het oog. De inrichting van “De Keet” is veel ordelijker. Er is hier een barman die drankjes verkoopt en een discjockey die bepaalt welke plaatjes er worden gedraaid. De organisatie berust zeer duidelijk in handen van een autoritaire kerngroep die de diensten uitmaakt.

    De mensen die zich aangetrokken voelen tot De Keet zijn over het algemeen wat jonger dan de Nirwanaërs. Orde en regel heersen. We willen het leuk houden, zeggen de kerngroep-leden. Vrijen mag natuurlijk wel, maar niet te gek. Wie tript gaat eruit, daar moeten we niets van hebben. Trouwens met de lui hiernaast willen we niets te maken hebben (een duidelijk afkeurend gebaar in de richting van Nirwana). De vertrouwensbasis van Nirwana achten de Keetleden niet reëel. De instelling is hier ook duidelijk materialistischer. Als ze bij Nirwana wat meer op hun centen hadden gepast hadden ze nu zeker tienduizend gulden gehad.

    De Keet vindt het maken van een goede indruk bij de oudere generatie van het grootte belang. We willen graag dat onze ouders het goed vinden dat we hier komen. Er wordt hier ’s nachts dan ook niet geslapen. De discussie gaat hier dikwijls over muziek, godsdienst, algemene zeden en politiek. De voorkeur gaat uit naar de regeringspartijen.

    Verwaand

    De Nirwana-leden verwijten de lui van De Keet een bekrompen denkwijze. Wel geven ze toe, dat de muziek bij De Keet beter is. Ze vinden de Keet-mensen verder wel “lieve jongens”. In de ogen van de aanhangers van De Keet zijn de Nirwanaërs verwaand. “Ze denken dat ze meer en beter zijn dan wij, ze houden er een domme manier van herrieschoppen op na en hebben onverstandige uitgangspunten“, zo menen de Keet-mensen.

    Hoewel de Aaltenaren in de buurt wel eens klagen over te veel lawaai en plagerijtjes vallen de klachten over het algemeen wel mee. Adjudant Westerink, die, zoals gezegd zich vrij positief opstelt heeft toch wel bezwaren. “Er is geen vaste doelstelling”, zegt hij. “Er is alleen maar vaagheid. Maar misschien is die vaagheid (vrijheid, zeggen de clubbezoekers) wel hun doel”. Het contact dat de adjudant heeft gehad met de kerngroepleden noemt hij goed. De enkelingen bederven het, meent hij.

    Over druggebruik: “Ik neem wel aan dat er drugs gebruikt worden, hoewel men daar geen overdreven voorstelling van moet maken. Overal waar tegenwoordig jongeren bij elkaar zijn worden die middelen doorgegeven. Laatst is zoiets ook nog in het feestgebouw voorgevallen”. De heer Westerink gelooft niet dat de groepen de sympathie van de Aaltense bevolking hebben. Over het algemeen slaan die dingen bij de plaatselijke bevolking niet zo aan. Wel vindt hij dat de Aaltense bevolking soms al te negatief reageert.

    Subsidie

    Nirwana heeft een verzoek ingediend bij b en w om subsidie. Mochten b en w besluiten deze kwestie aan de Aaltense raad voor te leggen, dan belooft het een interessante discussie te worden. De grootste zorg voor beide groepen is voorlopig het vinden van onderdak. Anders moeten ze weer de straat op.

    Bronnen


  • Aalten krijgt een eigen Twenclub

    Aalten krijgt een eigen Twenclub

    Nieuwe Winterswijksche Courant, 19 oktober 1966

    JEUGD NEEMT ZELF HET INITIATIEF

    Verantwoorde ontspanning in eigen sfeer

    Les Doremi - Nieuwe Winterswijksche Courant, 19-10-1966
    Ook de Aaltense groep „Les Doremi” zal natuurlijk binnenkort in de Twenclub optreden.

    Hans Huinink, Bert Stronks en Wim Mateman uit Aalten hebben de koe bij de horens gepakt. De Twen-koe, wel te verstaan. Zij hoorden jarenlang de klacht dat er in Aalten zo weinig ontspanningsmogelijkheden waren. En dat daarom tal van Aaltense jongelui in het weekeinde naar omliggende plaatsen gingen (o.a. Winterswijk en Groenlo) om daar gezelligheid en vertier te zoeken.

    Hans, Bert en Wim, beide eerstgenoemden leerlingen van de kweekschool in Doetinchem, laatstgenoemde student in de sociologie, hebben zelf ook meegedaan aan het uiten van die klacht. Maar ze realiseerden zich tegelijkertijd dat men met het uiten van klachten alleen het probleem niet oplost. Zij hebben met leeftijdgenoten ideeën besproken en de plaatselijke overheid gepolst.

    De prettige reactie die men van burgemeester Van Veen kreeg, droeg er toe bij dat men besloot „iets te gaan doen”. En daarom komt er in Aalten een „Twenclub ’66” die a.s. zaterdag in café-restaurant „’t Noorden” van start zal gaan.

    Voorlopig zal deze club haar wekelijkse meetings (in twen-style, zoals de organisatoren dat noemen) houden in ’t Noorden. Het zal echter een geheel op zichzelf staande club zijn met een aparte clubruimte, die geheel in een moderne twensfeer gebracht zal worden en aangepast aan de eisen van de leden. Voor deze smaakvolle aankleding zullen de organisatoren zelf zorg dragen. Het aangekondigde programma ziet er aantrekkelijk uit. Regelmatig zullen er bekende bands aangetrokken worden, die natuurlijk beat, maar ook andere, lichte genres zoals countrymuziek en dixieland-jazz zullen brengen. Daarnaast zullen er discobals georganiseerd worden, waarvoor de initiatiefnemers de beschikking hebben gekregen over een hypermoderne geluidsinstallatie.

    Eigen sfeer

    De Twenclub ’66 zal een besloten karakter dragen om een geheel eigen niveau en sfeer te kunnen handhaven. Dat is tegenwoordig een gebruikelijke gang van zaken bij ontspanningsgelegenheden voor jongeren. Met een lidmaatschapskaart zal men echter ten alle tijde toegang tot de club hebben. Deze toegang is in beginsel, vrij, maar de organisatoren houden zich het recht voor om bepaalde eisen te stellen. „We streven naar een gezellige, losse sfeer, waarin men zich vrijuit kan ontspannen bij muziek, dans en ontmoeting met leeftijdsgenoten. Wie zich niet aan de clubregels houdt zetten we zonder pardon buiten de deur” zeggen de bestuursleden vastbesloten. Zij zijn ervan overtuigd, dat het merendeel van de jongeren, en zelfs ouders achter hun doelstelling (verantwoorde ontspanning tegen betaalbare prijs) staat.

    „Eenmaal in de week willen we er helemaal uit zijn.” In onze club krijgen de jongeren daarvoor de gelegenheid. De prijs van het lidmaatschap is zo laag mogelijk gehouden. Ook de studerende jongeren krijgen dus de kans om mee te doen. En al kost het aantrekken van goede bands veel geld, toch zullen ook de consumpties niet extra-duur zijn.

    De organisatoren overwegen zelfs om in de loop van dit jaar in de Twenclub een goedkope snackbar te vestigen, evenals een TV-hoekje, waardoor men zelfs zijn favoriete zaterdagavondprogramma’s niet hoeft te missen. Het bestuur heeft reeds zovele enthousiaste reacties ontvangen, dat zij hun Twenclub met veel vertrouwen lanceren. Op de openingsavond zal een zeer bekende beatband een geheel nieuw programma van bekende hits verzorgen. Voor wie lid wordt zal deze introduktieavond gratis zijn.

    Bron


  • Toeristen amuseerden zich met „Boerenbroedlachte”

    Toeristen amuseerden zich met „Boerenbroedlachte”

    In de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw organiseerde de Aaltense VVV ’s zomers ouderwetse ‘boerenbroedlachten’ voor toeristen. Met een ‘broedspaar in kistentuug’, het gevolg eveneens in folklorische dracht, prachtig versierde boerenkarren en een met talrijke roosjes versierde bruidskoe.

    Folkloristisch evenement (1959)

    Woensdagavond 5 augustus 1959 is in Aalten weer de traditionele door de V.V.V. georganiseerde „boerenbroedlachte” gevierd. Dat dit folkloristisch evenement aller waardering geniet bleek ook nu weer overduidelijk. Een duizendkoppige menigte, waaronder talrijke te Aalten verblijvende pensiongasten, verdrong zich op de Markt toen omstreeks half acht de bruidsstoet, bestaande uit drie versierde „karren”, arriveerde. Na de „huwelijksplechtigheid” ten gemeentehuize verscheen het bruidspaar op de trappen waar het door de menigte met een driewerf hoera werd begroet.

    Alvorens een rijtoer werd gemaakt door het dorp brachten de vendeliers van St. Helena een vendelhulde, waaraan de Aaltense Orkestvereniging haar muzikale medewerking verleende. Hierna werd het keurig uitgedoste gezelschap weer aan boord van de „bruidskar” gehesen, om al hobbelende de „huwelijksreis” door het dorp te maken.

    Ook de bruidskoe ontbrak niet in de stoet. Gemoedelijk voortsjokkend liet de viervoeter al de drukte over zich heen gaan. Op de „Kattenberg” had het traditionele touwspannen plaats, een gebruik waarbij de borrelfles alle eer wordt aan gedaan. Via Oosterkerkstraat, Meiberg en Damstraat toog het gezelschap daarna naar de Sociëteit aan de Hofstraat, waar in opgewekte stemming de bruiloft werd gevierd. Onder leiding van Gait Jan van ’t Walfort zat er al spoedig de stemming in, niet alleen door de gulle traktatie van krentenbrood etc., doch ook door de medewerking van de boerenkapel van de A.O.V.

    Net echt (1961)

    Woensdagavond 2 augustus 1961 was het weer „net echt” op de Markt te Aalten. De V.V.V.-Aalten vierde n.l. weer de traditionele „Boerenbroedlachte”, een schouwspel dat niet alleen de honderden in Aalten vertoevende vakantiegangers boeide, maar tevens ook vele Aaltenaren op de been bracht.

    Medewerking hieraan verleende weer de boerendansgroep „De Klepperklumpkes”, de Aaltense Orkestvereniging en de Vendeliers van het gilde St. Helena. Omstreeks acht uur arriveerde de bruidsstoet op de Markt, waar op het gemeentehuis de huwelijksvoltrekking zou plaats vinden. Overigens een wat ongewone tijd voor een huwelijksvoltrekking, maar de burgelijke stand had hiervoor speciaal het sluitingsuur verlengd.

    Het bruidspaar werd ten gemeentehuize ingeschreven onder de namen „Jan Willem v.d. Bleeke en Mina v.d. Göttert”. Bij het verlaten van het gemeentehuis wachtte het bruidspaar de traditionele vendelhulde, de rijtoer door het dorp en tot slot de „broedlachte” in de Sociëteit, waar als gasten de in Aalten vertoevende pensiongasten waren uitgenodigd.

    De moeite waard (1964)

    Op 29 juli 1964 was het ook de moeite waard, al ging het wat anders als gewoonlijk. Men had n.l. met moeilijkheden te kampen en die begonnen al voor dat de bruidsstoet op weg was naar het gemeentehuis. Gelukkig echter geen interne moeilijkheden, maar een bruidskoe die het liet afweten. Volgens Gait Jan van ’t Walfort was de koe „luk springerig” geworden en daarom werd besloten het, dier niet in de stoet mee te voeren.

    Toen de stoet nog maar nauwelijks op weg was naar het gemeentehuis, dreigde er een nieuw oponthoud doordat van een van de rijtuigen de hoepel van het wiel liep. Hij hield het echter vol zodat de stoet dan tot eindelijk, zij het met drie kwartier vertraging op de Markt arriveerde. De „ambtenaar van de burgerlijke stand”, kennelijk op de hoogte van de Aaltense gemoedelijkheid, maakte hierop echter geen aanmerking zodat het huwelijk tussen Gert Willem v.d. Galgenhutte en Drika v.d. Slikketap kon doorgaan.

    Tijdens de „plechtigheid” in de trouwzaal verzamelden zich voor het gemeentehuis honderden belangstellenden om een glimp te kunnen opvangen van het bruidspaar in „kistentuug”. Een ware ovatie barste los toen Gert en Drika in de deuropening verschenen en de gasten ruimschoots de gelegenheid gaven om hun plaatjes te schieten. Daarmee was het echter nog niet gebeurd. Integendeel, de pret begon pas toen de Klepperklumpkes wat klompendansen uitvoerden en met de dans „Wie gaot met z’n allen naor Hoksebargen too” ook de vakantiegangers in de gelegenheid stelden om de beentjes van de (Markt) vloer te gooien.

    Voorafgegaan door de Aaltense Orkestvereniging maakte de bruidsstoet vervolgens een rijtoer door het dorp, waarna in de Sociëteit de broedlachte werd gevierd. Velen hebben hier van de gelegenheid gebruik gemaakt om Gert en Drika geluk te wensen en deel te nemen aan de feestelijkheden. De vendelhulde van St.-Helena kon dit keer door omstandigheden niet doorgaan.

    Groot succes (1965)

    De grootste VVV-attractie die de in Aalten verblijvende vakantiegangers telkenjare wordt gebracht, de „Boerenbroedlachte” is gisteravond weer opgewekt gevierd. Aanvankelijk dreigde de regen spelbreker te worden, maar het bleef gelukkig droog, zodat ook de rondgang door het dorp door kon gaan.

    Aan de broedlachte ging zoals gewoonlijk de huwelijksvoltrekking op het gemeentehuis vooraf. Het was omstreeks acht uur toen de jonggehuwden, Johan van Bonthekkeman en Sina van de Moandag, op de trappen van het gemeentehuis verschenen, toegejuicht door de vele belangstellenden. Ruimschoots kregen zij de gelegenheid om het bruidspaar op de gevoelige plaat vast te leggen waarvan dan ook dankbaar gebruik werd gemaakt.

    Inmiddels waren de „Bloaskoppe” van de Aaltense Orkestvereniging in vol ornaat verschenen om de volksdansen van de „Klepperklumpkes” muzikaal te begeleiden. Ook de „spölleman” ontbrak niet op het appél toen de in witgeschuurde klumpkes en in schoenen met naaldhakjes gestoken voeten van de dansliefhebbers zich in beweging zetten.

    Er is gedanst en gehost dat het een lieve lust was en zelfs de keurig uitgedoste bruidskoe scheen deze malle sprongetjes grappig te vinden. Overigens had de bruidskoe het dit jaar toch wel bijzonder goed getroffen. Zij mocht zich laten leiden door de lieftallige in blauwe overal gestoken 19-jarige kleuterleidster Olga Walgemoet uit Arnhem die zich, het moet gezegd, uitstekend kweet van haar taak. Dapper stapte Olga later ook met de koe door Aaltens straten toen de bruidsstoet zich op weg begaf naar de Sociëteit, waar het bruilofstfeest zou worden gevierd.

    Op de Kattenberg kreeg de stoet even moeilijkheden omdat de straat werd versperd door een touw. Toen echter het bruidspaar de gebruikelijke tol, in de vorm van een borrel had betaald, kon de stoet ongestoord de weg vervolgen, en kon omstreeks half negen de „broedlachte” beginnen. Hier waren het vooral Gait Jan van ’t Walfort en de „Bloaskoppe” die met respectievelijk conference en muziek de gasten een genotvolle avond hebben bezorgd.

    Bronnen


    • Tubantia, 6 augustus 1959 (Delpher)
    • Tubantia, 3 augustus 1961 (Delpher)
    • Tubantia, 30 juli 1964 (Delpher)
    • Nieuwe Winterswijksche Courant, 14 augustus 1964 (Delpher)
    • Tubantia, 29 juli 1965 (Delpher)
  • Nozems & Nonnen

    Nozems & Nonnen

    De Black Zorro Club

    Black Zorro Club, Aalten
    Achterste rij v.l.n.r.: Henny ter Haar, Gert Magis, Hemmy ten Barge, Dick Jansink en Hans Monasso. Voorste rij v.l.n.r.: Bertie Kuiperij, Freek Toebes, Tonny Rave, Hemmie Aalbers, René Toebes, Maud Handenhove en Gert ter Haar.

    Midden jaren vijftig van de vorige eeuw ontstond in Nederland een nieuw fenomeen: de nozem. Het woord betekent zoiets als ‘opstandige jongere’ of ‘rebel’. Het was een van de eerste voorbeelden van wat we nu zien als jongerencultuur.

    Nozems stonden bekend om hun vetkuiven, leren jacks, spijkerbroeken en brommers, en hielden er een andere moraal op na dan oudere generaties.

    De nozemcultuur bereikte ook tot de Aaltense jeugd. Begin jaren zestig scheurden de leden van de ‘Black Zorro Club’ door de straten op hun opgevoerde Kreidlers of Zündapps. Met aan het stuur een wapperende vossenstaart. Zo tartten ze het ordelijk gezag, tot ergenis van de brave Aaltense burgerij.

    De nozems waren vaak te vinden bij de plaatselijke café’s, de cafetaria van bakkerij Knippenborg aan Plein Zuid of in hun clubhuis aan de Peperstraat, in de voormalige hoedenwinkel van Breekveldt.

    Soms hadden er ook confrontaties plaats met rivaliserende groepen nozems uit naburige plaatsen als Doetinchem, Winterswijk en Bocholt. Deze laatste groep nozems noemden zich de ‘Halbstarken’. Zij kwamen op hun mopeds naar Aalten om de boel onveilig te maken. Dit zorgde voor wild-west-achtige taferelen in het vrome dorpje Aalten!

    De nonnen van het St. Elisabethklooster

    nonnen

    Sinds het einde van de 19e eeuw gaven de nonnen van het St. Elisabethklooster onderwijs aan de katholieke schooljeugd van Aalten. Hier was tevens de ‘naai- en breischool’ van de zusters gevestigd.

    Niet iedereen bewaarde prettige herinneringen aan de nonnen. En dat is waarschijnlijk het enige dat ze gemeen hadden met de nozems.

    Oldtimer-Brommerclub

    Sinds 2015 is er een oldtimer-brommerclub actief in Aalten en omgeving onder de illustere naam ‘De Nozems en de Nonnen‘. Zij maken toertochten door de Achterhoek en hun credo is “Gin brommers kieken, moar d’r van genieten“.

    Bron (o.a.):


    • Aalten in Roerige Jaren – deel 1, Hans de Beukelaer, Leo van der Linde & Aad Schepers
  • Daor komt de Russen an

    Daor komt de Russen an

    In 2012 hebt in de Achterhookse Spreukenkalender 7 platte verhaaltjes estaone onder ’t pseudoniem Hollenbargs Jan, geboren en getogen op ’n Hollenbarg. Dit is ene van dee verhaaltjes waor ’t hele gedoo met begonnen is.

    Ik slepe samen met mien ongetrouwde ome in ne beddestae. Wi’j hadden d’r gelukkig ook ne raempken an zodat ’t d’r neet al te benauwd was. Mien opa den sleep nog in ne helen dichte beddekaste met van dee deurkes d’r veur. Hee had ook nog stro as matrasse. As de rogge was edorst kreg e d’r ni’j stro in. Maor hee is wal zowat viefentachtig ewodden. In dee tied, ’t was denke ik zo in 1957 of ’58, werden wi’j allemaolle bange maakt dat de Russen wal ’s konnen kommen. Ze waarn Hongarije al binnenevallen en wee wet bunt ze zo deur Duutsland en dan bunne wi’j an de beurte. ’t Was de kolde oorlog, zo neumen ze dat.

    Op ne zaoterdagmorgen, dat was zestien meert 1957 en wi’j slepen nog, begon ’t inens geweldig te knappen buten. Mien ome vlög naor baoven en reern: “daor komt de Russen an, noo zu’j ’t hebben”. Wat ’n spul. Ton wi’j van ’n eersten schrik bekommen waarn kekke wi’j uut ’t raempken en zaggen dat bi’j de buurn de schure in brand ston. Dat geknap kwam van de asbestplaten dee op ’t dak lagen. Deur de hitte van ’t vuur knappen ze uut mekare. Ton alles gebeurd was en de brandweer weg was hewwe de boel bekekken. Wat ne stinkeri’je. En no denk ik wal es, zol’n d’r neet asbestdeeltjes deur de locht waen egaone.

    De poggen wee ne stuk asbest in de pokkel hadden ekreggen werden gauw eslacht deur Betsken ter Maot uut Aalten. ’t Vleis smaken good en geenene weet zich drok maken um de asbest. De leu wisten jo ook neet baeter. Maor ik wol nog wal effen zeggen: Wi’j hebt nooit gin Russen ezene, althans gin soldaoten. Later bunt d’r nog wal Russen en Russinnen in Aalten ewest. Op ’t festival van De Klepperklumpkes. Maor ton wazze wi’j d’r helemaole neet meer bange veur. Tieden verandert. Da’s maor good ook. Maor toch: de Rus begint weer kunsten te kriegen…

    “Hollenbargs Jan” (Jan Oberink)

    Bron


  • Oude Kerstgebruiken

    Oude Kerstgebruiken

    Enkele fragmenten uit de Java-bode, 22 december 1956

    Oude kerstgebruiken - Java-bode, 22 december 1956

    Kerstfeest: Christelijk feest, doch vele gebruiken stammen uit heidendom. In gewijzigde vorm hielden zij stand tegen de tijd.

    Reeds enkele dagen voor het Kerstfeest wordt in de mensen een feeststemming wakker, die in de Kerstdagen haar hoogtepunt bereikt. Het is geen toeval dat dan de Kerstboom, hulst en mistletoe opgeld doen en dat Kerstbrood, Kerstkransen en ander Kerstgebak de feestvreugde vergroten. Er wordt zelden aan gedacht, dat dergelijke dingen en gebruiken stammen uit het oude heidendom.

    Vroeger vierden onze voorouders omstreeks die tijd het Joelfeest, het feest der vruchtbaarheid, ter ere van de terugkeer van het licht. De kortste dag was voorbij, de dagen gingen weer lengen. Dan werden offermaaltijden gehouden en in de heilige bossen vlamden de offervuren hoog op. Het Kerstfeest is een Christelijk feest, maar al die gebruiken zijn voortgekomen uit heidense bodem en zijn, min of meer gewijzigd, staande gebleven en door de moderne mens overgenomen.

    Het is moeilijk de gebruiken van Kerstmis te binden aan een bepaalde dag, want wat hier op de eerste Kerstdag geschiedt, vindt elders plaats op 26 December of zelfs op Driekoningen. Sommige gebruiken, zoals het eten van bepaalde koek- en gebaksoorten zijn gedurende die hele periode tussen Kerstmis en Driekoningen in zwang. In het algemeen kan men zeggen, dat in Nederland op het platteland de eerste Kerstdag de heilige dag is, een dag van bezinning en meditatie en dat de tweede Kerstdag meer als uitgangs- of visitedag wordt benut.

    Achterhoek

    Bij de oude mensen in de Achterhoek leeft nog het bijgeloof dat op Kerstavond „Derk met de bèèr” rondrijdt, die alles vernielt wat buiten rondslingert. Nog wordt op vele plaatsen alle landbouwgereedschap in de schuur geborgen en wordt het erf schoongemaakt…

    In vele gezinnen eet men in de Achterhoek op Kerstavond iets extra’s, en dit gebruik doet denken aan de oude benaming „dikkevretsavond”. In boerengezinnen wordt vaak getracteerd op pannekoek, met worst gebakken. Een spotrijmpje, dat wijst op een extra tractatie, luidt: „Kasaventjen, Kasaventjen, dan gaat ’t er bie ons op. Dan slacht mien va ‘nen pekkelhering en ik, ik kriege de kop”.

    In Aalten eet men op Kerstavond „pilleweggeskes”, kleine bolvormige „wegen”, waarop twee deegpillen in kruisvorm gelegd worden. Kinderen kennen nog een oud bedelliedje: „Pilleweggen-aovend, offert geld, Geft de kleine kinder wat, Geft de groten ‘ne schop vör ’t gat!”

    Bovengenoemde twee deegpillen in kruisvorm horen oorspronkelijk niet thuis op dit kerstgebak. Zij zijn er op geplaatst toen het gewone volk de naam pilleweg niet meer begreep. Een pil is een petekind of doopkind en de pillegift in de vorm van een pillewegge was een doopgeschenk. Het was tevens een herinnering aan het heidense broodoffer, dat gebracht werd om de demonen van het kraambed te weren. Anijs, kummel en kaneel joegen door hun sterke reuk de goden weg.

    Dat men op Kerstavond pillewegen ten geschenke geeft, vindt waarschijnlijk zijn oorsprong in de verering van Maria als kraamvrouw. Het gebruik om op Kerstavond walnoten te eten in de gezellige huiselijke familiekring (in Aalten bijv.) is nog in zwang.

    Bron


  • Het spook op de brug in de Dijkstraat

    Het spook op de brug in de Dijkstraat

    Dagblad Tubantia, 11 juli 1953

    Dijkstraat, Aalten

    Ongeveer vijftig jaar geleden zat op een donkere zomeravond een spook op de leuning van de brug over de Slingebeek in de Dijkstraat te Aalten. Het spook was in ’t wit gekleed, het had zwarte poten en bij tijd en wijle koerde het zacht als een duif of snorkte het als een varken. Bijna onbeweeglijk zat het spook daar en het joeg de mensen, die in het late avonduur door de stille en slechts spaarzaam verlichte Dijkstraat moesten, de stuipen op het lijf.

    Opgeschoten knapen, die enkele minuten van tevoren nog snoevend tegen hun meisje hadden opgegeven over hun durf, zonk de moed in de schoenen, toen zij de brug naderden en de witte figuur daar zo rustig maar onheilspellend zagen zitten. Oude mannen en vrouwtjes in de omgeving schoven de grendel dichter voor hun deur; daardoor kon het spook tenminste niet naar binnen komen.

    „Willum, bun ie ’t!”

    Terwijl aan weerszijden van de Dijkbrug mensen angstig bijeen stonden en niemand het spook durfde passeren, kwam Hendrik – een potige boerenknecht uit IJzerlo – met grote passen vanuit de Kerkstraat de Dijkstraat in. Het was bekend dat Hendrik de kracht van twee en de moed van vier had, maar dit… „Goeienavond,” zei Hendrik, groetend de angstige mensen links en rechts in de Dijkstraat. Toen ging hij onversaagd de brug op. Een enorme spanning volgde. De mensen meenden dat zelfs de torenklok van de Helenakerk ophield met tikken…

    „Goeienavond,” zei Hendrik tegen het spook. Toen weerklonk een plons, daarna een hartverscheurende kreet en even later kroop „het spook” langs de oever van de Slingebeek. Een wit laken dreef met de stroom mee en een mensengedaante kwam terzijde van de brug naar boven. Toen rende een vrouw naar voren en gilde: „Willum, bun ie ’t!” Zij omhelsde „het spook”, dat zij nog geen tien minuten tevoren klappertandend van verre had aanschouwd…

    Oudheidkamer

    Oudheidkamer, Dijkstraat 10b, Aalten
    Oudheidkamer, Dijkstraat 10b, Aalten

    Deze geschiedenis speelde zich vijftig jaar geleden in Aalten af. Er werden toen in Aalten en nog meer in Bredevoort, voortdurend spoken gezien. De mensen hadden daar ontzag voor en wanneer zij ’s avonds bij een klein oliepitje zaten te geselsen, kwam het gesprek telkens opnieuw op de spoken terecht. Men lacht tegenwoordig om die spookverhalen, maar wie een bezoek heeft gebracht aan de Oudheidkamer in Aalten en heeft gesproken met de gids, de heer G.G.W. Essink kan zich een voorstelling maken van de bijgelovigheid van de vroegere Aaltense en Bredevoortse bevolking.

    Bij kleine oliepitjes moesten de mensen ’s avonds hun werk doen, als tenminste dit pitje ’s avonds werd aangestoken. Brandde echter het vuur in de open schouw, dan werd veelal geen licht ontstoken. Het zou maar onnodig geld gaan kosten en het vuur gaf voldoende licht. Het gaf ook spookachtig licht. De sfeer voor de spookgeschiedenissen was in ruime mate aanwezig en de verhalen bleven niet uit.

    Rakkers van jongens maakten van de bijgelovigheid van de bevolking gebruik, door geregeld als „spook” op te treden. Dikwijls waren ze dan nog bang voor zichzelf. Zo bang waren vroeger velen in Aalten en Bredevoort voor spoken, dat zij niet wilden hebben dat hun kinderen met de handen ’s avonds figuurtjes maakten, die in de schaduw van het lamplicht op de muur te zien waren. Zelfs voor deze onschuldige „konijntjes van schaduw” was men bang. Je kon nooit weten. Er worden rare dingen gezegd…

    De straatverlichting was zeer gering en zo werkte alles mede tot het scheppen van een ware spooksfeer. In de Oudheidkamer is nog een open haardvuur en hangen de kleine lampjes voor de schoorsteen, terwijl de gids genegen is te vertellen over spoken van weleer.

    „Vorstelijke” haardplaat

    Interieur Oudheidkamer, Dijkstraat 10b, Aalten

    Doch niet alleen spookverhalen kan men horen in de Oudheidkamer, er is nog veel meer. Er is in het in oude stijl opgetrokken gebouwtje aan de Dijkstraat te Aalten zeer veel bijeen gebracht uit vroeger tijden. Daar is bijv. een haardplaat met het opschrift Georg Friderich, fürst zu Waldeck.

    Eeuwen geleden heeft deze vorst in Culemborg gewoond. Hij heeft daar in de zestiende eeuw de eerste Lutherse kerk doen bouwen. De haardplaat, die hij zich toen heeft laten maken en waarop liefst negen wapens voorkomen, is na veel omzwervingen in Aalten terecht gekomen en hoewel voor dit kunststuk al zeer veel geld is geboden, wil men het in de Oudheidkamer te Aalten niet kwijt.

    Een prachtig lepelrek gemaakt van hout trekt bijzonder de aandacht. Het rek is rijk aan symboliek en het lijden en sterven van Christus is in dit rek voorgesteld. De ouderwetse kinderstoel ontbreekt natuurlijk niet in deze verzameling van oudheidkundige voorwerpen, doch evenmin een wafeltang van honderden jaren geleden. Het geval is bijna een kilo zwaar en men hoeft zich niet af te vragen of de vrouwen, die vroeger wafels bakten, ook spierballen hadden. Het moet haast wel.

    De klokkestoel uit de Hervormde kerk van Bredevoort heeft ook in de Oudheidkamer een plaats gevonden. Nadat in 1657 de vlakke slinger was uitgevonden, kwam reeds in 1666 een hiermede op „moderne wijze” uitgeruste klok in Bredevoort’s toren. Na ongeveer 280 jaar in het oude stedeke de minuten weggetikt te hebben, werd de klok vervangen door een moderner uurwerk. Het bezwaar van de oude klok was, dat ze iedere morgen moest worden opgewonden.

    Tram, Dijkstraat Aalten (1910)

    Sedert kort zijn er in de Oudheidkamer te Aalten ook foto’s te zien van ’t vroegere Aalten. Dank zij bemoeiingen van Aalten’s Belang heeft men deze foto’s gekregen. Vooral oud-Aaltenaren hebben hiervoor grote belangstelling. Er is bijv. een foto, gemaakt bij de aankomst van de eerste tram in Aalten. Grote vreugde heerste er toen. Verleden week zijn de rails opgebroken. Sic transit gloria…

    Het station van de Ned. Spoorwegen stond vroeger op een open vlakte in het veld. De bevolking vond dat het station zo vreselijk ongelegen lag, helemaal buiten het dorp. Nu moppert men omdat de spoorlijn door het dorp loopt en men moet wachten voor gesloten spoorbomen. Er zijn foto’s van de vroegere Markt met de oude pompen. Het is nog altijd jammer dat enkele jaren geleden deze oude pompen van gemeentewege zijn verwijderd.

    Twee ouderwetse fietsen – velocipêdes, zei men vroeger – staan er in de Oudheidkamer. Het zijn vehikels, die doen veronderstellen dat onze voorouders amateur-circusacrobaten waren. Toch waren zij dat niet, maar niettemin reden zij op deze „fietsen” met het hoge voorrad en het kleine achterwiel door Aalten’s straten. In de laatste oorlog – acht jaar geleden – zijn deze fietsen nog gebruikt, namelijk door Duitse militairen. Wanneer het hun niet gelukte in Aalten een fiets te bemachtigen en dat lukte vaak niet, dan namen zij in arrenmoede maar een velocipède uit de Oudheidkamer en fietsten hierop naar Bocholt.

    Bron


    • Dagblad Tubantia, 11 juli 1953 (via Delpher)
  • Oud-Aaltensche spelletjes

    Oud-Aaltensche spelletjes

    In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen in de Aaltensche Courant hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Zo schreef hij over spelletjes die de jeugd vroeger speelde:

    “Op ’t gebied van kinderspelen is er ook veel veranderd; verschillende spelletjes, welke vroeger door kinderen werden gedaan, ziet men niet meer, o.a. ‘bikkelen’.

    Knikkeren

    “Ook het knikkeren door jongens gebeurde vroeger heel anders. Toen was het een kunstspel, en lang niet alle jongens waren daarin bedreven. De groote ronde ‘marvel’ werd geklemd tuschen den nagel van den duim en den wijsvinger weggeschoten, en moest men de knikker daarmee raken. Men knikkerde met één, twee, of met een hoopje.

    Men moest minstens twee deelnemers hebben, maar meestal waren er meer deelnemers aan het spel. Zoo elke twee meter werden de knikkers gezet, naar gelang er deelnemers waren. Om beurten werd er met de marvel geschoten, en wie dan maar de meeste raakte, won ook het meeste.

    Als men eenige knikkers geraakt had, moest men zorgen niet te dicht bij de beginlijn of bij de buurman te komen, want werd de marvel van iemand door een mededinger geraakt, dan moest hij de gewonnen knikkers afgeven.

    Oud-Aaltensche spelletjes

    Men kon zich ook ‘zetten’. Was iemands marvel ’twee handspan en ne knukkel’ van een hoopje of opgezette knikkers verwijderd, dan kon hij zijn marvel bij het hoopje zetten, om dan een volgende beurt met dat hoopje te ’trekken’. Daardoor kon de vaardige speler het aanleggen dat hij zijn marvel tot vlak bij die van een ander kon brengen, en dan restte hem niets meer dan dien marvel te schieten, en de knikkers welke opgezet waren kwamen in ‘zienen knikkerbuul’ terecht. ’t Is erg jammer dat dit interessante spel is verwaarloosd, en nu geworden is tot een doelloos gooien met knikkers door gaten vaneen plankje.”

    Mottekoezen

    “Een ander spel, dat ook niet meer wordt gedaan, is ‘mottekoezen’. Dit spel werd meestal gedaan door een vier- of vijftal jongens. In een zanderig terrein werden zooveel gaten gemaakt als er deelnemers aan ’t spel waren. De gaten waren ongeveer 15 cM. diep en breed. ledere jongen was met een stok gewapend en hield die in het gat. Nu moest de beginner trachten een bal met een stok in een gat van een medespeler te slaan. De medespeler verweerde met zijn stok de bal af, maar moest, als hij geen afweerpogingen deed, de stok in het gat houden.

    Was het de balspeler gelukt den bal in het gat van een der spelers te krijgen, dan moest de getroffene weer pogen de bal in een gat van zijn medespelers te krijgen. Het was dus een gevecht met stokken op de grond om den bal te slaan. Er werd ook wel eens misgeslagen en kwam de stok tegen de beenen van een der medespelers aan. Maar men had vroeger geen bloote knieën, allemaal lange broeken aan en het gevaar voor ernstige blessures was gering.”

    Hoed je! de bal

    “Weer een ander spelwas: ‘Hoed je! de bal’. Vroeger droegen de jongens allemaal petten en daardoor kan dat spel nu niet meer gespeeld worden, want ze zijn nu bijna allemaal blootshoofds. Een aantal jongens zetten hun petten op een rij tegen een muur, wiens pet vooraan stond begon. Hij plaatste zich op ongeveer 2 Meter afstand van de pettenrij en probeerde een bal in een der petten te gooien. Dat gelukte niet altijd, maar als het gelukte moest hij, in wiens pet de bal kwam, fluks die bal grijpen en daarbij trachten een der jongens te raken. Deze waren inmiddels naar alle kanten uiteengestoven, maar door snelheid kon de balgooier soms iemand raken.

    Werd iemand geraakt dan kreeq de getroffene een steentje inde net. Trof de balqooier niemand dan kreeg hij zelf een steentje in de pet. Om beurten, in volgorde der petten, mocht men probeeren de bal in een pet te krijgen. Meestal werd in een anders pet gegooid, maar soms gooide men ook wel eens in zijn eigen pet, om er dan als de kippen bij te zijn den bal te krijgen en snel eender jongens te raken. Als iemand 5 steentjes in de pet had viel hij af, ‘dan was hij melk’, zooals de jongens dat noemden; die het laatst overbleef was overwinnaar. Het was een zeer spannend en veel beoefend spel.

    Mieroo

    Een vangspel dat veel door jongens gedaan werd was ‘Mieroo’. Een jonqen stelde zich in de straat op en een 25 Meter verder een groep jongens. Op het geroep ‘Mieroo’ stormde men op elkaar in en hij wie door den alleenstaanden jongen werd geraakt moest zich bij hem voegen. Het aantal verplaatste zich dus, totdat de laatste gevangen was. Het kwam hier vooral aan op lenigheid. Hij die snel en lenig was wist geregeld door het cordon te glippen zonder dat hij geraakt werd.

    Meneer ik ben de bukersteen

    Een spel dat door meisjes en jongens samen wel eens werd gespeeld, was ‘Meneer ik ben de bukersteen’. Hoe men aan die benaming kwam blijkt uit het spel. Op een terrein dat eenigszins afgebakend was, posteerde zich een meisje of jongen en moest dat terrein als zijn eigendom beschouwen. Rondom stonden de deelnemers en betraden dan het verboden terrein, daarbij den titel van het spel roepende, om te kennen te geven dat ze op verboden terrein waren: “Meneer ik ben op verboden terrein”.

    Nu moest de alleenheerscher de indringers trachten te grijpen. Hij die vastgegrepen of geraakt werd moest hem helpen zijn grondgebied te verdedigen. De brutaalsten drongen ver het terrein op, maar de geslependsten sprongen maar een paar passen op den verboden grond om direct weer terug te kunnen springen als er gevaar dreigde. Als de laatste geraakt was, was het spel uit en bedacht men zich weer een ander spelletje.

    Meentje smieten

    Men had vroeger geen werklooze jongens. De jongens moesten al vroeg aan ’t werk, hetzij in de fabriek of bij den boer. Maar ’s Zondagsmiddags kwamen ze bij elkander en trok men ‘de bussche in kateerkers jagen’, en als men dan een paar zakcenten had werd er wel eens een spel met centen gedaan: ‘Meentje smieten’. Een streep werd over de grond getrokken en op 2 Meter afstand ging men staan en gooide met een cent naar de lijn. Hij, die het dichtst bij of op de lijn had gegooid mocht al de gegooide centen oprapen. Hij schudde ze in de gesloten handen, gooide ze op en die centen welke met de leeuwtjes naar boven lagen waren voor hem. Het was dus een soort gokspel hetwelk lang niet door alle jongens werd beoefend, die zakcenten hadden.”

    Bron


    • ‘Uit Aalten’s verleden’, door G.H. Rots, Aaltensche Courant, 11 maart 1938 (via Delpher)
  • Hekserij

    Hekserij

    In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen in de Aaltensche Courant hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Zo schreef hij over het vroeger geloof aan heksen:

    “Volgens het volksgeloof hadden de heksen ’s nachts samenkomsten en zoo was er in den Aalter Esch ook een plek waar het nachtelijk heksenverblijf was. Dat stukje grond, dat ongeveer gelegen heeft halverwege tusschen de Linde en den Lichtenvoordschen weg, heette de ‘heksenbeddestêe’. Het was een stukje niemandsland, waar niemand aanspraak op maakte.”

    Wie leest wat zich op dit gebied heeft afgespeeld staat paf van de verhalen die over heksen en spoken in vroeger tijden de ronde deden. Dat was zoo erg dat zelfs ontwikkelde menschen aan hekserij geloofden en de overheid in die dagen bemoeide zich met dit kwaad en strafte degene die zich aan hekserij schuldig maakte.

    Om te kunnen beoordeelen of een beschuldigde al of niet vrij uitging werd de z.g.n. waterproef toegepast: Het slachtoffer werd te water geworpen. Bleef hij drijven: zoo kon hij heksen; zonk hij, dan ja wat dan? Dan kon hij niet heksen, maar verdronk hij meestal. Men geloofde dat zij of hij, die heksen kon zich in een dier kon veranderen. Ziekten onder het vee of ook wel onder de menschen was veelal door de heksen voortgekomen. Als de melk een blauwe kleur had, als er in een kalver- of koeienmaag een kluwen haar zat, dan was dat alles de schuld der heksen.

    Aaltensche Courant, 18-03-1938 Heks
    Tekening: Piet te Lintum

    Er waren zelfs menschen die zelf geloofden dat zij heksen konden en daar bij beweerden dat ze met den duivel geregeld een onderhoud hadden. Op een bezemsteel reden de heksen door de lucht en op de beddestae in den Aaltenschen Esch daar kwamen ze samen en vierden hun nachtelijke feesten. Het zij ter eere van de geestelijke leiders in die dagen gezegd, dat zij er althans niet aan geloofden en dan ook herhaaldelijk de bevolking op het ongerijmde der hekserij hebben gewezen.

    Maar wat eenmaal vastgeroest zit laat niet gemakkelijk weer los en zoo heeft het jaren, ja zelfs eeuwen geduurd, voordat het bijgeloof verdwenen was. De overheid heeft zich vooral op aandringen der geestlijkheid met de bestrijding der hekserij bezig gehouden. Men nam daarbij middelen te baat die afschrikwekkend waren. Was men er van overtuigd dat iemand heksen kon of zich daarvoor uitgaf dan werden de meeste krasse maatregelen genomen. Vaak moesten de slachtoffers het leven er bij laten, zelfs zijn er brandstapels voor opgericht.

    Groezel ovver de hoed

    De oude nachtwachts konden griezelige verhalen doen van wat ze ’s nachts al zoo beleefd hadden. De hoorder van deze verhalen trok ‘de groezel ovver de hoed’. Zoo wist men te vertellen dat ‘achter de heggen in het Heuksken’ elken nacht een in ’t wit gekleede vrouw rondzwierf. En dan dat geheimzinnige licht in het knekelhuisje op het kerkhof. Ook ontmoette men soms geheimzinnige dieren, die Aalten’s straten onveilig maakten. En dan de ‘veurspooksels’ van brand. Als er brand kwam in ’t dorp had soms een der nachtwachts weken te voren al een ‘roode gloed’ boven de plek van den brand gezien.

    Berent Sweenen

    Omstreeks 1600 woonde in Barlo een zekeren Berent Sweenen. Zijn buurman Geerdt Luiten klaagt hem aan wegens hekserij. Er zijn bij Luiten geregeld koeien, varkens en paarden gestorven aan ‘onnatuurlijke krankheit’ of tooverij. In de maag van een der koeien welke hij opengesneden had waren ‘pedden en slangen’ gevonden. En Berent Sweenen zijn zuster ‘was ook ne hekse’. De heele boel was behekst en Luiten was al naar Lichtenvoorde klagen geweest. Berent Sweenen wordt voor de overheid gedaagd en moet al die beschuldigingen aanhoren.

    Luiten komt nog met een nieuwe beschuldiging. Men kan in zijn huis geen boter meer karnen. Oorzaak: behekst door Sweenen. Een andere buurman Bernt Tolkamp vertelt dat hij bij Sweenen karnemelk gedronken heeft en daar ‘ijselyk krank’ van geworden is. En de dochter van Tolkamp was ook ziek geworden, ook al door Sweenen behekst.

    Er zijn meer getuigen opgeroepen, n.l. Geerdt Winkelhorstink en Johan Merkerdink. Zij konden niet anders vertellen dan dat Sweenen al lang voor toovenaar was aangezien. Persoonlijk hadden zij er echter geen last van gehad. Een zekeren Herman Olthuys legt weer bezwarende getuigenis af. Andere buren vertelden dat zij Berent Sweenen, welke kleermaker was, in huis hadden gehad en hun had medegedeeld dat hij heksen kon. Elf getuigen hebben toen den eed afgelegd en verklaard aanroepende ‘Godt en Zijn heilig Evangelium’, dat het waarheid was wat ze hadden beweerd.

    Berent Sweenen, de eenvoudige kleermaker, hield zijn onschuld vol, maar hij staat alleen en tenslotte, onder de suggestie van al die beschuldigingen, geeft hij toe en zegt dat hij al wel 18 à 20 jaren de kunst van heksen heeft verstaan. Zijn lot was beslist en gezien de straffne van die dagen zal zijn hoofd wel onder de bijl des scherprechters zijn gevallen. Een geval uit velen.

    De menschen prakkizeerden zich wat. In de lange winteravonden bij de primitieve verlichting, zagen ze allerlei vreemde dingen. Zij hoorden wonderlijke verhalen en als de oude man aan den hoek bij het haardvuur zat, moest hij vertellen en dan kwamen de verhalen los van spoken en heksen en ’s nachts in den slaap hoorde men allerlei geluiden. Het mysterie van het onbekende. Dat onbekende, dat geheimzinnige, maakte de menschen overstuur en het geval Sweenen te Barlo staat niet alleen.

    Veertien jaar vroeger had reeds de Drost van Bredevoort aan de Pandvrouw geschreven dat de hekserij in Aalten steeds grooter afmetingen aannam. Men kan daaruit concludeeren dat de regeeringspersonen, dus nemen we aan het intellect van die dagen, ook geloofden dat er heksen waren. De bestrijding van het kwaad gebeurde dus niet door de menschen in te praten dat ‘heksen’ niet kan bestaan, maar door de uitroeiing van de individuen die het kwaad ten uitvoer brachten.”

    Aleida Voesters

    “We willen nog een geval mededeelen, om een juist beeld te geven van de treurige toestanden in die dagen. Het betreft een vrouw Aleida Voesters geheeten. Zij werd beschuldigd van heksen en in de gevangenis geworpen doch werd daaruit weer bevrijd toen ze beterschap beloofde en een geldelijke boete betaald had. Maar als de bevolking eenmaal iemand in een kwaad daglicht stelt, is het met zijn reputatie gedaan.

    Zoo ook deze vrouw. De bevolking liet haar niet met rust. En de maat werd volgemeten toen een zekere Wessel Wassink, kleermaker van beroep, beweerde, dat hij bij vrouw Voesters uit huis was gaan loopen, omdat hij daar duivels had hooren twisten. Het gerucht bereikte de overheid weer, en deze overlegde hoe ze met deze vrouw aan moesten. De ‘beul’ vertelde aan den Drost dat hij er wel een middel op wist om met krachtige maatregelen in te grijpen. De vrouw werd weer gevangen genomen en naar Bredevoort getransporteerd. Ze werd in ’t water geworpen en… ze bleef drijven, ze zonk niet. Een bewijs dat ze heksen kon. Met een langen stok duwde men haar naar beneden, maar het schijnt dat de overmatige vrouwelijke kleeding van die dagen een beletsel voor het zinken is geweest.

    Ontzettend wreed is de vrouw toen gefolterd. Ze moest tot een voorbeeld gesteld worden. Op een ladder werd zij vastgebonden en toen gegeeseld, maar de vrouw hield vol dat ze niet kon heksen. Twee dagen later werd ze weer op de pijnbank uitgestrekt. Maar ze bekende niet. Men bond haar een touw aan de handen en hing haar aan een balk. En toen had de beklagenswaardige vrouw een geluid uitgestooten alsof er wel drie mannenstemmen geroepen hadden. En terstond daarna was haar nek gebroken. Haar lichaam is verbrand geworden op een brandstapel; gemaakt van hout dat door de boeren daarvoor expresselijk moest worden aangevoerd. Zoo waren de heksenvervolgingen.”

    Molkentoversche

    In een gerechtelijk stuk van het Hof van Bredevoort uit 1533 vinden het volgende verhaal: Het echtpaar Gert en Lise Stapelkamp heeft een kerkbank in de Sint Helenakerk in Aalten, die volgens hen al door Gert’s moeder Sine Stapelkamp is gekocht. Maar het echtpaar Koep en Nale Heinen beweert dat het hun bank is. Nale heeft Lise tijdens de dienst driemaal voor ‘molkentoversche‘ (heks die koeien betovert) uitgemaakt, waarop Lise van zich af sloeg. Een forse rel in de kerk!

    Bronnen


    • ‘Uit Aalten’s verleden’, door G.H. Rots, Aaltensche Courant, 26 november 1937 (Delpher)
    • ‘Uit Aalten’s verleden’, door G.H. Rots, Aaltensche Courant, 11 maart 1938 (Delpher)
    • “Wortels in de Achterhoek’, door Henk Harmsen, 1996 [p.17]
  • Carnaval / Vastenoavond

    Carnaval / Vastenoavond

    In grote delen van het land viert men zeven weken voor Pasen carnaval. In Aalten niet zozeer. Carnaval is van oudsher namelijk een katholiek feest en Aalten is sinds de Reformatie overwegend protestants gebleven. Toch werd er in het verleden ook in Aalten wel carnaval gevierd.

    Carnaval is van oorsprong een gekerstend heidens volksfeest dat traditioneel alleen door katholieken wordt gevierd. In delen van Gelderland wordt carnaval ieder jaar uitbundig gevierd, in veel andere delen (helemaal) niet. Deze regionale cultuurverschillen gaan vaak terug tot de Reformatie en de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Tijdens deze strijd ontstonden regio’s die al snel aan de kant van de protestantse opstandelingen terechtkwamen. Andere regio’s hielden lang vast aan het katholieke geloof van de wettige vorst en hertog van Gelre.

    Zo werd de heerlijkheid Bredevoort in 1597 veroverd door de calvinistische Maurits van Nassau. Hij maakte daarna de hele regio van Aalten tot Winterswijk protestants. Zijn halfbroer Frederik-Hendrik veroverde Groenlo pas in 1627 definitief op de katholieke vorst. In de voorliggende jaren kon het katholieke geloof dieper wortelen in de samenleving van Groenlo en omgeving dankzij de contrareformatie.

    Carnaval in Aalten

    Toch werd ook in Aalten vroeger carnaval gevierd. In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Zo wijdde hij onder andere een deel aan de ‘vastenoavond’, oftewel carnaval:

    “Gaan we nu weer eens de vroolijke dingen bekijken, dan was het eerste waarvoor men zich in ’t dorp druk maakte de ‘vastenoavond’. Evenwel in vergelijking met carnavalspret in zuidelijker deelen van ’t land was het hier erg bescheiden. In enkele café’s was muziek, en op straat vertoonden zich ook enkelen met een narrenpak. Teekenend was echter de gewoonte van de jeugd door met een z.g.n. „foekepot” te loopen. Dat was een blikken bus, waarover een gedroogd stuk varkensblaas was gespannen. In ’t midden was een gaatje, waarin passend een staafje hout. Door op en neer duwen van dit stokje ontstond een brommend geluid, en zoo kon men op vastenavond het doffe geluid hooren van foeke-foeke-foeke. Men zong daarbij het volgende liedje:

    Foekepotterij, foekepotterij, geef me een centje, dan ga ik voorbij. ’k Heb geen geld om brood te koopen, ‘k Heb al zoo lang met de foekepot geloopen. Foekepotterij, foekepotterij, geef me een centje, dan ga ik voorbij.

    Het centje werd meestal gegeven, en de „vastenaovendsgekken” maakten goede zaken.”

    Aalten heeft zelfs drie carnavalsverenigingen gehad: De Slinge-raars, Spuit Elf en De Olde Mölle.

    De Olde Mölle werd in 1965 opgericht bij café ’t Noorden.

    Carnavalsvereniging De Olde Mölle, Aalten
    Carnavalsvereniging De Olde Mölle, Aalten – Prins Jan, zijn adjudant en de Raad van Elf.

    Tegenwoordig wordt carnaval in Aalten alleen nog maar gevierd door de kinderen van de St. Jozefschool, de enig overgebleven katholieke basisschool in het dorp. Andere Aaltenaren die carnaval willen vieren, wijken noodgedwongen uit naar bijvoorbeeld Groenlo (Grolle), ‘s-Heerenberg (Waskuupstad) of Doetinchem (Leutekum).

    Krantenberichten

    Carnavalsvereniging De Olde Mölle, Aalten - Dagblad Tubantia, 18-02-1966
    Dagblad Tubantia, 18 februari 1966
  • Boerenleven

    Boerenleven

    In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Zo wijdde hij onder andere een deel aan het vroegere boerenleven:

    “De buurtschappen van Aalten vormden een onafscheidelijk geheel met het dorp. De dorpsbewoners hadden den boer noodig en omgekeerd zochten de landbouwers der buurtschappen contact met de dorpsbewoners. De wegen waren lang niet even best, en door het smalle wielbeslag hadden de zandwegen heel wat te verduren. Waterafvoer was slecht geregeld, en het onderhoud liet veel te wenschen over. En toch moesten die wegen gebruikt worden ten koste van veel paarde- en ossenvleesch. Want de meeste landbouwers hadden vroeger ossen, welke als trekkracht gebruikt werden voor de wagens en karren. Met tragen gang ging het voort: kom ik er vandaag niet, dan morgen, langzaam maar zeker, want de os was een sterk trekdier. Na eenige jaren als trekdier dienst gedaan te hebben, werd het naar de slachtbank gevoerd.”

    Primitief

    “Het geheele landbouwersbedrijf was natuurlijk primitief, kunstmest was er niet, met als gevolg veel minder bodemopbrengst. Grupstallen kende men niet, en kippenhokken had men „op den boer” niet. De kippen vertoefden des nachts bij de koeien in den stal. Men had daar eenige slieten aangebracht, en de geheele hoenderstapel tippelde ’s avonds het „hoonderrek” op. En als de dagen kort waren kwamen ze er bijna niet af. Eierproductie alleen in den zomer, en dan nog niet te veel. Ook het rundvee zag er niet zoo florissant uit als tegenwoordig. Men moest voederen wat eigen bodem opbracht. Alles was naar “rato”, naar evenredigheid, maar veel minder en productiever dan tegenwoordig.

    Boterfabrieken waren er niet, de melk werd in roompotten gezuurd en zelf gekarnd. Op sommige boerderijen liet men dat karwei door een hond doen. De karnhond moest in een groot rad loopen, waardoor dit in beweging werd gebracht, hetwelk met een asverbinding de karninrichting in beweging bracht. De gekneede boter werd aan ‘welters’ gemaakt, en dan ging de huisvrouw er mee naar de markt. In Aalten was de botermarkt achter ’t Gemeentehuis. Deze heeft echter geen bloeiende periode gehad, want de winkelier was ook een willig kooper. Met een gesloten beurs kon men dan kruidenierswaren koopen, en groote leveranciers kregen er contanten bij. Ook de eieren brachten wat geld op, maar zooals gezegd, de productie was niet zoo groot.”

    Koojonges

    “Vele kleine landbouwers gingen in daghuur werken, en enkelen hadden ook een weefkamer, waarin wat verdiend werd. Alles moest natuurlijk met handenarbeid verricht worden, machines kende men niet. Elke landbouwer (geen daghuurder) had dan ook minstens één groote knecht en ‘ne koojonge’. En die ‘koojonges’ kwamen meestal uit het dorp.

    Het was de gewoonte dat de jongens uit de arbeidersgezinnen, vóórdat ze een vak of ambacht leerden, eerst een paar jaar naar ‘den boer’ gingen. De arbeidersgezinnen in ’t dorp waren meestal nogal met kinderen gezegend, en als dan een jongen 10 à 11 jaar was, moest hij naar ‘den boer’ voor ‘kost en kleeren’. Er werd dan bij gezegd: “dan leert ‘e meteene ordentelijkheid”. In elk geval leerden de jongens de eerste beginselen van het landbouwbedrijf, wat hun in ’t verdere leven goed van pas kwam.

    Voor volslagen knechten en dienstboden was het loon ook niet te veel. Dertig of vijftig gulden per jaar, maar daarbij kregen ze nog wel eens kleeding. Een paar hemden, een paar brunten (soort schorten), klompen en eenige andere benoodigdheden. Dat was het geheele loon van de dienstbode. In ’t voorjaar hadden ze vacantie, z.g.n. ‘spinneweek’. Dan waren ze weer een week bij moeder thuis. Het loon der knechten was iets hooger, maar toch naar tegenwoordige begrippen zeer laag. En reken er niet op dat men veel vrijen tijd of korte dagen maakte. We vermeldden reeds dat ’s morgens om vier uur de dorschvlegel al ter hand genomen moest worden.”

    Voeding

    “Voor eigen voeding werd meer uit het landbouwbedrijf genoten dan thans. In de eerste plaats verbouwde ieder een kwantum boekweit. Het boekweitemeel was geschikt voor pannekoeken. En steevast werd elken morgen pannekoek gebakken, meest met ‘ne harste spek’ er in. De bakolie was ook een product van eigen verbouw. Het raapzaad werd naar den olieslager gebracht, en eenige groote kruiken raapolie en een aantal raapkoeken eenige weken later weer opgehaald. De koeken was een uitstekend veevoeder, een extraatje voor nieuwmelkte koeien.

    Het eten was verder zoo eenvoudig mogelijk, doch voedzaam. Eigengebakken brood, want veel landbouwers hadden zelf een bakoven, en bakten hun eigen brood. De eenige delicatesse was ‘riestpap met broenen suker’, meestal een maaltijd voor zondagsavonds of als er bezoek kwam. Een groote schaal vol ‘riestpap’ werd midden op de tafel geplaatst. leder aanzittende kreeg een lepel, en dan begon het eten. Het fatsoen eischte dat men de lepel kortaf inde stevige brij stak, om den indruk niet te wekken dat het om de lekkerste bovenlaag met bruine suiker te doen was. Was iemand tóch zoo brutaal, dan dacht men al gauw: “Hee is ok an ’t plaggen mèèjen”. Eieren eten deed men alleen op Paaschzondag. Dan werden er wel eens meer verorberd dan goed was voor de maag.”

    Oogst

    “Als de oogst binnen was, de aardappelen gerooid, dan was er reden tot blijdschap, dan werd er een huiselijk feestje aangericht en had men ‘stoppelaene’. Dit feestje beperkte zich tot de huisgenooten en arbeiders die bij den oogst behulpzaam waren geweest. Dat het landbouwbedrijf met economische moeilijkheden te kampen heeft gehad, blijkt wel hieruit dat vele familie’s hun boerderijen verkochten en zich een nieuw bestaan zochten in het Nieuwe Werelddeel in Amerika. Behoudens een enkele uitzondering, is er geen enkele teruggekeerd en zijn ze in hun nieuwe vaderland tot grootere welvaart gekomen.

    De grondprijzen waren hier laag en vooral woeste grond was niet duur. Voor honderd gulden per H.A. kon men al woeste grond koopen, want bosch en heide was er genoeg en waar nu vette weiden en best bouwland is waren vroeger uitgestrekte bosschen, heidevelden en woeste grond. Vooral de buurtschap Haart was zeer boschrijk.

    Toen de kunstmest haar intrede deed in het boerenbedrijf, kwam er een ommekeer ten goede. Woeste gronden werden ontgonnen, bosschen gekapt, de waterafvoer werd beter geregeld en tal van arbeiders vonden werk bij de ontginningen en cultiveering van woeste gronden. De veestapel nam toe, de kwaliteit van het vee werd beter, landbouwcursussen gaven wenken en aanwijzingen voor doelmatige bemesting en de een na de andere nieuwe boerderij werd gebouwd. Ouderwetsche stallen veranderd en tegenwoordig is het bouwtype van een boerderij heel wat anders dan vroeger.

    Het gewas werd vroeger alle in huis geborgen, ‘op den balken’ en ‘op de hilde’, terwijl nu overal de ‘viemheupe’ te zien zijn, die den oogst herbergen. Ook bij de dorpsbewoners kwam er verandering in de economische en maatschappelijke verhouding en de landbouw werd minder beoefend. Vaalten moesten worden opgeruimd, de moderne industrie kwam en van lieverlede werden de toestanden moderner.”

    Verhuizen

    “Een enkele maal dat een boer verhuisde, geschiedde dit op ‘Sinte Peter’, 22 Februari. Al het hebben en houden werd op de wagens geladen der buren en de heele stoet trok dan van ’t oude huis naar de nieuwe of andere hoeve. De buurvrouwen waren dan al vast naar de nieuwe woning gegaan, hadden die schoon gemaakt en het vuur aangelegd. In den volksmond heette dat ‘vuur beün’.

    Als de nieuwe bewoners kwamen, was de koffie reeds gezet en konden de aankomenden direct zich verkwikken aan een lekkere kop koffie. De buren hielpen dien dag, de een gooide hier wat neer de ander daar, het was een kolossale drukke. Als klap op de vuurpijl kwam dan later het ‘intrekkersmoal’, waarbij het ook al weer niet aan geestrijke dranken ontbrak.

    Sterfgevallen

    “Bij sterfgevallen werden onmiddellijk de buren gewaarschuwd, de buurvrouwen legden het lijk af, het werd zoogenaamd ‘verhaenekleed’. De naaste buurlui traden dan op als eerste vertegenwoordiger der bewoners. De naaste buurvrouw nam de taak van de huisvrouw over en de buurman van de huisbaas. Deze gewoonten waren bij de dorpsbewoners evenzoo, en nu nog wordt in de buurtschappen die oude gewoonte gehandhaafd.

    Men had vroeger het z.g.n. ‘doodenbier’. De buurtschapbewoners gingen na de begrafenis naar een of ander café in ‘t dorp. Daar werd uitgerust van den vermoeienden tocht en werd bier geschonken. Doorgaans was dat bier vroeger niet van de allerbeste kwaliteit, en was het zoo’n bruin vocht wat men te drinken kreeg. In dat café nam men afscheid van elkander en ging een ieder zijns weegs.

    De begrafenisstoet der buurtbewoners bestond uit de kar waarop het lijk vervoerd werd. Deze was onoverdekt. Dan volgden een aantal „zeilkarren”, hooge karren met witte huiven. Als er een doode was in ’t dorp, moest ’s morgens een der buren het ‘rot’ rond om de menschen te waarschuwen, dat ze ‘um elf uur mosten kommen loên’. Daar was ’t meestal nogal druk om elf uur, want het was de gewoonte dat den ‘noasten noaber’ met de ‘flessche rondging’. Het lijk werd vanaf het sterfhuis door de buren naar ’t kerkhof gedragen, en weer kwam de jenever er bij te pas, want de dragers kregen vooraf een hartversterking.”

    Visite

    “In de Meimaand waren er veel boerenvisites. Dan noodigde men vrienden, familie en bekenden uit en de boerenhofsteden krioelden van bezoekers. De landerijen werden bekeken, de veestapel becritiseerd, het was meer zoo’n tentoonstelling in het klein. Deze visites werden ook steeds gehouden wanneer men iets verbouwd had. Het bouwmateriaal was door de „noabers” gehaald van de steenfabrieken of opslagplaatsen en een feestje bekroonde dit alles. Die burenhulp was iets traditioneels en was ook onmisbaar, onderling steunde men elkaar. Gezamenlijk werd wat verricht wat één niet af kon, en vooral bij familiegebeurtenissen was de burenhulp onmisbaar.”

    “In de lange winteravonden ging men nog al eens buurtvisites maken, en ook de slachtvisites waren bij de buurtschapbewoners een echte uitgaansavond. Het groote schaddenvuur (schadden waren lichte turven, de bovenste laag van een veenlaag) verspreidde een aangename warmte als men er dicht bij zat, en dan zat de huisbaas met de stoel achterover voor den eenen schoorsteenmantel, en de buurman voor den anderen. Het gesprek ging dan over ’t bedrijf, over de koeien en varkens. De bezoekers hadden gratis rooken, en als de pijp moest worden aangestoken werd met de tang een gloeiend kooltje uit ’t vuur genomen.

    De verdieping in de vuurplaat, waar de eigenlijke haard van het vuur zich bevond, heette ‘rake’, ‘vuurrake’. De ‘bloasepiepe’, de tang en de vuurlepel waren de gereedschappen die terzijde van het vuur hingen. Boven het vuur was een groote boezem uitgebouwd, welke als rookvanger dienst deed. Het was meteen de bergplaats voor alles wat men droog wilde bewaren, o.a. het kruit en het kruithoorn, want elke boer had een geweer, een bovenlader, welke met kruit moest worden geladen. Het stroopen zat den boer in ’t bloed. Zoo’n haas of konijntje verschalkte hij nog wel eens.

    De bouwtrant der oude boerderijen was het Saksische type. In heel oude huizen was de woonruimte voor menschen en dieren niet gescheiden. Bij de meeste was er een tusschenwand, soms van steen, soms van z.g.n. ‘wand’, een vlechtwerk van hout, van weerskanten met leem bestreken. De bedsteden waren meest alle in de keuken aangebracht, en men kan zich voorstellen welke situaties daardoor ontstonden.

    Als er kleeren te verstellen of nieuw te maken waren, kwam de kleermaker uit ’t dorp aan huis die bezigheden verrichten, en ’s avonds klepperde deze weer naar ’t dorp met het persijzer en de persplank in de handen. Als de Mei in ’t land kwam kon de boer zich een extra verdienste verschaffen met hout schillen. Rondom de akkers waren houtwallen, waarop eiken slaghout werd geteeld. Als dit hout de dikte van pl.m. 5 cm. had bereikt, werd het gekapt, en doordat het in Mei ‘sap’ was geschild, d.w.z. van de bast was ontdaan. Het hout was op lengte van ongeveer 1 meter gehakt, en dan werd het over een ander stuk hout gelegd en daarna zoo lang geklopt tot de bast of schors los zat. De schors werd gedroogd en naar leerlooierijen gebracht, waar ze werd bewerkt tot looistof. Het hout dat overbleef noemde men schelhout en was een zeer gewilde brandstof.

    Een andere hulpbron om de inkomsten te verhoogen was het stoken van houtskool. Enkelen hadden daarin vaardigheid verkregen, en deze kolenbranders hadden zoo hun klanten overal zitten. In den herfst trokken de boeren met het vee naar het land. Geheele akkers waren begroeid met spurrie, een verbouw dat na de rogge gezaaid werd. Het vee werd aan den ’tuur’ gezet: een paal werd in den grond geslagen, waaraan een houten sliet met ijzeren beugel, en aan de koeketting of touw bevestigd. Het rund kon dan een bepaald stuk afgrazen, en telkens moest het vee weer ‘angetuurd’ worden.”

    Markt

    “Als het marktdag was ging men naar de markt, was er vee te verkoopen, dit werd naar de markt vervoerd, want veehandel gebeurde alleen op de markt. De Aaltensche veemarkt was dan ook druk bezocht. Men kwam met de prijzen der ossen en het overige rundvee op de hoogte, men hoorde op de markt allerlei nieuwtjes, welke weer stof tot praten opleverden in den huiselijken kring.

    De jaarmarkten waren het groote evenement in het leven der bevolking. Eerst had men de Meimarkt, in den herfst de Kermis- en op 6 December de Sint Nicolaasmarkt. Dan was het een drukte van belang in ’t dorp. Voormiddags gingen de getrouwden uit huis naar de markt. De veemarkt was overvol, en op de binnenmarkt ontbrak het niet aan kramen en verkoopers van allerlei huishoudelijke artikelen. Bekende figuren waren de kwakzalvers die kruiden verkochten, waardoor de meeste ziekten zouden genezen. De tandentrekkers hadden ook meestal goede klandizie.

    Veemarkt, Aalten
    Veemarkt Aalten, ca. 1934

    Op die jaarmarkten was er in de meeste herbergen dansmuziek. Het jonge volk ging des namiddags naar de markt. De boerenmeisjes slenterden eerst eens langs de kramen, kochten iets van hun gading, en eindelijk groepeerden ze samen. Dan kwamen de jongens opdagen en probeerde men elkaar te vinden om dezen avond uit te gaan. Enkelen hadden van te voren al afspraakjes gemaakt. Deze ‘hadden de schadden al dreuge’, want in den volksmond heette het als men de belofte van iemand had om samen de jaarmarkt te vieren: ‘dan had men de schadden dreuge’. Als het negen uur was ‘s avonds, en er waren dan nog meisjes die geen aanzoek kregen, dan was de kans voor hen verkeken en moesten ze alleen huiswaarts. Zoo werden vaak de eerste huwelijksbanden gelegd en was de eerste kennismaking op de jaarmarkt beslissend voor heel hun leven.”

    Bron


    • ‘Uit Aalten’s verleden’, door G.H. Rots, Aaltensche Courant, 12 & 19 november 1937 (via Delpher: deel III & deel IV)
  • Rol van de vrouw

    Rol van de vrouw

    In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Het volgende fragment geeft een indruk van de rol van de vrouw in het dagelijks leven van weleer:

    “De vrouwen van de meeste dorpsbewoners hadden een zware taak te vervullen. Zij waren aangewezen om veel zwaar werk te doen in het landbouwbedrijf. Zooals wij reeds mededeelden was de kruiwagen het hoofdvervoermiddel in het dorp, en geregeld zag men de vrouwen de landbouwgewassen per kruiwagen van het land of uit de tuinen naar de woonhuizen brengen. Had zij kleine kinderen, dan moesten die op de kruiwagen worden meegenomen naar ’t land, waar zij dan de werkzaamheden verrichtte welke op den akker te doen waren. De vrouwen moesten zwaar werk verrichten, niet alleen in de kruiwagen, maar zij moesten ook het land helpen omspitten.

    Als in ’t voorjaar de wintervoorraad geslonken was en krachtvoeder koopen uitgesloten was, gingen sommige vrouwen „kwekkene schudden”. Door de slechte bemesting en het ontbreken van kunstmeststoffen waren sommige stukken land overvol van dit onkruid. Het eenige voordeel hiervan was, dat de wortel van dit onkruid nogal voedingswaarde had en zoodoende kwam het dat men dit dan verzamelde en per kruiwagen naar de beek vervoerd werd, want deze kwekkene moesten eerst gewasschen worden voordat men ze het vee kon voederen.

    De vrouw moest vooral in den oogsttijd hard mee werken, en alle afstanden moesten te voet worden afgelegd. De verzorging van het huis eischte ook niet zooveel werk. Zaterdagsmiddags dan deed men daar een beetje aan. Men behoefde geen matten te kloppen, geen kleeden te schuieren, dat kende men niet. De vloer in het woonvertrek was van keisteentjes, later „estrikken”, en als ze de vloer geveegd had werd er een beetje wit zand op gestrooid en de „kamer was gedaan”. Zaterdags werd geschrobt. Eenige emmers water werden op de vloer gegooid, het vuil werd met den berkenbezem los geschrobt, en dan ging alles het gootgat uit, want aan elke keuken was zoo’n „göttengat”. Andere tijden, andere zeden, en zóó was in den ouden tijd de gewoonte om het huis te reinigen. En toch kon het gezellig zijn, gezelliger misschien dan in veel moderner gestoffeerde huiskamers.

    Bij winteravond had ieder zijn bezigheden. Als het vee verzorgd was, dan waren er andere bezigheden. De vrouw ging zitten spinnen, de man was in de weefkamer, de grootere kinderen moesten ander huiswerk doen, aardappels schillen, karnen enz. En kreeg moeder de vrouw de „koffiesmodde” en werd een kopje koffie gezet. Als het er aan zat kreeg men ’n „kluntjen” in de koffie, en anders werd ze zoo gedronken. Dan kwam de man en vader te voorschijn, de pijp werd opgestoken, en nadat de kinderen naar bed waren, keuvelden man en vrouw nog wat verder.”

    Bron


    • ‘Uit Aalten’s verleden’, door G.H. Rots, Aaltensche Courant, 5 november 1937 (via Delpher)
  • Het leven in de 19e eeuw te Bredevoort

    Het leven in de 19e eeuw te Bredevoort

    Aaltensche Courant, 11 september 1936

    Wie in dit voorjaar de jaarvergadering heeft meegemaakt van de Oudheidkundige Vereeniging „Oudheidkamer Aalten”, weet ook, dat na het verslag van den Secretaris, er zich een geanimeerde discussie ontspon, over de vraag, hoe leggen we vast, of liever zou het niet raadzaam zijn vast te leggen datgene, wat de oudsten onzer medeburgers uit onze gemeente weten te vertellen over de verschillende toestanden voor een kleine honderd jaren geleden; om alsdan deze gegevens te verzamelen en te bewaren voor ons nageslacht. Besloten werd hiertoe over te gaan, en kregen enkele bestuursleden opdracht hiermede eens een begin te maken. Als eerste bijdrage tot dit besluit moge onderstaande dienen.

    Wat de 82-jarige Hendrikus Scholtenlo uit Bredevoort vertelde!

    Zaterdagmiddag! Witte wolkjes hangen aan den blauwen hemel; de zon goot hare verzengende stralen over akker en beemd en schilderde den omtrek van boomen en bladeren op den landweg, die glom als de rug van een zeeleeuw. En, als de autobus, waarin we gezeten waren het vredige stadje tegemoet hobbelt, komt vanuit de dichte boomenrij Bredevoort’s vriendelijk R.K. kerkje reeds te voorschijn, en met haar de pannendaken der meestal uit roode baksteen opgetrokken huizen en huisjes. We stappen uit bij „Ruimzicht”, om te voet onzen weg te vervolgen over hobbelige keien en keitjes naar de Hozenstraat, in den volksmond beter bekend onder den naam van „de Hozze”.

    De „Hozze” met zijn eeuwenoude huisjes en markante geveltjes, was het doel van ons bezoek, waar onze zegsman, de heer Hendrikus Scholtenlo woont om uit zijn mond eens een en ander te vernemen uit „de goede oude tijd!” Och ja, men hoort zoo vaak praten van „den goeien olden tied”, en denkt dan onwillekeurig aan den tijd, zooals men wel eens placht te zeggen: „too grotvader grotmooder nam”, bedoeld zijn dan de zestiger-zeventiger jaren, toen de industrie nog in hare kinderschoenen stond, en de arbeidersklasse in opkomst was.

    Méér nog dan op heden, werd toentertijd door een ieder de landbouw beoefend, en leefden de meeste menschen van datgene, wat hun de akker na zwaren arbeid bood. Slechts de oudsten onder onze medeburgers, hebben in hunne jeugd dien tijd nog beleefd, en kunnen uit eigen aanschouwing en uit eigener ervaring daarover spreken. Tot dezulken behoort in Bredevoort zeer zeker Hendrikus Scholtenlo, die in Februari van ’t komende jaar 82 jaar oud wordt, en zich nog in een goede gezondheid mag verheugen zoowel naar lichaam als naar geest.

    „’t Wazzen knappe tieden!”

    Zóó begon onze zegsman, die we in ’t vervolg met Hendrik-Eume zullen betitelen, gelijk men hem thuis pleegt te noemen. Hendrik-Eume zijn vader was van beroep draaier, en vervaardigde spinnewielen, stoelen, somtijds ook klompen, vandaar dat Hendrik-Eume in den volksmond nog algemeen bekend staat onder den bijnaam van „den drèjer”. ’t Was vanzelfsprekend, dat hij zijn vader na schooltijd „duftig most helpen arbeiden”, wat hij deed tot zijn 11e jaar, toen hij van school afging, om zich in het weversvak te bekwamen.

    Het huis-weven werd toendertijd in Bredevoort algemeen beoefend. Bijna in ieder huis stonden een of meer weefgetouwen; en toen we de opmerking maakten, hoe in deze kleine behuizingen nog plaats kon gevonden worden voor één of meer weefstoelen, zei Hendrik-Eume lachend: „Doar mosten wi’j ons moar um behelpen!” In de 60er jaren kon een „tuchtige wêver” 50 tot 60 ct. per dag verdienen, hetgeen na de 70er jaren iets beter werd.

    Zeer zeker heeft het weven aan huiselijken haard ook haar romantische zijde gehad; maar als we uit den mond van onze zegsman moesten vernemen, dat de moeder van een „Brevoortschen wêver”, die 20 jaar ouder was als hij, in de 50er jaren ’s nachts bij maanlicht (om het olie-licht te besparen) nog gauw „een stuk in mekaar sloog”, om daarvoor den volgenden morgen brood te koopen, dan is ’t toch met de romantiek gedaan.

    Natuurlijk of liever het was toen de gewoonte, dat ook de kinderen bij ’t weven flink moesten helpen. In den zomerdag moesten zij op den akker helpen, terwijl zij des winters voor den wever moesten spoelen. Als een kind vlijtig was, kon het na schooltijd (van 4—8) vier pond „fetten” spoölen, waarvoor dan 10 tot 15 penningen werd betaald. Op gelijke hoogte bewogen zich toentertijd de overige loonen. Zoo verdiende b.v. een daglooner bij een boer pl.m. 40 ct. per dag, op eigen kost, terwijl een boerenmeid 18 tot 20 gld. per jaar verdiende, met „toeboate”, hetwelk bestond uit 1 spint lijnzaad, 5 el linnendoek en 5 el werkendoek (grof linnen). Eenmaal in ’t jaar verkreeg zij 8 dagen vrijaf, de z.g. „spinnewèke”, om het verworven vlas (spintsgezaai) in de ouderlijke woning te kunnen spinnen.

    Met de loonen van timmerlieden, metselaars, en andere ambachtlieden, was ’t vrijwel hetzelfde gesteld. Gewoonlijk werd ’s morgens al zeer vroeg begonnen, en werd de arbeid geëindigd zoo ’s avonds tegen half acht. Nemen we aan, dat per dag 2 uur werd besteed aan schafttijd, dan bleef er toch meestal een dagelijksche arbeidstijd van pl.m. 12 uur over. Een vrije Zaterdagmiddag kende men niet, zoodat per week ongeveer 72 uur werd gewerkt.

    „Jao ’t wazzen knappe tieden!”, zei Hendrik-Eume met een veelzeggend oogknippen. ’s Morgens gaf ’t een stuk roggebrood, dat was alles een enkele keer met een stuk boekweiten-pannekoek er tusschen. Wittebrood gaf ’t maar heel zelden, alleen op hooge feestdagen. ’s Middags was het regelmatig stamppot met wat vet bereid, want vleesch werd, zooals onze zegsman zich uitdrukte: „met groote letters ’eschreven”, niettegenstaande toendertijd een vette koe slechts 30 tot 40 gulden kostte. Alleen de meer gegoeden slachtten toen zelf, maar dan nog werden de schinken en het nagelhout verkocht; meestal werd van het geslacht de landpacht betaald.

    Het jaar 1847 was met recht een „hongerjaar”.

    Wijl de oogst, voornamelijk de roggeoogst, zoo goed als mislukt was, kostte toen de rogge 22 gulden per mud, en moesten de meeste menschen zich behelpen met brood van paardeboonen ofwel bruine boonen, waaronder een weinigje rogge vermengd was. Vooral de kinderen hadden ’t toen hard te verantwoorden. In de zeventiger jaren, zoo ging Hendrik-Eume verder, werd ’t hier heel wat beter.

    In ’t naburige Bocholt, had de huisindustrie al hier en daar plaats moeten maken voor de stoomweverij, en gingen reeds verschillende wevers uit Bredevoort naar Bocholt „noa den stoom”. De meesten gingen in Bocholt in de kost, en kwamen dan Zaterdagsavonds weer thuis. Dat er toentertijd geen teveel was aan arbeidskrachten, laat onderstaande niet onaardige omstandigheid duidelijk zien. lederen Zaterdagavond, zoo vertelde onze zegsman, ging de omroeper in Bredevoort rond „of er nog jongens of deêrns wazzen, dee geerne in Boôkelt wollen arbeiden!”

    Gewoonlijk was dan de omroeper vergezeld van jeugdige personen, die zoo juist van Bocholt waren thuisgekomen en meestal in een vroolijke stemming verkeerden, waarbij dan werd gezongen:

    „In Bookelt bunt zukke mooie stroaten, Wi’j ’t neet doon, dan kö’j ’t ook loaten! Van ain – zwai – drai!”

    Gezien de betere arbeidsvoorwaarden, waaronder in Bocholt werd gewerkt, gaven verschillende wevers aan dien oproep gehoor, zoo ook onze zegsman, die toentertijd 6 tot 7 Berliner daalder per week kon verdienen. En als hij dan Zaterdagsavonds thuis kwam, zeide zijn moeder vol verbazing: „Jonge, wat breng i’j völle geld met!”

    Al pratende, kwamen we zoo ook al van het eene op het andere. De huishuren waren toentertijd zeer gering, en overeenkomstig de lage inkomens. De huur van een nette arbeiderswoning bedroeg toen 30 tot 40 ct. per week; voor 30 gulden per jaar „ko’j al een deftig huus bewonnen”, zei Hendrik-Eume. Met de post-verhoudingen was ’t al heel treurig gesteld; bode Prange haalde eens per dag de post van Aalten, en bracht deze van Bredevoort uit weer verder door naar Winterswijk.

    Het lezen van een courant werd als een weelde beschouwd, en was enkel voor „de groote leû”, alleen de pastoor, toentertijd de Zeer Eerw. heer te Welscher, las de courant samen met den heer van Eijck. In 1880 werd door Aaltjen Hofs het eerste blaadje, de „Vooruit” huis aan huis bezorgd.

    Ook de wegen waren toentertijd zeer onbegaanbaar. Moest men naar Aalten, dan ging het over de zandweg naar Lichtenvoorde tot bij den „Ouden tol” en vandaar naar Aalten. Een rechtstreeksche verbinding met Aalten bestond toen nog niet, tot ongeveer in het jaar 1875, toen de wallen werden geslecht en de z.g. Koppeldijk ontstond. De oude R.K. kerk stond toendertijd op de plaats waar thans de tuin van het café „Ruimzicht” is gelegen, het woonhuis, het z.g.n. „Pierikshuis” diende toen als pastorie.

    Interessant was het uit den mond van onzen zegsman te vernemen, hoe het gesteld was met de zon- en feestdagen, kermis, enz. De Zondagen en feestdagen, zei Hendrik-Eume, waren „zeer billig”, wijl men zich het eenige genoegen gunde, dat men zich eens behoorlijk kon uitrusten, en dat kostte natuurlijk niets. Eenmaal in ’t jaar gunde men zich een pretje, en dat was ter gelegenheid van de kermis, waarbij dan tevens het z.g. schuttersfeest werd gehouden.

    Een 14 dagen van te voren „wanneer ie ’s oavonds de kroewagens ovver de stroate heurden rammelen”, (want dan worden de boeskool verkoft en een paar zak eerpels) was het teeken, dat de kermis op komst was. Ook werden een 14 dagen van te voren „de plaatsen al verpacht veur de schutterieje”; de hooge plaatsen (rangen) zooals kapitein „en dat spul”, werden dan duur betaald, waarbij de noodige „rondjes” moesten worden gegeven; zoo’n kleine kermis dus al vooraf.

    Daags voor het eigenlijke feest werd de vogel onder geleide van de muziek weggebracht „noa ’t Zwanenbrook”. Den anderen morgen werd dan begonnen met het bekende vogelschieten, en die dan koning werd, kon zich een koningin kiezen, die dan beide avonden met muziek naar huis werden gebracht. Bij de schuttersoptocht gingen de „bielemans” voorop. „Doar hadden de jonge deerns schrik veur… maor ook wal schik van”, vertelde Hendrik-Eume, aangezien de „bielemannen” in een soldaten-tenue waren gestoken, met een groote muts over ’t hoofd, waarin een opening voor mond, neus en oogen was aangebracht. Verder een handbijltje in de hand, hetgeen de geheele uitrusting van zoo’n bieleman vormde.

    Op het Zand achter de school, stond dan de draaimolen. „Dee drilschuûte mosten wie zelvers douwen”, aldus onze zegsman, want Keesje, die hier algemeen bekend was, was beide dagen gewoonlijk een beetje „in de olie”, en dan „wazzen de jongens baas van de drilschuûte”. Een paard bezat Keesje niet. Gewoonlijk waren er dan ook nog een paar kleine kraampjes waar „wat zeut grij” werd verkocht, en dat was dan ook alles.

    Evenwel was de jeugd tevreden, en men vermaakte zich naar hartelust, wijl men het ook al niet beter kende. Zondags na de kermis was het potverteeren bij Pierik in de opkamer. Het overgehouden geld werd dan bij elkaar gegooid en was het weer zoo’n beetje kermis onder elkaar. Naar de Brevoortsche kermis ging oud en jong gaarne naar toe, ’t was er „gemeudlik en gezellig!”

    Langzamerhand werden de tijden wat beter. Toen in de 90er jaren de kunstmest kwam, ging het met de landbouw ook weer vooruit; in de fabrieken was volop werk, en hoewel er nog geen loon werd verdiend zooals heden ten dage, gevoelden we ons toch recht op ons gemak, ’t Werk op het land kan ik nog zoo’n beetje doen, aldus Hendrik-Eume, en hoop dit ’t komende jaar ook nog te kunnen volbrengen.

    J.W. VOSMAN,
    Secr. Oudheidkamer.

    Bronnen


  • Bruiloft in de eerste helft der 19e eeuw

    Bruiloft in de eerste helft der 19e eeuw

    in ’t Oosten van Nederland

    Ze hadden lang met mekaar verkeerd. „’t Most maor wezen”. De dag van „de brullefte” was bepaald. De „brüdsneugers” waren uitgezonden. Deze gingen uit op den dag van het aanteekenen. Nog vroeger, in de dagen waarvan mijn grootvader vertelde, was er geen aanteekenen en trouwen voor den ambtenaar. Het eerste begin was het uitzenden der bruidsneugers. Dan, als de groote dag gekomen was, werd de acte voor den Scholte opgemaakt en, was deze geteekend met naam of kruis, dan was de overeenkomst klaar, en de man met zijn magen trok met de bruid (die dien dag voor ’t eerst zoo genoemd werd) en hare magen naar het huis van den man, waar zij als man en vrouw verder wonen zouden. Soms werd er ook geen contract opgemaakt — de optocht was het wettig bewijs en zoodra de Zondagmiddag in het land was bevestigde de kerk het verbond en teekende het in haar boek aan.

    Omstreeks de vijftig der 19e eeuw was dit reeds geheel anders: het burgerlijk huwelijk was geheel ingeburgerd. Met de kerk was het op den ouden voet gebleven. Zij gaf haar zegen op het voltrokken feit. In het oog van den boer was echter de actus voor den ambtenaar niets anders dan het vroegere contract, en de hoofdhandeling bleef het halen van de bruid uit haar ouderswoning.

    Aan den vooravond kwam de familie van den bruigom, mannen en vrouwen, vader en moeder, ooms en tantes, neven en nichten om over de plechtigheid van den volgenden dag officieel te spreken (factisch was alles reeds door de bruidsjonkers geregeld). In langen statigen optocht kwamen zij naar den hof der bruidsouders. Daar deed men alsof men van niets af wist. De tafel met koffie met kaneel en boterhammen stond echter binnen klaar. Men zette zich, alsof het een gewoon bezoek gold. Van de dochter, om wie het te doen was, was niets te zien.

    Als een kop koffie gedronken was, stond het oudste mannelijke lid van de familie van den bruigom op en vroeg of „Gardine… hier wal te hûs was (woonde)”, want hij wilde met haar praten. Het antwoord was natuurlijk bevestigend, en de vader zond een paar van de jongere familieleden van weerskanten uit om haar te zoeken. Deze vonden haar en brachten haar in den familiekring.

    Nu kwam de plechtige vraag of zij de vrouw van Hendrik wou worden en of zij goed vond dat hij haar den volgenden morgen kwam halen. Zij antwoordde „ja, als vader en moeder het goed vinden”. Deze gaven officieel consent en het officieele deel van het bezoek was hiermede ten einde. De oudste dronk zijn kop koffie leeg en deed alsof hij weg wilde gaan. Nu noodigde de vader hem uit om nog wat te blijven en nog wat te eten, en nog wat te drinken, en alzoo geschiedde.

    Den volgenden morgen was alles op beide boerderijen in de weer om alles gereed te maken.-Bij de ouders van den bruigom om den stoet op te stellen, die in wagens de bruid en hare familie zou gaan halen; bij de bruid om alles gereed te maken voor de ontvangst der gasten, die reeds vroeg zouden komen, want de geheele familie der bruid en de buren waren genoodigd om daar de komst van den bruigom en zijn verwanten af te wachten.

    Omstreeks tien uren waren de gasten er met hunne wagens, alles in ’t beste tuig. De bruid, die op dezen dag voor ’t eerst met den titel van bruid werd aangesproken, was gekleed, maar liet zich niet zien. Zij had het hemd van eigen gereid linnen, zelf genaaid, met één draad, aan. Dat hemd zou zij na het huwelijk weer wegbergen en eenmaal weer zou het haar aangedaan worden, maar niet bij haar leven.

    De stoet van den bruigom kwam aan. De wagen van den bruigom voorop, versierd met groen en linten. De bruidsjonkers zaten voorop, een van hen mende de paarden. Achter op den wagen zaten twee knechten met geweren en eene mand met brooden en met flesschen bij zich. Daar achter de wagen met de ouders, enz. Aan de woning gekomen steeg de bruigom van den wagen, opende de deur en de boer, vader der bruid, vroeg hem wat hij wilde. Hij antwoordde: mijn bruid halen. Antw. „Dê kenne ik nêt.” — „Dat is ow Gardîne.” — „Dê zee ik neet.” — „Laot er dan zöken.” Zoo geschiedt. Zij wordt gevonden.

    Buiten gekomen neemt de bruigom haar om het middel en licht haar op den wagen. Dan keert hij zich om tot den vader en zegt: „Gao ij en ow volk ok met -— bij mi an hoes steet alles klaor.” Daarop klimt hij op den wagen, neemt zijne plaats naast de bruid in, de ouders van de bruid stijgen op den volgenden wagen bij die van den bruigom en bij hen hunne kleinste kinderen, verder schikt zich alles op de wagens van de verwanten van den bruigom en van de bruid. Op elken wagen haast zitten eenige jonge mannen met geweren en jonge meisjes met rateltjes.

    Als de wagens wegrijden wordt er geschoten, gerateld, kortom een leven gemaakt, dat de jonge boeren de handen vol hebben om de paarden in bedwang te houden. Van het gemeentehuis ging het naar het huis, dat de jongelui voortaan bewonen zouden. Onderweg ontmoette de stoet menigmaal hindernissen, die uit den weg werden geruimd door brood en drank te geven. Hier en daar werden zij met schoten begroet, die van de wagens beantwoord werden. Voor het huis der jongelui, alle geweren afgeschoten. Hier ontvingen hunne buren het jonge paar en gedurende den verderen dag hielpen deze en hunne knechts en meiden door de gasten en het jonge paar te bedienen.

    De bruigom, lichtte nu weder zijne bruid van den wagen en nu gingen zij over den drempel zonder dien aan te raken; òf er was een hout over den drempel gelegd, òf er was een plas water over gegoten. Was de bruid er over, dan was er terstond een bij die haar het stof van de schoenen met mooie gespen afveegde en dezen moest zij tracteeren.

    Dan ving het bruiloftsmaal aan, waarbij bruid en bruigom onder de groene kroon op de rijk versierde stoelen zaten. Er werd veel gegeten en goed gedronken en eindelijk overgegaan tot eene rondwandeling over erf en akkers. Daarna kwam er koffie met kandeel, wijn, brandewijn met suiker, koek (Deventer koek) en hiermede was men bezig tot het vallen van den avond. Dan gingen de gasten weg met een: ajuus, tot margen, want voor den volgenden middag waren zij weer door de bruidsneugers uitgenoodigd.

    Nu kwamen in den middag de oudere lui met de kleine kinderen en ieder bracht een geschenk in de woning van het jonge paar. Tegen den namiddag kwamen de jongens en de deerns en nu was op de dèle het feest. Daar was de fideler, een of twee violen en een bas. Daar werd gedanst tot het duister was of als er een lampje was tot de olie op was.

    Beide avonden, maar vooral den eersten avond, moesten de jongelui zich in acht nemen voor allerlei verrassingen. Dan eens was het een der jongelui, die zich verstopt had en op het meest ongelegen oogenblik voor den dag kwam, bewerende dat hij zich verslapen had en nu naar huis wilde. Dan weer was alles aan elkaar genaaid en had de bruid voor het naar bed gaan nog lakens en dekens en kussens los te tornen; dan weer wilde het luik voor het venster niet sluiten, of het bed lag vol klissen.

    Na de beide groote dagen, die soms nog eenige dagen verlengd werden, volgde het feest aan de Naobers (de buren), die nu gasten waren, terwijl de jongere familieleden van bruid en bruigom bedienden. Dit feest verliep op dezelfde wijze: overdag de ouderen, ’s namiddags het jongere volk, maar bij alles veel eten en drinken en voor den avond dansmuziek.

    Ziedaar het verloop eener brullefte van een vijftig jaar geleden, zooals ik ze nog zelf gekend heb. Wanneer de bruid haar titel verloor kan ik niet juist aangeven. Ik meen dat zij, als de week van de bruiloft voorbij was, ook niet meer dien titel voerde, maar nauwkeurig kan ik het niet zeggen. Wellicht zijn er onder de lezers die het weten en die uit hunne herinneringen het hier medegedeelde nog kunnen aanvullen. Uit het thans bestaande zal dit niet kunnen geschieden, want de oude, zoo beteekenisvolle vormen van vroeger zijn meer en meer verlaten.

    J.H. GALLEÉ.

    Bronnen


  • Oudheidkamer

    Oudheidkamer

    Dijkstraat 10b, Aalten (verdwenen)

    In 1930 opende G.J.J. Degenaar naast zijn drogisterij aan de Landstraat tevens een lunchroom, ingericht als “Oud-Hollandsche taveerne”. Op de verdieping erboven werd het museum van de Oudheidkamer ondergebracht. Op initiatief van Aaltens Belang werd voor de Oudheidkamer in 1935 een eigen museumgebouwtje opgericht aan de Dijkstraat, op een perceel bouwgrond dat bestuurslid Jos Driessen hiervoor beschikbaar stelde, naast diens villa. In 1956 werd de grond verkocht en moest het gebouw worden afgebroken. Het museum verhuisde uiteindelijk naar het Frerikshuus aan de Markt, met de achtergelegen Freriksschure.

    Opening nieuwe Oudheidkamer aan de Dijkstraat

    Aaltensche Courant, 19 april 1935

    Zaterdagmiddag werd het nieuwe gebouw der Oudheidkamer dat aan de Dijkstraat verrees, officieel geopend. Het keurige gebouwtje, met zijn uitgesproken middeleeuwsch geveltje herbergt in zijn bescheiden ruimte een keur van historische en folkloristische voorwerpen, grootendeels uit de naaste omgeving bijeengebracht en geschonken danwel in bruikleen afgestaan.

    In het voorste deel, geheel ingericht en aangekleed als een oude boerenkeuken, hadden zich Zaterdagmiddag verschillende genoodigden verzameld. Hier nam de voorzitter der vereen. „Oudheidkamer Aalten”, de heer Jos. Driessen het woord en heette de aanwezigen hartelijk welkom. Op héél eenvoudige wijze, zegt spr. zonder enige feestelijkheden, wenscht het bestuur der vereeniging Oudheidkamer Aalten haar nieuw Museumgebouwtje vandaag in gebruik te nemen.

    Toen we op 9 Aug. 1930 de in ons bezit zijnde en in bruikleen afgestane voorwerpen, die in de bovenwoning van den Joh. Degenaar aan de Landstraat waren ondergebracht, mochten tentoonstellen, was bij afwezigheid van den Edelachtbaren heer Burgemeester, wethouder Somsen zoo welwillend deze tentoonstelling te openen.

    Ik heet nu alle aanwezigen hartelijk Welkom in het bijzonder heeren burgemeester en wethouders, alsmede de secretaris van onze gemeente. Uit uw aanwezigheid blijkt ook nu weer, dat u met onze vereeniging sympathiseert, waarover we ons ten zeerste verheugen.

    Aan het verlangen onzer leden en obligatiehouders, die blijk gaven met ons streven mede te leven om tot oprichting van een eigen gebouw te geraken is nu voldaan. Het eigen huis is tot stand gekomen, waarin de diverse voorwerpen op een meer overzichtelijke wijze dan tot dusverre kon geschieden, worden tentoongesteld. Het zal u blijken dat we op zeer bescheiden voet onze plannen hebben kunnen verwezenlijken, een grooter gebouw te stichten lieten onze weinige geldmiddelen niet toe, we moesten roeien met de riemen die ons ter beschikking stonden.

    Dames en Heeren, we hebben het oorspronkelijke plan, om het gebouw als één groote zaal tot museum in te richten moeten laten varen, we beschikten over tal van voorwerpen die voorheen in een Geldersche boerenkeuken thuis hoorden, het idee tot inrichting hiervan vond meer en meer ingang en is verwezenlijkt geworden; als u even rondom u ziet zult u bemerken dat we ons in een echte ouderwetsche boerenkeuken bevinden; u vindt hier terug tal van voorwerpen, die eertijds in geen enkele boerenkeuken ontbraken. U ziet hier de ouderwetsche bedstee, het spek en de worst in „De Wieme”, de ouderwetsche klaptafel, en vele andere voorwerpen.

    Ik wil u nog even wijzen op de ouderwetsche vloer, gemaakt van gewone keisteentjes, zooals die in alle oude keukens bestonden en die men hier en daar, al zij het sporadisch ook nu nog aantreft. Deze keisteentjes zijn gevonden in de grintlagen in en om Aalten. De heer Joh. Benning alhier, heeft op een bijzonder artistieke wijze hiervan een mooi geheel gemaakt met de Lindeboom, het wapen van Aalten in het midden.

    Haardplaat

    Haardplaat, Oudheidkamer Aalten
    De haardplaat © Nationaal Onderduikmuseum

    Ook het open vuur, de boezem, de ouderwetsche tegeltjes en zelfs de haardplaat ontbreken niet. De haardplaat is nog van bijzondere, historische beteekenis. Deze bevond zich in Aalten in het oude huis, eertijds branderij der familie Ten Bokkel thans bewoond door den Veldhuis in de Hoekstraat, eigendom der familie Nijenhuis te Siepe in Winterswijk.

    Door ijverige pogingen van den heer Joh. Degenaar, alhier, werd ons deze haardplaat door de onlangs overleden mej. Nijenhuis vermaakt, door medewerking van de familie te Siepe te Winterswijk, kwam deze werkelijk magnifieke plaat tijdens den bouw van ons museum toen reeds in ons bezit, om in deze keuken te worden geplaatst. Links op de plaat staat de naam van Georg Friedrich Graaf von Waldeck die in 1682 door den (Duitschen keizer Leopold I tot Rijksvorst werd verheven. Hij is geboren 31 Jan. 1620 en overleed in 1692. Rechts op de plaat staat de naam van Elisabeth Charlotte, geboren Gravin van Nassau–Siegen, zijn echtgenoote. Deze personen waren verwant met ons Koninklijk huis. De Graaf von Waldeck was een beroemd veldheer en staatsman.

    Ongetwijfeld komt bij U de vraag naar voren: Hoe Is nu deze haardplaat hier in den Achterhoek en wel in Aalten terecht gekomen? Wij hebben wel eens hooren zeggen dat deze Graaf in Delft heeft gewoond. De haardplaat zal op een of andere wijze in Bredevoort zijn verzeild geraakt, hij was in een oud huis aldaar aanwezig; voornoemde ten Bokkel heeft de plaat in Bredevoort gekocht en naar zijn woning laten overbrengen. Wij zullen dit nog eens nader laten onderzoeken en als wij meerdere gegevens zullen hebben, hopen wij hierover u nog eens iets meer te vertellen.

    In de zaal hiernaast vinden wij nog meerdere voorwerpen van historische waarde, o.a. is daar aanwezig de doek, waarmede Freule van Dorth werd geblinddoekt, toen zij wegens hare aanhankelijkheid aan den Prins van Oranje, te Winterswijk werd terechtgesteld. Verder zijn er nog aanwezig 2 prachtige hellebaarden, die bij feestelijke gelegenheden werden gebruikt bij de Poolsch Edelgarde van August de Sterke, Keurvorst van Saksen, Koning van Polen, geboren 1670 te Dresden.

    Ik heb U eenige voorwerpen genoemd opdat U een idee zult krijgen van den vooruitgang van ons museum, sedert de oprichting in 1930. Ik mag niet onvermeld laten, dat nog tal van voorwerpen in ons bezit zijn, die wij wegens gebrek aan ruimte niet hebben kunnen plaatsen, o.a. hadden wij nog gaarne een weefkamer ingericht, zooals men die vroeger ook hier in onze streek veelvuldig aantrof, maar zooals u zult zien is er in ons zaaltje geen plekje meer vrij om nog voorwerpen onder te brengen, er is er zeer zeker gebrek aan ruimte voor een weefkamer, maar zooals reeds aan het begin opgemerkt, de bescheiden middelen lieten het bouwen van een grooter gebouw niet toe, maar wij denken aan het gezegde „Wat klein begonnen is, zal in den loop der jaren kunnen groeien”, hiervoor hebben wij echter veel steun noodig.

    Het heeft ons bestuur aangenaam getroffen, dat bij de huldiging van onzen Burgemeester, wethouder Somsen ook memoreerde de totstandkoming van dit gebouw tijdens diens ambtsperiode, dit vestigt bij ons de hoop en het vaste vertrouwen, dat van de zijde van het geacht bestuur onzer gemeente bij gelegenheid wel eens een steentje zal worden bijgedragen. Ik doe ook een beroep op onze ingezetenen die sympathiseeren met onze vereeniging en hoop dat zij ons verder meer en meer zullen steunen en blijven steunen, opdat ons gebouw spoedig vergroot zal kunnen worden, waaraan inderdaad wel behoefte bestaat. Moge het aantal leden groeien, en ik hoop dat de ingezetenen bij bezoek van vreemdelingen hun opmerkzaam zullen maken op ons museum.

    De entreeprijs is zeer laag gesteld, zoodat dit geen beletsel behoeft te zijn voor een bezoek. Ik ben er van overtuigd, dat zij over het tentoongestelde uitermate tevreden zullen zijn; ontegenzeggelijk is Aalten door dit museum ’n aantrekkelijkheid rijker geworden Tenslotte doe ik nog een beroep op die ingezetenen, die nog in het bezit zijn van een of ander oud voorwerp, ik hoop dat zij dit aan ons willen schenken, of in bruikleen willen afstaan. Een woord van dank moge ik niet onthouden aan mijne medebestuursleden die hunne beste krachten gegeven hebben voor de aankleeding van het gebouw en het rangschikken der voorwerpen en hiermede Dames en Heeren verklaar ik dit Museum voor geopend en noodig ik U beleefd uit tot de bezichtiging.

    Hierna neemt de Burgemeester het woord. Dat is de derde maal zegt spr. dat het gemeentebestuur door deze vereeniging werd uitgenoodigd. Het spijt spr. dat hij de vorige malen niet in de gelegenheid was aan de uitnoodigingen gevolg te geven. Thans is weth. Somsen verhinderd hier te zijn, terwijl ook weth. Brethouwer niet kon komen. Wij, als gemeentebestuur verheugen ons in de totstandkoming van dit gebouw. Het bestuur heeft deze oudheidkundige voorwerpen keurig bijeen gebracht. Voor dergelijke vereenigingen is een krachtig bestuur gewenscht, zal dat zoo zijn dan moet een goed kapitein aan het hoofd staan. Zoo’n kapitein bezit Uw bestuur in haren voorzitter. Hulde voor hetgeen tot stand is gebracht, ook namens ’t gemeentebestuur. Critiek zal niet uitblijven, dat zit in onze landaard. Kunst is echter moeilijk, critiek daarentegen makkelijk. Spr. heeft reeds bij geruchte gehoord, dat alles in orde is. Dit is een eer voor ons nageslacht dat navolging verdient. We hopen, dat het Uw bestuur gegeven mag zijn, nog vele voorwerpen, voor uw vereeniging te verwerven. Mocht onze berooide gemeentekas eens bij machte zijn, zoo zullen we gaarne helpen.

    Het gemeentebestuur heeft gedacht als aandenken aan deze ingebruikneming een klein souvenir te moeten aanbieden. Moge het een plaatsje in uw museum vinden. Spr. biedt een oude, gekleurde plaat in lijst aan, met verschillende oude kleederdrachten uit deze streken. Hierna heeft het gezelschap gelegenheid het gebouw nader te bezichtigen.

    Keitjesvloer

    Zooals we reeds opmerkten betreden we, als de voordeur met zijn ijzeren klopper opengaat, de keuken, geheel in ouden stijl aangekleed. De vloer is gelegd van kleine keisteentjes in verschillende kleuren, een prachtig stukje werk. Achter de groote schouw bevindt zich de bijzonder mooie haardplaat, waarvan de voorz. in zijn openingsrede gewaagde, veel koperwerk en jaren oud aardewerk staat of hangt op de richels; in de bedstede is het bedje gespreid, de kinderstoel, staat naast het open haardvuur met zijn schitterende „haak” waaraan een groote koperen ketel is opgehangen. De oude klok met zijn regelmatig getik—tak— draagt niet weinig bij, tot het scheppen van een recht gezellige huiselijke stemming.

    Natuurlijk is de „glazen kaste”, den „berkenbessem” en de „bloasepipe” niet vergeten, terwijl de „klaptoafele” en de „gedreide stöle” nooden tot een knus gezellig „preutje” waarbij dan zeker de „koffiesmodde” wel te pas zal komen. Openen we de deur tusschen de beide bedsteden, waardoor we verwachtten op de deel terecht te komen, dan bemerken we dat deze veronderstelling verkeerd is. Hier toch is de grootste ruimte geheel gevuld met oudheidkundige voorwerpen waarop de vereeniging in den loop der jaren beslag wist te leggen. Van alles te gewagen zou ons te ver voeren. Volstaan we met de mededeeling dat alles hier een doeltreffende en goede overzichtelijke plaats heeft gekregen, alles voorzien, voor zoover noodig van duidelijke aanwijzingen en beschrijvingen.

    De vereeniging heeft met het openen van dit gebouw een stap verder gedaan in haar ontwikkelingsgang. Een stap, welke naar we hopen en wenschen te zijner tijd door meerdere schreden zal worden gevolgd. Dit zal voor het volijverige bestuur een voldoening zijn en onze plaats aan aantrekkelijkheid doen winnen.

    Oudheidkamer aan de Dijkstraat wordt afgebroken

    Dagblad Tubantia, 29 december 1955

    De in 1934 aan de Dijkstraat gebouwde Oudheidkamer, die een schat van gebruiksvoorwerpen, zwerfstenen, manuscripten en foto’s bevat, en zich in de afgelopen jaren mag verheugen in een voortdurend stijgende belangstelling, zal binnenkort worden afgebroken.

    Het bestuur van de Vereniging Oudheidkamer Aalten, die dit museum beheert, is er nog niet in geslaagd een oplossing te vinden voor de vestiging van de oudheidkamer in de toekomst. Het is uitermate moeilijk in Aalten aan bouwterrein te komen, terwijl bovendien de financiën een belangrijke rol spelen. De vereniging bezat in 1934 geen bouwterrein doch wijlen het bestuurslid de heer Jos Driessen vond een oplossing door een naast zijn villa aan de Dijkstraat gelegen perceel bouwgrond beschikbaar te stellen. Het bestuur accepteerde dit aanbod met graagte.

    Vrij spoedig werd dan ook met de bouw begonnen. Men maakte zich geen zorgen over de gang van zaken ten aanzien van het gebouw in de toekomst. Officiële verkoop van de grond door de heer Jos. Driessen aan de Vereniging Oudheidkamer vond dan ook niet plaats, terwijl evenmin een schenking werd beschreven. Het gebouw kwam hierdoor te staan op grond die aan de fam. Driessen in eigendom toebehoorde.

    Onlangs heeft de heer H. Driessen, die eigenaar van de villa in de Dijkstraat en de daarnaast gelegen grond is geworden, het perceel waarop de Oudheidkamer staat, verkocht aan een eierhandelaar, die daar naast zijn bedrijf heeft en de grond nodig heeft voor uitbreiding. De nieuwe eigenaar heeft nu aan het bestuur van de Vereniging Oudheidkamer doen weten, dat het gebouw zal moeten verdwijnen.

    In de afgelopen weken is de inventaris uit het museum gehaald en voorlopig opgeslagen in de textielfabriek van de N.V. H. Driessen en Zn. aan de Hofstraat. Van de zijde van het bestuur kon men niet meedelen, welke plannen men voor de toekomst heeft. Zonder een belangrijke subsidie zal men niet tot het gebouw van de Oudheidkamer kunnen overgaan.

    Oudheidkamer in impasse

    Dagblad Tubantia, 28 februari 1956

    In de gisteravond in café Schiller gehouden ledenvergadering van de verenging „Oudheidkamer” te Aalten, heeft de voorzitter, de heer C. Driessen, de trieste mededeling gedaan, dat de aan deze vereniging in bruikleen afgestane grond, waarop de oudheidkamer aan de Dijkstraat is gebouwd, is verkocht. Het gebouw moet derhalve worden afgebroken. Het bestuur ziet geen kans op korte termijn een oplossing te vinden voor de huisvesting van de verzamelingen, aangezien slechts f. 3000 in kas is. Uit de discussie bleek, dat er een zeer verwarde toestand is ontstaan.

    Aankoop Luutenshuus?

    Dagblad Tubantia, 1 maart 1956

    De Vereniging Oudheidkamer te Aalten heeft aan het gemeentebestuur van Aalten verzocht de oude woning op de hoek van de Polstraat en de Haartsestraat aan te kopen en te verhuren aan de vereniging voor het onderbrengen van de inventaris van de Oudheidkamer. Het bedoelde pand is een der oudste in de gemeente Aalten. De oude gevel en de houten gebindten verraden dat het huis minstens een paar eeuwen oud is. Slechts enkele van deze panden zijn in het dorp Aalten bewaard gebleven.

    In de bovenbalk van de grote deur aan de straatzijde staat de inscriptie: „God laet ons beërven een eerlick leven en een saligh sterven. Anno 1680 den 11 Juni”. Besluit de gemeenteraad tot aankoop van dit pand, dan zal waarschijnlijk Monumentenzorg een bijdrage verlenen in de kosten van restauratie van het pand. dat uitstekend kan dienen voor huisvesting van de Oudheidkamer.

    Bronnen


    • Aaltensche Courant, 19 april 1935 (via Delpher)
    • Dagblad Tubantia, 29 december 1955 (via Delpher)
    • Dagblad Tubantia, 28 februari 1956 (via Delpher)
    • Dagblad Tubantia, 1 maart 1956 (via Delpher)