Categorie: Emigratie

  • Het stoomschip ‘Nestorian’ (1869)

    Het stoomschip ‘Nestorian’ (1869)

    Aaltense emigranten naar de VS

    Stoomschip Nestorian (1867)

    In de zomer van 1869 begon voor meer dan honderd Aaltenaren een levensveranderend avontuur. Aan boord van het stoomschip Nestorian, met als bestemming Québec, bevonden zich honderden emigranten, waaronder families uit Aalten en omstreken. Voor hen was dit het begin van een nieuw leven in Amerika, ver weg van de landbouwcrisis en de beperkte toekomstmogelijkheden in de Achterhoek.

    De Nestorian was een ijzeren stoomschip van de Allan Line (officieel de Montreal Ocean Steamship Company), gebouwd in 1866 in Glasgow. Het schip was ongeveer 97 meter lang en 12 meter breed. Voor extra veiligheid had het schip drie masten met zeilen, voor het geval de stoommachine uitviel. Er was plaats voor 115 passagiers in de eerste klasse en 600 in de derde klasse (het tussendek).

    De keuze voor de Allan Line en Québec

    Rond 1869 adverteerde de Allan Line intensief in Nederlandse regionale kranten. Lokale tussenpersonen, zoals in Arnhem, fungeerden als sub-agenten voor het hoofdagentschap in Antwerpen. De rederij overtuigde Achterhoekers met twee sterke argumenten:

    • De kortste zeeroute
      Door naar Québec te varen in plaats van New York, waren emigranten minder lang op de open oceaan. Zodra het schip de Straits of Belle Isle bereikte, voer men de rest van de weg op de beschutte Saint Lawrence-rivier.
    • De goedkoopste optie
      Tussen 1860 en 1890 was Liverpool een populaire vertrekhaven voor Europese emigranten vanwege de lagere tarieven. Armere emigranten waren bereid om de ongemakken van het overschepen via Engeland te tolereren om te besparen op het trans-Atlantische ticket. Een ticket voor de overtocht (tussendek/steerage) kostte rond 1869 ongeveer 60 tot 80 gulden.

    De reis en de route

    Inclusief de reis vanuit de Achterhoek en de overstap in Engeland was een emigrant zo’n 2,5 tot 3 weken onderweg. Hier is hoe hun reis er ongeveer uit moet hebben gezien:

    Naar Antwerpen

    Achterhoekse landverhuizers reisden eerst met paard en wagen naar een geschikte opstapplaats, zoals Zevenaar of Arnhem. Vanaf 1855 was het mogelijk om van daaruit naar Antwerpen te reizen. In Antwerpen werden de emigranten opgevangen door de agent van de Allan Line.

    De oversteek naar Engeland

    In Antwerpen stapten ze over op een boot naar Hull (Engeland), een overtocht van 12-24 uur. Vanaf Hull namen ze de trein naar Liverpool (4-6 uur). Liverpool was in die tijd het hart van de emigrantenstroom naar Amerika, met kantoren van rederijen, agenten en emigrantenhuizen waar reizigers konden wachten op hun vertrek.

    Verblijf in Liverpool

    Vertegenwoordigers van de Allan Line haalden hen bij aankomst in Liverpool op en brachten hen naar logeerhuizen, vaak eigendom van de rederij. Emigranten brachten daar één tot tien dagen door, wachtend op hun schip naar de VS of Canada.

    Vertrek uit Liverpool

    De Nestorian vertrok vanuit de Prince’s Landing Stage in Liverpool. De oversteek van Liverpool naar Quebec duurde gemiddeld 10 tot 12 dagen.

    Verblijf aan boord van de Nestorian

    Hoewel de Nestorian bekendstond als een solide en snel stoomschip, was luxe er ver te zoeken. De meeste emigranten uit de Achterhoek reisden in het tussendek (steerage), waar families in grote, bedompte ruimtes sliepen in houten kooien met strooien matrassen.

    De ticketprijs was inclusief de wettelijk verplichte rantsoenen (soep, aardappelen, brood en zout vlees). Passagiers moesten hun eigen tinnen bord, beker en bestek meebrengen.

    De dagen werden gevuld met kaartspelen, zingen, bidden en praten over de toekomst in Amerika. Er was een scheepsarts aan boord, maar de middelen waren beperkt. Zeeziekte was universeel, en infectieziekten verspreidden zich snel in de slecht geventileerde slaapzalen. Bij uitbraken werden zieken geïsoleerd.

    Aankomst en doorreis naar Wisconsin

    Op 19 juli 1869 bereikte de Nestorian de haven van Québec. Op de passagierslijst prijkten bekende Aaltense namen zoals Eppink, Huinink, Jentink, Neerhof en Wassink. De reis was echter nog niet ten einde.

    Vanaf Quebec reisden de emigranten per Grand Trunk Railway westwaarts naar Sarnia (Ontario). Daar stapten zij over op een stoomboot die hen over de Grote Meren (Lake Huron en Lake Michigan) vervoerden. Deze reis duurde 1 tot 2 dagen, afhankelijk van het weer en de aansluitingen.

    Uiteindelijk zetten zij voet aan wal in de haven van Sheboygan, Wisconsin. De meeste Aaltense emigranten vestigden zich in deze regio. In latere jaren trokken sommige van deze families verder westwaarts naar de vruchtbare gronden van onder andere Iowa en Minnesota.

    Bronnen


  • Emigratie van Aalten naar Amerika

    Emigratie van Aalten naar Amerika

    Sheboygan, Wisconsin, 1885

    Veel 19e eeuwse emigranten uit de Achterhoek vestigden zich in de omgeving van Sheboygan, Wisconsin (hier afgebeeld op een tekening uit 1885)

    In de loop van de 19e eeuw verlieten duizenden mensen de Achterhoek om een nieuw bestaan op te bouwen in de Verenigde Staten. Ook vanuit Aalten vertrokken veel inwoners. Wat begon met een religieus gemotiveerde uittocht groeide uit tot een bredere emigratiebeweging, die ook in de 20e eeuw aanhield. Op zoek naar vrijheid, land en nieuwe kansen vonden Aaltenaren een nieuw thuis aan de andere kant van de oceaan.

    De emigratiegolf begon rond 1844, in eerste instantie vanuit religieuze motieven. Veel van de eerste emigranten behoorden tot de afgescheidenen: protestanten die zich losmaakten van de Nederlandse Hervormde Kerk en zich in eigen gemeenten organiseerden. In Nederland werden zij vaak vervolgd of sociaal buitengesloten, wat velen ertoe aanzette hun heil elders te zoeken.

    Economische zorgen en gebrek aan ruimte

    Naast religieuze vervolging speelde ook de economische situatie een belangrijke rol. In de tweede helft van de 19e eeuw werd de situatie op het platteland in de Achterhoek steeds moeilijker. Mislukte oogsten, werkloosheid en armoede dwongen veel gezinnen tot drastische keuzes.

    Ook demografische druk speelde een rol. Het platteland raakte steeds voller. De meeste woeste gronden waren inmiddels ontgonnen, en de beschikbare landbouwgrond was schaars geworden. Voor veel boerenzonen was er daardoor geen perspectief op een eigen boerderij. In Amerika, waar grond goedkoop of zelfs gratis beschikbaar kwam via bijvoorbeeld de Homestead Act (1862), lonkte een zelfstandig bestaan.

    Alleen al uit de Achterhoek emigreerden in vijftig jaar tijd zes- tot zevenduizend mensen—bijna een derde van de plattelandsbevolking.

    Van Aalten naar Wisconsin – en verder

    Een aanzienlijk deel van de Aaltense emigranten vestigde zich in Sheboygan County in de staat Wisconsin. Deze regio trok veel Nederlanders vanwege de vruchtbare grond, werkgelegenheid in de landbouw en de aanwezigheid van bestaande geloofsgemeenschappen.

    In en rond plaatsen als Cedar Grove, Oostburg en Sheboygan ontstonden hechte gemeenschappen van Nederlandstalige migranten. Sommige Aaltenaren trokken na verloop van tijd verder westwaarts, naar staten als Iowa, Minnesota en Nebraska, op zoek naar goedkope landbouwgrond en meer economische kansen.

    Naast het Middenwesten vestigden Aaltense emigranten zich ook in de staten New York, New Jersey en Michigan. In steden als Paterson en Grand Rapids ontstonden bloeiende Nederlandse wijken, vaak met een sterk religieus karakter. Emigranten richtten er eigen kerken, scholen en sociale instellingen op.

    Niet alle emigranten bereikten hun bestemming. Een tragisch voorbeeld is de ramp met het stoomschip Phoenix in 1847 op het Meer van Michigan, waarbij naar schatting 250 tot 300 Nederlandse landverhuizers omkwamen – onder wie ook enkele tientallen emigranten uit Aalten.

    Een blijvende band

    Vandaag de dag zijn de sporen van deze emigratie nog steeds zichtbaar. Achternamen uit Aalten komen nog steeds voor in gemeenschappen in Wisconsin en elders in de VS. In genealogisch en historisch onderzoek vormen deze emigratiebewegingen een belangrijke schakel tussen de Achterhoek en de Verenigde Staten.

    Lijst met landverhuizers uit Aalten

    Er is een lijst met ruim 1.600 landverhuizers uit Aalten en Bredevoort die naar de Verenigde Staten zijn geëmigreerd:

    Meer informatie

    Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u ook terecht bij het Euroregionaal Historisch Documentatiecentrum (EHDC) aan de Prinsenstraat 27 in Aalten.

  • Aaltenaren die vochten in Amerikaanse Burgeroorlog

    Aaltenaren die vochten in Amerikaanse Burgeroorlog

    In de 19e eeuw emigreerden honderden Aaltenaren naar de Verenigde Staten, op zoek naar land, werk en een beter bestaan. Van een aantal van hen is bekend dat zij deelnamen aan de Amerikaanse Burgeroorlog. Voor zover bekend dienden zij allemaal in de legers van de Noordelijke staten (de Unie).

    De Amerikaanse Burgeroorlog (1861–1865) was een gewapend conflict in de Verenigde Staten tussen de Noordelijke staten (de Unie) en de Zuidelijke staten (de Confederatie). In vele staten vonden bloedige veldslagen en veldtochten plaats. De oorlog begon met een aanval van de Confederatie op Fort Sumter in South Carolina, op 12 april 1861. In juni 1865 gaven de laatste Zuidelijke legers zich over en kwam de Unie als overwinnaar uit de strijd.

    Oud-Aaltense strijders

    De volgende lijst is vermoedelijk nog niet compleet:

    • Jan Derk Ansink (Barlo, 30-04-1840 – 02-07-1868)
      ‘John Ansink’ meldde zich op 06-08-1862 aan bij het 108th New York Volunteer Infantry Regiment, company E, in Rochester, Monroe County, NY. Hij raakte wounded in action op 03-07-1863 tijdens de Slag bij Gettysburg. In mei of juni 1864 werd hij overgeplaatst naar company A van het 21st Regiment of the Veteran Reserve Corps. Na de Burgeroorlog werd hij op 07-06-1865 ontslagen in Trenton, NJ.
    • Gerrit Hendrik Duenk (IJzerlo, 19-07-1825 – Milwaukee, WI, 14-08-1883)
      ‘Gerritt H Duenk’ diende van 20-08-1862 tot 10-06-1865 in het 24th Wisconsin Infantry Regiment, company I. Hij zwaaide af op order van de War Department. In 1883 kwam hij in aanmerking voor opname in een National Home for Disabled Volunteer Soldiers. Hij leed aan reuma. Hij woonde destijds met zijn vrouw Clara en drie kinderen onder de 16 jaar in Milwaukee, WI, waar hij als arbeider werkte. Op 31-05-1883 werd hij opgenomen in het tehuis. Op 14-08-1883 werd hij dood aangetroffen; hij was verdronken in de Milwaukee rivier. Een dag later is hij begraven.
    • Gerrit Jan Duenk (IJzerlo, 23-09-1845 – Milwaukee, WI, 19-04-1897)
      ‘Garrett Dunck’ diende van 15-08-1862 tot 10-06-1865 in het 24th Wisconsin Infantry Regiment, company E. Hij raakte gewond op 02-06-1864 in Georgia, in de omgeving van Dallas, New Hope Church en Allatoona Hills. Na de Burgeroorlog werd hij op 10-06-1865 ontslagen.
    • Hendrik Huibert van Eest (Velp, 12-09-1837 – Springfield, IL, 26-03-1865)
      Hij meldde zich op 28-02-1865 in Overisel, MI als soldaat. Hij werd opgenomen in het 24th Michigan Infantry Regiment, company K op 01-03-1865. Overleed op 26-03-1865 in Camp Butler, Springfield, IL.
    • Gradus Heinen (Aalten, 19-10-1827 – Holland, WI, 24-10-1908)
      ‘Grades Heinen’ meldde zich op 21-08-1862 aan bij het 27th Wisconsin Volunteer Infantry Regiment, company F. Dit regiment vertrok op 16-03-1863 vanuit Milwaukee, WI, naar Columbus, KY. Gradus raakte gewond bij Jenkins’ Ferry, AR. Dit gebeurde tijdens één van de bloedigste veldslagen van de Burgeroorlog, uitgevochten op 29/30-04-1864 bij de gezwollen Saline River, na dagen van hevige regenval. Na de Burgeroorlog werd hij op 29-08-1865 ontslagen.
    • Antonij ter Maat (Dale, 07-02-1836 – Columbus, KY, 04-06-1863)
      Hij meldde zich, tegelijk met zijn broer Jan Hendrik, op 21-08-1862 aan bij het 27th Wisconsin Volunteer Infantry Regiment, company F. Hij werd ziek en overleed.
    • Jan Hendrik ter Maat (Dale, 25-03-1841 – Memphis, TN, 03-10-1863)
      Hij meldde zich, tegelijk met zijn broer Antonij, op 21-08-1862 aan bij het 27th Wisconsin Volunteer Infantry Regiment, company F. Hij werd ziek en overleed.
    • Gerrit Jan te Slaa (Lintelo, 20-10-1831 – Missouri, 30-08-1863)
      Hij meldde zich op 21-08-1862 aan bij het 27th Wisconsin Volunteer Infantry Regiment, company F. Hij werd ziek en overleed op een hospital boat die lag afgemeerd in de Mississippi bij Helena, Arkansas.
    • Bernadus Vervelde (Aalten, 16-02-1816 – Sherman, NY, 08-04-1891)
      ‘Benardus Felton’ meldde zich op 22-08-1862 in Westfield, NY als soldaat. Op 24-09-1862 werd hij ingedeeld bij het 154th New York Infantry Regiment, company E. Op 02-05-1863 werd hij in Virginia krijgsgevangen genomen tijdens de Slag om Chancellorsville. Op 14-05-1863 liet men hem voorwaardelijk vrij in City Point, VA. Op 21-05-1864 werd hij wegens invaliditeit ontslagen. Zijn zoon Derk Jan (in de VS ‘Garrett J Felton’ genoemd) vocht ook in de Burgeroorlog.
    • Derk Jan Vervelde (Haart, 16-02-1843 – Ripley, NY, 05-09-1903)
      ‘Garrett J. Felton’ meldde zich op 31-07-1862 in Westfield, NY als soldaat. Op 15-08-1862 werd hij ingedeeld bij het 112th New York Volunteer Infantry Regiment, company E. Op 30-07-1864 raakte hij gewond tijdens het Beleg van Petersburg. Op 06-07-1865 werd hij uit dienst ontslagen in Lovell Hospital, Portsmouth Grove, RI. Zijn vader, ‘Benardus Felton’, vocht ook in de Burgeroorlog.
    • Arnoldus Johannes Zweerink (Aalten, 09-01-1834 – Petersburg, VA, 31-03-1865)
      Hij meldde zich op 21-10-1864 aan bij het 6th Wisconsin Infantry Regiment, compagnie I, als soldaat. Compagnie I bestond uit mannen uit de counties Brown en Vernon in Wisconsin. Het 6e Regiment van Wisconsin maakte tijdens de oorlog deel uit van de beroemde Iron Brigade. “Noldus” Zweerink sneuvelde tijdens de Slag bij White Oak Road.

    Heeft u meer informatie over (bovengenoemde of andere) Aaltense emigranten die in de Amerikaanse Burgeroorlog hebben gevochten? Reageer dan hieronder of stuur ons een bericht!

  • Piek werd Pike in de VS

    Piek werd Pike in de VS

    Hoe emigrant uit een Bredevoort de basis legde voor een succesvol bouwbedrijf in de VS

    In het midden van de 19e eeuw woonde het gezin Piek in de Gasthuisstraat in Bredevoort. Vader Jan Derk Piek en moeder Geertruid Wamelink hadden zes kinderen: drie zonen en drie dochters. In 1857 emigreerde het gezin naar de Verenigde Staten. Na aankomst in New York reisden ze per boot verder via de Hudsonrivier en het Eriekanaal naar Rochester, in het noorden van de staat New York.

    Kort voor het uitbreken van de Amerikaanse Burgeroorlog vestigde Jan Derk zich in Rochester als timmerman. De familienaam werd er verengelst tot Pike. Zijn zoon Jan Berend Piek (1847–1927), die in de VS bekend werd als John Barnabas Pike, trad in de voetsporen van zijn vader. In 1873 richtte hij het aannemersbedrijf John B. Pike Company op. Het eerste kantoor bevond zich aan Minerva Place in het centrum van Rochester en was gespecialiseerd in fijn timmerwerk.

    Bekende bouwwerken en groei

    De firma groeide uit tot een aanzienlijk bouwbedrijf. Enkele bekende projecten zijn het Rochester Museum and Science Center, de Rochester Savings Bank, Midtown Plaza (een van de eerste overdekte winkelcentra in de VS), het archiefgebouw van het International Museum of Photography en het markante hoofdkantoor van de Security Trust Bank, ook wel bekend als The Temple, dat begin jaren tachtig werd gesloopt.

    Ook buiten de regio bouwde het bedrijf aan scholen, ziekenhuizen, bruggen, snelwegen, tunnels en industriële complexen, van Maine tot Florida en zelfs tot in Vancouver, Canada.

    Hoewel de bouw van de Eerste Nederlands Gereformeerde Kerk van Brighton (1891) niet door Pike werd uitgevoerd, was John B. Pike nauw betrokken bij het project als lid van de bouwcommissie. Hij werkte hierin samen met onder anderen Oud-Aaltenaar Arend Willem Hoopman (1843–1928).

    Bedrijfsovername en voortzetting

    In 1907 verhuisde het bedrijf naar een nieuw kantoor aan One Circle Street in Rochester, waar het tot op de dag van vandaag gevestigd is. In 1915 trad John Derek Pike, zoon van John B., aan als president van het inmiddels hernoemde John B. Pike & Son.

    John B. Pike overleed op 18 januari 1927, op 79-jarige leeftijd, en werd begraven op Mount Hope Cemetery in Rochester.

    Zijn bedrijf bleef bestaan en groeide verder onder leiding van zijn nakomelingen. Meer dan 150 jaar na de oprichting bestaat het bedrijf nog altijd, nu onder de naam Pike Construction Services, met ruim 500 medewerkers en meerdere vestigingen in de staten New York en Florida.

    Emigranten uit Aalten en Bredevoort in New York

    De familie Piek uit Bredevoort was niet de enige die zich in de staat New York vestigde. In totaal liggen zeker honderd emigranten uit Aalten en Bredevoort begraven in deze staat, van wie minimaal veertig in Monroe County, waaronder Rochester valt.

    Meer weten? Bekijk de lijst met emigranten uit Aalten naar de VS.

  • Walvoord Cemetery

    Walvoord Cemetery

    Cedar Grove, Wisconsin

    Walvoord Cemetery, Cedar Grove, Wisconsin

    Op 11 juli 1856 verloor Hendrik Walvoord (1801–1865) zijn enige zoon Gerrit Jan, die op 30-jarige leeftijd verdronk in het Michiganmeer. In zijn testament reserveerde Hendrik een acre grond (ongeveer 0,4 hectare) voor een familiebegraafplaats in sectie 26 van Holland Township. Zoals in het testament stond:

    “Ten eerste, geef en legateer ik aan de kinderen van mijn zoon Gerrit Jan Walvoord (overleden) en aan hun kinderen die mogelijk geboren worden en hun kleinkinderen, achterkleinkinderen, met één woord aan het nageslacht van de genoemde kinderen van mijn zoon Gerrit Jan Walvoord (overleden), een acre land liggend en zich bevindende in de County Sheboygan en de Staat Wisconsin, bekend en beschreven als volgt te weten: …” (vervolgens wordt de exacte locatie beschreven).

    Dus volgens Hendriks testament kon elke afstammeling van Gerrit Jan Walvoord (“tot in het nageslacht”) op dit familieperceel worden begraven. Na verloop van tijd werd Walvoord Cemetery omringd door Cedar Grove naarmate het dorp groeide. Tegenwoordig ligt de begraafplaats in het centrum van Cedar Grove aan Main Street.

    In de loop der tijd begroeven sommige families hun overledenen op dit perceel zonder formeel recht, mogelijk omdat het destijds een van de weinige begraafplaatsen was, naast een oude inheemse begraafplaats bij Amsterdam aan Lake Michigan. Een aantal van Sheboygans pioniers ligt hier begraven.

    In de jaren 1960 telden Harriet Vollbrecht-Walvoord en haar tante Louise Walvoord meer dan honderd gemarkeerde graven. Tegenwoordig resteert nog amper de helft daarvan. Volgens Harriet verwijderde de stad Cedar Grove jarenlang in stilte grafstenen. Waar deze gebleven zijn, is onbekend.

    Volgens de wet van de staat Wisconsin wordt een begraafplaats na vijf jaar verwaarlozing de verantwoordelijkheid van de lokale overheid. Deze wet beoogt bescherming van oude begraafplaatsen zonder onderhoudsfonds. Cedar Grove was blijkbaar niet willens het onderhoud te bekostigen en benaderde familieleden met het verzoek om geld in een trust te storten voor het onderhoud. Het is onbekend hoeveel er werd opgehaald. De laatste bijzetting vóór deze actie was Willard Anthony Walvoord in 1986.

    Hoewel Cedar Grove volgens de wet verdere begrafenissen verbood, werd vanwege het oorspronkelijke testament, waarin het recht op eeuwigdurende begrafenis werd vastgelegd, besloten begrafenissen van directe nakomelingen van Gerrit Jan Walvoord toch toe te staan.

    Koreen Elizabeth Toutenhoofd (dochter van Meta Marie Walvoord en Andrew Toutenhoofd) werd op 1 januari 1996 begraven op Walvoord Cemetery, evenals Kathryn Louise Walvoord (dochter van Anthony J. Walvoord en Ann Vogt), op 23 mei 2002. Beiden waren ongehuwd en werden bij hun familie begraven.

    Beschrijving van het terrein

    • Oostelijk van het Walvoord Monument tot aan het trottoir: geen graven.
    • Zuid-zuid-oost (links en achter het monument): graven duidelijk gemarkeerd.
    • Noord-noord-oost (rechts en voor het monument): graven eveneens goed gemarkeerd.
    • Noordoosthoek bij de straat: grafstenen van G. Lammers en familie ontbreken.
    • Ten westen van het monument (achterzijde van het perceel): de meeste grafstenen zijn verdwenen.

    Hieronder volgt een lijst met overgebleven grafstenen, in de jaren 1960 samengesteld door Louise Walvoord (1883–1969), Koreen Toutenhoofd (1902–1996) en Harriet Vollbrecht-Walvoord (1913–2006):

    1. G. Lammers (datum ontbreekt)
    2. Mary A. Lammers (1874–1874)
    3. Anna Mary Lammers–Zeeveld (1848–1874)
    4. Anna Lammers–Huisheere (1856–1877)
    5. Harmina Lammers–Claerbout (1853–1888)
    6. Henry J. Lammers (1870–1890)
    7. Anna Mary Lammers (1878–1893)
    8. Leonard Vander Jagt (1837–1914)
    9. Alice Vander Jagt
    10. Morris van der Jagt (1918), veteraan van WW1
    11. Peter Verhulst (1839–1887)
    12. Antonia Verhulst–Van der Weele (1843–1920)
    13. Jacobus Arnoldus Hendrikus te Gantvoort (1829–1894), geboren in Aalten
    14. Rosemond te Gantvoort–Young (1846–1923)
    15. William te Gantvoort (1877–1894)
    16. Arnold te Gantvoort (1883-1883)
    17. Adolph Stokdijk (1813–1886)
    18. Annette Stokdijk (1816–1890)
    19. Cornelia Verhulst (1870–1893)
    20. Peter van der Weele (1815–1893)
    21. Cornelis van der Weele (1835–1911)
    22. Susanna van der Weele—Pieters (1841–1919)
    23. Anna M. Lammers (1875–1876)
    24. Cornelius Quintus (1818–1907)
    25. John Kolste (1880–1906)
    26. Antonie du Mez (1798–1877)
    27. Wilhelmiena (Baby?)
    28. Wilhelmina te Slaa–Houwers (1803–1877), geboren in Aalten
    29. Maatje van der Jagt (overleden 1875)
    30. C.M. van der Jagt (overleden 1888)
    31. John Muller (1816–1861)
    32. Jan Muller (1851), infant
    33. Gilles Muller (overleden 1860), 12 jaar en 9 maanden
    34. Herman Jan Wevers (1833—1905), geboren in Aalten
    35. Berendina Wevers—Te Slaa (1834—1902), geboren in Aalten
    36. Hendrik Willem Wevers (1865—1872), zoon
    37. Johannes Manus van der Jagt (1837—1922)
    38. Jozina van der Jagt—De Meester  (1841—1888)
    39. Maatje Ketman—Verseput (1849—1873)
    40. ? (1862-1888)
    41. Ketman (1873), infant son
    42. Ketman (1871), infant son
    43. Gertrude Schreurs (1868), infant
    44. Sarah Schreurs (overleden 1884), 10 jaar
    45. Jan Verseput (1816–1873)
    46. Krina Verseput-Fontaine (1820–1899)
    47. Nellie (1855–1946)
    48. Gerrit Jan te Brummelstroete (1829–1908), geboren in Winterswijk
    49. Trijntje te Brummelstroete—Kok (1831–1891)
    50. Janna Geertruid te Brummelstroete—Toebes (1788–1884), geboren in Winterswijk
    51. Esther te Brummelstroete (1897–1902)
    52. Mable te Brummelstroete (1900–1901)
    53. Jacob Zeeveld (1875–1898)
    54. Jacob Huisheere (1862–1896)
    55. Nellie Huisheere—Gilligan (1871–1891)
    56. Kind Huisheere (1889)
    57. Jannes Huisheere (1867–1869)
    58. Alvah Huisheere (1891–1894)
    59. Peter Huisheere (1824–1925)
    60. Adriana Huisheere—Elias (1822–1909)
    61. August H. Schiereck (1852–1899)
    62. Abraham Lucas Verdouw (1848–1921)
    63. Adriana Maria Verdouw–Verseput (1858–1928) (W)
    64. Benjamin Verdouw (1879–1941)
    65. Anthony Verdouw (1875–1945) (H)
    66. Sarah Jacoba Verdouw–Holle (1877–1932) (W)
    67. Christian William Holle (1840–1899)
    68. Magdalene Holle–Guequierre  (1844–1923)
    69. Peter Ott (1845–1927)
    70. Berendina Delia Schreurs—Ott (1843–1924), geboren in Winterswijk
    71. John Ott (1869–1956)
    72. Dirk Johan Walford (1854–1903)
    73. Elizabeth Walford–Obrink (1867–1916)
    74. Henry Walford (1890–1891)
    75. Arthur Walford (1898–1918), veteraan van WW1
    76. Henry William Walvoord (1853–1895)
    77. Delia Walvoord-Potts (1863–1894)
  • Pioniers in Wisconsin – Ruesink

    Pioniers in Wisconsin – Ruesink

    Aaltense emigranten naar de VS

    In de 19e eeuw emigreerden duizenden Achterhoekers naar de Verenigde Staten, op zoek naar land, vrijheid en nieuwe kansen. Onder hen bevond zich de familie Ruesink uit Lintelo. Zij behoorden tot de vroege Europese pioniers die zich vestigden in Sheboygan County, Wisconsin.

    De familie Ruesink woonde op boerderij Akkermaat in de buurtschap Lintelo bij Aalten. Het gezin bestond uit vader Jan Willem Ruesink, moeder Grada Christina Rensink, vier zoons (waarvan er één kort na de geboorte overleed) en drie dochters.

    Het gezin emigreerde in 1855 naar Amerika. Ze vertrokken op 2 augustus met een schip vanuit Rotterdam en arriveerden na 42 dagen in New York. Ze reisden verder naar Milwaukee, waar Jan Willem Ruesink ruim twee jaar werkte als voorman in een kalkoven, met een loon van één dollar per dag, later verhoogd naar $1,25.

    In de VS kreeg het echtpaar Ruesink nog een zoon en twee dochters.

    Vestiging in Holland Township

    In het voorjaar van 1857 vestigde het gezin zich in Holland Township, op de boerderij van D.A. Walvoord. Ruim tweeënhalf jaar werkte Jan Willem daar, vooral met het kappen van hout voor transport via de pier van Amsterdam (Wisconsin). Daarna kocht hij 10 acres (4 ha) grond voor $200, en voegde daar zes jaar later nog eens 10 acres aan toe voor $150. In 1882 trok hij zich terug uit het arbeidsleven en verhuisde naar Gibbsville, waar hij genoot van zijn oude dag.

    Jan Willem Ruesink werd beschouwd als een van de hardst werkende immigranten in Sheboygan County. Naar schatting kapte hij in zijn leven ongeveer 2800 “cords” hout (meer dan 10.000 m³), waarvoor hij tussen de 32 en 75 cent per cord ontving.

    Van boerenknecht tot winkelier

    Zoon Evert Ruesink, geboren op 17 augustus 1852 in Lintelo, arriveerde op zijn vijfde met zijn familie in Holland Township. Hij zou daar zijn verdere leven wonen. Op veertienjarige leeftijd begon hij met werken als knecht bij Harmen Jan te Selle (1844-1919), een boer in Holland Township, waar hij twee jaar bleef. Daarna werkte hij zes jaar in Fond du Lac County.

    Door zuinig te leven had hij $800 gespaard. Met dat spaargeld begon Evert een winkel in Gibbsville. Na ongeveer acht jaar deed hij de zaak van de hand en stapte hij over op tuinbouw, een bedrijf dat hij vijf jaar lang uitoefende. In het najaar van 1887 nam hij het bedrijf van Henry Merion in Oostburg over, waar hij zijn ondernemerschap voortzette.

    Evert trouwde op 11 december 1878 in Holland, Sheboygan, met Janna (“Jane”) Heinen, dochter van Gradus Heinen en Willemina Wisselink. Janna werd geboren op 19 april 1858 in Holland Township. Het echtpaar kreeg vijf kinderen.

    Gemeenschap en overlijden

    Evert Ruesink gold als een self-made man: hij begon als dagloner en werkte zich met vlijt, doorzettingsvermogen en zuinigheid op tot een gerespecteerde ondernemer in Sheboygan County. Evert en Jane waren lid van de Dutch Reformed Church, en politiek was Evert, net als zijn vader, aanhanger van de Republikeinse Partij.

    Evert Ruesink overleed in 1898, slechts 45 jaar oud. Jane volgde hem bijna anderhalf jaar later naar het hiernamaals. Beiden werden begraven op Union Cemetery in Oostburg, Sheboygan County.

  • Het zeilschip ‘Leila’ (1854)

    Het zeilschip ‘Leila’ (1854)

    Aaltense emigranten naar de VS

    In 1854 emigreerde een grote groep Aaltense emigranten per schip naar de Verenigde Staten. Zij maakten deel uit van een bredere emigratiestroom uit de Achterhoek in de 19e eeuw. Eén van de schepen waarmee deze emigranten naar Amerika reisden, was het zeilschip Leila, dat in dat jaar vanuit Rotterdam vertrok.

    Het schip voer eind augustus 1854 uit en had 234 passagiers aan boord. De kapitein van het schip was W.J. Stafford.

    Volgens de passagierslijst was meer dan de helft – ongeveer 120 passagiers – afkomstig uit Aalten en ruim 50 uit andere delen van Nederland. Het grootste deel van de overige passagiers was afkomstig uit Beieren.

    Op 30 september 1854 arriveerde de Leila in New York City.

    Tijdens de reis overleden drie passagiers, waarvan twee uit Aalten:

    • Anna te Gantvoort, 34 jaar oud, als gevolg van tubercoluse (1 september)
    • Jan Hondorp, 2 jaar oud, als gevolg van ‘buikklachten’ (26 september)

    Over het schip zelf zijn, afgezien van de gegevens in de passagierslijst, vooralsnog geen nadere technische of historische gegevens teruggevonden.

  • “We hebben het beter dan ooit”

    “We hebben het beter dan ooit”

    Brieven van Gradus Heinen uit Amerika

    Gradus Heinen werd geboren op 19 oktober 1827 op boerderij Nijenhuis in Dale, als zoon van Jan Heinen en Harmina ten Brinke. Op 21 juli 1854 trouwde hij in Aalten met Willemina Wandrina Wisselink, die op 30 januari 1826 werd geboren op boerderij Bullens in Barlo, als dochter van Garrit Jan Wisselink en Johanna Nijeboer.

    Toen Gradus trouwde, was hij dienstknecht bij geneverbrander Salomon ten Bokkel in de Hoekstraat in Aalten.

    Enkele weken na hun huwelijk, op 21 augustus 1854, vertrokken Gradus, Willemina, Gradus’ broer Abraham met diens vrouw Johanna Scholten en drie van hun kinderen met de driemaster Leila vanuit Rotterdam naar de Nieuwe Wereld. Willemina’s broer Berend Hendrik Wisselink en zijn vrouw Fredrika Wamelink, reisden met hen mee.

    De overtocht

    Gradus Heinen beschreef het verloop van de reis in een brief aan zijn familie, gedateerd 31 oktober 1854:

    Op 21 augustus vertrok het gezelschap vanuit Rotterdam naar Hellevoetsluis. De volgende dag, op 22 augustus, begon de oversteek naar Amerika. De zee was echter onstuimig, waardoor vrijwel iedereen aan boord zeeziek werd. Gelukkig herstelde het merendeel binnen twee dagen. De rest van de reis verliep voorspoedig, met gunstig weer. Van de ongeveer 224 passagiers aan boord overleden er drie tijdens de overtocht: de oudste dochter van de familie Gantvoort en twee kinderen.

    Op de ochtend van 29 september zagen ze land. Om vijf uur ’s middags kwamen ze aan in New York. Na één dag reisden ze verder. Eerst voeren ze twee uur met een stoomboot (vermoedelijk naar Piermont, het startpunt van de New York & Erie Railroad), daarna volgde een treinreis naar Dunkirk. Van daaruit namen ze opnieuw een stoomboot naar Toledo, reisden per trein naar Chicago, vervolgens per stoomboot naar Milwaukee en daarna met een andere stoomboot naar Sheboygan. Tot slot volgde nog een reis van twee uur, waarna ze hun eindbestemming bereikten in Lima Township.

    Er stonden daar drie leegstaande huizen, dus ze hadden onderdak.

    Werk en dagelijks leven in Amerika

    In zijn brieven aan familie in Nederland beschreef Gradus hoe hij samen met zijn neef Hendrik naar het werk ging. Hij verdiende 25 stuivers per dag, inclusief kost en inwoning. Volgens hem was het mogelijk om in één dag evenveel te verdienen als in Nederland in een week, terwijl de kosten van levensonderhoud er lager waren. Hij beschreef ook het dagelijkse dieet en de omgeving: er werd weinig roggebrood gegeten; tarwebrood was gebruikelijk. Rundvlees en varkensvlees waren goedkoop, en aardappelen waren overvloedig aanwezig.

    Volgens de compilatie Dutch Immigrants to America, 1820–1880 van Robert P. Swierenga stond Gradus bij aankomst geregistreerd als “dienstknecht”, werd hij ingedeeld bij de “mingegoeden” (armen), en gaf hij als reden voor emigratie op: “om zich bij familie en/of vrienden te voegen”.

    Er zijn drie brieven van Gradus aan zijn ouders en broers en zussen bewaard gebleven. In alle drie sprak hij zijn tevredenheid uit over het leven in Amerika. Zo schreef hij op 31 oktober 1854:
    “We hebben geen spijt gehad. We hebben het hier beter dan we ooit in Nederland hebben gehad.”

    Op 27 januari 1856 meldde hij:
    “We kunnen nu vrij goed Engels spreken en begrijpen. Het is een moeilijke taal om te leren, maar niet zo moeilijk als men in Nederland denkt, omdat we tussen Amerikanen wonen die erg aardige mensen zijn… We hadden het goed in Nederland, maar hier is het veel beter. Ik wil daarom niet terug naar Nederland.”

    En op 6 december 1856 schreef hij:
    “De Amerikanen zijn goede mensen. We kunnen de Heer niet genoeg bedanken dat Hij ons naar Noord-Amerika heeft gestuurd. We hebben hier echt een goed leven.”

    Verder schreef Gradus over het bewerken van het land, de oogsten, prijzen en het vee. In zijn brief van 27 december 1856 kondigde hij de geboorte aan van zijn eerstgeborene: Johanna Harmina, geboren op 2 september 1856.

    Veteraan van de Amerikaanse Burgeroorlog

    Van meer dan twintig Oud-Aaltense emigranten is bekend dat zij vochten in de Amerikaanse Burgeroorlog (voor de Noordelijke staten, ofwel de Unie). Eén van hen was Gradus Heinen. Op 21 augustus 1862 meldde hij zich aan bij het 27th Wisconsin Volunteer Infantry Regiment, company F. In maart 1863 vertrok het regiment vanuit Milwaukee naar Columbus, Kentucky.

    Gradus raakte gewond tijdens de slag bij Jenkins’ Ferry in Arkansas op 30 april 1864, één van de bloedigste gevechten van de oorlog. Op 29 augustus 1865, na de Burgeroorlog, werd Gradus ontslagen uit militaire dienst.

    Holland Township

    Gradus bezat land in de 11th section van Holland Township, Sheboygan County — naar schatting 50–60 hectare, doorsneden door de Onion River. Dit land en de gebouwen daarop gingen over op volgende generaties van de familie Heinen. Een huis op deze grond, dat mogelijk door Gradus zelf is gebouwd, stond in 2021 nog langs Highway 32, hoewel het duidelijk aan een opknapbeurt toe was.

    Overlijden en begraafplaats

    Willemina overleed op 12 maart 1879 en Gradus op 24 oktober 1908. Beiden overleden in Holland Township en werden begraven op Union Cemetery in Oostburg, Sheboygan.

    Na Gradus’ overlijden meldde de plaatselijke krant:

    G.J. Heinen, die bij zijn zoon Gerret Heinen woonde, is afgelopen zaterdagochtend overleden, nadat hij enkele weken geleden een beroerte had gekregen. De overledene was een veteraan uit de Burgeroorlog. Hij liet twee kinderen na, Gerret en mevrouw A. te Stroete, meerdere kleinkinderen en vier achterkleinkinderen. De begrafenis heeft maandag plaats gevonden vanuit de gereformeerde kerk. Dominee Beckering leidde de dienst.”

  • Pioniers in Wisconsin – Heebink

    Pioniers in Wisconsin – Heebink

    Aaltense emigranten naar de VS

    In de 19e eeuw emigreerden duizenden Achterhoekers naar de Verenigde Staten, op zoek naar land, vrijheid en nieuwe kansen. Onder hen bevond zich de familie Heebink uit Aalten. Zij behoorden tot de vroege Europese pioniers die zich vestigden in Sheboygan County, Wisconsin.

    Op de hoek van de Kerkstraat en de tegenwoordige Hofstraat stond ooit een huis waar de familie Heebink woonde. In 1801 huwde Gradus Heebink (Aalten, 1773) met Dersken te Stroete (Aalten, 1776). Zij woonden in dit huis en gebruikten een deel ervan als taveerne. Hun ‘adres’ luidde Aalten 5.

    Zij kregen hier zeven kinderen, de eerste was een dochter, Elisabeth (1802). Zij was een kwetsbaar kind met een misvorming van de wervelkolom. Daarna volgde een zoon, Gerrit Jan (1804), genoemd naar zijn grootvader. Hij was een stevig kereltje met alle trekken van zijn Nederlandse afkomst. Zij konden niet bevroeden dat hij later de vader en grootvader van een hele gemeenschap in Amerika zou worden.

    In 1806 werd dochter Hendrika geboren en daarna weer een zoon, Derk Jan (1809). Hij overleed echter een week na zijn geboorte. Daarna volgden nog een zoon, Derk Hendrik (1810) en twee dochters, Gerharda Johanna (1813) en Johanna Geertruid (1817).

    Om het gezinsinkomen aan te vullen, vervaardigde Gradus naast het beheer van de taveerne ook hoeden. Omdat het de gewoonte was dat de oudste zoon het vak van zijn vader zou volgen, leerde ook Gerrit Jan het vak van hoedenmaker. Hij werd er behoorlijk bedreven in. Derk Hendrik diende als leerling bij een kuiper en volgde uiteindelijk dat vak.

    De andere kinderen hielpen mee in huis en in de tuin, waar ze groenten verbouwden voor het gezin. Ze hielpen ook bij de verzorging van een klein stuk land buiten de dorpsgrenzen, waar rogge en klaver werden gekweekt als voedsel voor hun twee koeien. Deze koeien werden tijdens de zomermaanden geweid op de gemeenschappelijke dorpsweide.

    Kinderen in de armere klassen kregen destijds maar heel weinig onderwijs. Terwijl Gerrit Jan goed leesbaar leerde schrijven, las hij slecht. Dit kwam deels door een gebrek aan oefening en deels omdat hij slechte ogen had.

    Militaire dienst was in deze tijd verplicht. Gerrit Jan diende in de periode 1830-1833 drie jaar en vier maanden als huiswacht in Breda. België scheidde zich in deze jaren af van Nederland en het was één van zijn taken om afvalligen te dwingen loyaal te zijn aan hun land. Omdat België grotendeels katholiek was, stonden veel Nederlandse katholieken positief tegenover dat land en werd hun loyaliteit aan Nederland in twijfel getrokken.

    Volwassen

    De jaren waren snel verstreken voor Gradus en Dersken en hun familie was volwassen geworden. Elizabeth was in 1831 op negenentwintigjarige leeftijd overleden. Ze was altijd al broos geweest vanwege haar spinale zwakte.

    Hendrika was in 1840 getrouwd met Willem Heinen en zij hadden een dochter genaamd Johanna Aleida (1842).

    Gerharda Johanna was in 1845 getrouwd met Lammert te Grotenhuis en zij hadden twee zonen, Gerhardus Johannes (1847) en twee dochters, Dersken (1849) en Tonia Johanna (1852). Zij zouden in Amerika nog een zoon krijgen, Lambertus of Bart (1856).

    Derk Hendrik was in 1839 in Amsterdam getrouwd met Hendrika Geertruida van Buul. Hij had zich daar als kuiper gevestigd in de Jordaan. Zij kregen twee zonen, Gerhardus (1840) en Jan (1844). De oudste zoon was zeer behulpzaam geweest voor zijn ouders en zij waren voor een groot deel van hem afhankelijk voor financiële steun. Hij was zeeman en tijdens één van zijn reizen werd hij erg ziek van dysenterie. Hij stierf op zee en werd begraven in Batavia. De andere zoon kwam om het leven tijdens een storm op één van zijn reizen en werd op zee begraven. Na het overleden zijn eerste vrouw hertrouwde Derk Hendrik in 1850 met Elisabeth Fransiena Schagt. Zij kregen een dochter genaamd Elisabeth Francina Hester (1853).

    De jongste dochter, Johanna Geertruid, trouwde met Christoffel Schoemaker, die ook hoedenmaker was. Ze emigreerden in 1848 naar Amerika. Hij bleef daar nog een tijdje hoeden maken, tot hij baptistenpredikant werd. Hij was een leergierig man en beheerste drie talen uitstekend – Engels, Nederlands en Duits. Johanna, zijn vrouw, stierf kort na haar komst naar Amerika en werd begraven in Baltimore. Er waren twee zonen geboren, maar ze stierven op jonge leeftijd.

    Na zijn terugkeer uit militaire dienst hervatte Gerrit Jan de hoedenmakerij van zijn vader en hielp hij bij het beheer van de herberg. Hij raakte geïnteresseerd in een dochter van de familie Snoejenbos genaamd Johanna. Zij woonde op boerderij ‘Snoeijenbosch’ op de Haart. Zij trouwden in 1843. Gerrit Jan was toen negenendertig jaar en Johanna vierentwintig.

    Gerrit Jan nam geleidelijk zijn vaders bedrijf over. Het was gebruikelijk dat de oudste zoon het bedrijf van zijn vader voortzette en zijn ouders ondersteunde tijdens hun gevorderde jaren. Na het overlijden van de ouders werd een schikking getroffen met de andere broers en zussen voor hun deel van de nalatenschap. Gradus was de leeftijd van tachtig jaar gepasseerd en was blij dat hij van de zakelijke zorg was verlost.

    Gerrit Jan en Johanna kregen vier zonen, Gerhardus Harmanus (1844), Herman (1846), Engelbert (1848) en Derk Johan (1852). De zorg voor vier jonge zonen viel Johanna nogal zwaar en haar gezondheid leed daaronder. Ze werd neurotisch en was vaak ziek. Gerrit Jan was een vriendelijke echtgenoot en vader en hielp op zijn kalme, troostende manier om haar lasten op alle mogelijke manieren te delen.

    Amerika lonkt

    In deze periode in de geschiedenis raakten veel Europeanen geïnteresseerd in de kansen die Amerika hen bood en veel families en hele gemeenschappen emigreerden over de Atlantische Oceaan en vestigden zich in de Verenigde Staten. In augustus 1846 had Christiaan (Chris John) Snoeyenbos, Johanna’s jongste broer, zich aangesloten bij een groep emigranten op weg naar Amerika. Hij had zich gevestigd in Oostburg, Wisconsin, en was inmiddels goed ingeburgerd in het nieuwe land.

    Hij schreef hen brieven, die zeer enthousiast waren over de mogelijkheden in Amerika. Hij drong er bij hen op aan om ook naar Amerika te komen, waar land goedkoop was en voedsel in overvloed, waar de wetten zo rechtvaardig en onpartijdig waren dat iedereen gelijke rechten had. Gerrit Jan en zijn vrouw raakten gemotiveerd en zagen dat wel zitten. Ze waren echter bang om hun wens te delen met vader Gradus, die bij hen woonde. Ze geloofden dat hij te oud was om zo’n lange en inspannende reis te ondernemen. Dus hielden ze de brieven van Christiaan zorgvuldig voor hem verborgen. Op een dag vond Gradus toch één van de brieven en hij stelde voor dat ook zij plannen zouden maken om de reis naar Amerika te maken.

    Gradus was zo opgewonden als een kind over de emigratie en begon ondanks zijn hoge leeftijd plannen te maken voor de onderneming. Hij verzamelde zijn tuinzaden en visnetten voor gebruik in het nieuwe land. Helaas was zijn vreugde van korte duur. Hij liep dysenterie op en werd ernstig ziek. Volgens de dokter had hij slechts enkele dagen te leven. De plannen voor de reis werden uiteraard gestaakt. Kort voor zijn dood riep Gradus zijn kinderen bij elkaar en sprak hen toe. Hij vertelde hen dat hij begraven wilde worden in zijn geboorteland, waar hij van hield, maar dat ze hun emigratieplannen moesten voortzetten. Gradus Heebink stierf op 13 augustus 1854, vlak voor hun geplande vertrek naar de VS.

    Ondanks het verdriet om de dood van hun vriendelijke, nobele vader, vertrok de familie Heebink enkele dagen later, naar hun beloofde land. Voor het vertrek van de landverhuizers werd er een gebedsbijeenkomst voor hen gehouden. Dominee Pape van de Gereformeerde Kerk in Aalten hield een afscheidsdienst. Hij verklaarde dat hij de twijfels en angsten begreep die ze zouden hebben om deze stap te zetten, maar hij moedigde hen aan om geloof te hebben in God, die hen zou helpen hun moeilijkheden te overwinnen en hen veilig naar het beloofde land, Amerika, te brengen.

    Neven en nichten

    In 1852 emigreerde nicht Hendrina Heebink (Varsseveld, 1818) ook al naar Amerika. Zij was een dochter van Christiaan Heebink – een broer van Gradus – en Dora Willemina Doornink. Hendrina was tot dat moment als meid in dienst bij ‘heel- en vroedmeester’ Servaas van Leuven en zijn vrouw Henrietta Wilhelmina Christina Theodora Rost. Zij woonde tot haar emigratie bij het gezin Van Leuven in huis, aan de Bredevoortsestraatweg (tegenwoordig nr. 7). Hendrina trouwde in 1856 in Oostburg met Arend Jan Prange (Aalten, 1823).

    Ook haar zus Elisabeth (Varsseveld, 1819) en broer Gerrit Jan (Vriezenveen, 1829) emigreerden naar de VS. Hoewel het aannemelijk klinkt, is het ons (nog) niet bekend of ze samen gingen. Beiden trouwden aldaar met emigranten uit Winterswijk. Elisabeth reisde net als Hendrina naar Sheboygan, maar verhuisde later naar Iowa. Gerrit Jan kwam terecht in Clymer, New York. Zijn tak van de familie wordt vanaf 1860 als ‘Habink’ geschreven.

    Over de Atlantische Oceaan

    Het eerste deel van hun reis, van Aalten naar Arnhem, maakten ze in huifkarren en duurde tien uur. Bij Arnhem gingen ze aan boord van een boot die hen naar Rotterdam bracht, waar het schip voor anker lag dat hen over de Atlantische Oceaan zou brengen.

    In Rotterdam werden ze opgewacht door Derk Hendrik Heebink, de broer van Gerrit Jan. Hij woonde in Amsterdam, maar was met de trein naar Rotterdam gekomen. Hij kwam in een kleine roeiboot het schip tegemoet en bracht snoep en eten als afscheidscadeaus. Dit was een gedenkwaardige dag in hun leven, 18 augustus 1854.

    Het schip was een Engels zeilschip genaamd ‘Leila’, met kapitein W.J. Stafford aan het hoofd. Er waren driehonderdzestig passagiers aan boord. Bijna een derde van hen was afkomstig uit Aalten. De condities aan boord waren zeer onaangenaam. De emigranten waren tussendekpassagiers – het enige type accommodatie dat werd aangeboden. Voordat men aan boord ging, moest elke passagier zijn voedsel tonen om te bepalen of het voldoende was voor de reis.

    Elk gezin zorgde voor zijn eigen beddengoed. De stapelbedden waren hard en smal. Tijdens een storm waarin de boot zwaar schommelde was het onmogelijk om in de stapelbedden te blijven. De watervoorziening werd in grote vaten aan dek gehouden. Het smaakte slecht. Het aanbod was beperkt en elke passagier mocht slechts een klein deel nemen.

    Tijdens dergelijke reizen waren sterfgevallen onder reizigers geen uitzondering. Ook niet tijdens deze reis. Op 1 september 1954 overleed de vierendertigjarige Anna Geertruid te Gantvoort, volgens het scheepslogboek aan tbc. Het was gebruikelijk om zware stormen op zee tegen te komen. Eén ervan duurde twee dagen. Het schip was in totale duisternis en het was onmogelijk om iemand te vinden. De tienjarige Gerhardus Harmanus (Gerrit) Heebink verdween tijdens deze storm. Toen de kapitein het bevel gaf het dek te verlaten, was hij nergens te bekennen.

    Meneer Vrieze doorzocht alle hoeken van het schip, maar kon hem niet vinden. De enorme valdeuren moesten worden gesloten zonder dat men wist waar Gerrit was. Zijn ouders waren bijna uitzinnig, omdat ze dachten dat hij van het dek in de oceaan was gespoeld. Er zat niets anders op dan te wachten tot de storm voorbij was om de zoektocht te hervatten. De storm eindigde uiteindelijk en een matroos vond hem vastgeklampt aan een touw waarmee hij zichzelf tijdens de storm had gered. Op een ander moment raakte de boot een zandbank en alle passagiers moesten heen en weer lopen in een poging om het van de bank te krijgen, wat hen uiteindelijk lukte.

    De reis werd erg vermoeiend. Weken sleepten zich voort in een maand en ze hadden geen land gezien. De emigranten raakten bezorgd dat hun voedselvoorraad niet voldoende zou zijn en ze baden dagelijks dat ze snel land zouden zien. Uiteindelijk, op de tweeënveertigste dag van hun reis, verspreidde zich het bericht dat er in de verte land was gezien en de passagiers schreeuwden van vreugde. Eindelijk was Amerika in zicht en op 30 september 1854 komt aan hun lange oceaanreis, die bijna anderhalve maand had geduurd, een eind.

    Aankomst in New York

    Omdat het water te ondiep was voor de ‘Leila’ om dicht bij de kust te komen werden de passagiers in kleinere boten geladen en aan wal gebracht. Voordat ze van boord mochten, kwamen er eerst nog artsen aan boord om hen te onderzoeken en vast te stellen of er sprake was van pestilentie of ziekten onder de emigranten. Alles was goed en de emigranten waren erg blij en opgelucht toen ze eindelijk weer voet aan wal zetten.

    Eén van de eerste problemen ter plekke was de moeilijkheid om zich verstaanbaar te maken, omdat geen van hen Engels sprak. Gerrit Jan sprak vloeiend Duits en omdat veel mensen in Amerika deze taal spraken, hielp het hen aanzienlijk. Hij nam vanaf die tijd de leiding op zich en was de woordvoerder van de emigranten.

    Hun volgende probleem was om een hotel voor de nacht te bemachtigen en opslagruimte te vinden voor hun bagage en bezittingen. Ze kregen het advies om naar een bepaald hotel te gaan, niet ver van het dok. Het was een tweederangs hotel, maar ze waren er blij mee want ze waren hongerig en moe en niet in staat om ver te reizen. Ook vonden ze een plek om hun bagage op te slaan.

    Na het bereiken van het hotel was Gerrit Jan aan het onderhandelen met de manager, terwijl de andere medereizigers in de lobby bij de eetzaal stonden te wachten. Bessie Vrieze en Gerrit Grotenhuis hadden veel honger en namen een cracker. Eén van de obers had hen in de gaten gehouden en de jongeren boos geslagen. Gerrit Jan hoorde hun uitbarstingen en schoot hen te hulp en sloeg de ober op het hoofd. De manager van het hotel werd gebeld en hij schold de ober uit omdat hij zo ongeduldig was geweest met de hongerige kinderen.

    Ze hadden de nacht goed doorgebracht in het hotel en besloten daarna hun reis per trein te vervolgen. Toen Gerrit Jan de hotelrekening wilde voldoen, probeerde de klerk hem te veel aan te rekenen. Gerrit Jan maakte hevig bezwaar en kwam uiteindelijk tot een redelijke schikking. Ze waren nog steeds zo’n 1600 kilometer verwijderd van hun eindbestemming en er zouden hen onderweg nog veel meer uitdagingen te wachten staan.

    Doorreis naar Sheboygan County

    Ze namen de trein van New York naar Buffalo. Van Buffalo naar Toledo maakten ze de reis per schip. Gerrit Jan verdiende eten voor zichzelf en zijn familie door op de boot te stoken. Toen ze Toledo bereikten, verlieten ze het schip en regelden ze de doorgang per spoor. Er waren geen passagiersrijtuigen beschikbaar en men moest plaatsnemen in een goederenwagon zonder zitplaatsen. De reis van Toledo naar Chicago duurde drie dagen. De trein stopte onderweg op stations zodat ze brood en koffie konden kopen. Hun voedselvoorziening was echter zeer karig. Als de trein toevallig stopte in de buurt van een appelboomgaard, plukten ze vaak appels.

    Na drie dagen kwamen ze aan in Chicago. Ze verwachtten meer moeilijkheden omdat ze geen Engels spraken, maar gelukkig kwamen ze in het depot een landgenoot tegen. Hij was een man uit Zeeland. Hij wilde hen graag helpen en zorgde voor accommodatie voor de groep in een eersteklas Duits hotel. Sommige emigranten besloten dat ze hun koffers en bagage beter konden bewaken als ze in de openlucht kampeerden, dus deze gingen niet naar het hotel.

    Het kostte noodzakelijkerwijs meer tijd om hun maaltijden boven hun kampvuur te koken. Dit had als gevolg dat ze niet gereed waren om te vertrekken, toen het tijd was om aan boord van het schip te gaan dat hen naar Sheboygan zou brengen. De Heebink-groep was met een platte kar van het hotel naar het dok gebracht en kwam op tijd aan boord van het schip, dat om acht uur vertrok. De anderen bleven achter voor het volgende schip.

    Men verwachtte dat het schip zou stoppen in Milwaukee, maar tot teleurstelling van hun vrienden en familieleden die daar stonden te wachten om hen te begroeten, deed het dat niet. Grace Decker was één van de wachtenden op de pier van Milwaukee. De landverhuizers bereikten hun bestemming Sheboygan om middernacht. Ze werden naar het oude Wisconsin House gebracht, dat eigendom was van een Duitse hotelhouder, Joseph Schrage, die hen zeer hartelijk behandelde.

    Het was nu nog maar tien mijl naar hun bestemming, Oostburg. Gerrit Jan en de kleine Gerrit Heebink besloten naar Oostburg te lopen naar het huis van Chris John Snoeyenbos en het nieuws van hun aankomst te verspreiden. Dan konden wagens en ossenkarren worden gebracht om ze vanuit Sheboygan naar Oostburg te brengen. Ze waren nog niet ver toen ze één van hun oude vrienden uit Nederland, meneer Walfort, tegen het lijf liepen. Hij was te paard en stemde ermee in om met hen terug te keren. Hij bood hen zijn paard aan om te rijden. Om de beurt reden ze terug naar Oostburg.

    Aankomst in Oostburg

    Omdat er in die tijd geen andere communicatiemiddelen waren dan een trage postdienst, wisten de familieleden en vrienden in Oostburg de exacte datum van hun aankomst niet, maar ze hadden afgesproken dat de eerste die het nieuws hoorde op een ‘dinner horn’ zou blazen en dit zou worden doorgegeven aan degenen die op grotere afstand van Sheboygan woonden. Onmiddellijk nadat Gerrit Jan en de kleine Gerrit arriveerden werd dit gedaan.

    De eerste boerderij waar Gerrit Jan naartoe kwam was die van de familie Te Stroete. Ze waren druk bezig met het dorsen van graan, maar staakten alle werkzaamheden om de nieuwkomers te verwelkomen. Men vond een wagen om hen naar het huis van Chris Snoeyenbos te brengen, hun eindbestemming. Het nieuws van hun aankomst had zich inmiddels verspreid en een karavaan van wagens en karren was verzameld om hen te ontmoeten. Ze vertrokken snel naar Sheboygan waar ze de aldaar wachtende emigranten zouden ontmoeten en naar hun verschillende bestemmingen zouden brengen.

    De reis van tien mijl was een langdurige, langzame rit, maar voor de emigranten leek niet lang, omdat het de laatste etappe was van hun lange reis uit Europa. Hun bestemming was bijna in zicht en hun nieuwe thuis waar lang gescheiden broers, zussen, familieleden en vrienden op hen wachtten. Eindelijk arriveerden ze en wat was het een vreugdevolle ontmoeting! De dagelijkse werkzaamheden werden opzij gelegd en de dag werd besteed aan het bezoeken en verwelkomen van de nieuwkomers. Groeten en herinneringen werden uitgewisseld, plannen geformuleerd en het was een dag die men nooit meer zou vergeten.

    Pionieren

    Nu volgde de uitdaging om de emigranten te helpen bij het vinden van een woning. Het duurde natuurlijk even voordat men zelf een boerderij kon kopen of een huis huren. Ze stonden allemaal te popelen om een eigen woning te vinden voordat de winter kwam. Hun vrienden en familieleden deelden het weinige dat ze hadden graag met hen. Deze eigenschap was kenmerkend onder de vroege pioniers en al snel waren er voor hen allemaal woonruimten geregeld.

    Chris John Snoeyenbos bood de Heebinks een thuis bij hem aan. Ze accepteerden graag totdat ze in staat zouden zijn om een eigen hut te bouwen. Gerrit Jan Heebink runde van 1855 tot 1861 een plattelandswinkel voor het gemak van zijn buren en een klein deel van het huis werd hiervoor bestemd. Hij kocht ook dertig hectare zwaar houtland dat ze begonnen te ontginnen. Later bouwde hij er een kleine hut voor zijn familie.

    In het jaar 1856 kregen Gerrit Jan en zijn vrouw Johanna hun vijfde kind. Het was een zoon en ze noemden hem George.

    Het waren moeilijke jaren – niet alleen voor de nieuwkomers, maar ook voor de oudere kolonisten. In 1857 ondergingen ze een depressie die bekend staat als de Panic of 1857. Geld was erg schaars en iedereen leefde van goedkoop voedsel. Er was weinig voedsel voor het vee. De varkens werden gevoed met beukennoten, die er in overvloed waren. De Heebinks wisten een redelijk bestaan te verdienen aan hun winkeltje en hun houtland en leden er daarom niet onder.

    Burgeroorlog

    Toen kwam de Burgeroorlog (1861-1865). In het begin leek het erop dat het van korte duur zou zijn, maar de ware omstandigheden waren op dat moment nog niet bekend. Depressie trof de gemeenschap – in feite het hele land. Voedsel was schaars. De gewassen waren tegengevallen. De lentetarwe was een totale mislukking geweest, dus meel was schaars. Gelukkig had Gerrit Jan wintertarwe en winterrogge gezaaid en beide gewassen hadden een behoorlijke opbrengst opgeleverd. Zo was hij beter voorbereid dan veel van zijn buren. Hij was een vrijgevige, vriendelijke man en wanneer zijn klanten geen meel konden kopen, leende hij het hen totdat ze het konden betalen.

    De oorlog sleepte zich voort. President Lincoln had meer manschappen nodig, dus werden mannen opgeroepen voor het leger. Steeds meer van hen vertrokken, totdat er niemand meer over was om het werk op de boerderij te doen en het aan de vrouwen werd overgelaten. Ze zorgden voor de voorraad, werkten op het land en het was een gebruikelijk gezicht om dorsploegen te zien die volledig uit vrouwen bestonden.

    De oorlog sleepte zich voort tot het bittere einde. Er was grote vreugde in deze patriottische gemeenschap toen men hoorde dat de Unie had gewonnen. Ze rouwden echter om de velen die hun leven hadden verloren in de oorlog. De moord op president Lincoln op 14 april 1865 bezorgde iedereen veel verdriet, want ze hadden naar hem opgekeken als de enige leider die orde kon scheppen in deze onrustige periode.

    De opwinding van de Burgeroorlog was nauwelijks weggeëbd toen in Minnesota en Wisconsin Indianenopstanden uitbraken. In Minnesota waren verschillende bloedbaden gemeld en Wisconsin vreesde ook aanvallen. Bruggen naar Sheboygan City werden verhoogd en op strategische punten werden kanonnen gestationeerd, maar gelukkig bleken de rapporten vals. De Sauk-stam passeerde echter wel door de gemeenschap en veroorzaakte veel angst en bezorgdheid – maar er werd eigenlijk weinig schade aangericht.

    Een Sauk Indian Chief kwam naar Gerrit Jan’s winkel en eiste ‘vuurwater’. Hij werd de winkel uit gesommeerd, maar voor hij vertrok toonde hij heel dreigend een langbladig mes. Gerrit Jan was niet bang en sloeg de deur achter hem dicht. Zijn zoontje Bart was echter zo erg geschrokken dat hij flauwviel.

    In 1862 kregen Gerrit Jan en Johanna hun zesde en laatste kind. Het was hun eerste en enige dochter en ze noemden haar Johanna. Het jaar daarop trouwde hun oudste zoon Gerhardus Harmanus (Gerrit) met Gertrude Lemmenes, eveneens een emigrant, geboren in Meddo.

    Ruim tien jaar na hun vertrek uit Aalten waren ze daar nog niet vergeten. In 1865 schreef hun nicht Johanna Aleida Heinen (1842-1925) in een brief aan haar familie in Amerika: “… want ik ben nu zoo heel alleen hier. Ik kom nog al gedurig uw huis voorbij en ook oome Heebink het zijne en ik zie er nog wel eens met aandacht in.”

    Happy Valley

    Eén van de andere Aaltense kolonisten in Oostburg was Arent Jan (John) Westendorp, geboren in Dale. Hij was geïnteresseerd geraakt in land in het westelijke deel van Wisconsin dat bekend stond als Happy Valley in St. Croix County, 500 kilometer verwijderd van Oostburg. John besloot dit gebied te verkennen hij kwam terug met het bericht dat er uitstekende landbouwgrond te koop was. Hij had daar een perceel gekocht en was voornemens zich daar op korte termijn te vestigen.

    Kort daarna nam hij zijn vrouw, Willemina (ter Haar), en zijn gezin, samen met hun persoonlijke bezittingen mee naar zijn nieuwe boerderij. Chris John Snoeyenbos en Gerrit Heebink Jr. vergezelden hen op deze reis. Niet lang daarna kregen ook Herman Heebink en Lammert Vrieze de drang om dit pioniersland te zien en ook zij vertrokken op 1 april 1869 naar St. Croix County.

    Ze gingen van Sheboygan Falls naar Fond du Lac en vervolgens met de trein naar La Crosse, waar ze een boot namen naar Prescott. Er was zoveel ijs in de rivier dat de boot niet verder kwamen dan Winona, dus namen ze van daaruit een trein. Ze wisten niet dat de trein rechtstreeks door Prescott ging, dus gingen ze door naar St. Paul (Minnesota). De Milwaukee and St. Paul Railway was op dat moment de enige in Minnesota en strekte zich alleen uit tot St. Paul. Er was een klein, slecht gebouwd depot in de buurt van de Wabasha-brug en een tolheffing van vijf cent werd geïnd om de brug over te steken. Dit was in het jaar 1869 en St. Paul had een bevolking van slechts achtduizend. Ze overnachtten in St. Paul in een klein Duits hotel in Third Street.

    Ze vertrokken de volgende ochtend te voet naar Happy Valley. Toen ze Afton bereikten, informeerden ze bij een boerderij hoe ze de St. Croix rivier moesten oversteken. De vrouw die de deur opende, was koekjes aan het bakken en nodigde hen uit om wat van haar warme koekjes te eten. Ze waren zo hongerig en moe dat dit voor hen als ‘manna uit de hemel’ kwam. De vrouw adviseerde hen om naar de oever te lopen waar ze een trappersboot zouden vinden. Ze deden dat en wachtten op de trapper, die om vier uur kwam. Hij was dronken en ze aarzelden om met hem over te steken, maar het was hun enige alternatief, dus besloten ze het risico te nemen. In Hudson lieten ze hun bagage achter en informeerden naar de weg naar Happy Valley. Ze werden abusievelijk naar Pleasant Valley geleid en na anderhalve kilometer heen en weer dwalen beseften ze hun fout en keerden ze terug naar de hoofdweg.

    De wegen waren nat en modderig, met her en der korsten van ijs en sneeuw. Dit maakte het reizen te voet erg moeilijk en het dwong hen om onderweg regelmatig te rusten. Tijdens één van hun frequente rustperiodes hoorden ze in de verte een voertuig naderen. Het waren Chris McCabe en George Tubman die terugkeerden uit Hudson met een wagenlading railheknagels. Ze stopten om te informeren waar de jongens naartoe gingen en toen ze hoorden dat het John Westendorp in Happy Valley was, werden ze uitgenodigd om mee te rijden terwijl McCabe en Tubman liepen. De vermoeide jongens waren erg dankbaar en zouden hun vriendelijkheid nooit vergeten. Het gaf hen een hele fijne indruk van hun nieuwe buren.

    Om drie uur ’s nachts kwamen ze aan bij huize Westendorp in Happy Valley, moe, nat en bijna kapot. Omdat ze langer onderweg waren geweest dan ze hadden verwacht, was hun geld bijna op – Herman had drieënveertig cent over en Lammert had tweeënhalve dollar. Ze hadden maar liefst 70 kilometer gelopen. De Westendorps verwelkomden hen hartelijk en gaven Herman korte tijd een baan bij hen. De Herrick boerderij was te huur en Herman, Gerrit en Lammert besloten deze te huren. Ze kochten elk een juk van ossen en huurden nog drie jukken zodat ze hun boerenwerk goed konden doen.

    Baldwin, St. Croix

    In 1869 was St. Croix County nog zeer dunbevolkt. Er woonden slechts honderd mensen in Hammond. Aan de oostgrens van de township Baldwin woonden vier gezinnen. Baldwin lag ruim 30 kilometer van transportfaciliteiten bij Hudson en de mensen wachtten vol spanning op de komst van de spoorweg.

    Herman Heebink en Lammert Vrieze vonden spoedig werk. Een strook land van Woodville naar Baldwin moest kaal worden gemaakt om de spoorlijn mogelijk te maken. Ze sloten een contract om een ruimte van 30 meter breed vrij te maken en 20 meter hiervan moest worden ontdaan van kreupelhout. Het was zwaar werk om het land te ontdoen van pijnbomen en stronken en het kappen van hardhout leverde maar weinig geld op, maar ze waren blij met het weinige werk dat er te vinden was.

    Bijna een jaar lang vervoerde Herman voorraden voor het postkoetsbedrijf en de spoorweg. Voor het postkoetsbedrijf was een mooie weg aangelegd. Omdat er geen andere manier van reizen was, deden de postkoetsen goede zaken.

    Op 24 november 1871 kwam de eerste trein met passagiers vanuit Menomonie aan in Baldwin. Dit was een gedenkwaardige dag. In de jaren erna verrezen er steeds meer gebouwen in Baldwin. Winkels, een hotel, een saloon, zaag- en graanmolens en een kleine school van zes bij negen meter. De kleine nederzetting begon langzamerhand alle kenmerken van een dorp aan te nemen.

    Verhuizing

    In 1872 was Herman teruggekeerd voor een bezoek aan Oostburg en nam zijn broer Bart mee terug. Toen kwam hun moeder bij hen op bezoek en Bart nam haar weer mee terug naar Oostburg. Bart probeerde zijn ouders over te halen om hun eigendom daar te verkopen en met hem terug te keren naar St. Croix County en daar een huis te stichten. Na zorgvuldige overweging besloten ze dit te doen en Herman begon een klein huis voor hen te bouwen. Ze verlieten Oostburg op de dag na Thanksgiving Day in 1872, met Derk Johan (John)George en Johanna. De familie Snoeyenbos had voor hen een afscheidsfeest georganiseerd waar ze afscheid namen van hun vrienden, buren en familieleden in Sheboygan County. Daarna begonnen ze aan hun reis door Wisconsin naar Baldwin.

    Ze werden door hun neef Gerrit te Grotenhuis naar het station gebracht. Al hun persoonlijke bezittingen werden in een wagen gepakt en ze zaten op de ingepakte dozen. Omdat de reisomstandigheden per trein erg slecht waren, duurde het twee dagen om de relatief korte afstand van Oostburg naar Baldwin te overbruggen. Bij aankomst in Baldwin was er niemand die hen opwachtte, dus wachtten ze in het depot tot Gerrit hen zou komen ophalen. Na enige tijd arriveerden Herman en Gerrit met een span paarden en een bobslee om hen naar hun nieuwe huis te brengen.

    Baldwin, Wisconsin - Map 1897
    Kaart van Baldwin en omgeving uit 1897 (klik voor een grotere versie). We komen er vele Aaltense en Winterswijkse namen tegen.

    Herman had tien hectare grond een mijl ten zuiden van Baldwin gekocht en daar een huis voor hen gebouwd. Er was geen tijd geweest om het interieur af te maken dus Herman, Bart en John maakten het voor hen af. Later kochten ze het huis van Herman.

    Bart kocht in Hammond 22 hectare grond, ontgon het land en zette er gebouwen neer. In 1874 trouwde Bart met Gertrude Brethouwer uit Oostburg, eveneens een dochter van emigranten uit Aalten, namelijk Adrianus Brethouwer en Geziena Rensink. Een tijdlang deed hij aan gediversifieerde landbouw en verkocht de grond toen weer, om elders in Hammond 65 hectare te verwerven. Hij bracht het in cultuur en bouwde er in 1890 een comfortabel huis. Bart teelde de gebruikelijke gewassen en specialiseerde zich in Hereford-runderen en Poland-China varkens. Hij hield ook bruine Leghorn hoenders en fokte paarden. Bart was een fervent democraat en zat zes jaar in het schoolbestuur van het district Hammond en Baldwin. Hij was lid van de Presbyteriaanse kerk.

    Enige jaren later, in 1877 trouwde zijn broer Herman met Dena te Stroete uit Oostburg, emigrantendochter van oud-Aaltenaar Gerrit Jan te Stroete en Janna Geertruid Peters, geboren Winterswijkse. Herman, Gerrit en Bart hadden in Baldwin een klein kruideniers- en handelszaakje opgezet en deden prima zaken.

    In 1885 trouwde John met Plona van Driest uit Cedar Grove, dochter van Zeeuwse emigranten. Ze brachten de eerste anderhalf jaar van hun huwelijk door bij Johns ouders, waarna ze twee kilometer ten noorden van Baldwin een boerderij kochten.

    Gerrit en Bart verloren beiden hun eerste vrouw. Gerrit hertrouwde in 1886 met Alice Flipse, dochter van Zeeuwse emigranten, en Bart in hetzelfde jaar met Anna Maria (Mary) Esselink, geboren in Winterswijk.

    Einde van een tijdperk

    Ondertussen nam de gezondheid van pater familias Gerrit Jan Heebink geleidelijk af. Hoewel hij niet lang ziek was, overleed hij op 17 december 1887. Zijn vrouw en familie misten hem enorm, want hij was een vriendelijke, vrijgevige man geweest, geliefd en gerespecteerd door iedereen.

    Herman had zich teruggetrokken uit de handelsfirma en had in Baldwin een kleine houtwerf opgezet. Ook George trouwde, namelijk in 1892 met Dena Hoopman, dochter van oud-Aaltenaren Abraham Hoopman en Johanna Berendina Wentink. Het eerste jaar van hun huwelijk woonden ze in Baldwin en verhuisden later naar een boerderij in de buurt van Dahl, vijf mijl ten noordoosten van Baldwin, waar een deel van hun acht kinderen werd geboren.

    Na de dood van Gerrit Jan woonde zijn weduwe, Johanna Sr., een tijdje bij haar dochter Johanna en George in hun huis ten zuiden van Baldwin. Later verhuisden ze naar Baldwin in het oude Norby-huis. Hier runde Johanna een klein pension. Later trouwde Johanna met Neal Beaton. Hij was fotograaf en bouwde een etablissement in Hammond waar ze enkele jaren woonden.

    Moeder Johanna Heebink-Snoejenbos ging vervolgens om de beurt bij haar zonen wonen. Ze had een zeer slechte gezondheid en leed aan ernstige reuma. Ze was de laatste zeven jaar van haar leven niet meer in staat om te lopen en werd hulpeloos als een kind. Op 20 oktober 1898 overleed ze. Ze was een vriendelijke, sympathieke moeder geweest, maar vanwege haar hooggespannen, nerveuze temperament en emotionele aard, had ze veel geleden in een tijd waarin ontberingen overvloedig waren.

    De twintigste eeuw

    De vijf broers hadden zich allemaal gevestigd in de gemeenschap in of rond Baldwin. De handels- en kruideniershandel bloeide, maar Gerrit had zich als partner teruggetrokken en keerde terug naar de landbouw. Bart behield een tijdlang zijn interesse, maar het actieve werk werd overgenomen door Barts zoon, George B. Heebink.

    John en George hadden enkele jaren een vleeswinkel in Baldwin, maar stopten daarmee om te gaan boeren. George verhuisde later naar Souris, North Dakota. Johanna en Neil Beaton verkochten hun fotozaak en verhuisden naar Quebec, Canada (waar Neil was geboren). Hermans houthandel floreerde.

    Na een korte periode van ziekte overleed Gerhardus Harmanus (Gerrit) op 16 maart 1910. Zijn jongere broer George stierf op 9 december 1919 aan darmkanker. Engelbert (Bart) overleed op 9 april 1934 als gevolg van nierkwalen. Herman bereikte de leeftijd van negenentachtig jaar, na een korte ziekte die uiteindelijk leidde tot een longontsteking waar hij op 5 december 1935 aan overleed. Derk Johan (John) stierf op 16 september 1940 in Baldwin. Het overlijden van Johanna in 1947 in Canada markeerde het einde van deze generatie Heebinks.

    Rond 1940 telde het nageslacht bijna 300 personen. De meesten van hen woonden in Baldwin en omgeving. Velen hadden zich ook verspreid over Wisconsin, terwijl anderen in North Dakota, Montana, Washington, Oregon, Californië en West Virginia woonden. De kinderen van Johanna woonden in verschillende delen van Canada.

    Dit verhaal is grotendeels gebaseerd op ‘The Heebink History’, in 1940 opgetekend door Nell A. Heebink – dochter van Derk Johan (John) Heebink.

    Zij schreef in haar voorwoord het volgende:

    “Details van familiegeschiedenis, tenzij vastgelegd, worden alleen opgeslagen in de hoofden en herinneringen van onze ouders en voorouders. Als zij overlijden gaan ze vaak verloren voor de huidige generatie. Om een deel van de geschiedenis voor onze huidige generatie te behouden, heb ik in dit boekje anekdotes, verhalen en ervaringen verzameld die voor hen mogelijk interessant zijn. Het heeft vooral betrekking op hun vroegere leven in Nederland, migratie naar Amerika, pionieren in het oosten van Wisconsin aan de oevers van Lake Michigan en hun definitieve vestiging als gemeenschap in het westen van Wisconsin. Herman en John Heebink hebben alle historische gegevens in dit boekje geleverd.”

    Dit verhaal is in 1998 uitgewerkt en online gepubliceerd door nazaat Joel Heebink en in 2022 in het Nederlands vertaald en aangevuld door Remco Neerhof.

  • Lugubere aankomst in New York

    Lugubere aankomst in New York

    Aaltense emigranten naar de VS

    Tussen 1845 en 1880 vestigden zich honderden emigranten uit Aalten en Winterswijk in Clymer, een plaatsje in het westen van de staat New York. In 1854 vertrokken ook Berend Hendrik Legters en zijn gezin naar de Verenigde Staten, met Clymer als eindbestemming. Over hun reis doet binnen de familie nog steeds een luguber verhaal de ronde…

    Berend Hendrik Legters werd op 18 januari 1827 geboren op Klein Goorhuis in de Aaltense Heurne. Medio jaren 30 verhuisde het gezin naar Nieuw Hoornenborg op de Haart. Na het overlijden van zijn moeder, hertrouwde zijn vader in 1845 en verhuisden ze naar boerderij Koks in Ratum.

    Op 18 juni 1847 trouwde Berend Hendrik, wever van beroep, met Anna Catharina Hellekamp (Miste, 31 augustus 1810). Zij gingen wonen op haar ouderlijk huis, Hellekamp in Miste. In juni 1854 vertrokken zij met hun twee jonge zoons naar Amerika, samen met het echtpaar Oonk-Kortschot, dat ook op Hellekamp woonde.

    De overtocht naar New York duurde lang en was zwaar. Voor Anna Catharina werd het te veel; na 30 dagen op zee overleed zij, slechts enkele dagen voordat ze in New York zouden aankomen. Berend Hendrik had gezien wat er met de lichamen van overleden passagiers gebeurde: die kregen een zeemansgraf. Dat lot wilde hij zijn echtgenote besparen. Dus bedachten hij en zijn reisgenoten een list. Zij deden net of Anna ernstig ziek was en verborgen zo het feit dat ze was overleden. Ondanks ziekte werd er op je gerekend met het eten. Bijkomend voordeel was dus dat ze nu zelf een extra portie hadden!

    Eenmaal aangekomen in New York moesten ze via de loopplank het schip verlaten. Ze hielden de overledene tussen hen in en legden haar armen over hun schouders heen. Voorzichtig schopten ze tegen haar benen aan zodat het leek alsof ze zelf liep. De truc lukte en zo wisten ze haar veilig van boord te krijgen.

    Op de eerste begraafplaats die ze tegenkwamen lieten ze haar begraven, met de bedoeling haar stoffelijk overschot later over te laten brengen naar hun eindbestemming, Clymer. De eerste jaren hadden ze hier echter niet de middelen voor. Toen ze eindelijk genoeg geld hadden gespaard keerden ze terug om haar op te halen. Maar helaas, ze konden het graf niet meer terugvinden…

    Nadat weduwnaar Berend Hendrik zich met zijn twee zoontjes in Clymer had gevestigd, vroeg hij de dominee wat hij moest doen. Op zijn advies hertrouwde hij met Gesina Berendina “Minnie” Schreurs (Barlo, 20 april 1820), weduwe van Gradus Kobus. Zij overleed in 1865 en Berend Hendrik trouwde nog een keer, nu met Geertruida JohannaKate” Schreurs (Winterswijk, 13 december 1840). Berend Hendrik (Henry) Legters overleed op 25 januari 1910 in Clymer.

    Bovenstaande weergave van dit verhaal is gebaseerd op de hieronder genoemde bronnen. Deze bronnen bevatten echter uiteenlopende informatie over de gang van zaken. Wij hebben de (volgens ons) meest aannemelijke informatie gecombineerd tot bovenstaande versie. Aanvullingen/correcties zijn welkom!

  • De Pier van Amsterdam, Sheboygan

    De Pier van Amsterdam, Sheboygan

    Visserspier bij Amsterdam, Sheboygan, circa 1930 (Foto Sheboygan County Historical Research Center)

    Visserspier bij Amsterdam, Sheboygan, circa 1930 (Foto Sheboygan County Historical Research Center)

    De pier van Amsterdam in Sheboygan County, Wisconsin, werd rond 1851 aangelegd en was ooit een belangrijk overslagpunt voor hout, landbouwproducten en vis. Met een lengte van circa 300 meter bood hij toegang tot het diepe water van Lake Michigan. Rond de pier ontstond een levendige gemeenschap van Nederlandse immigranten, vissers en handelaren. Na de komst van de spoorlijn in 1872 raakte de pier in verval. Tegenwoordig resteert slechts een park aan het water.

    De aanleg van de pier

    Wie precies de pier van Amsterdam in 1851 bouwde is onzeker; sommige bronnen noemen de Walvoords, andere Gilbert Smith. De pier reikte 300 meter uit in het Meer van Michigan vanaf wat nu Amsterdam Road heet, en had op het einde een diepte van ruim 6,5 meter — voldoende voor de schepen van die tijd. Aanvankelijk diende de pier voor de export van hout, maar al snel ook voor landbouwproducten en vis. Het dorp telde veel vissers die hun bestaan ontleenden aan het meer.

    De Nederlandse immigrant Hendrik Walvoord, een van de beheerders van het bedrijf, en zijn zoon Garrit Jan Walvoord kwamen in 1849 met andere familieleden naar het gebied. De familie Walvoord opende een kruidenierswinkel, waar ze levensmiddelen en algemene handelswaar aanboden in ruil voor lokale producten zoals brandhout, tonnenhout en vis.

    Tragedie en tegenslagen

    Op 11 juli 1856 vond een tragedie plaats. Volgens verschillende bronnen was Garrit Jan Walvoord die ochtend ofwel onderweg naar een baggerschip dat was ingehuurd om de pier uit te diepen, of hij was brandhout aan het opmeten. Tijdens deze werkzaamheden viel hij van de pier, mogelijk doordat het hout in beweging kwam terwijl hij er overheen skraggelde. Hij werd onder water bedolven toen enkele boomstammen bovenop hem vielen en overleed. Zijn vrouw Anna Maria Engel Nolton en zijn vader zetten de winkel nog een tijd voort.

    Maar het noodlot bleef niet uit: in januari 1857 werd de winkel van Walvoord volledig door brand verwoest en werd niet herbouwd. Begin juni 1858 ging ook de stoomzagerij van Thompson, Tinsler en Watser in vlammen op.

    Groei en neergang

    Ondanks deze tegenslagen lijkt Amsterdam decennialang te hebben gefloreerd. Op het hoogtepunt waren er minstens twee winkels, een smid, een herberg, een kuiperij en een school. In 1872 veranderde alles: de Milwaukee, Lake Shore & Western Railway werd aangelegd, maar deze liep landinwaarts via Cedar Grove. Hierdoor verloor Amsterdam haar transportfunctie. Door het verdwijnen van de houtvoorraden en de komst van het spoor verhuisden veel inwoners naar Cedar Grove. Sommigen bleven, met name de vissers.

    Naast de familie Smith begonnen ook andere gezinnen visserijbedrijven. Namen die verbonden zijn met deze bedrijvigheid zijn onder andere: De Witt, De Zoute, Grotenhuis, Huibregtse, Ingelse, Kobes, Kolste, Moennig, Nath, Roerdink, Smies, Stokdijk, Van Der Jagt, Van Drieste, Weiskamp, Westerbeke en Zuurmond.

    Redding op het water

    Op 18 maart 1906 redde kapitein Delos Smith samen met zijn bemanning op de vissersboot Tessler meer dan 60 mensen van de brandende stoomboot Atlanta. Ze slaagden erin het schip aan land te trekken net ten noorden van Amsterdam. Alleen matroos Michael Hickey overleefde het niet: hij sprong mis tussen beide schepen en verdronk.

    De ondergang van de visserij

    Naarmate de houtvoorraden slonken, werd de visserij de belangrijkste economische activiteit. In het begin werd er dicht bij de kust gevist met zeilboten en sleepnetten. Later schakelde men over op pound-nets in dieper water, eerst met stoom- en later met benzinemotoren. Witte vis en steur waren aanvankelijk overvloedig aanwezig, maar later werden vooral haring, spiering en forel gevangen. De visstand daalde echter sterk na de komst van de zeeprik in de jaren 1930. Hierdoor stortte de ooit bloeiende visserij langzaam in.

    Het Amsterdam van nu

    Van het vroegere dorp Amsterdam is vandaag weinig meer over. Op de voormalige locatie bevindt zich nu een klein park met een speelplaats, picknickplaats en een boothelling. Wat ooit een bruisend handels- en vissersdorp was, is nu een stille herinnering aan de Nederlandse pioniersgeschiedenis van Wisconsin.

  • Pioniers in Wisconsin – Wevers

    Pioniers in Wisconsin – Wevers

    Aaltense emigranten naar de VS

    In de 19e eeuw emigreerden duizenden Achterhoekers naar de Verenigde Staten, op zoek naar land, vrijheid en nieuwe kansen. Onder hen bevond zich Harmen Jan Wevers (1833–1905) uit Barlo. Hij was een van de vroege Nederlandse pioniers die zich vestigden in de grotendeels onontgonnen wildernis van Sheboygan County, Wisconsin.

    Harmen Jan Wevers werd geboren op 20 april 1833 op boerderij Oonk in Barlo, als zoon van Derk Wevers en Johanna Bloemers. Hij had een broer en drie zussen.

    Emigratie en beginjaren in Amerika

    In april 1849 vertrok hij op zestienjarige leeftijd vanuit Rotterdam naar de Verenigde Staten. De overtocht duurde 64 dagen. Na aankomst in New York reisde hij via Buffalo, Pittsburgh, St. Louis en Chicago naar Sheboygan County in Wisconsin.

    Harmen Jan kwam op hetzelfde schip naar Amerika als Henry Walvoord, bij wie hij vervolgens drie jaar als knecht werkte. Walvoord vestigde zich na aankomst in de VS in Holland Township. Gedurende dertien winters verbleef Harmen Jan bij deze pionier, terwijl hij in de zomer werkte of naar school ging.

    Nadat hij voldoende had gespaard kocht hij een span ossen en verdiende de kost als voerman, onder andere met het vervoeren van hout naar de pier van Amsterdam (Wisconsin).

    Eigen boerderij in Holland Township

    In 1854 kocht Harmen Jan een stuk land van veertig acres (ruim 16 hectare), grotendeels ongerept bos. Met veel inzet wist hij dit terrein te ontginnen en veranderde het in een goed lopend boerenbedrijf. Later breidde hij zijn bezit uit tot zeventig acres (bijna 28,5 hectare).

    Op 27 december 1856 trouwde hij met Berendina Gerharda te Slaa, geboren op 14 oktober 1834 op boerderij De Heuvel in Lintelo. Samen kregen ze acht kinderen, van wie er vier in 1894 nog in leven waren:

    Harmen Jan zag hoe zijn nieuwe thuisregio veranderde van een ruige wildernis tot vruchtbaar landbouwgebied. Door hard werken, volharding en toewijding wist hij als eenvoudige immigrant een bloeiend boerenbedrijf op te bouwen. Hij groeide uit tot een gerespecteerd burger en bestuurder in zijn gemeenschap.

    In 1894 waren van het gezin nog twee kinderen in leven: Harmen Jan en zijn zus Johanna Geertruid (1828–1912), die getrouwd was met Albert Clanderman uit Sheboygan.

    Geloof en toewijding tot het einde

    Harmen Jan Wevers was een actief en gewaardeerd lid van de Dutch Reformed Church in Cedar Grove. Politiek was hij aangesloten bij de Republikeinse Partij. Hij vervulde jarenlang de functie van Supervisor (gemeentebestuurder).

    Van arme emigrant wist hij zich op te werken tot zelfstandig boer en gerespecteerd burger. Binnen Holland Township stond hij bekend als een van de oudste en meest betrouwbare pioniers van de regio.

    Harmen Jan Wevers overleed op 19 maart 1905, op 71-jarige leeftijd. Hij werd begraven op Walvoord Cemetery in Holland, Sheboygan County.

  • De ramp met de Phoenix (1847)

    De ramp met de Phoenix (1847)

    In 1847 vertrok een grote groep Achterhoekers naar Amerika, in de hoop op een beter leven. Onder hen bevonden zich ook tientallen Aaltenaren. Vlak voordat zij hun eindbestemming bereikten vloog hun schip ‘Phoenix’ in brand op Lake Michigan. Naar schatting 250 tot 300 personen vonden daarbij de dood.

    Pas twee jaar oud was de prachtige houten boot genaamd ‘Phoenix’, die op 20 november 1847 met zo’n 175 Nederlanders, 23 bemanningsleden en een onbekend aantal andere opvarenden, opstoomde naar de westkust van het Michiganmeer. De landverhuizers aan boord kwamen uit Winterswijk, Aalten, Varsseveld, Apeldoorn, Holten en diverse andere plaatsen. Een dag later zouden ze in Sheboygan hun Beloofde Land bereiken na een afmattende bootreis. Kinderen werden voor het laatst in de hutten te slapen gelegd.

    Op 11 november was de Phoenix vertrokken uit Buffalo om via Lake Erie en Lake Huron naar Lake Michigan te varen. Slechts dertig mijl van hun bestemming verwijderd, voer de Phoenix de haven van Manitowoc binnen. Er werd wat lading aan land gezet, maar toen de kapitein merkte dat de weersomstandigheden te stormachtig waren, hield hij zijn schip in de haven tot het meer zou kalmeren. De bemanning ging aan land. Sommigen beweerden dat ze bij terugkomst dronken waren.

    Om één uur ’s nachts, het meer kalm, de nacht overspoeld met sterren, vertrok de Phoenix voor het laatste deel van de reis naar Sheboygan. Door de zware last raakten de stoomketels oververhit, maar de bemanning deed er luchthartig over. Tegen vier uur ’s nachts kwam er echter een dikke rook en stank van smeulend hout uit de machinekamer en werd alarm gegeven.

    Verbranden of verdrinken

    Vergeefs werd aan boord van de Phoenix nog getracht met emmertjes water de brand te doven. Maar het houten vaartuig brandde al gauw als een fakkel. Twee reddingsbootjes werden te water gelaten, waarmee 43 opvarenden de vijf mijl naar de kust wisten te overbruggen, de een met een klomp als roeispaan, vijfentwintig van hen waren Nederlanders.

    De overige passagiers hadden twee opties: verbranden of verdrinken. Ze sprongen in het water, maar maakten daar geen schijn van kans. Het water was ijskoud en ze raakten binnen minuten onderkoeld. Als men al kon zwemmen, dan nog was iedere poging om de kust te bereiken zinloos.

    Naar schatting tweehonderdvijftig tot driehonderd personen vonden de dood, inclusief bijna 100 kinderen. Het is verbazingwekkend hoe het handjevol overlevende landverhuizers er toch nog in geslaagd is een nieuw leven te beginnen. Ze moesten wel.

    Oud-Aaltenaren op de Phoenix

    Midden vorige eeuw trokken veel Achterhoekers om geloofsredenen weg. Het waren veelal afgescheidenen van de Ned. Hervormde gemeente, die zich hier vanwege hun vrijzinnig denken niet meer thuisvoelden. Zo ook de Achterhoekse opvarenden van de Phoenix, onder wie de Aaltenaren Brusse, Navis en Krajenbrink uit de buurtschap Lintelo.

    Uit overlevering zijn de namen van veertien personen uit Aalten bekend, die slachtoffer van de ramp werden. Over anderen tast men in het duister. Ze vertrokken op 16 augustus 1847 uit Aalten, samen met 78 anderen. Maar naar voorzichtige schatting zijn wel vijftig tot vijfenzeventig Aaltenaren omgekomen.

    Een lijst met (mogelijke) passagiers van de Phoenix en welke de ramp waarschijnlijk wel en niet hebben overleefd staat op de website dutchgenealogy.nl van Yvette Hoitink.

    Podcasts en documentaire

    Eind 2020 stuitte de Winterswijkse podcastmaker Joske Meerdink van Omroep Gelderland bij toeval op het verhaal over de ramp met de Phoenix. Het verbaasde haar dat ze het verhaal niet kende en merkte dat de ramp met de Phoenix bij haar dorpsgenoten ook vrij onbekend was. Daarop besloot zij in het verhaal te duiken.

    Tijdens haar zoektocht bracht Joske samen met documentairemaker Diny van Hoften een bezoek aan Sheboygan, waar ze spraken met nabestaanden van overlevenden van de ramp. Ook stapten ze aan boord bij een shipwreck hunter om te zoeken naar overblijfselen van de Phoenix (en vonden die ook!).

    Haar zoektocht resulteerde in een serie podcasts en een tweedelige documentaire. Deze zijn te beluisteren en bekijken bij Omroep Gelderland.

    Hier is ook de documentaire te zien die Omroep Gelderland begin 1998 uitzond over de Phoenixramp. In de documentaire, gemaakt door Sacha Barraud, wordt een groep Achterhoekers, waaronder Aaltenaar Evert Smilda, gevolgd die eind 1997 naar Sheboygan, afreist om de 150-jarige herdenking van de Phoenixramp bij te wonen.

    Emigratie naar Noord-Amerika

    In de loop van de 19e eeuw verlieten duizenden mensen de Achterhoek om een nieuw bestaan op te bouwen in de Verenigde Staten. Ook vanuit Aalten vertrokken veel inwoners, op zoek naar vrijheid, land en nieuwe kansen.

    Rotterdam emigratie 19e eeuw
  • Het zeilschip ‘Kath Jackson’ (1847)

    Het zeilschip ‘Kath Jackson’ (1847)

    Aaltense emigranten naar de VS

    In 1847 emigreerde een grote groep Aaltense emigranten per schip naar de Verenigde Staten. Zij maakten deel uit van een grotere emigratiestroom uit de Achterhoek in de 19e eeuw. Eén van de schepen waarmee deze emigranten naar Amerika reisden, was het zeilschip Katherine (Kath) Jackson, dat in dat jaar vanuit Amsterdam vertrok.

    De Kath Jackson was een driemaster met een vierkante spiegel en een lengte van circa 38 meter. Het schip werd in 1833 gebouwd door Fickett & Thomas in New York.

    Het schip voer eind augustus 1847 uit en had 171 passagiers aan boord. Volgens de passagierslijst was ongeveer driekwart van de passagiers – 131 personen – afkomstig uit Aalten. De overige passagiers kwamen onder meer uit Eibergen, Zutphen, Winterswijk, Leiden en uit Duitsland.

    Na de inscheping in Amsterdam verliet het schip Nederland via het Nieuwediep bij Den Helder, vanwaar de overtocht over de Atlantische Oceaan begon. De kapitein van het schip was W.W. Stafford. Op 28 september 1847 arriveerde de Kath Jackson in New York City.

    Het jaar ervoor had de Kath Jackson al een kleinere groep Aaltenaren naar Amerika gebracht, namelijk de familie Grootendorst / Scheenk.

  • Pioniers in Wisconsin – Duenk

    Pioniers in Wisconsin – Duenk

    Aaltense emigranten naar de VS

    In de 19e eeuw emigreerden duizenden Achterhoekers naar de Verenigde Staten, op zoek naar land, vrijheid en nieuwe kansen. Onder hen bevonden zich Evert Jan Duenk en Willemina Rensink uit de Aaltense buurtschap IJzerlo. Zij behoorden tot de vroege Europese pioniers die zich vestigden in Sheboygan County, Wisconsin.

    Evert Jan Duenk werd geboren in Aalten op 7 oktober 1797, als zoon van Hendrik Deunk en Aaltjen Siebelink. Hij trouwde op 12 juli 1818 in Aalten met Joanna Bernardina te Winkel (Bocholt, 1790), dochter van Joan Gerhard te Winkel en Theodora te Beest. Zij woonden op boerderij (Groot) Essink in IJzerlo.

    Kinderen uit het eerste huwelijk:

    • Derk Jan Duenk (1820–1898), trouwde op 23 juli 1847 in Aalten met Johanna Christina Hilbelink (1824–1907), geboren op boerderij Lensink in IJzerlo, dochter van Arent Jan Hilbelink en Hendrika Hoopman.
    • NN Duenk (1820–1820), levenloos geboren tweelingbroer van Derk Jan.
    • Gerrit Hendrik Duenk (1825–1883).
    • Johanna Engelina Duenk (1828–1829).

    Op 25 april 1829 overleed Joanna Bernardina. Een jaar later, op 6 mei 1830 hertrouwde Evert Jan in Aalten met Willemina Rensink (1809, geboren op boerderij Groot Rensink in Lintelo op 31 maart 1809, dochter van Jan Willem Rensink en Elisabeth Liesen.

    Kinderen uit het tweede huwelijk:

    Emigratie

    Op 16 augustus 1847 verliet het gezin de boerderij in IJzerlo en emigreerde naar de Verenigde Staten. Daarbij verzuimde Evert Jan echter de pacht op te zeggen. Ook had hij het vee en alle spullen op de boerderij verkocht. Hij werd daarvoor in Nederland gedagvaard en bij verstek veroordeeld.

    Evert Jan en Willemina, met hun zeven kinderen, vertrokken gingen in Amsterdam aan boord van het schip de Kath Jackson en arriveerden op 28 september 1847 in New York City. Op de lijst met emigranten van Aalten staat hij geregistreerd als landbouwer, minder gegoed. Het gezin vestigde zich in Sheboygan County.

    Sheboygan Vooruit

    We vonden enkele vermeldingen van Evert Jan Duenk in de Sheboygan Nieuwsbode, “Orgaan der Nederlanders in Noord-Amerika”:

    Huwelijksproblemen

    Op een gegeven moment konden Evert Jan en Willemina niet meer met elkaar overweg. Dit blijkt uit een advertentie die Evert Jan begin maart 1860 plaatste in de Sheboygan Nieuwsbode:

    “Naardemaal (omdat, red.) WILLEMINA DUENK, mijne huisvrouw, zich zoodanig heeft gedragen, dat ik niet langer met haar in vrede leven kan, verbied ik alle personen haar voor mijne rekening te huisvesten of te borgen, daar ik geene schulden zal betalen, die zij na dezen dag maakt. E.J. DUENK.
    Gibbsville, 3 Maart 1860.”

  • Pioniers in Wisconsin – Hilbelink

    Pioniers in Wisconsin – Hilbelink

    Aaltense emigranten naar de VS

    Gerrit Jan Hilbelink werd geboren op 19 februari 1813 op boerderij Lensink in IJzerlo, als zoon van Arend Jan Hilbelink (1787–1865) en Hendrika Hoopman. Op 1 oktober 1840 trad hij in het huwelijk met Garritjen te Bokkel, geboren op 27 februari 1820 op boerderij Groot Tammel in Lintelo, dochter van Arent Jan Derk te Bokkel en Janna Tammel.

    Emigratie en vestiging in Holland Township

    In augustus 1847 vertrok het gezin Hilbelink vanuit Rotterdam naar de Verenigde Staten. Na een overtocht van circa vier weken kwamen zij aan op Staten Island. Van daaruit reisden ze verder via Buffalo en de Grote Meren naar Sheboygan (Wisconsin). Daar verbleven ze slechts één nacht, om de volgende dag per ossenkar door te reizen naar Holland Township, waar ze zich vestigden in sectie 27, op een stuk land dat later eigendom werd van Gerrit Jan te Lindert. Op deze boerderij hebben ze ongeveer negen jaar gewoond.

    Het gebied bestond destijds nog volledig uit ongerept bos, bewoond door wilde dieren zoals wolven, beren en herten. De eerste jaren waren zwaar: het land moest volledig ontgonnen worden. Er waren maar weinig buren, al was er wel regelmatig contact met de lokale inheemse bevolking. In deze ruige omstandigheden bouwden Gerrit Jan en Garritjen een nieuw bestaan op.

    In 1853 volgde ook Gerrit Jans vader het gezin naar Amerika. Hij vestigde zich in Lima, waar hij zijn laatste levensjaren doorbracht.

    Boerderij en gemeenschap

    In 1850 kocht Gerrit Jan een stuk grond van 40 acres (ca. 16 hectare) in sectie 26, waar het gezin zich vestigde. Het terrein was opnieuw dicht bebost en moest geheel ontgonnen worden. Ze bouwden er een blokhut waarin hun kinderen opgroeiden. Later breidde hij zijn bezit uit met nog eens 40 acres. Hoewel hij later een deel verkocht, groeide het uit tot een goed functionerende boerderij met een woonhuis en diverse schuren. Gerrit Jan droeg ook bij aan de ontwikkeling van de lokale infrastructuur, zoals wegen, en andere voorzieningen.

    Nageslacht

    Gerrit Jan en Garritjen kregen samen veertien kinderen, waarvan vier in Nederland en tien in de Verenigde Staten werden geboren. De vier in Nederland geboren kinderen overleden op jonge leeftijd, evenals één van de kinderen in Amerika. Negen kinderen bereikten de volwassen leeftijd:

    • Hendrika (1849) trouwde met Arent Jan Rensing in Newkirk, Iowa
    • Aren Jan Derk (1850) beheerde het ouderlijk bedrijf, trouwde met Janna Gesiena Sikkink
    • Jan William (1853), timmerman in Newkirk, trouwde met Agnes Koolbeck
    • Jane (1855), trouwde met Derk Rose
    • Grada Gesina (1856), trouwde met Tony Walvoord
    • Gerrit Jan Jr. (1858), timmerman in Milwaukee, trouwde met Jane Smies
    • Hannah (1860), trouwde met John W. Rauwerdink, boer in Holland Township
    • Gertie (1863), trouwde met Jacob Leenhouse, timmerman in Milwaukee
    • Aleida (1866), trouwde met Gabe Ringoldus, eveneens in Milwaukee

    Gemeenschap en overlijden

    Gerrit Jan en Garritjen waren lid van de Dutch Reformed Church in Cedar Grove, en behoorden tot de eerste leden van deze gemeente. Politiek gezien was Gerrit Jan aanhanger van de Republikeinse Partij.

    In 1894 waren Gerrit Jan en Garritjen respectievelijk 80 en 73 jaar oud. Beiden verkeerden toen nog in goede lichamelijke en geestelijke gezondheid, en genoten van de vruchten van hun lange en harde leven als pioniers in de Nieuwe Wereld.

    Gerrit Jan Hilbelink overleed op 17 april 1898, zijn vrouw Garritjen op 5 april 1912. Beiden werden begraven op Cedar Grove Cemetery.

  • Pioniers in Wisconsin – Stronks

    Pioniers in Wisconsin – Stronks

    Aaltense emigranten naar de VS

    In de 19e eeuw emigreerden duizenden Achterhoekers naar de Verenigde Staten, op zoek naar land, vrijheid en nieuwe kansen. Onder hen bevond zich de familie Stronks uit Dale. Zij behoorden tot de vroege Europese pioniers die zich vestigden in Sheboygan County, Wisconsin.

    Jan Willem Stronks werd geboren op 27 april 1817 op boerderij Brunink in Dale, als zoon van Garrit Jan Stronks en Garritjen Graven. In 1846 emigreerde hij naar de Verenigde Staten. Jan Willem had aanvankelijk onvoldoende middelen om door te reizen naar het westen, en werkte daarom tijdelijk in de werkplaatsen van de spoorwegen in Schenectady, New York. Kort daarna trok hij verder naar Wisconsin.

    Daar ontmoette hij Grada Snoeijenbosch, eveneens uit Aalten. Grada werd geboren op 21 februari 1825 op boerderij Snoeijenbosch op de Haart, als dochter van Harmen Snoeijenbosch en Elizabeth Winkelhorst. In 1847 kwam zij met haar familie naar Sheboygan. Rond 1850 trouwden Jan Willem en Grada.

    Als een van de eerste Nederlandse pioniers vestigden zij zich in Holland Township, waar zij twintig acres (ongeveer acht hectare) bosland kochten. Het perceel was nog volledig onontgonnen. Door hard werken en spaarzaamheid wist Jan Willem zich op te werken tot een welvarende boer. Zijn gezondheid had echter zwaar te lijden onder de fysieke arbeid, en hij overleed in 1883 op 64-jarige leeftijd. Grada overleed in 1898 op 73-jarige leeftijd. Beiden waren trouwe leden van de Dutch Reformed Church.

    Een nieuw leven voor de kinderen

    Van hun negen kinderen overleden er drie op jonge leeftijd. Zes kinderen bereikten de volwassen leeftijd:

    • Garrett John (1852–1908), ondernemer in Cedar Grove
    • Herman Elbertus (1854–1946), koopman in Baldwin, WI
    • John William (1857–1941), winkelier in Alton, Iowa
    • Edward (1858–1940), eveneens koopman in Baldwin
    • Caroline (1860–1956), gehuwd met Henry Meengs, winkelier in Cedar Grove
    • Hannah (1865–1943), gehuwd met Henry Ramaker, ook uit Cedar Grove

    Garrett John Stronks: van boer tot ondernemer

    Garrett John werd op 21 maart 1852 geboren in Holland Township. Hij groeide op op de boerderij van zijn vader. Door de broze gezondheid van Jan Willem nam Garrett al op veertienjarige leeftijd de leiding over het boerenbedrijf op zich. Zijn scholing was beperkt; in totaal ging hij niet meer dan een jaar naar school. Na zeven jaar besloot hij het boerenleven achter zich te laten en zich te richten op de handel.

    In het nabijgelegen Oostburg kapte hij zelf hout uit het bos om een winkeltje te bouwen van 18 bij 28 voet (ca. 47 m²). Het startkapitaal leende hij van zijn vader: 700 dollar. Hij wist niets van handel, zijn ideeën over wat en hoeveel hij moest kopen waren nogal vaag, maar ondanks deze hobbels was hij vastbesloten om door te zetten.

    Hij kocht in Milwaukee twee keer zoveel goederen als hij kon betalen en plotseling drong de situatie tot hem door: hij had hoge schulden, geen klanten, geen ervaring en rekeningen die betaald moesten worden. Toen hij de stand van zaken overzag, raakte hij zo moedeloos dat hij zich voorgenomen had nooit meer iets te kopen, als hij tenminste kon verkopen wat hij had.

    Maar vanaf het begin bloeide zijn bedrijf; de mensen hadden vertrouwen in hem en steunden zijn onderneming. De inwoners van Oostburg hadden vertrouwen in hem en steunden zijn onderneming. Binnen twee weken was Garrett weer terug in Milwaukee om meer goederen in te kopen.

    In 1875 verhuisde hij zijn zaak naar Cedar Grove, waar hij de tweede winkel van het dorp opende. Daar dreef hij zeventien jaar lang een succesvolle winkel. Vanaf 1979 begon hij ook met graanhandel, waar hij zich vanaf 1892 volledig op toelegde. Naast een eigen graanpakhuis en ander onroerend goed, bezat hij ook 12 hectare landbouwgrond aan de rand van Cedar Grove.

    Op 21 oktober 1885 trouwde Garrett John Stronks met Jessie Blanche Smith, dochter van Gilbert H. Smith. Zij kregen vijf kinderen.

    Gemeenschap en overlijden

    Garrett was actief binnen de Republikeinse Partij en diende tijdens het presidentschap van Benjamin Harrison als postmeester van Cedar Grove. Hij werd beschouwd als een van de meest vooraanstaande burgers van zijn gemeenschap. Zijn levensverhaal is dat van een selfmade man: begonnen met niets, maar door inzet, moed en ondernemerszin uitgegroeid tot een gerespecteerd en welvarend inwoner van Holland Township.

    Garrett John Stronks overleed op 29 februari 1908 en werd net als zijn ouders begraven op Cedar Grove Cemetery.

    Graf J.W. Stronks & G. Snoeijenbosch, Cedar Grove, WI
    Graf Jan Willem & Grada Stronks in Cedar Grove, Sheboygan
  • Het zeilschip ‘Hector’ (1846)

    Het zeilschip ‘Hector’ (1846)

    Aaltense emigranten naar de VS

    In 1846 emigreerde een grote groep Aaltense emigranten per schip naar de Verenigde Staten. Zij maakten deel uit van een grotere emigratiestroom uit de Achterhoek in de 19e eeuw. Eén van de schepen waarmee deze emigranten naar Amerika reisden, was het zeilschip Hector, dat in dat jaar vanuit Rotterdam vertrok.

    Het schip voer eind augustus 1846 uit en had 190 passagiers aan boord. Volgens de passagierslijst waren 114 passagiers afkomstig uit Nederland, onder wie minstens 43 uit Aalten. Daarnaast bevonden zich 72 passagiers uit Duitsland, drie uit Frankrijk en één uit Denemarken aan boord.

    De kapitein van het schip was Alfred G. Spencer. Op 17 september 1846 arriveerde de Hector in New York City.

  • Pioniers in Wisconsin – Haartman

    Pioniers in Wisconsin – Haartman

    Aaltense emigranten naar de VS

    In de 19e eeuw emigreerden duizenden Achterhoekers naar de Verenigde Staten, op zoek naar land, vrijheid en nieuwe kansen. Onder hen bevond zich de familie Haartman uit Aalten. Zij behoorden tot de eerste Europese pioniers die zich vestigden in de grotendeels onontgonnen wildernis van Sheboygan County, Wisconsin.

    De familie Haartman woonde op de gelijknamige boerderij in de buurtschap Haart bij Aalten. Het gezin bestond uit vader Derk Jan Haartman, moeder Hendrika te Bokkel, vijf zoons en een dochter. In 1846 vertrokken ze met het schip Hector vanuit Rotterdam naar Amerika. De overtocht duurde 46 dagen en op 17 september kwamen ze aan in New York City.

    Na een kort verblijf van zes weken in Rochester (New York) reisde het gezin via de Grote Meren verder naar Milwaukee in Wisconsin. Daar kocht Derk Jan Haartman zestien hectare onontgonnen land. Kort daarna sloeg het noodlot toe: ziekte trof de familie, en moeder Hendrika, drie zonen en de dochter overleden.

    Vestiging in Sheboygan County

    Samen met zijn twee overgebleven zonen, Evert en Derk Jan jr., trok Derk Jan sr. verder naar Sheboygan County. In Wilson Township kochten zij een stuk bosgrond in sectie 32, voor drie dollar per hectare. De grond was nog nooit eerder door blanke kolonisten bewoond en moest vanaf nul worden ontgonnen.

    Het pioniersleven was zwaar. Ze hadden weinig te eten, nauwelijks kleding, en geen enkel comfort. Het eerste onderkomen van de familie was een eenvoudige blokhut met een planken vloer en een kachelpijp als schoorsteen. In het gebied woonden nog veel inheemse Amerikanen, die doorgaans geen overlast veroorzaakten, maar soms kwamen bedelen.

    Overleven in de wildernis

    Milwaukee was het dichtstbijzijnde handelscentrum, maar telde destijds slechts vijfhonderd inwoners. Sheboygan had drie kleine winkels en er waren nog geen kerken of scholen. De omgeving bestond uit dichte dennenbossen en de wegen moesten door de kolonisten letterlijk worden vrijgekapt.

    De kolonisten hadden regelmatig proviand nodig. Evert Haartman liep eens naar Milwaukee met het geld dat hij in de buurt had verzameld. Daarmee kocht hij drie vaten meel, wat vlees en boekweitmeel. Bij zijn terugkeer werden deze levensmiddelen zuinig verdeeld onder de bewoners van de nederzetting. De enige handelswaar die ze zelf konden aanbieden, waren as en cederhouten shingles, die ze in Milwaukee ruilden voor levensmiddelen.

    Familie en nakomelingen

    Evert Haartman, geboren op 15 mei 1824, trouwde op 12 mei 1855 in Wilson Township met Janna Berendina (“Jane”) Beskers, geboren op 25 juli 1830 op boerderij Haverland in Henxel bij Winterswijk. Zij kregen tien kinderen; twee zonen en acht dochters. Het gezin bewoonde een boerderij van bijna 100 hectare, gelegen op vier kilometer van het dorp Oostburg en dertien kilometer van Sheboygan.

    Evert werd in de omgeving gerespecteerd als een man van principes en toewijding. Hij diende meerdere keren als Township Supervisor, en ondersteunde initiatieven ter bevordering van onderwijs en de gemeenschap. De familie was lid van de Dutch Reformed Church in Wilson Township, en Evert hielp bij de bouw van drie kerken. Zijn eerste stem als Amerikaans staatsburger bracht hij uit op Abraham Lincoln; sindsdien bleef hij trouw aan de Republikeinse Partij.

    Derk Jan Haartman jr., de oudere broer van Evert, werd geboren op 18 juli 1821. Hij trouwde op 2 oktober 1855 in Wilson Township met Aleida Gesiena Kortschot, geboren op 20 september 1838 op boerderij Roerdink Kortschot (Roerdinkpoorthuis) in het Woold bij Winterswijk. Ook zij kregen tien kinderen, vier zonen en zes dochters.

    Laatste rustplaats: Hartman Cemetery

    Vader Derk Jan Haartman overleed in 1860. Derk Jan jr. stierf in 1889, Jane Beskers in 1896, en Evert zelf in 1910. Zij allen werden begraven op de Hartman Cemetery in Wilson Township, een kleine familiebegraafplaats waar ook andere nazaten en aangetrouwde familieleden hun laatste rustplaats vonden.

  • Emigranten familie Navis

    Emigranten familie Navis

    Aaltense emigranten naar de VS

    De bakermat van de Achterhoekse familie Navis ligt in de Aaltense buurtschap Lintelo. De oudst bekende vermelding van de naam is in 1529, als Hendrik Naeves uit Lintelo twee tijnshoenderen levert aan zijn kasteelheer van Anholt. Boerderij Navis werd in 1997 al acht generaties door de familie Navis bewoond. Stamouders Jan Navis en Hermken te Bokkel pachtten de boerderij in 1730 als kerkeplaats van de NH kerk in Aalten.

    Onder de vele landverhuizers die in de afgelopen eeuwen onze streek hebben verruild voor verre oorden (met name Noord-Amerika), bevonden zich ook diverse afstammelingen van Jan en Hanneken Navis. Hierna volgt een samenvatting van wat wij weten van deze telgen uit het geslacht Navis.

    Christiaan Navis

    De eerste bekende emigrant uit het geslacht Navis was Christiaan Navis (Aalten, 12-02-1797), zoon van Jan Navis en Sophia Blekking. Hij huwde op 11-02-1824 te Winterswijk met Johanna Hendrika Linzij (Oeding (D), 13-11-1803). Ze kregen tussen 1824 en 1841 zes kinderen. Ze woonden in 1844 op ‘Tiggeloven’ in de buurtschap Dorpbuurt onder Winterswijk en vertrokken in dat jaar naar Noord-Amerika, waar ze op 27-07-1844 te New York met het schip ‘De Hoop’ aankwamen. Christiaan gaf als beroep op: steenhouwer.

    Hun oudste kind, Jan Willem Navis (1824), ging niet mee naar Amerika, maar vertrok naar Pruisen. Hun tweede kind, Janna Sophia Navis (1826), vertrok volgens het bevolkingsregister naar Aalten, maar is daar niet terug te vinden. Wellicht heeft zij zich bedacht en sloot ze alsnog aan bij de reis naar Amerika. Ongeveer 1846 huwde zij namelijk in Clymer, NY met Jan Willem Bekerink (Ratum, 1821). Ze overleed in 1892 en werd begraven in Fontanelle, Iowa.

    Dochter Christina Navis (1829) huwde ca. 1855 in de VS met Jan Hendrik Verink (Kotten, 1810) en overleed in 1895 in Muscatine, Iowa, waar zij ook werd begraven. Van de overige drie kinderen is vooralsnog niet bekend hoe het hen is vergaan.

    Ze kochten 25 acres land in Clymer, NY aan de Clymer-Sherman Road, lot 60. Dit verkochten ze later aan hun schoonzoon Jan Willem Bekerink. Deze staat in 1854 voor 15 dollar een kwart acre grond af om daarop de Clymer Hill Church te bouwen. Op 13 september 1854 werd de kerk ingewijd.

    Later vertrok de gehele familie naar Muscatine, Iowa.

    Janna Geertruid Elisabeth Navis

    Zij werd op 20-01-1808 geboren in Lintelo, dochter van Hendrik Jan Navis en Antonetta Elisabeth Hoftijzer. Zij huwde op 25-08-1831 in Varsseveld met Lammert Rademaker (1806) en overleed op 20-01-1888 te Milwaukee, Wisconsin.

    Kinderen van Hendrik Jan Navis en Janna Liefting

    Burning of the Phoenix
    De ramp met de Phoenix op Lake Michigan, 1847

    Willemina Navis, geboren op 20-03-1794 in Lintelo, weduwe van Derk Jan Navis, hertrouwde in 1827 met Roelof Doornink en zij vertrokken in november 1846 naar Noord-Amerika.

    Derk Willem Navis, geboren op 26-07-1801 in Lintelo, huwde op 08-07-1826 in Aalten met Johanna Rexwinkel (1802). Zij vertrokken met hun zeven kinderen en zijn toen al bijna 80-jarige moeder Janna Liefting in augustus 1847 naar Noord-Amerika. Op 21-11-1847 kwamen zij allen om op Lake Michigan, bij de ramp met de propellerstoomboot Phoenix.

    Evert Navis, geboren op 04-02-1809 in Lintelo, weduwnaar van Willemina Janssen, hertrouwde op 29-05-1845 in Aalten met Berentjen Navis, zijn nicht, geboren op 30-04-1813 in Lintelo (Marode) en dochter van Geert Navis en Harmina Lammers. Zij vertrokken in oktober 1846 naar Noord-Amerika.

    Berend Hendrik Naves

    Geboren op 05-06-1839 in Lintelo (Marode), zoon van Arent Naves en Dersken Tieltjes (neef van Berentje, Derk Willem en Evert Navis). Hij huwde op 13-05-1869 in Aalten met Willemina Johanna Ormel (1847) uit De Heurne en in september 1869 vertrokken zij naar Noord-Amerika.

    Arent Jan Navis

    Geboren op 01-12-1828 in Lintelo (Nieuw Navis), zoon van Garrit Jan Navis en Johanna Geertruid Heesen en aangetrouwde neef van Willemina Navis via vaders kant. Hij trouwde op 06-12-1851 in Dinxperlo met Aleida Theodora te Kampe (1820). Ze vertrokken samen met hun éénjarige dochter Theodora Johanna in 1854 naar Noord-Amerika.

    Kinderen van Berend Hendrik Navis en Johanna Huenink

    Arend Jan Navis, (1841-1924), vertrok op 17-12-1859 naar Pruisen waar hij in 1869 te Wertherbruch trouwde met Elisabeth Blecking. Zij stichtten een Duitse tak onder de naam Naves.

    Gerrit Jan Navis, geboren op 13-02-1854 in Aalten, vertrok in september 1869 van boerderij Den Bosch op de Haart naar Noord-Amerika. Hij huwde in 1876 in Sheboygan met Hendrica Graven, geboren 1852 in Town of Holland als dochter van eerdere emigranten, namelijk Berent Graven en Aleida Berendina Snoeyenbosch uit Aalten. Zij kregen zeven nazaten in Amerika. Gerrit Jan overleed op 07-11-1927 te Sheboygan.

    Het raadsel rondom Henry Navis

    Bij het samenstellen van ‘The Navis family 1838-1975’, een overzichtsboekje van een Navis-geslacht in Amerika, was het de familie nog onduidelijk wie hun grondleggers Henry Navis en Hendrika Klein Hesseling precies waren of waar ze vandaan kwamen.

    Dit valt te lezen in het volgende fragment uit dit boekje, vertaald uit het Engels:

    “Henry Navis, kwam als jongeman vanuit Europa. Het jaar, hoe oud hij was of waar vandaan is onbekend. Hij was een zwerver en niemand leek te weten wat hij deed toen hij in Wisconsin, Minnesota en Iowa en andere staten was.

    Hij trouwde Hendrika Klein Hesseling, maar hun trouwdatum is ook onbekend. Ook de ouders van Hendrika Klein Hesselink zijn onbekend. Wat wel bekend is dat er Klein Hesselings in deze staat waren die het woordje Klein lieten vallen en dat er een band is.

    Het is niet bekend hoeveel broers en zusters Henry had of wie zijn ouders waren. Dit is in het kort de geschiedenis van de man en vrouw die deze geweldige generatie van Navissen hebben gestart.”

    Raadsel opgelost

    Tussen 1982 en 1983 werd het raadsel rond de afkomst van Henry Navis en zijn vrouw Hendrika Kleinhesselink door genealogisch onderzoek opgelost en aan de nazaten in Amerika meegedeeld. Zij waren dolenthousiast, dat er na zoveel jaren duidelijkheid was gekomen over de afkomst van hun grondleggers in de VS.

    Henry Navis was op 30-09-1838 geboren als Gerrit Hendrik Navis in de Binnenheurne bij Varsseveld, als zoon van Gerrit Willem Navis en Dersken ter Horst. Zijn grootouders waren Geert Navis en Hermina Lammers, broer en schoonzus van Hendrik Jan Navis en Janna Liefting (zie voorgaande emigranten). Zijn vader Gerrit Willem overleed in oktober 1856, toen Gerrit Hendrik 18 jaar was. Kort daarna verdween hij uit huis en werd als ‘afwezig’ gemeld in het bevolkingsregister van Varsseveld. Hij overleed op 16-06-1922 in Amerika.

    Hendrika Kleinhesselink werd op 03-07-1830 geboren te Dinxperlo, als dochter van Jannes Kleinhesselink en Theodora ter Horst. Haar vader overleed in 1850 en zijn weduwe vertrok met haar acht kinderen in april 1856 naar Noord-Amerika. Hendrika Kleinhesselink overleed op 29-09-1903 in Amerika. Via de nazaten in de VS is bekend, dat Henry, na het overlijden van zijn vrouw weer ging zwerven.

    Kinderen van Gradus Navis en Dersken Vreemen

    Gerrit Jan Navis, geboren op 10-07-1845 in Lintelo, vertrok in april 1882, ongehuwd, naar Noord-Amerika. Hij werd in juli van datzelfde jaar gevolgd door zijn broer met zijn gezin en zijn zus met haar zoon:

    Bernardus Navis, geboren op 13-04-1841 in Lintelo, op 01-06-1876 in Aalten gehuwd met Berendina Frederika Fukkink (1857) met hun zonen Gradus Theodorus (1877) en Arent Jan (1881). Arent Jan huwde in de VS met emigrantendochter Minnie Voskuil (1881).

    Hendrika Johanna Navis, geboren op 16-01-1837 in Lintelo, ongehuwd moeder van Jan Willem Navis (1858). Jan Willem huwde in 1887 in Kansas met Dina Johanna Harmelink (Lintelo, 1864).

    De hele familie woonde tot hun emigratie bij elkaar op ’t Boske, met uitzondering van Jan Willem, die was knecht op ’t Spieker. Gerrit Jan huwde in 1884 in Wisconsin met Janna Aleida Krozenbrink (Barlo, 1861). Hij overleed in 1915 en werd begraven in Baldwin, Wisconsin.

    Naoorlogse emigranten

    In 1948 vertrok Derk Willem Navis (1917-2003), zoon van Johan Albertus Navis en Dela Nijman (uit de tak Arend), samen met zijn vrouw Antonia Wubbels (1918-1999) en twee kinderen naar Amerika. Hij was marechaussee geweest en vestigde zich in Wyoming, Minnesota als verkoper van bouwmaterialen. In Amerika werden nog twee kinderen geboren.

    Bronnen