Menu Sluiten

Een belastinggeschiedenis uit het jaar 1717

Aaltensche Courant, 28-02-1941

Men vestigt onze aandacht op het Hoofdartikel in het „Weekblad der Belastingen”, no. 3562, met het opschrift „Rekenplichtige aansprakelijkheid uit de oude doos”, van de heer A. A. Vreede te Arnhem. Het artikel behandelt een belastinginvordering in de gemeente Aalten in het jaar 1717. Wij ontleenen hieraan een uittreksel met weglating van beschouwingen van theoretisch en technisch karakter, maar daarentegen met aanvulling van ons door den schrijver verstrekte bijzonderheden van plaatselijken aard, welke voor de lezers van het genoemde vakblad van minder belang waren.

Een notabel ingezetene van Aalten, Peter Huijninck, landbouwer en keurnoot, (bijzitter op den gerechtsdag), werd in het jaar 1700 door den Ontvanger-Generaal van de Graafschap Zutphen, na overleg met de „Geërfden”, aangesteld als beurder, (ontvanger) der Verponding (grondbelasting) van de kerspelen Aalten en Dinxperloo.

Deze kerspelen behoorden met de stad Bredevoort en het kerspel Winterswijk tot de Heerlijkheid Breedevoort. De ambachtsheeren van Breedevoort (sedert 1612 de Prinsen uit het Huis van Oranje-Nassau), hadden van ouds representatieve bevoegdheden verleend, in elk kerspel afzonderlijk, aan een paar van de voornaamste scholtengeslachten, en bij gebreke daarvan aan andere grondbezitters. Deze door of vanwege den ambachtsheer gemachtigde personen hadden tot omstreeks het begin der 16e eeuw ook bestuurlijke funktiën, daarna nog alleen het toezicht op de heerendiensten en de zorg voor het innen van sommige jaarlijksche opbrengsten, waartoe later ook eenige aansprakelijkheid voor het binnenkomen van de verponding behoorde. Hiermede hield verband, dat de aanstelling van een ontvanger in overleg met deze gemachtigden, hiervóór als „Geërfden” aangeduid, plaats had, en dat het stellen van zekerheid door een benoemde in de toenmalige acten van borgstelling heette ten behoeve van den Ontvanger-Generaal en ten dienste der Geërfden te zijn gevorderd.

Deze stukken kwamen evenals alle andere vrijwillige acten, als ook de gerechtelijke acten, tot stand door eene verklaring in een gerechtszitting. Het gerecht, bestaande uit den Drossaart (rechter) of den Stadtholder (plaatsvervangende rechter), twee Keurnooten (bijzitters) en een Landsschrijver (griffier), zetelde te Breedevoort, doch hield beurtelings zitting in elk kerspel, waar dat noodig was. Bij de aanstelling van Peter Huijninck als beurder trad zijn broeder Hendrik Huijninck als borg op, en in de acte van borgtocht werden verschillende vaste goederen van beiden als zekerheid voor het beheer verbonden.

Verscheidene jaren ging het goed, maar langzamerhand werd de beurder nalatig met de invordering en ontstond er een toenemende achterstand in de afdracht van gelden aan het kantoor van de Graafschap te Zutphen. Op herhaald aandringen van den Ontvanger-Generaal kwam er af en toe een tijdelijke verbetering; o.a. verzocht de Keurnoot Peter Huijninck in zijne kwaliteit van beurder op Mercury (Woensdag) den 21 April 1717, op den Gerichtsdag te Aalten beslag te leggen op vastgoed van Jan ten Heetbrink, den Jongen, en van Mechtelt Brethouwer, wed. Derk Nachtegaal, wegens achterstallige verponding, maar duurzame verbetering kwam er niet.

Het was in Aalten van algemeene bekendheid, dat deze toestand niet kon voortduren en dat een gerechtelijk optreden tegen den nalatigen beurder niet kon uitblijven. Het is dus begrijpelijk dat de erfgenamen van den sedert overleden borg Hendrik Huijninck vreesden, dat ook het door dezen verbonden vastgoed zou worden aangesproken. Als gevolg hiervan verschenen op Venery (Vrijdag), den 18 Juni 1717 de beurder Peter Huijninck en zijne echtgenoote Geesken Locken voor het gerecht, deelden mede, dat de genoemde erfgenamen hen dagelijks lastig vallen door aan te dringen op maatregelen, waardoor zij schadeloos zouden worden gehouden, en verbonden mits deze een vierde aandeel in het erve en goed Westendorp in IJzerlo en twee derde in het Snoejenbos, op de Haart gelegen, voor zoover Arent Snoejenbos dat in pacht heeft, opdat de erven daarop eventueele schade zouden kunnen verhalen.

Dit gebeurde nog juist bijtijds, want reeds tien dagen later op Luno (Maandag), den 28 Juni 1717 verscheen een gemachtigde van den Ontvanger-Generaal Hendrik van Essen, voor het gerecht om eene executoriale sommatie uit te brengen tegen den beurder Peter Huijninck met uitnoodiging om binnen tien dagen eene som van 17134 guldens, 1 stuiver, 10 deniers ten kantore van de Graafschap aan te zuiveren, als achterstand over de jaren 1713—1716 en met bedreiging van gerechtelijken verkoop van de bij de borgtochtacte verbonden vaste goederen. Een afschrift van de sommatie werd den volgenden dag door den voogd, (gerechtsdienaar of deurwaarder), Jan Keunen aan den beurder beteekend, sprekende met zijne huisvrouw Geesken Locken.

Nu sloeg de erfgenamen van den borg, die zich door de acte van 17 Juni nog niet veilig achtten, eerst recht de schrik om het hart, want nog denzelfden dag verscheen namens hen de schoolmeester Rutger Muller te Aalten, schoonzoon van den overleden Hendrik Huijninck, voor het gerecht om beslag te leggen op de roerende goederen van Peter Huijninck, alsook op de vruchten en het mestrecht van door dezen gepachte landerijen, eveneens op diens veeneplas en den daarop staanden turf in het Barlosche Veen, verder op Smeenks zichtvrede, (maairecht), en op zijne mans- en vrouwenzitplaatsen in de Aaltensche kerk. Dit optreden van neef Muller werd oom Peter nu toch te bar. Zelf ziekelijk, liet hij door zijn zoon Adriaan op den 2 Juli 1717 verzet doen tegen dit, door hem waardeloos en onwettig genoemde, beslag.

De beurder was niet in staat aan de sommatie van den Ontvanger-Generaal te voldoen. Op den 5 Augustus 1717 werd door het gerecht bepaald, dat de publieke verkoop van de verbonden vaste goederen zou plaats hebben op den 10 September 1717 binnen Aalten ten huize van de Wed. van wijlen Harmen Evers. (Waarschijnlijk aan de westzijde van de Landstraat het tweede pand ten noorden van de Hoekstraat). Ten overstaan van het Gerecht, bestaande uit den Stadtholder Jacob Becquer (Becker, red.), en de Keurnooten Jan Evers senior en Jan Evers junior deed de Ontvanger-Generaal bijgestaan door twee rechtsgeleerden op den genoemden 10 September den verkoop plaats hebben na voorlezing van de veilconditiën en van eene omschrijving van de goederen. De eerste veiling geschiedde bij opbod, de tweede onmiddellijk daarna bij afmijning en blijkens de biedingslijst waren er vele gegadigden.

  • Perceel 1. Drie vierde part van het goed Westendorp in IJzerloo. Eigenaren waren Peter Huijninck voor 5/8, en de erven Hendrik Huijninck voor 3/8, waarvan elk 3/8 had verbonden; buiten den verkoop bleef dus 1/4. Kooper van het 3/4 deel werd Gijsbert Prins voor f 2950.—.
  • Perceel 2. Het woonhuis van Peter Huijninck aan de Markt te Aalten 1). Kooper Willem Lourens Kampf namens Adam Willem Kampf voor f 1740.
  • Perceel 3. Bouwland op Smeenk-Winkel, anderhalf schepel. Kooper Derk Neerhof voor f 505.—.
  • Perceel 4. Een stuk bouwland op Smeenk-Winkel, grootte niet vermeld, kooper Willem Eppink voor f 480.—.
  • Perceel 5. Zes schepel land, genaamd het Wijntjesstuk, kooper Adam Willem Kampf voor f 465.—.
  • Perceel 6. Vier stukken hofland in Smeenkgoorden, grootte niet vermeld, kooper als voren voor f 205.—.
  • Perceel 7. De Dalshof, grootte niet vermeld, kooper als voren voor f 230.—.
  • Perceel 8. De Horsterkamp in Linteloo, grootte niet vermeld, kooper Jan Evers voor f 600.—.
  • Perceel 9. De Grevincksweide bij Aalten. grootte niet vermeld, kooper Jan te Bokkel voor f 470.—.
  • Perceel 10. Het pachtkoorn van de verbonden losse perceelen, benevens het jaargeld, de diensten en de smalle pachten door den bouwman van het Westendorp verschuldigd, alles over het loopende jaar; kooper Jan Arentsen voor f 95.—.
  • Perceel 11. Het pachtkoorn in garven van drie vierde van het Westendorp in des bouwmans behuizinge geborgen; koopers Wessel Broekhuys voor f 55 en Jan Arentsen voor f 25.-. Eigenaren van de perceelen 2—7 was de beurder Peter Huijninck en van de perceelen 8—9 de erven van den borg Hendrik Huijninck.

Dadelijk na de tweede veiling volgde de toeslag, althans in naam, want bijna vijf weken later op 14 October liet de Ontvanger-Generaal voor het Gerecht verklaren, dat er voor de perceelen 3 en 4 op Smeenkwinkel een hooger bod was gedaan door de Douairière van Nagell tot Ampsen, geb. Barones van Coeverden, en dat de eerste koopers konden worden bedankt. Dezen, de landbouwers Neerhof en Eppink, lieten zich echter niet onbetuigd en dienden op 18 October bij het Gerecht een protest in benevens de verklaring, dat zij de veilconditiën getrouw opvolgden en rustig zouden voortgaan met het gekochte te bebouwen en bezaaien, ’t Is voor hen te hoopen, dat zij niet zijn teleurgesteld.

De totale opbrengst bedroeg f 7542, zoodat de aanvankelijke achterstand van ruim f 17134, was verminderd tot ruim f 9592. Het zou voor de hand liggen, dat de Ontvanger-Generaal zou trachten dit restant op de overige goederen van den beurder zooveel mogelijk te verhalen en zoo noodig door middel van een nieuwen beurder van de nalatige belastingschuldigen zou laten invorderen. Hij volgde echter een anderen heel bijzonderen weg. Daar de z.g.n. Geërfden volgens het heerlijk recht van Bredevoort mede aansprakelijk waren, bracht hij dadelijk na afloop van de veiling bij het Gerecht eene sommatie uit aan de Geërfden van Aalten en Dinxperloo, zonder aanduiding van bepaalde personen, welke sommatie aan den Drost als Erfmarken-richter werd beteekend.

Reinier Jurrien Baron van Coeverden en Walfaerdt 2) was toen ten tijde vertegenwoordiger van den Ambachtsheer met de titels van Hofrigter, Verwalter, Drossaert en Rigter. De Ontvanger-Generaal liet vervolgens nagaan, welke personen volgens het bestaande landsrecht als Geërfden aansprakelijk waren en op Jody (Donderdag) den 7 October 1717 deed hij eene vrijwel gelijkluidende sommatie voor het Gerecht uitbrengen, waarbij de genoemde som van 9592 gld. 1 st. 10 d., behalve de kosten werd gevorderd van de Heeren Scholte Jan Roerdink en Scholte Berent Arentsen ten Ahave, beiden als „Geërfden” van Aalten en aldaar wonende, benevens de Heeren Reynen van de Mebele en Rosier Jegerink, beiden te Dinxperloo, als „Geërfden” van dat kerspel, het bedrag gesplitst volgens staat en behoudens hun recht van wederverhaal.

Begrijpelijkerwijs waren de „Geërfden” al heel weinig ingenomen met dit optreden van den Fiscus. Zij bestreden de vordering niet, doch haastten zich al evenmin met de voldoening. Die van Dinxperloo, wier aandeel betrekkelijk gering was, lieten zich het eerst overhalen tot storting van hun portie over te gaan en genoten daarbij den steun van het plaatselijk bestuur. Tot verhaal van dit voorschot verscheen op Sabbathy (Zaterdag) den 20 November 1717 voor het Gerecht eene commissie, bestaande uit Dr. Jur. Evers te Aalten. Vooght Grotenhuys en Garrit Jegerink, beiden te Dinxperloo, door de „Gemeinthe Dinxperloe” „geauthoriseert”, om beslag te leggen op de roerende goederen van den inmiddels overleden beurder en te verzoeken deze met spoed te doen inventariseeren en twee dagen later te laten verkoopen wegens gebrek aan voeder voor de paarden en „beesten”.

Men zal zich herinneren, dat de schoolmeester Rutger Muller namens de erven van den borg op dezelfde goederen in Juni ook al beslag had laten leggen. Beide partijen bleven in eene langdurige procedure elkaars rechten betwisten. Wel begaf het Gerecht zich op Maandag 22 Nov. naar het huis van de Wed. Peter Huijninck, voor de inventarisatie, doch tot verkoop kwam het voorloopig niet, al zal voor het levende vee wel eene voorziening zijn getroffen. Meer dan een half jaar later, den 24 Juni 1718 beveelt het Gerecht op aandrang van meergenoemden Muller den Voogt en den Ondervoogt in Aalten de beslagen goederen op eene onzijdige plaats na inventarisatie op te slaan ten huize van Jan Janknegt, een der gerechtsdienaren. Verder bevat het Protocol over deze zaak geen bijzonderheden meer.

De Geërfden van Aalten bleven voorloopig lijdelijk afwachten, zoodat de Ontvanger-Generaal het raadzaam achtte hun het vuur nader aan de schenen te leggen. Na drie maanden op Jovis (Donderdag) den 6 Januari 1718 verscheen Hendrik Casper Stumph, „der Regten Doctor” te Aalten, als bedienend advocaat van den Ontvanger-Generaal voor het Gerecht en verzocht vaststelling van een „schonen vasten dag” voor den gerechtelijken verkoop van hunne vaste goederen.

In de acte worden genoemd:

  • de windmolen (in den Esch), leenroerig aan den Graaf van Bentem;
  • een part van het hofhoorig goed Hunink;
  • een part van het goed Boeink (Winterswijk);
  • een part van het goed Bouwmeester, alsmede van eenige perceelen van het goed Rigterink;
  • een huis en hof te Aalten;
  • de watermolen;
  • den Hof te Ahave (het goed De Pol te Aalten) met onderhoorige goederen;
  • een part aan het goed Rikkert in Haart-Heume;
  • een part aan Bennink; twee parten aan Het Slaa in Haart-Heurne.

De veiling werd bepaald op den 8 Maart 1718, wederom ten huize van de Wed. Evers, des achtermiddags om twee uur.

De beide Geërfden zagen nu, dat de zaak ernstig werd en dat zij over de brug zouden moeten komen. Inmiddels was er ook van ambtelijke zijde orde op zaken gesteld. De oude beurder Peter Huijninck was einde October overleden en een andere Aaltensche ingezetene Adam Willem Kampf (ook wel geschreven Campf en Cempf) werd tijdelijk belast met de waarneming van het beurdersambt. Hij betrok het huis aan de Markt van zijn voorganger, dat hij misschien al bij voorbaat op de gerechtelijke veiling gekocht had en den 12 Maart 1718 passeerden hij en zijne echtgenoote Gesina Smits eene acte van borgstelling, waarbij tevens werden verbonden het goed Bulsink in Linteloo en de perceelen op de gerechtelijke verkooping van wijlen Peter Huijninck aangekocht, terwijl als borg optrad Dr. Jan Casper Evers, die den Busscher Kamp, tusschen Aalten en Bredevoort gelegen, voor het beheer van Kampf verbond.

De achterstallige belasting werd nu zooveel mogelijk met bekwamen spoed ingevorderd en ten slotte schijnen Scholte Roerdink en Scholte Arentsen er zonder al te veel kleerscheuren te zijn afgekomen.

De tijdelijke beurder kreeg na eenige maanden eene vaste aanstelling met den ambtstitel van „Ontvanger”. Vooraf waren echter over en weer voorwaarden gesteld. De benoemde moest het beheer van zijn voorganger overnemen, zooals het reilde en zeilde en zijne borgstelling tot een bedrag van f 1000 verbinden tot schadeloosstelling van de Geërfden, als deze dat zouden verlangen; den 30 November 1718 werd zijne borgtochtacte in dien zin aangevuld. Daartegenover werd zijn minderjarige zoon Seger Adolph medewerker van zijn vader met het uitzicht later diens opvolger te worden, zoodat op denzelfden 30 November de ontvanger Kampf een ambtseed aflegde voor zichzelf en tevens voor zijn genoemden zoon. De jonge Kampf is later echter elders burgemeester geworden.

Voetnoten

  1. Het pand aan de oostzijde van het marktplein met uitgang in de Peperstraat, ten noorden grenzende aan het perceel waarop thans het café Keizer, ten zuiden belend door het huis van Gijsbert Grevinck, dat aan de andere zijde grensde aan de brouwerij met voortuin van Lemmert Te Kavestede. Dit laatste perceel werd blijkens opschrift van een gevelsteen in 1799 verbouwd door Lourens Becking en Willemina Geertruid Schaars tot woonhuis, branderij en landbouwschuur.
  2. „Walfaerdt” zal eene wijziging zijn van „Walvoort” den naam van de bekende Havezathe, tusschen Aalten en Bredevoort gelegen. De later ook officieel en in familienamen wel gebezigde schrijfwijze „Walfort” zou foutief en de uitspraak „Walvoort” juist zijn.

Bron

2 reacties

  1. Joke Monasso- Elburg

    Notities over Geesken Locken Zaeltjensdr.
    R.A. Bredevoort 435, 9/02/1707. Gerritje Locken, wed. Berent Grevinck, schulte te Ahof, Berent Arentsen tegenwoordig besitter van voornoemd hof (Rickerdinck), voorts Johan Hendr. Wijginck gehuwd met Geesken Locken, erfgenamen van wijlen Saeltjen Locken ende Gerritjen Heetbrinck, gewesene Eheluiden, verkopen het halve goed Rickerdinck in Barlo. Eodem Coram ysdem. Thomas Hietbrinck, Johannes Cannenborgh x Gerritjen Hietbrinck, Abraham Ysendoorn x Catharina Heetbrinck, Gerrit Andreas x Berentjen Heetbrinck, Margaretha Heetbrinck wed. Wilh. Walien, Elseb. Heetbrinck en absente broeder en swager Hermen Heetbrinck, betreffende het halve goed ( internet )

    Hoe het precies in elkaar zit ,moet ik nu uitzoeken in mijn stamboom heb ik Johan Henr Wijginck die veel schulden maakt en waar zijn vrouw Geesken Locken krankzinnig wordt verklaard

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Let op: je reactie wordt openbaar getoond. Vragen, aanvullingen en/of correcties proberen wij zo spoedig mogelijk te verwerken. Daarna worden ze verwijderd, om ‘vervuiling’ te voorkomen. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gerelateerde artikelen