Menu Sluiten

Joodse gemeente

Na de Unie van Utrecht heerste in Nederland vrijheid van godsdienst. Daardoor kwamen in het begin van de 17e eeuw veel Joden naar Nederland. De eerste Joden in Aalten werden gedocumenteerd omstreeks 1630. Aalten was toen een kleine, geïsoleerde en gesloten agrarisch-ambachtelijke dorpsgemeenschap met een arme en nog in hoge mate bijgelovige bevolking.

Men keek vreemd aan tegen de Joden met hun afwijkende godsdienst, gebruiken en kleding. De bevolking plaatselijke bevolking beschouwde hen nog lang als vreemdelingen. Tot aan de Napoleonitische tijd bleef het aantal joden beperkt tot vier gezinnen, die in de afgelegen straten van het dorp Aalten woonden. Als beroep werd meestal ‘koopman’ vermeld.

Bredevoort

Al in 1631 had Bredevoort Joodse inwoners. Deze woonden destijds met name rondom de Hozenstraat, waar zij ook een eigen begraafplaats hadden, in de volksmond ‘De Timp’ geheten. Omstreeks 1700 richtte een Joodse handelaar in manufacturen in Bredevoort een huissynagoge in. In 1714 verhuisde deze huissynagoge naar een ruimere locatie, een grote stenen schuur op de Ganzenmarkt tussen de Hozenstraat en Gasthuisstraat. Deze schuur staat er nog altijd. Ook Joden uit Aalten en Lichtenvoorde bezochten deze synagoge.

Tot 1821 viel de gemeenschap nog onder Winterswijk, maar in 1830 werd het een zelfstandige gemeente. Omstreeks 1830 werd dan ook een echte synagoge gebouwd aan de Vismarkt.

Rond 1800 telde de Joodse gemeente in Bredevoort bijna evenveel leden als de Aaltense gemeente, maar ging in de loop van de 19e eeuw gestaag in omvang achteruit. In 1900 waren er onvoldoende leden om regelmatig diensten te houden en werd de Bredevoortse gemeente bij die van Aalten gevoegd.

Het gebouw aan de Vismarkt diende nog tot aan het begin van de Eerste Wereldoorlog als synagoge. Omstreeks 1920 werd de synagoge verbouwd tot woonhuis. Tegenwoordig is het gebouw een gemeentelijk monument.

Synagoge, Vismarkt 9, Bredevoort
Voormalige synagoge Vismarkt 9, Bredevoort

Aalten

Pas in 1776 wordt voor het eerst melding gemaakt van een ‘Jodenkerk’ in Aalten. Dat moet ook een huissynagoge zijn geweest. Tussen 1800 en 1850 groeide de Joodse gemeenschap in Aalten in aantal van 39 tot 70, voornamelijk door gezinsuitbreiding in de bestaande Joodse families: het aantal huishoudens nam nauwelijks toe.

In 1857 nam men de synagoge aan de Stationsstraat in gebruik. De Joodse gemeente verkreeg in 1852 de begraafplaats aan de Haartsestraat in eigendom, maar werd al eerder (we weten niet hoe lang) gebruikt om er de doden te begraven.

In de periode 1870-1900 nam het aantal Joodse inwoners in Aalten af van 80 naar 50. Dit moet uit plaatselijke omstandigheden verklaard worden: het aantal Joden dat met een kleine nering in zijn levensonderhoud moest voorzien, was door de sterke groei in de daaraan voorafgaande jaren te groot geworden voor de nauwelijks gegroeide (door emigratie zelfs enigszins teruggelopen) Aaltense bevolking. Een deel van de Aaltense Joden trok daarom ook weg, vooral naar de wat grotere steden in Oost-Nederland (Arnhem, Zutphen, Deventer).

Pas toen de totale bevolking van Aalten weer begon toe te nemen, kon ook het aantal mensen dat in de kleine handel werkte weer groeien. En dat gebeurde ook, niet alleen door geboorteoverschot, maar voor het eerst sinds lange tijd ook door vestiging van nieuwe families.

Synagoge, Stationsstraat 7, Aalten
Synagoge, Stationsstraat 7, Aalten
Joodse Begraafplaats, Haartsestraat, Aalten
Ingang Joodse begraafplaats, Aalten

Omstreeks 1900

Begin 1900 telde het kerkbestuur drie leden. Er was een godsdienstschool met één onderwijzer en een ritueel bad. Naast een begrafenisvereniging voor mannen kende Aalten een vrouwengenootschap dat hulp bood bij ziekte en overlijden.

De Joodse gemeente in Aalten was gelovig, al deed de één er misschien wat meer aan dan de ander. De sociale controle speelde daarbij wel een rol. De sabbatsregels werden echter, om economische redenen, niet altijd even strikt nageleefd.

De Joodse gemeente in Aalten bestond overwegend uit veehandelaars en slagers. Het feit dat binnen de kleine gemeente velen tot dezelfde beroepsgroep behoorden leidde veelvuldig tot ruzies, die nogal eens in of bij de synagoge werden uitgevochten. Deze spanningen en twisten, tussen rituele slachters die moesten bepalen of een koe koosjer was, en tussen slagers die wilden verkopen, waren evenzeer onderdeel van de Joodse cultuur in Aalten als de onderlinge hulp in geval van ziekte en armoede.

Integratie

Werden de Joden in de 17e en 18e eeuw nog als vreemdelingen gedoogd, in de 19e eeuw vond geleidelijk een proces van integratie plaats. Dit leidde ertoe dat de Joden in het begin van de 20e eeuw een geaccepteerde minderheid vormden. Ze vervulden bijvoorbeeld bestuursfuncties in verenigingen als Aaltens Belang, de Oudheidkamer en het Feestgebouw.

Marcus Gans was medeoprichter van pijpenfabriek Peters en Gans aan de toenmalige Gasthuisstraat. Bij de oprichting van de zuivelfabriek waren Joodse veehandelaren als aandeelhouders betrokken. De openbare school kende Joodse onderwijzeressen, de Aaltense Orkestvereniging, toneelvereniging Thalia en Symphonia telden Joodse leden. Joodse leden maakten deel uit van de Aaltense afdeling van het Nationaal Crisis Comité en de vrijwillige brandweer.

De meeste Joodse kinderen hadden ook niet-Joodse vrienden en vriendinnen en ook de ouderen gingen doorgaans vriendschappelijk met niet-Joden om. Bij officiële gebeurtenissen in Joodse kring was het gemeentebestuur officieel vertegenwoordigd.

Woonhuis Joh. Peters en Pijpenfabriek Peters & Gans, Gasthuisstraat, Aalten, ca. 1910
Pijpenfabriek Peters & Gans (rechts), Gasthuisstraat, ca. 1910

Vluchtelingen uit Duitsland

In de jaren na 1933 kwam een vluchtelingenstroom op gang vanuit Duitsland. Na de Reichskristallnacht in 1938 nam die stroom nog sterk in omvang toe. Een klein deel van hen die men toeliet tot Nederland mocht zich in Aalten vestigen. De meesten werden doorgestuurd naar speciale vluchtelingenkampen die op verschillende plaatsen in het land waren ingericht.

Op 1 januari 1942 telde Aalten 17 inwoners met de Duitse nationaliteit (die ze overigens op 25 november 1941 officieel verloren hadden: de Duitse vluchtelingen waren feitelijk staatloze burgers geworden). In de eerste weken en maanden van de Duitse bezetting bleef in Aalten alles nog rustig. Maatregelen die men tegen de Joden nam, raakten de Joodse gemeenschap in Aalten in het eerste jaar nog niet direct. Wat op den duur wel gevolgen zou hebben was de registratie van alle Joodse inwoners in het najaar van 1940. 63 kaarten werden naar Arnhem gestuurd.

Leden Joodse gemeenschap in 1932
Leden Joodse gemeenschap in 1932

Keuzes

Verbodsbod bij de ingang van het Loohuis
Verbodsbod bij de ingang van het Loohuis

In 1941 begon de verdrijving van Joden uit het openbare leven. Eerst verschenen er steeds minder advertenties van Joodse middenstanders in de kranten, daarna kwamen de verordeningen die hen de deelname aan openbare bijeenkomsten en de toegang tot de publieke ruimten verboden. Joodse leerlingen werden uit het onderwijs geweerd. In datzelfde jaar 1941 viel het eerste Joodse slachtoffer uit de Aaltense Joodse gemeente als gevolg van een razzia.

De lijst van speciaal voor Joden geldende verboden en verplichtingen bleef groeien en in de zomer van 1942 begonnen de deportaties. Men moest besluiten om al of niet onder te duiken. Wie niet koos voor het laatste werd ingezet voor wat heette ‘de werkverruiming in het oosten’ en – zo weten we achteraf – in de gaskamers vermoord.

Onderduik

Op 13 juli 1942 werd in vijfvoud het overzicht van de Aaltense Joden opgestuurd naar de Zentralstelle für jüdische Auswanderung in Amsterdam. Dat was het begin van het einde.

Met uitzondering van de NSB-ers gedroeg de niet-Joodse bevolking van Aalten zich over het algemeen behulpzaam. Wel kan men achteraf zeggen, dat zowel Joden als niet-Joden het gevaar hebben onderschat en de zwaarte van de maatregelen niet hebben ingezien.

Op 4 oktober 1942 werden 10 Aaltense Joden, familieleden van Joden die uit enkele gesloten werkkampen naar Westerbork waren overgebracht, op transport gezet naar het doorgangskamp en vandaar naar Polen. Kort daarna werden zij ‘wegens vertrek naar het buitenland’ uit het bevolkingsregister afgevoerd.

Binnen een maand daarna waren 37 Aaltense Joden ondergedoken. Zij werden ook uit het bevolkingsregister geschrapt met de toevoeging v.o.w. (vertrokken, onbekend waarheen). Begin 1943 doken nog eens 15 Aaltense Joden onder. De overige 25 zijn via Vught of Westerbork gedeporteerd. Daarmee was Aalten op 10 april 1943 officieel Judenrein.

Lijst Joodsche ingezetenen Aalten, 1942
Lijst Joodsche ingezetenen Aalten, 1942

Slachtoffers

Bekladden synagoge in Aalten
Bekladden synagoge in Aalten

De huizen van de weggevoerde families werden leeggehaald (ten behoeve van Duitse Bombengeschädigte) en opnieuw verhuurd. Openstaande rekeningen en vervoerskosten werden betaald door Lippmann en Rosenthal, de bank in Amsterdam waar alle Joodse vermogens waren ondergebracht.

Dook men in 1941 nog tijdelijk onder, vanaf oktober 1942 kreeg de onderduik een permanent karakter. Lang niet iedereen keerde terug uit de onderduik.

Van de 52 ondergedoken Joden zijn er uiteindelijk drie tijdens hun onderduikperiode overleden en zes na verraad opgepakt, weggevoerd en vermoord. Er zijn ook Joden geweest die in Aalten geboren werden, er al of niet een groot deel van hun leven doorbrachten, maar die tijdens de bezetting door verhuizing elders in Nederland woonden. Over hun lot zijn de gegevens niet volledig. Tellen we hen mee, dan is het aantal slachtoffers uit Aalten veel groter dan de 34 van wie we het zeker weten.

Tip:

Het Nationaal Onderduikmuseum in Aalten vertelt met ‘kleine’ verhalen de grote geschiedenis van verzet, onderduiken en vrijheid voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Het museum gaat in op de keuzes en dilemma’s van gewone burgers aan de Nederlands-Duitse grens en gebruikt de verhalen van toen om het gesprek over nu te voeren.

nationaalonderduikmuseum.nl

Na de oorlog

De 46 leden van de Joodse gemeente in Aalten die de oorlog overleefd hadden waren ontredderd. Velen hadden een groot deel van hun familie verloren en bezaten ook niets meer. Hun pogingen om iets van hun vroegere bezittingen terug te krijgen ontmoetten niet altijd medewerking en stuitten vaak ook op onwil.

Het aantal Joden in Aalten liep na de oorlog gestaag terug. Jongeren vertrokken naar Israël of naar het westen van het land, de ouderen stierven. In 1965 bedroeg het aantal nog 28, in 1981 21, en nu is er nog maar een enkeling.

Bronnen:

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Gerelateerde artikelen