In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Zo schreef hij onder andere over de gebruiken als een boer verhuisde:
“Een enkele maal dat een boer verhuisde, geschiedde dit op ‘Sinte Peter’, 22 Februari. Al het hebben en houden werd op de wagens geladen der buren en de heele stoet trok dan van ’t oude huis naar de nieuwe of andere hoeve. De buurvrouwen waren dan al vast naar de nieuwe woning gegaan, hadden die schoon gemaakt en het vuur aangelegd. In den volksmond heette dat ‘vuur beün’.
Als de nieuwe bewoners kwamen, was de koffie reeds gezet en konden de aankomenden direct zich verkwikken aan een lekkere kop koffie. De buren hielpen dien dag, de een gooide hier wat neer de ander daar, het was een kolossale drukte. Als klap op de vuurpijl kwam dan later het ‘intrekkersmoal’, waarbij het ook al weer niet aan geestrijke dranken ontbrak.”
Een verhuisstoet
Bron
‘Uit Aalten’s verleden’, door G.H. Rots, Aaltensche Courant, 12 & 19 november 1937 (via Delpher: deel IV)
Het Bredevoorts volkslied is het volkslied van het Gelderse stadje Bredevoort. De tekst en de muziek zijn aan het begin van de 20e eeuw geschreven door dichter en organist Gerrit Rijks (24-03-1905 – 17-09-1987). Rijks was van 1921 tot 1984 organist van de Sint Joriskerk. Het lied wordt regelmatig op officiële gelegenheden ten gehore gebracht.
Tekst
Tussen natte, lage gronden, Tussen ‘t ruisend korenveld, Wordt “de heerlijkheid” gevonden, Die d’ historie vaak vermeldt. Daar waar in ’t grijs verleden, Zeer, zeer veel geleden is, Daar waar ook om onze vrijheid, Harde strijd gestreden is.
Daar waar eens mijn ouders woonden, Lief en leed steeds werd gedeeld, Daar, waar koning “Eendracht” troonde, En geen wanklank werd verheeld. Daar waar men elkander kende, En elkander steeds begreep, Open stond voor ieders noden, Samen torste menig leed.
Buiten dit beminde stadje; met zijn wallen en zijn gracht; Zijn de malse groene weiden, En de bossen vol van pracht; Daar hoort men de voog’lenkoren, Teder, lieflijk, ongestoord, Daar lacht de natuur u tegen, Wat den wand’laar steeds bekoort.
Is er door de loop der tijden, Zeer veel ouds te niet gegaan, De vaak onvolprezen “Eendracht”, Zal gewis niet ondergaan. Men waardeert elkanders streven, Men begrijpt elkanders taak, En vervult der buren plichten, Als de doodgewoonste zaak.
Bredevoort, mijn oude stadje, Met jouw grote kinderschaar, Blozend, stralend van gezondheid, Altijd lustig helpend klaar. Jullie zijn de hoop der toekomst, Maakt uw leven zo ’t behoort. Denkt vol trots aan het verleden, Van ons roemrijk Bredevoort.
Bredevoort, mijn oude stadje, Wat ge aan natuur ons biedt, Vindt men zeker, onomwonden, In de grote steden niet, Daarom zal mijn hartewens zijn, En van ieder, die het hoort: “Leve lang! M’n dierbaar plekje, Leve lang m’n Bredevoort”!
Bredevoort, m’n oude stadje, Bredevoort, m’n troetelkind, Bredevoort, m’n dierbaar plekje, Bredevoort de kindervrind, Bredevoort, de vriend van ouden, Bredevoort ons aller oord. Bredevoort, m’n oude stadje, Bredevoort, mijn Bredevoort.
Waar de ambachtslieden werken, En de nijv’re boerenstand Onverpoosd en onverdroten, ’t Land bewerkt met vaste hand, Waar men in volmaakte vrijheid, Mening en geloof waardeert, En de kennis van een ander, Met gepaste eerheid eert.
De tekst en de muziek van het Aaltens volkslied werden in 1935 geschreven en gecomponeerd door Johan Herman Janssen (16-02-1896 – 21-11-1966). Janssen werd geboren in Varsseveld en verhuisde op 14-jarige leeftijd met zijn ouders naar boerderij de Hiedtuunte in Lintelo. Later woonde hij in Doesburg.
Janssen was onder andere politieagent, fotograaf, wasbaas, orgelbouwer en carillonbouwer. Hij speelde trompet, piano, orgel en accordeon. Ook schreef hij revues en operettes en trad op als ‘Het boertje uut den Achterhoek’. Naast het volkslied van Aalten, schreef en componeerde Janssen ook het volkslied van Doesburg, Heelweg en Westendorp.
Het Aaltens volkslied wordt ook wel gezongen op de melodie van het Gelders volkslied. Maar hoewel dat ook heel mooi klinkt, is het – volgens onze bronnen – niet correct.
Muziek en tekst
Waar het oude Slingebeekje door een rustig dorpje vliedt waar een golvend heuvellandschap ons een prachtig uitzicht biedt waar de schitt’rende omgeving door een ieder wordt geroemd daar ligt in de oude Graafschap ’t dorp dat Aalten wordt genoemd. daar ligt in de oude Graafschap ’t dorp dat Aalten wordt genoemd.
Waar in ’t Loohuis en de Wolboom ons ’t natuurschoon tegenlacht waar het Walfort ons herinnert aan een vroeger voorgeslacht waar het bord “Verboden Toegang” ’t oog des wandlaars niet verstoort dat is Aalten, dat veel mensen kennen als hun liev’lingsoord. dat is Aalten, dat veel mensen kennen als hun liev’lingsoord.
Waar de nijvere bevolking ’t werk nog opgewekt verricht waar gastvrijheid vele jaren wordt beschouwd als ereplicht waar nog burenplicht vervuld wordt ’t zij bij vreugde of bij leed dat is ’t nooit volprezen Aalten ’t dorpje dat ik nooit vergeet dat is ’t nooit volprezen Aalten ’t dorpje dat ik nooit vergeet
Bronnen
‘Aalten, zoals het was – zoals het is’ (deel 2), E.M. Smilda & G.J. Timmer
Een paasvuur is een soort vreugdevuur dat tijdens Pasen in delen van Europa wordt aangestoken. Hiervoor wordt hout verzameld en op een grote stapel gelegd, die soms tientallen meters hoog is. Als het duister invalt wordt het geheel aangestoken.
Het spektakel trekt vaak veel toeschouwers en meestal is het een echt dorpsgebeuren. Van oorsprong was het een Germaans feest, gewijd aan Ostara, de godin van de lente. Na de kerstening kreeg de traditie een christelijke invulling.
G.H. Rots beschreef de Aaltense paasvuurtraditie in 1937 als volgt:
“Ieder voorjaar als Pasen naderde verzamelden zich de jongens uit een ‘rot‘ (= wijk/buurt) om plannen te bespreken voor het “paaschvuur”. Zij benoemden een bestuur, waarvan vooral de penningmeester een gewichtige rol vervulde.
Er werd langs de huizen gegaan om te vragen of men ook nog wat over had voor ’t paaschvuur. Wie geen hout had, offerde meestal een kleinigheid in klinkende munt, waardoor een ‘kas’ werd gevormd. De penningmeester moest deze kas beheeren, welke soms tot dertig centen kon oploopen. ’t Gebeurde wel eens dat de penningmeester de kas of een gedeelte daarvan voor eigen doeleinden gebruikte. Dan was Holland in last. Er werd soms zwaar gevochten, en onderlinge ruzies waren aan de orde van den dag.
Maar ’t einde van ’t liedje was toch: er kwam een paaschvuur. Elk rot had zoo’n vuur, en ’t ging er maar om wie het grootste had. Niet zelden gebeurde het dat de eene groep jongens er ’s avonds laat nog op uittrokken om hout van een andere groep te kapen, en hun eigen voorraad daarmee aan te vullen.
Den eersten Paaschdag werd het vuur ontstoken. In ‘t midden een paal, waarboven een teerton gehangen was, waardoor het vuur hoog oplaaide. En zoo zag men om Aalten eenige vuren branden, welk schouwspel tal van kijkers had.”
Palmpasen
“Het eieren gooien werd ’s morgens door kleine kinderen nog veel gedaan. Als men ze mooi bruin gekleurd wilde hebben, werden ze in cichorijpap gekookt. Op Palmzondag kon men de kinderen met mooie versierde dennentakken zien loopen, z.g.n. „palmpaschen”, waarbij de kinderen dan de palmpaaschliederen zongen, oa. dit:
Eikorij, eikorij, As ’t nog eenen Zondag is kriege wi’j een poaschei. Eén ei is geen ei. Twee ei is een paoschei.
Dit soort liedjes, werd in andere gemeenten nog wel aangevuld. In folklorische bijdragen over paaschgebruiken zijn die liedjes wel vermeld.”
Aaltensche Courant, 6 april 1907Aaltensche Courant, 9 april 1935Dagblad Tubantia, 15 april 1960Dagblad Tubantia, 12 april 1966De Graafschapbode, 15 april 1930
In het oosten van Nederland is het begrip naoberschap algemeen bekend. Dit fenomeen, dat ook wel burenplicht of burenhulp wordt genoemd, verwijst naar de traditie waarbij buren elkaar ondersteunen, zowel bij vreugdevolle als bij droevige gebeurtenissen.
In 1874 beschreef J. ter Gouw, met medewerking van E.F. Avenarius, onderwijzer te Lintelo en Is. de Waal, voormalig predikant te Aalten, de gebruiken en plichten van het naoberschap zoals die destijds in Aalten gangbaar waren.1 Hieronder wordt het artikel weergegeven.
N.B. In het oorspronkelijke artikel wordt naoberschap gespeld met oa. Omdat wij Oud Aalten zijn en het artikel over Aalten gaat, hebben wij ervoor gekozen deze term aan te passen aan de WALD-spelling, met ao dus.2
“Ofschoon deze gebruiken nog in de gemeente Aalten in zwang gaan, behooren zij evenwel tot den ouden tijd. Zij zijn overblijfselen van de voorvaderlijke zeden, fragmenten slechts, die daar nog voortleven, maar mogelijk na weinig jaren ook al verdwijnen zullen.“
Nieuwbouw
‘Foezel’ als dank voor de (naober)hulp
Bij het bouwen eener nieuwe woning gaat de toekomstige bewoner bij acht of twaalf der naaste buren en vraagt him of zij “naober” van hem willen worden. Meestentijds wordt dit aangenomen, daar eene weigering eene beleediging is, en het opzeggen der naoberschap tevens het afbreken van alle onderling verkeer is.
Op de naobers rusten wederkeerige verpligtingen. Zoo is elk naober verpligt bij het bouwen eener woning de houten gebindten en den kap kosteloos te helpen oprigten. Des avonds zetten dan de naober-jongelui de meiboomen (een paar dennen) voor het huis, waarvoor de eigenaar hen trakteeren moet.
Hierop volgt een zoogenaamd “rigtemaal” voor de naobers, die ook te dezer gelegenheid het nieuwe gebouw eenen naam geven, bij welken naam de bewoner verder almede genoemd, en veelal beter dan bij zijn familienaam gekend wordt.
Eer de nieuwe woning betrokken wordt, komen de naobervrouwen, of hare dochters of dienstboden, met manden vol turf en hout aandragen, om het vuur “aan te bueten”, dat wil zeggen: aan te leggen. En als de nieuwe bewoner tot de behoeftigen behoort, dan wordt hem door zijne meergegoede naobers dikwijls zulk eene groote hoeveelheid brandstof gebragt, dat hij daar verscheidene maanden lang zijnen haard van voorzien kan.
J. ter Gouw
Huwelijk
Zal een jongeling of jongedochter in ’t huwelijk treden, dan gaan de andere jongelui uit de naoberschap, voordat de tweede huwelijks-afkondiging plaats heeft, naar de bewoners, bij wie de jonggehuwden hunnen intrek zullen nemen, en vragen aan den bruidegom of de bruid, of zij mogen “mooi maken”. Dit mooi maken bestaat in het planten van vier hooge denneboomen voor de deur, die onderling verbonden worden met bogen, en omwonden met palm, en bestoken met vlaggetjes van gekleurd papier; terwijl in het midden een kroon gehangen wordt, die met geknipt papier omwonden en met vergulde eijeren vercierd is. In ’t binnenste van deze kroon hangt een houten duif, als het zinnebeeld der liefde, die netjes met goudpapier beplakt is.
Deze bruiloftskroonen worden zeer in eere gehouden, en zoo lang mogelijk bewaard. Bij vele boeren kan men nog de kroonen zien, die bij huns grootvaders huwelijk zijn opgehangen.
Het afhalen van den bruidegom of de bruid, om hen naar hunne bestemde woning te brengen, geschiedt ook door de naober-jongelui. De wagen is met groen vercierd, en dikwijls met vier paarden bespannen; de meisjes uit de naoberschap nemen daarop plaats, en onder het zingen of liever uitschreeuwen van: “Naar Oostenrijk willen wij varen, Schier over de heide, enz.”, begeven zij zich op weg.
Is het, dat een bruidegom zijne bruid haalt, dan zit deze voor in den wagen, eene lange Goudsche pijp ‒ zoo mogelijk een staalpijp, door zijne naobermeisjes met rood, wit en blaauw zijden lint vercierd, te rooken. Nu is dat natuurlijk allang uit de mode; de bruigoms rooken nu sigaren of rooken niet. Maar in den pijpentijd moest een bruigom rooken. Ik heb er gezien, die werkelijk behoorden tot de niet-rookers, en evenwel op de bruidstranen en op de bruiloft met de bruigomspijp tusschen de tanden zitten, en nu en dan stoppen en aansteken moesten.
Aan de woning der bruid gekomen, wordt aan de linkerzijde van zijnen hoed een bouquet van gekleurd en verguld papier vastgemaakt, zoodat menigeen hem dan voor een koetsier, met eene kokarde aan den hoed, zou aanzien. De bruid krijgt een dito bouquet op de linkerzijde der borst.
Achterhoekse boerenbruiloft; men danst de ‘Driekusman‘
Als er nu eerst wat brood en koffij gebruikt is, wordt de bruid door een naoberjongen en de bruidegom door een naobermeisje naar den wagen geleid, terwijl de andere naoberjongens de “bruidskoe” uit den stal halen en achter den wagen medevoeren. Zijn de ouders der bruid welgestelde lieden, dan nemen de naoberjongens de vrijheid, ook wat worst, spek, vleesch, kippen en meer van dien aard voor de jonggehuwden mede te nemen.
Veelal is daags te voren reeds de kast der bruid, goed voorzien van rollen linnen, servet- en tafelgoed, benevens acht of twaalf stoelen, een spinnewiel en een haspel, naar de toekomstige woning gebragt.
Is de bruidswagen daar aangekomen, dan brengen de naober-jongelui, niet alleen den avond, maar ook een groot gedeelte van den nacht, door met het drinken van “foesel” (jenever) en ’t uitschreeuwen van allerlei liedjes, want zingen kan men het niet noemen, en keeren dan eindelijk naar hunne woning terug, om den volgenden dag het veelvuldig gebruik van dien “pestdrank” zooals sommigen hem noemen met hoofdpijn en lusteloosheid te bezuren.
Somtijds volgt de bruiloft of “broedlagt” weken, ja, maanden later, of wordt vereenigd met het kinderbier van ’t eerste spruitje.
J. ter Gouw
Overlijden
Bij sterfgeval zijn de verpligtingen der naobers nog veelvuldiger. Zoodra er in een huisgezin iemand sterft, wordt hiervan aan een der naastbijgelegene naobers, indien er geen tegenwoordig is, kennis gegeven, en deze gaat onverwijld de geheele naoberschap rond, en daarna gaan de naobers te zamen naar het sterfhuis, om den doode te “verhennekleeden”, dat is: van zijne kleeren ontdoen en in ’t lijkgewaad hullen.
’s Anderendaags wordt de doode overluid, en moeten de naobers aan de familie, zelfs tot op een afstand van vijf uren, het overlijden bekend maken. Des avonds brengen twee of drie naobers de kist en leggen het lijk er in. Is de overledene aan eene besmettelijke ziekte gestorven, of geeft de onaangename reuk reeds ontbinding te kennen, dan wordt hem een glas “pestdrank” gegeven. Maar dit is dan ook de eenigste jenever, die in een sterfhuis wordt gebruikt.
Begrafenis Gerhard Aalbers, 1954. Vertrek bij ’t Slat in IJzerlo. Van rechts naar links: 1 doodgraver Rensink; 2 Gerrit Hengeveld van de Smit; 3 Herman Lammers van Lurvink; 4 Bernard Nijman van de Scheel; 5 ?; 6 Johan Lammers van ’t Nije Loo; 7 Johan Kraaijenbrink van de Wikker; 8 Hendrik van Eerden; 9 moeder Betje; 10 Annie; 13 Derk H.; 12 ?; 14 Derk W.; 15 ?
Van den dood tot de begrafenis beredderen de naobers alles. Zij moeten het zaad, voor ’t begrafenismaal benoodigd, naar den molen brengen, en alles wat er verder noodig is, bezorgen. De naobervrouwen moeten het meel ziften en brood bakken, en hierdoor heerscht er in het sterfhuis eene drukte, welke voor de nabestaanden hinderlijk is, die zich gaarne met den geliefden doode alleen zouden bevinden. Van die drukte kan men zich een denkbeeld maken, als men weet, dat op eene begrafenis of groeve wel meer dan honderd huisgezinnen genoodigd worden.
(Bij een mijner boeren, die vrij welgesteld was, maar toch slechts eene kleine hoeve had, was zulks het geval, toen er, bij ’t overlijden zijner hoogbejaarde moeder, eene groeve aan huis was. Er werd bij die gelegenheid vier mud rogge verbakken, waaruit 75 brooden kwamen, en daar ’t brood voor vier man bestemd was, had men op driehonderd eters gerekend. Voorts was er ingeslagen: een volle Leidsche kaas en een bijna volle, te zamen 33 oude ponden; twaalf oude ponden koffij, en 5/4 oude ponden witte klontjes. Bij den brouwer werd een ton bier besteld, waarmee men echter rekende niet te kunnen volstaan. De luiders dronken voor drie gulden aan jenever.)
Op den dag der begrafenis wordt des morgens om tien uren het lijk op “den deel” (den dorschvloer) gezet, en de kist zoover geopend, dat het gelaat van den doode zigtbaar is. De naobervrouwen schenken nu koffij en presenteeren brood aan de genoodigden, terwijl die naobervrouw, wier man het lijk naar de begraafplaats moet rijden, het voorregt heeft, de naaste familie te bedienen, en zoo heeft elke naobervrouw naar haren rang en stand hare bepaalde werkzaamheid.
Nadat alle genoodigden, waarbij de naobers en de bewoners van het rot (de wijk) behooren, zich met brood en koffij verzadigd hebben, gaan allen naar den deel, om den afgestorvene voor ’t laatst te zien. Is er een predikant tegenwoordig, dan houdt deze bij de geopende lijkkist een toespraak; hij tracht de bedroefden te troosten, houdt allen het memento mori voor, en eindigt met een toepasselijk gebed.
Nu wordt de kist achter op eenen wagen geplaatst, en gaan de twee naaste betrekkingen van den overledene op het voeteinde der kist zitten, daarnaast de twee daaraanvolgenden, en zoo voort totdat alle plaatsen bezet zijn. De vrouwen hebben een zwart regenkleed of folie over haar hoofd hangen, en weten, door zich hiermede geheel of gedeeltelijk te bedekken, haar verwantschap tot den overledene zeer nauwkeurig aan te duiden.
De optogt naar het graf vormt eene lange, soms onafzienbare rij, daar niet slechts de betrekkingen, maar ook de naobers en zij, die tot het rot behooren, het lijk volgen, en bovendien, zoodra de lijkstoet het dorp nadert, ook velen van daar zich er bij aansluiten; zoodat niet zelden anderhalf honderd mannen, vrouwen en kinderen aan dien optogt deelnemen.
Begrafenisstoet Gerhard Aalbers van ’t Slat te IJzerlo
Van ’t oogenblik af, dat de stoet in ’t gezigt van het dorp komt, totdat die de begraafplaats weer heeft verlaten, worden alle klokken geluid, en van het graf gaat het naar den brouwer, waar enkelen thee, maar de meesten bier drinken, en dit laatste in zeer ruime mate. Van den brouwer gaat het weer naar het sterfhuis terug; hier wordt dan andermaal brood en koffij gebruikt, en de plegtigheid is afgeloopen.
Maar ’s anderendaags volgt er nog een kleine nabetrachting. Reeds met het krieken van den dag staan de armen voor de deur (vijftig of honderd soms), om ook nog “een spierken” van het sterfhuis te kunnen wegdragen. Men geeft hun de niet heel angstig uitgezifte zemelen van de verbruikte rogge en het overgeschoten brood.
’s Namiddags komen de naobervrouwen nogmaals aan het sterfhuis; zij gebruiken weer koffij en een boterham, en daarna zoekt elk hare geleende kopjes, schoteltjes, messen, enz. bij elkaar, en verwijdert zich met het gebruikelijke: “ik wunsch oe het beste.”
Lintelo, E.F. Avenarius
In het dorp
Hetgeen door mijnen vriend Avenarius is medegedeeld, en waar ik een paar opmerkingen bijgevoegd heb, betreft bepaaldelijk de naoberschap bij de buitenlieden. In de kom der gemeente heeft men wel hetzelfde thema maar met eenige variatie.
Bij ’t betrekken eener woning komt er spoedig van de naobers, die tot het huis (naar eenmaal gedane keuze) behooren, het aanbod om “een vuurtje te bueten”, d.i. aan te leggen. Dit aangenomen en het uur bepaald zijnde, zenden de naobers dochters of maagden (dienstboden) met brandstof “kluwen” of baggerturf de een, hout de ander en alles wordt aan den ledigen haard opgestapeld, als moest er zoo dadelijk de brand in gestoken worden. Wil men ’t eens regt mooi maken, dan gaat over alles heen een krans van gekleurd papier. Na dit “vuurtje-bueten” verwacht men al dadelijk een glaasje “foesel” (jenever), en is er nog iets bij, des te beter; daarna worden de naobers zelven “geneugd” (genoodigd), en krijgt men dientengevolge de hoofden der gezinnen op “een kupken koffij” met “kluntje,” krentenwigge, en ten slotte “foesel met soeker” (jenever met suiker).
Ook na den afloop van bruiloft en begrafenis worden de naobers op gelijke wijze genoodigd, en dan zitten jood en christen, roomsch en on-roomsch, rijk en arm, vriend-broederlijk bij elkander; en zulk een avond laat genoegelijke herinneringen achter, terwijl men op nieuw zich gestemd gevoelt, om elkander over en weer al de diensten te bewijzen, die de naoberschapspligten voorschrijven.
Binnen de plaats is het bij begrafenissen wel doorgaans niet op zoo groote schaal aangelegd als wij zooeven vernamen; maar toch is de vergadering somtijds zoo talrijk, dat de predikant, die bij ’t geen er gebruikt zal worden in den gebede voorgaat, zich weleens moet plaatsen tusschen twee ruime vertrekken, ten einde in beide verstaan te worden. ’t Gebeurt zelfs, dat er nog een derde kamer noodig is, waar de gasten het dan met eenige klanken uit de verte voor lief nemen moeten.
De Klepperklumpkes van ’t Walfort was een folkloristische dansgroep uit Aalten. De groep werd opgericht op 10 mei 1954 met het doel om de Gelderse streekfolklore te bewaren voor het nageslacht. De leden van de groep waren gekleed in originele Gelderse (Achterhoekse) klederdracht, zoals deze omstreeks 1900 werd gedragen.
Het dansrepertoire bestond uit ongeveer 35 oude, meest Achterhoekse en Twentse dansen, die ook dateren uit die tijd. De meest bekende dansen zijn de Driekesman, Pot met bonen en de Hôksebarger, gedanst uiteraard op blank geschuurde klompen.
Graag geziene gast
De Klepperklumpkes was een actieve vereniging. Gedurende de afgelopen decennia traden zij op in diverse instellingen, op braderies en in vele landen. Zo was men een graag geziene gast op festivals in onder meer België, Denemarken, Duitsland, Engeland, Frankrijk, Oostenrijk, Slowakije, Spanje, Zweden en Zwitserland. Zelfs in China hebben ze opgetreden.
In de hoogtijdagen organiseerden de Klepperklumkes om de vier jaar een groot internationaal festival in Aalten, met vele buitenlandse gasten. Deze werden ondergebracht bij gastgezinnen en dat was voor velen van hen een bijzondere kennismaking met de buitenlandse dansers en hun folklore.
De dansgroep oefende de laatste jaren in de zaal van café Setz.
Na bijna 70 jaar zijn De Klepperklumpkes er in 2022 mee gestopt. De laatste jaren nam het aantal activiteiten steeds verder af. Veel leden waren op leeftijd, de conditie werd minder en nieuwe ledenaanwas ontbrak.
In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Zo schreef hij over Oud en Nieuw:
“Zoo tegen ’t einde van het jaar kon men twee mannen met een grooten ‘armskorf’ zien loopen, die huis in huis uit gingen in ’t dorp. ’t Waren de nachtwachts die almanakken verkochten. Zonder almanak, vooral de Zutphensche almanak, was geen één huisgezin. De nachtwachts stelden bij die aanbieding en verkoop der almanakken de ingezetenen meteen in de gelegenheid een ongevraagde bijdrage te geven voor de bewaking hunner eigendommen des nachts. Naarmate de draagkracht der ingezetenen werd genoemde lectuur boven den prijs betaald.”
Oudejaarsavond
“Dan kwam de Oudejaarsavond. De café’s hadden tot één uur ’s nachts verlof. De overgang van ’t oude in ’t nieuwe jaar werd dan gevierd in genoemde lokalen, hoofdzakelijk door de jongelingschap. Als de klok haar twaalf slagen had laten hooren, begonnen de nachtwachts hun nieuwjaarswensch uit te spreken. Men begon bij den gemeente-secretaris. Gezongen werd daarbij een lied. De rondgang werd zoo gemaakt bij enkele notabelen en caféhouders. Het behoeft geen betoog dat de nachtwachts door een groote groep nieuwsgierigen gevolgd werden, die ijverig meezongen… en men had gratis drinken.”
En nu het lied, dat de Nachtwacht op Oudejaarsavond met hun aanhang zongen:
Het oude jaar is nu voorbij, Het nieuw’ is aangekomen. Dus wensch ik U van harte blij, En U, en alle vromen: Een nieuwen geest in ’t nieuwe jaar En een vroom leven met elkaar, Zoo laat ons God hier loven.
Hoe menig zijn het vorig jaar Gezond met ons begonnen, Die hebben door den dood voorwaar Hun leefdraad afgesponnen. Die leven inde eeuwigheid, Ons is het leven nog bereid, Dus laat ons God nu loven.
’t Is God die ’t licht heeft voortgebracht, Die zon en maan doet rijzen, Om ons ’t verloop van dag en nacht, En maand en jaar te wijzen. Laat ons voor ’t afgeloopen jaar Met dank den Opperzegenaar, Den God der eeuwen prijzen.
De beide eerste coupletten was eigen maaksel. Het derde is uit de Evangelische gezangen no. 159 vers 1. Vers 3 van dat gezang werd ook wel eens gezongen.
Men kan zich voorstellen dat dit nieuwjaarswenschen in den Oudejaarsnacht wel eenigen tijd in beslag nam, en de ernst er van zal, vooral wanneer men aan ’t eind van den rondgang kwam, wel verloren zijn geweest, temeer daar het geluid van geestrijk vocht de hoofdrol speelde. Maar bij ouden van dagen gaat de herinnering aan deze gebeurtenis niet verloren. En vooral bij de lezing van deze artikelen worden de oude voorvallen nog eens weer opgehaald en besproken, en menigeen denkt met weemoed terug aan de dagen van weleer, en ze herinneren zich, als ze in slapelooze nachten, of wanneer bij ziekte en ongeval gewaakt moest worden en het stil was in de huiskamer, den eentonigen stap van den man, die Aalten’s straten doorkruiste: “Heur, doar he’j de nachtwacht!”
“Op den nieuwsjaarsdag was de jeugd weer in actie. Zij en de armere menschen gingen huis aan huis nieuwjaar wenschen. Men kan zich begrijpen dat de bevolking blij was dat het middag was, dan gold het niet meer. De schaduwzijde van dit alles was dat koning alcohol op die dagen zijn scepter zwaaide. In de talrijke café’s en kroegjes werd aan dien vorst druk geofferd. De jenever was goedkoop. In Aalten waren eenige jeneverstokerijen of branderijen. Een 4tal van die branderijen weet men te noemen. Geen wonder dus dat bij schier alle gelegenheden het gebruik van sterken drank overheerschend was.”
Carbidschieten
In delen van Oost-Nederland, inclusief Aalten, is het traditie om op oudejaarsdag carbid te schieten. Men plaatst een kleine hoeveelheid carbid (calciumcarbide) in een melkbus, verfblik of aangepaste gasfles, voegt water of speeksel toe, en sluit de bus af met een (plastic) bal. Er vormt zich ethyngas en na ongeveer 30 seconden wachten ontsteekt men het gas door een klein zundgat (of met een bougie). Het gas ontploft met een dreunende knal, waarbij de bal uit de bus schiet en tientallen meters verderop terecht kan komen.
De geschiedenis van het carbidschieten is niet goed bekend. De traditie voert mogelijk terug tot de Germaanse joelfeesten. In de 19e eeuw bestond zowel op het platteland als in de stad het gebruik om op bijzondere dagen kabaal te maken. Waarschijnlijk is daaruit het carbidschieten ontstaan.
Voordat acetyleengas in flessen verkrijgbaar was, gebruikten de meeste dorpssmeden carbid om te lassen. Er was dus eenvoudig aan te komen.
Oudejaarsdag, een dag als andere dagen. Maar toch, rond vier uur in de middag worden velen onrustig. Straks gaat het gebeuren. Niet één dag in het jaar dat wij zo vaak op de klok kijken. Buiten, in de schemering, ruiken wij in de ijle winterlucht het bakken van oliebollen. Bij de kinderen, zo tussen de vier en twaalf jaar oud, is enige spanning te bespeuren. Morgen is het zover. Dan gaan ze ‘ni-jjaor winnen’.
Nieuwjaar afwinnen met als dank wat lekkers is al een heel oud gebruik waarvan de oorsprong moeilijk is te achterhalen. In onze omgeving komt het voor in de voormalige Heerlijkheid Bredevoort, maar niet in de rooms-katholieke enclave Lichtenvoorde-Groenlo. Mogelijk heeft het te maken met religie en wat daar omheen gebeurt.
Ver voor de Reformatie was 11 november een belangrijke dag, Sint Maarten. Volgens een legende stond hij de helft van zijn rode mantel af aan een bedelaar. Hij was de schutspatroon van onder anderen Utrecht. Het wapen van die stad is een rood-wit gedeeld schild. Rood van zijn mantel en wit van zijn ondergoed nadat hij met zijn zwaard een deel van zijn mantel had afgesneden. Dit gebaar heeft de volksverbeelding sterk aangesproken. Als volksheilige werd hij vereerd en voorgesteld als een ruiter op een wit paard. Niet alleen in het aangrenzende Duitsland maar ook in het zuiden van ons land, in Noord-Holland, in Groningen en Friesland. Op zijn naamdag trok een namaaksint op een wit paard in een lichtjesoptocht door dorpen en steden. Hij deelde lekkernijen uit. In Bocholt, hier direct over de grens, was in 1988, maar ook later, een grote lichtjesoptocht door een volkomen verduisterde stad. Een sprookjesachtig gezicht. Op de Markt aangekomen stond hij daar, op een wit paard, voor het prachtige raadhuis in het volle licht van schijnwerpers. Een martiale verschijning. Alle kinderen mochten voor hem langs lopen en een zak snoep in ontvangst nemen.
Het is niet denkbeeldig dat men na de Reformatie af wilde van heiligenvereringen. Een Sint was uit. Op een vergadering van de classis Zutphen in 1668 kwam veel ter sprake. Men wilde af van het vogelschieten, ganzentrekken, boksebier en andere onregelmatigheden. Het heette bijgeloof, ook wel ‘paapse stoutigheden’ genoemd. Mogelijk heeft er een verschuiving plaatsgevonden van 11 november naar 1 januari om kinderen en de behoeftigen niet te vergeten. Misschien ook wel doordat Nieuwjaar nogal eens op de kalender is verhuisd. Dergelijke verschuivingen vonden vaker plaats. Trouwens, Sint Maarten was zelf al in de plaats getreden van een oud Germaans herfstfeest met dankoffers voor de oogst aan Wodan.
Bij het verschuiven moest wel rekening worden gehouden met andere, bijzondere dagen. Sint-Nicolaas was geen optie. Mogelijk is men zo op 1 januari gekomen. Het is een veronderstelling, maar niet denkbeeldig. Met Sint Nicolaas zat men in die tijd trouwens ook de maag. De Calvinistische predikanten wensten hiermee grondig af te rekenen. Dat lukte maar niet. Ook het vogelschieten bleef doorgaan.
Oorspronkelijk gingen op het platteland de arbeiders naar de boer en boerin, hun werkgevers, om ze een gelukkig nieuwjaar te wensen. Het geloof in voortekenen was groot. Was de persoon die de wens kwam uitspreken een vrouw of meisje, dan was men verzekerd van een vruchtbaar jaar met veel koe-kalveren. Het leek haast een wedstrijd wie als eerste de goede wensen zou uitspreken. Dat is het nu nog wel. Men geloofde stellig in de gedachte dat het gewenste geluk zou terugkeren bij degene die als eerste de wens uitsprak. Dat werd wel beloond.
In tijden van grote armoede, die waren er veel, kon het gebeuren dat etenswaren werden meegegeven. Bekend is dat in de tijd van aardappelschaarste men enkele aardappelen gaf. Deze werden dan in een dichtgeknoopte rode zakdoek meegenomen naar huis. In de vorige eeuw gingen kinderen in groepjes de buurt in om ‘ni-jjaor te winnen’. Na het uitspreken van de goede wensen werden rode zakdoeken op de stoelen in de keuken uitgespreid en kwamen allerhande lekkernijen tevoorschijn. Apenootjes, een pöfferken, opzettertjes, schuimpjes, vijgen, een oliebol of krentenbroodje en een appel. In de loop der jaren zijn veel gebruiken verdwenen maar het ‘ni-jjaor winnen’ is in onze grensstreek gebleven.
Het heeft zich wel aangepast aan de tijd. Geen rode zakdoeken op stoelen met biezen matten uitgespreid. Tussen 1950 en 1980 heeft plastic de wereld veroverd. De rode zakdoeken hebben plaatsgemaakt voor goed gevulde plastic zakken. Soms klaargemaakt door zakenlieden of liefdadigheidsinstellingen.
Tegenwoordig neemt het vuurwerk op oudejaarsavond een belangrijke plaats in. Vijfentwintig jaren terug was nieuwjaarsdag belangrijker. Op de eerste dag van het nieuwe jaar moest het gebeuren. Spanning bij de kinderen. Eerst naar de buren. Wat een overvloed als ze daar wel dertig of meer zakken in de keuken op het aanrecht zagen liggen. Na het uitspreken van de goede wensen gingen de handen haast vanzelf omhoog om de ‘toete’ aan te pakken.
Al wat grotere jongens pakten de fiets en jakkerden van de een naar de ander. Vroeger met een schoenendoos onder de snelbinder, later met een plastic tas aan het stuur. Zij kregen wel de boodschap mee om de mensen goed aan te kijken en het netjes te zeggen maar veel tijd om te praten gunden zij zich niet. Het was alsof zij aanvoelden dat het wel eens de laatste keer kon zijn. Eenmaal thuis werd de oogst gesorteerd. Het werd in porties bij elkaar gelegd. Je misselijk eten had je onderweg moeten doen. Moeder begon er ook al in te grabbelen. Koekjes gingen in een trommel en snoepgoed in een blik. Je kon er wel een maand van snoepen. Het leek wel of die verscheidenheid een groot aantal wensen symboliseerde.
In onze tijd is het afgelopen met de pret als de kinderen in de brugklas zitten. Hooguit roepen zij in het langsfietsen: ‘Gelukkeg ni-jjaor, he-j de toeten al klaor?’
Bronnen
‘Uit Aalten’s verleden’, door G.H. Rots, Aaltensche Courant, 19 november 1937 (via Delpher, deel IV & deel VI)
In vroeger tijden was november de tijd wanneer er geslacht moest worden. Het slachten gebeurde destijds nog niet op slachthuizen, maar gewoon bij de boer op het erf. Het werd meestal uitbesteed aan een ‘huisslachter’ een slager die aan huis slachtte. Over de huisslacht in Aalten en de gebruiken eromheen schreef G.H. Rots in 1937 het volgende:
“De drukste en gewichtigste dagen van het jaar waren wanneer er geslacht moest worden. Als November in ’t land kwam, dan kwam de slachtperiode. De „wieme was lèug”, en in ieder huisgezin dacht men er over één of meer varkens of een „beestjen” te slachten. De huisslachters hadden handen vol werk.
Als er morgens geslacht was, kwamen zoo tegen half twaalf de „vetpriezers”. Dan werd er door de buren gekeurd of de „nierkes wal onder ’t vet zatten”. De dikte van ’t spek werd getaxeerd, en eindelijk kwam de vrouwe met de „flessche”, want geheelonthouders kende men vroeger niet. Op de slachtdagen zorgde men dat men wat „in de flessche” had. De slachters kregen ’s morgens den eersten „borrel”, ’s middags de vetpriezers en ’s avonds kwam het groote feest: de slachtvisite.”
Drika Wijnveen-Stapelkamp en huisslachter Bertus ter Maat
Hoe het slachten in zijn werk ging
In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw was het nog toegestaan om zelf aan huis te slachten. Een fornuispot met flink wat water werd aan de kook gebracht. Het varken werd gedood met behulp van een schietmasker, dat een pin in zijn kop schoot. Het varken raakte bewusteloos. De keel van het dier werd vervolgens doorgesneden en het bloed werd opgevangen in een speciale platte pan.
Het varken werd schoongemaakt en met kokend water overgoten, zodat de haren gemakkelijker verwijderd konden worden, het zogenaamde ‘krabben’ van het varken. Het dier werd vervolgens aan een ‘leere’ opgehangen en opengesneden.
In een grote teil werden de ingewanden opgevangen. De darmen werden schoongemaakt. Eerst werden ze gespoeld met water en daarna werden ze schoon geschraapt en kon men deze gebruiken om worst te maken. De darmen werden dichtgebonden met worstenpinnen en opgehangen aan het plafond.
Al het vlees van het varken werd gebruikt. Van het vlees van de kop werd ‘hoofdkaas’ of zure zult gemaakt. De worsten en hammen werden aan het plafond te drogen gehangen. Het slachten en verwerken van een varken kostte een week werk, maar leverde voor een jaar vlees voor eigen gebruik op. Een manier om vlees voor bederf te behoeden was inzouten. Het vlees werd dan in een kuip zout gelegd. Het zout werd goed in het vlees gewreven. Ook kon men vlees conserveren in weckglazen. Zo kon men vlees vele maanden goed houden.
Een bekende huisslachter in Aalten en omgeving was Bertus ter Maat. Bovenstaand interview met de destijds 77-jarige Aaltenaar werd in 1991 gemaakt door FilmAalten.
Slachtvisite
Over de slachtvisite schreef Rots: “Die slachtvisites waren de uitgaansavonden voor de bevolking. Dan kwamen de buren bij elkaar en was men gezellig bijeen. Het begon met een köpken koffie met ’n beschuutjen. Daarna kwam de flesch op tafel. Op die avonden werden de gebeurtenissen van dien tijd besproken. De een wist dit, de ander had dat gehoord, en een derde had „korts de krante nog elaezene”, en den wist het sekuur. En de „vrouwleu” vertelden elkaar de geheimen van den burgerlijken stand en hetgeen daarmee in verband stond. Ondertusschen noodigde de huisvrouw nog eens: „Drinkt er um nog is uut”. „De poggen bunt good met-evallene”. En eindelijk, als het tijd van naar huis gaan was, verkeerde men in de allervroolijkste stemming.
Men stelle zich niet voor dat alle varkens die men gemest had voor eigen gebruik bestemd waren, kun je begrijpen. Eén varken moest zeker verkocht worden, en van het andere dat men zelf hield werden de hammen of schinken ook verkocht, want schinken zelf houden, „dat was joo um ’t opmaken te doone”, neen daar moest ook klein geld van gemaakt worden. En als men een vaars of „bolle” slachtte, dan werden zeer zeker de nagelhouten verkocht. Er waren enkele opkoopers die deze fijnere vleeschwaren inzoutten en rookten, en naar de grootere plaatsen verzonden. Het geld dat de varkens opbrachten moest veelal bestemd worden voor betaling van hooigras, hypotheekrenten enz. althans voor buitengewone uitgaven.”
Bronnen
‘Uit Aalten’s verleden’, door G.H. Rots, Aaltensche Courant, 5 november 1937 (via Delpher)
Foto: collectie Leo van der Linde, met dank aan Anton Stapelkamp
Al eeuwen luiden de klokken van de Oude Sint Helenakerk in Aalten om de bevolking op de hoogte te stellen van sterfgevallen, het zogenaamde ‘overluiden’.
Het komt regelmatig voor dat de klokken van de Oude Helenakerk ’s ochtends op diverse tijdstippen geluid worden. Vroeger gebeurde dat overigens vaker dan tegenwoordig. In vroeger tijden wist ook bijna iedereen wel wat dit betekende. Aan de hand van het tijdstip en het aantal slagen konden de mensen namelijk afleiden in welke buurtschap iemand gestorven was en ook of het een kind was, een vrouw of man en of de overledene gehuwd of ongehuwd was.
Het gebruik dat de klokken geluid worden als ergens een sterfgeval heeft plaatsgevonden heet ‘overluiden’. Al vele eeuwen klinkt er klokgelui uit de monumentale toren van de kerk op dagen midden in de week. Menigeen staat er even bij stil en denkt: memento mori.
De klokken van de Oude Helenakerk op de Markt in Aalten worden nog altijd voor dit plechtige moment gebruikt, altijd in overleg met de nabestaanden. Het overluiden kan voor alle overledenen gedaan worden, dus niet alleen voor leden van de Protestantse Gemeente.
Betekenis
Worden de klokken geluid om 9.30 uur dan betreft het een inwoner van de buurtschap Lintelo. Gebeurt het om 09.45 uur dan is iemand van de Haart overleden. Om 10 uur wordt geluid voor een sterfgeval uit Dale of IJzerlo en om 10.15 uur voor iemand uit de Aaltense Heurne. Gaat het om iemand uit Barlo dan is het tijdstip 10.30 uur. Vaak wordt om 11 uur geluid, dan wordt een overledene uit het dorp Aalten overluid.
Bij een man of weduwnaar wordt er voor en na het overluiden driemaal geklept met de klepklok. Bij een vrouw of weduwe wordt er twee keer driemaal voor en na het overluiden met de klepklok geklept. Bij een ongehuwde of een kind gebeurt dat drie keer tweemaal voor en na het luiden.
Aalten heeft een groot aantal boerderijen met een eigen naam. In het adresboek van de gemeente Aalten uit 1967 worden er zo’n 480 genoemd. Bijna al deze namen zijn uniek. Om verwarring te voorkomen lag het voor de hand om een boerderij een naam te geven die nog niet voorkwam. Wel vindt men bijvoorbeeld het Oude Loo en het Nieuwe Loo, Groot Kampe en Klein Kampe, zelfs ’t Paske, Groot Paske, Klein Paske en Nieuw Paske. Dit zijn vaak boerderijen, die voorheen één hofstee vormden, maar die bij verdeling onder de kinderen in delen is gesplitst. Namen met “Olde” of “Oude” wijzen dan op het oorspronkelijke huis.
Wanneer men die namen gaat bekijken, doet men een interessante ontdekking. Ze zijn in te delen in verschillende groepen. Zo is er een groep namen, waaruit men kan opmaken hoe de begroeiing rondom het erf vroeger was en in wat voor milieu de boerderij werd gesticht. Een andere groep wijst op het bedrijf, dat daar vroeger naast landbouw en veeteelt werd uitgeoefend. Veel boeren, en vooral de kleine, hadden voldoende tijd om er iets naast te doen en er wat bij te verdienen, wat dikwijls noodzakelijk was.
Nu is het geven van namen aan boerderijen al zeer oud. In het verpondingskohier van 1647/50 staan onder Aalten de personen genoteerd die de verponding (een grondbelasting) moesten betalen, evenals onder Bredevoort. Maar onder de buurtschappen worden de namen van de boerderijen vermeld, met daarachter de namen van de bewoners. Zo hebben we een lijst van hofsteden die toen bestonden. Veel van de tegenwoordige namen komen er al in voor.
Men moet wel een zeer grote fantasie bezitten om zich te kunnen voorstellen, hoe het Aaltense land er eeuwen geleden uitzag. Negen tiende van het land bestond uit heide, bos en moeras. De bebouwbare oppervlakte was gering en werd slechts gebruikt voor de teelt van groenten en enkele graangewassen. De meeste boerderijen waren klein: stedekes. Markeverdeling, kunstmest en betere afwatering hebben een einde gemaakt aan de prange en de marode van de boer.
Boerderijen, genoemd naar de begroeiing van de omgeving
De volgende namen vragen om een verklaring: Bokkel, in 1284 Buclo genoemd, beukenbos. Het Walfort heette voorheen het Waldenvort, een voorde (door de Slinge) bij het Wald, bij het bos. Zo ook Walvoort op de Haart, met een voorde door de Keizersbeek.
’t Olde Brusse, Lintelo
De naam Voorst (van forestis) werd gebruikt voor een woud, waarin niet gejaagd mocht worden; het was privé jachtterrein van de koning of de heer. Het terrein van de Snoeijenbos is in het bos gerooid. Brusse is gevormd van: Brusch, struikgewas, ’t Hagt en het Heegt: bos van laag hout, misschien bestaande uit hagedoornstruiken.
De Slehegge kan aan de sleedoorn herinneren, ’t Heggeltje: een kleine hagt. De Hakstege lag aan een smal pad (stege) door het hagt. De Rieste dankt zijn naam aan het rijshout. De Heisterkamp is gesticht op een terrein, waar veel struikgewas groeide.
In 1386 komt de naam Varenvelde en later nog het Verrevelt voor, wat nu het Vervelde is, De Veernhof is ook ontstaan in een veld vol varens. De Tente dankt zijn naam aan de tente, het boerenwormkruid. De Greute herinnert aan de gruit, de gagel, waarmee men het bier gistte en die op moerassige grond groeide, evenals het riet, wat men terugvindt in de naam de Riete. Woest onbebouwd land, vage vindt men terug in Vaags.
Men moet zich van deze hoogten geen grote voorstelling maken. Een verhevenheid van een halve meter werd al een bult, een horst of een heuvel genoemd. Deze hoogten boden geen enkele bescherming tegen de vochtige omgeving. De huizen waren erg vochtig.
Namen als De Bulte, Bultink en De Heuvel spreken voor zich. De Brink (brinc) was een met gras begroeide hoogte. De Bree (van bride) wordt beschouwd als een akker op de es. Drenthel (oorspronkelijk Drenthelo): bos op een hoogte. Haartman en Haartelink: een haart is een hooggelegen heideveld. Hengeveld (heng, helling), Hillen (hil, heuvel), Hoopman, de Klinke (heuvelachtige heidegrond met hier en daar plassen en poelen).
Tammel (in 1384 Tanbulen): dennenbos op een bult? Hondorp: dorp, terp, hoogte ter grootte van een hont, een oppervlaktemaat. Ook het Westendorp wijst op een hoogte. Wierkamp: wier, wierde, hoogte uitstekend boven een natte omgeving.
Boerderijen, in op bij een moeras gelegen
Het grootste gedeelte van de gemeente Aalten was vroeger moeras. Alleen de heuvelrug Bocholt–Vragender stak boven de moerassen uit. Deze broeken waren ontstaan doordat de riviertjes de Slinge, het Zilverbeekje en de Keizersbeek het water niet voldoende konden afvoeren. Daarom hebben zoveel boerderijen een moerasnaam, zoals Goorhuis, Goorman, Goorzicht, Moorveld, de Stroete (drassig onland), Veenemaat, Groot en Klein Veenhuis, ’t Veentje, Wijnveen (winne boerderij, boerderij in het veen), Hagenbroek (een broek met hagendoornstruiken), Kortenbroek (een broek met kort gras en daarom onvruchtbaar land), de Woerd (woert, laag liggend land).
Bolandsweide (bol, week, moerassig, modder). De Nonhof (in 1281 den Honhof) en de Hennepe (in 1284 Honepe), beide namen van “hoen” en “huun” gevormd. Luiten, in de volksmond Luten, was laaggelegen slecht land, lute, terwijl Maris vrijwel hetzelfde voorstelde: moeras. Glieuwe: gliede, zwarte glanzende grond, turf. Somsenhuus: somp, moerassig land. Pietenpol (in 1640 Pytenpoel): pitte, put, kuil, dus een poel op een lage plaats, De Put (kuil, poel). ’t Slaa: slade, heideplas, moeras. Te Sligte (in 1384 Schlichte): vlak moeras. Mager: pover schraal land. Het Navis bezat een vochtige weide; nate, nat en vis, Wisch, wiese, weide. Bij Amerongen staat nog de middeleeuwse woontoren de Matewisch.
Pietenpol, Haart
Kampnamen
Stapelkamp, Heurne
Een aantal namen eindigen op -kamp. Oorspronkelijk waren de kampen kleine stukjes land, die in de bossen van struikgewas en bomen waren ontdaan, ontgonnen bos dus. Later heeft het woord kamp de betekenis gekregen van akker.
Slechts enkele namen herinneren aan het ontginnen van woeste gronden. Nijland, Nijveld, Nijhof, Nieuwkamp, Nieuwe Weide. De Bijvanck, wat er bij gevangen, bijgenomen werd. Te Brake wijst ook op het ontginnen, het breken van de woeste grond. Ruwhof: rude, rode, ontgonnen land.
Boerderijen, die herinneren aan passen, hekken, tollen enz.
Een pas is een doorgang in een landweer, een houtwal. De bewoner van de nabij gelegen boerderij moet oppassen, toezicht houden op de binnenkomende personen. Zo’n boerderij droeg soms de naam “Pasop”. Langs de Romienendiek liggen bijvoorbeeld het Paske, de Pasop en de Paskerhut: de bewoners moesten de personen in de gaten houden die door de Wolboom en het Zwarte Veen de marke binnenkwamen. Op de grens met het Varsseveldse gebied bij de Varsseveldseweg, ligt ook een Pas. Aan de Varsseveldse zijde liggen hier de Loerdijk en de Kijkuit. De marken waren goed beschermd.
Tot degenen die mede de marke onder hun hoede moesten nemen, behoorde de bewoner van het Markerink, vroeger March-ward-inck geheten. Een werde was een wachtpost, een plaats waar men toezicht moest houden op de binnendringende ongure elementen. Een zelfde activiteit werd verwacht van het Ligterink, dat in 1435 Licht-werd-inck genoemd werd: het oppassen viel daar schijnbaar nogal licht. De plicht, van het wachthouden lag ook op de Kuier en de Kuierman: koeren, kuren betekende “uitkijken”.
Woonde de schutte, die het vee van een andere marke, dat in de eigen marke was binnengedrongen, in beslag moest nemen, moest schutten, op de Schuttenkamp en woonde zo iemand ook op de Man-schot-weide? Aan de tollen herinneren Slotboom, de Stokkert, ’t Bonte Hek, Klaphekke, ’t Tolhuis, Tolkamp en Tolder (tolgaarder).
Herinneringen aan de kerk
De Pater, ’t Klooster (genoemd naar het klooster Schaer), Kerkhof (een hoeve van de kerk), Kerkkamp, Neerhof (den Heerhof, bewoond door de monniken), De Kloeze, kluizenaar, misschien ook Klaus. Kosters custerie: de opbrengst van dit goed was voor de koster.
Boerderijen, waar een nevenbedrijf werd uitgeoefend
Beestman (veehoeder), de Scheper (schaapherder), Sweenen (zwijnenhoeder), Fukker (fokker), Peerdeboer, ’t Villeken (waar gestorven dieren werden gevild en de huiden werden gelooid), Baten (beten, het looien van huiden). De Brasse (brouwerij), Pakkebier (backe, ook brouwerij), Schenk (schenkhuis, tapperij) en Slikkertap (een tap in het slik, moeras).
Den Blauwen (blauwverven van linnen), de Wever, Bouwhuis Wever, Weversborg, de Pellewever (wever die fijner goed weefde, zoals damast en tafellinnen), Schreurs, Snieder en Snijdershuis (kleermakers). Kremer (marskramer) en Klodde (voddenkoopman). Speelman (iemand die met een muziekinstrument de feesten opvrolijkte) en de Piepert (pijper, fluitspeler). Krieger (bewoond door een soldaat? In 1640 kwam in Barlo ook een soldaetencamp voor).
Boerderijnamen eindigend op -ink enz.
Een veertigtal boerderijnamen eindigen op -ink. Deze wijzen grotendeels op het bezit, op het goed van een bepaald persoon. Ze zijn voornamelijk samengesteld uit een persoonsnaam + -ink. Er zijn uit alle mogelijke archiefstukken lijsten samengesteld van eigennamen, die in de middeleeuwen voorkwamen en aan de hand van deze lijsten kan men een aantal boerderijnamen verklaren.
Hoenink, Huinink en Hunink lagen in een hoen, een huun, een moeras. Een andere verklaring waar we, volgens het CBG Centrum voor familiegeschiedenis, rekening mee moeten houden is dat namen als Hoenink en Huinink teruggaan op de Germaanse persoonsnaam Huno.
Er is echter een aantal namen, die niet op persoonsnamen zijn terug te voeren. Zij hebben duidelijk op iets anders betrekking. Dat zijn: Bekink (ligt bij een beek), Bultink (ligt op een bult), Doornink (ligt in of bij een doornbos), Eekink (ligt op een terrein met eiken), Essink (ligt op een Es), Heijink (ligt op de hei), Kempink (ligt bij of in een kamp), Haartelink (ligt op een Haart). Rengelink kan duiden op een “rinc”, wat een gerechtsplaats was. Op de Borninckhof ontspringt de Haartse Wetering, daar liggen dus bronnen. Op het vroegere Richterink hield de richter zijn geding.
Er is een tijd geweest, dat men de betekenis van de uitgang -ink niet meer begreep. Men ging toen namen vormen met “stedeke” en “goet”. Zo vinden b.v. Heijnengoet, Goossenstedeke enz. In het latere taalgebruik liet men de woorden stedeken en goet weg. Freriksgoet werd Freriks, Rutgerstedeken werd Rutgers. Ook hier weer veel boerderijnamen, gevormd van persoonsnamen: Freers, Freriks, Bullens (van Bullo), Ebbers (van Ebbo), Goosen (Goosen, Goos), Heinen (Hein), Lammers (Lammo), Lievers (Lieven), Lindert (Lindert), Lubbers (Lubbert), Reinders (Reinder), Rutgers (Rutger), Wiggers en Wiechers (van Wigger), Wubbels (van Wubbel), Wolters (Wolter) en Rikkert (Rico).
Naast de boerderijen die in bovenstaande groepen zijn ingedeeld, zijn er nog enkele, die aparte vermelding verdienen: de Tuunte was omgeven door een tuun, een gevlochten omheining, evenals de Vreman en het Vreveld. De Zigtvrede had enkele voorkeursrechten bij de jaarlijkse verdeling van de markegronden. Een van deze boerderijen wordt in 1640 Seegvreden genoemd, geheten naar de seege, de geit. De Hegge was omringd door een haag. Het Sonderen had ook rechten; een deel van de gemeenschappelijke grond mocht voor eigen gebruik worden aangewend. Dat deel werd uit de marke afgezonderd. Het Meijnen is eveneens een deel van de gemeenschappelijke marke geweest.
Het Haverland en de Haverkamp hadden de plicht haver te leveren aan heer of kerk, enz. Op de Hemelmaat werd recht gesproken; een hegemael, een heimael, was een door een heg omgeven ruimte, waar een mael, een rechtzitting gehouden werd. De Akkermaat dankt zijn naam aan een weide, die in een dag gemaaid kon worden en de Maandag aan het stuk land dat in een dag met het gemende vee kon worden geploegd. Een vroegere naam zou dus geweest zijn: Mendag. De Hogewind moest eigenlijk de Hogewend heten, want dit was het hoge eind van het land, waar de ploeg gewend werd, gekeerd.
Het Grotenhuis geeft inlichtingen over de omvang van het huis en het Nieuwenhuis (in 1640 Nijenhuis) wijst op een toen nieuw gebouwde woning, net als Nijboer. Het Lankhof en Scheel geven de vorm van het land aan: lang en scheef. Het Korten (in 1640 Kortenstedeken) was maar kort van land. De Heurne had een vorm van een hoorn, een spits toelopend stuk land evenals de Timp en de Timpert. Droevig was het gesteld met de Prange, de Marode en de Drommelder, welke namen alle drie vertaald kunnen worden door ellende.
Het Smol was “klein en gering”. Kan de Huikert een hooiweide zijn geweest of is het een vervorming van de volksnaam Huik voor Hugo? Het Botervat: botterweide? Het Westendorp, het Oosterbosch, de Oosterhoeve en de Oosterman ontlenen hun naam aan de windstreken, waarnaar ze gericht liggen. Op de landbouw wijzen: Bouwlust, Bouwhuis en het Bovelt (bouwveld). Is het Hillo (Heiligelo?) een herinnering aan het heidendom of was het een lo op een hil (heuvel)? De Leste Stuver was vroeger een herberg bij Bredevoort waar rondtrekkende mensen hun laatste stuiver kon verbrassen.
Boerkoel, G.A.W., De namen der Aaltense boerderijen, gepubliceerd in het Oostgelders Tijdschrift voor Genealogie en Boerderijonderzoek (1984, nr. 2, pag. 1), bewerkt en aangevuld door Remco Neerhof (Oud Aalten). Sommige boerderijnamen komen meermaals voor in de gemeente Aalten; de toegevoegde hyperlink verwijst in die gevallen meestal naar de oudst bekende boerderij.
Een oorman, soms oormenneke genoemd, is een kamer die bij sommige (dorps)boerderijen werd aangebouwd, waar de bejaarde ouders van de bewoners hun laatste levensjaren woonden. Tegenwoordig zou men wellicht de term ‘aanleunwoning’ gebruiken. Een oorman was soms ook gehuurd door een alleenstaande persoon. Het was een kamertje van ongeveer twee bij twee en een halve meter, waarin een alkoof als slaapplaats diende.
Over de herkomst van het begrip ‘oorman’ schrijft E.M. Smilda in Aalten en Bredevoort in oude ansichten het volgende:
“De benaming ‘oorman’ moet naar mijn mening zeker niet worden beschouwd als te zijn afgeleid van ‘zoals de oren van een mens uitsteken, zo ook is een oorman een uitbouwsel aan het boerenhuis’. Integendeel, het is genoemd naar de bewoner zoals dat in deze streek gebruikelijk is. Beter gespeld heet het huisje ‘oirman’. Vondel laat in een van zijn stukken vragen: “Hebt gij dan geen oir?” Met ‘oir’ wordt erfgenaam bedoeld. In het eindkamertje, bij een boerderij aangebouwd, kon de oudere man die wel een oir had zijn laatste levensjaren doorbrengen. Hij was de oirman, woonde daar, hielp nog wel wat hier en daar en had de kost vrij. In geheel Nederland komt deze originele naam ‘oirman’ alleen in Aalten voor.”
De laatste Aaltense oorman bevond zich in de Hogestraat, nummer 38/40.
In de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw organiseerde de Aaltense VVV ’s zomers ouderwetse ‘boerenbroedlachten’ voor toeristen. Met een ‘broedspaar in kistentuug’, het gevolg eveneens in folklorische dracht, prachtig versierde boerenkarren en een met talrijke roosjes versierde bruidskoe.
Folkloristisch evenement (1959)
Woensdagavond 5 augustus 1959 is in Aalten weer de traditionele door de V.V.V. georganiseerde „boerenbroedlachte” gevierd. Dat dit folkloristisch evenement aller waardering geniet bleek ook nu weer overduidelijk. Een duizendkoppige menigte, waaronder talrijke te Aalten verblijvende pensiongasten, verdrong zich op de Markt toen omstreeks half acht de bruidsstoet, bestaande uit drie versierde „karren”, arriveerde. Na de „huwelijksplechtigheid” ten gemeentehuize verscheen het bruidspaar op de trappen waar het door de menigte met een driewerf hoera werd begroet.
Alvorens een rijtoer werd gemaakt door het dorp brachten de vendeliers van St. Helena een vendelhulde, waaraan de Aaltense Orkestvereniging haar muzikale medewerking verleende. Hierna werd het keurig uitgedoste gezelschap weer aan boord van de „bruidskar” gehesen, om al hobbelende de „huwelijksreis” door het dorp te maken.
Ook de bruidskoe ontbrak niet in de stoet. Gemoedelijk voortsjokkend liet de viervoeter al de drukte over zich heen gaan. Op de „Kattenberg” had het traditionele touwspannen plaats, een gebruik waarbij de borrelfles alle eer wordt aan gedaan. Via Oosterkerkstraat, Meiberg en Damstraat toog het gezelschap daarna naar de Sociëteit aan de Hofstraat, waar in opgewekte stemming de bruiloft werd gevierd. Onder leiding van Gait Jan van ’t Walfort zat er al spoedig de stemming in, niet alleen door de gulle traktatie van krentenbrood etc., doch ook door de medewerking van de boerenkapel van de A.O.V.
Net echt (1961)
Woensdagavond 2 augustus 1961 was het weer „net echt” op de Markt te Aalten. De V.V.V.-Aalten vierde n.l. weer de traditionele „Boerenbroedlachte”, een schouwspel dat niet alleen de honderden in Aalten vertoevende vakantiegangers boeide, maar tevens ook vele Aaltenaren op de been bracht.
Medewerking hieraan verleende weer de boerendansgroep „De Klepperklumpkes”, de Aaltense Orkestvereniging en de Vendeliers van het gilde St. Helena. Omstreeks acht uur arriveerde de bruidsstoet op de Markt, waar op het gemeentehuis de huwelijksvoltrekking zou plaats vinden. Overigens een wat ongewone tijd voor een huwelijksvoltrekking, maar de burgelijke stand had hiervoor speciaal het sluitingsuur verlengd.
Het bruidspaar werd ten gemeentehuize ingeschreven onder de namen „Jan Willem v.d. Bleeke en Mina v.d. Göttert”. Bij het verlaten van het gemeentehuis wachtte het bruidspaar de traditionele vendelhulde, de rijtoer door het dorp en tot slot de „broedlachte” in de Sociëteit, waar als gasten de in Aalten vertoevende pensiongasten waren uitgenodigd.
De moeite waard (1964)
Op 29 juli 1964 was het ook de moeite waard, al ging het wat anders als gewoonlijk. Men had n.l. met moeilijkheden te kampen en die begonnen al voor dat de bruidsstoet op weg was naar het gemeentehuis. Gelukkig echter geen interne moeilijkheden, maar een bruidskoe die het liet afweten. Volgens Gait Jan van ’t Walfort was de koe „luk springerig” geworden en daarom werd besloten het, dier niet in de stoet mee te voeren.
„Boh nee”, een onderdeel van de populaire Hoksebarge
Toen de stoet nog maar nauwelijks op weg was naar het gemeentehuis, dreigde er een nieuw oponthoud doordat van een van de rijtuigen de hoepel van het wiel liep. Hij hield het echter vol zodat de stoet dan tot eindelijk, zij het met drie kwartier vertraging op de Markt arriveerde. De „ambtenaar van de burgerlijke stand”, kennelijk op de hoogte van de Aaltense gemoedelijkheid, maakte hierop echter geen aanmerking zodat het huwelijk tussen Gert Willem v.d. Galgenhutte en Drika v.d. Slikketap kon doorgaan.
Tijdens de „plechtigheid” in de trouwzaal verzamelden zich voor het gemeentehuis honderden belangstellenden om een glimp te kunnen opvangen van het bruidspaar in „kistentuug”. Een ware ovatie barste los toen Gert en Drika in de deuropening verschenen en de gasten ruimschoots de gelegenheid gaven om hun plaatjes te schieten. Daarmee was het echter nog niet gebeurd. Integendeel, de pret begon pas toen de Klepperklumpkes wat klompendansen uitvoerden en met de dans „Wie gaot met z’n allen naor Hoksebargen too” ook de vakantiegangers in de gelegenheid stelden om de beentjes van de (Markt) vloer te gooien.
Voorafgegaan door de Aaltense Orkestvereniging maakte de bruidsstoet vervolgens een rijtoer door het dorp, waarna in de Sociëteit de broedlachte werd gevierd. Velen hebben hier van de gelegenheid gebruik gemaakt om Gert en Drika geluk te wensen en deel te nemen aan de feestelijkheden. De vendelhulde van St.-Helena kon dit keer door omstandigheden niet doorgaan.
Groot succes (1965)
De grootste VVV-attractie die de in Aalten verblijvende vakantiegangers telkenjare wordt gebracht, de „Boerenbroedlachte” is gisteravond weer opgewekt gevierd. Aanvankelijk dreigde de regen spelbreker te worden, maar het bleef gelukkig droog, zodat ook de rondgang door het dorp door kon gaan.
Aan de broedlachte ging zoals gewoonlijk de huwelijksvoltrekking op het gemeentehuis vooraf. Het was omstreeks acht uur toen de jonggehuwden, Johan van Bonthekkeman en Sina van de Moandag, op de trappen van het gemeentehuis verschenen, toegejuicht door de vele belangstellenden. Ruimschoots kregen zij de gelegenheid om het bruidspaar op de gevoelige plaat vast te leggen waarvan dan ook dankbaar gebruik werd gemaakt.
Inmiddels waren de „Bloaskoppe” van de Aaltense Orkestvereniging in vol ornaat verschenen om de volksdansen van de „Klepperklumpkes” muzikaal te begeleiden. Ook de „spölleman” ontbrak niet op het appél toen de in witgeschuurde klumpkes en in schoenen met naaldhakjes gestoken voeten van de dansliefhebbers zich in beweging zetten.
Tubantia, 15 juli 1967
Er is gedanst en gehost dat het een lieve lust was en zelfs de keurig uitgedoste bruidskoe scheen deze malle sprongetjes grappig te vinden. Overigens had de bruidskoe het dit jaar toch wel bijzonder goed getroffen. Zij mocht zich laten leiden door de lieftallige in blauwe overal gestoken 19-jarige kleuterleidster Olga Walgemoet uit Arnhem die zich, het moet gezegd, uitstekend kweet van haar taak. Dapper stapte Olga later ook met de koe door Aaltens straten toen de bruidsstoet zich op weg begaf naar de Sociëteit, waar het bruilofstfeest zou worden gevierd.
Op de Kattenberg kreeg de stoet even moeilijkheden omdat de straat werd versperd door een touw. Toen echter het bruidspaar de gebruikelijke tol, in de vorm van een borrel had betaald, kon de stoet ongestoord de weg vervolgen, en kon omstreeks half negen de „broedlachte” beginnen. Hier waren het vooral Gait Jan van ’t Walfort en de „Bloaskoppe” die met respectievelijk conference en muziek de gasten een genotvolle avond hebben bezorgd.
Enkele fragmenten uit de Java-bode, 22 december 1956
Kerstfeest: Christelijk feest, doch vele gebruiken stammen uit heidendom. In gewijzigde vorm hielden zij stand tegen de tijd.
Reeds enkele dagen voor het Kerstfeest wordt in de mensen een feeststemming wakker, die in de Kerstdagen haar hoogtepunt bereikt. Het is geen toeval dat dan de Kerstboom, hulst en mistletoe opgeld doen en dat Kerstbrood, Kerstkransen en ander Kerstgebak de feestvreugde vergroten. Er wordt zelden aan gedacht, dat dergelijke dingen en gebruiken stammen uit het oude heidendom.
Vroeger vierden onze voorouders omstreeks die tijd het Joelfeest, het feest der vruchtbaarheid, ter ere van de terugkeer van het licht. De kortste dag was voorbij, de dagen gingen weer lengen. Dan werden offermaaltijden gehouden en in de heilige bossen vlamden de offervuren hoog op. Het Kerstfeest is een Christelijk feest, maar al die gebruiken zijn voortgekomen uit heidense bodem en zijn, min of meer gewijzigd, staande gebleven en door de moderne mens overgenomen.
Het is moeilijk de gebruiken van Kerstmis te binden aan een bepaalde dag, want wat hier op de eerste Kerstdag geschiedt, vindt elders plaats op 26 December of zelfs op Driekoningen. Sommige gebruiken, zoals het eten van bepaalde koek- en gebaksoorten zijn gedurende die hele periode tussen Kerstmis en Driekoningen in zwang. In het algemeen kan men zeggen, dat in Nederland op het platteland de eerste Kerstdag de heilige dag is, een dag van bezinning en meditatie en dat de tweede Kerstdag meer als uitgangs- of visitedag wordt benut.
Achterhoek
Bij de oude mensen in de Achterhoek leeft nog het bijgeloof dat op Kerstavond „Derk met de bèèr” rondrijdt, die alles vernielt wat buiten rondslingert. Nog wordt op vele plaatsen alle landbouwgereedschap in de schuur geborgen en wordt het erf schoongemaakt…
In vele gezinnen eet men in de Achterhoek op Kerstavond iets extra’s, en dit gebruik doet denken aan de oude benaming „dikkevretsavond”. In boerengezinnen wordt vaak getracteerd op pannekoek, met worst gebakken. Een spotrijmpje, dat wijst op een extra tractatie, luidt: „Kasaventjen, Kasaventjen, dan gaat ’t er bie ons op. Dan slacht mien va ‘nen pekkelhering en ik, ik kriege de kop”.
In Aalten eet men op Kerstavond „pilleweggeskes”, kleine bolvormige „wegen”, waarop twee deegpillen in kruisvorm gelegd worden. Kinderen kennen nog een oud bedelliedje: „Pilleweggen-aovend, offert geld, Geft de kleine kinder wat, Geft de groten ‘ne schop vör ’t gat!”
Bovengenoemde twee deegpillen in kruisvorm horen oorspronkelijk niet thuis op dit kerstgebak. Zij zijn er op geplaatst toen het gewone volk de naam pilleweg niet meer begreep. Een pil is een petekind of doopkind en de pillegift in de vorm van een pillewegge was een doopgeschenk. Het was tevens een herinnering aan het heidense broodoffer, dat gebracht werd om de demonen van het kraambed te weren. Anijs, kummel en kaneel joegen door hun sterke reuk de goden weg.
Dat men op Kerstavond pillewegen ten geschenke geeft, vindt waarschijnlijk zijn oorsprong in de verering van Maria als kraamvrouw. Het gebruik om op Kerstavond walnoten te eten in de gezellige huiselijke familiekring (in Aalten bijv.) is nog in zwang.
Ongeveer vijftig jaar geleden zat op een donkere zomeravond een spook op de leuning van de brug over de Slingebeek in de Dijkstraat te Aalten. Het spook was in ’t wit gekleed, het had zwarte poten en bij tijd en wijle koerde het zacht als een duif of snorkte het als een varken. Bijna onbeweeglijk zat het spook daar en het joeg de mensen, die in het late avonduur door de stille en slechts spaarzaam verlichte Dijkstraat moesten, de stuipen op het lijf.
Opgeschoten knapen, die enkele minuten van tevoren nog snoevend tegen hun meisje hadden opgegeven over hun durf, zonk de moed in de schoenen, toen zij de brug naderden en de witte figuur daar zo rustig maar onheilspellend zagen zitten. Oude mannen en vrouwtjes in de omgeving schoven de grendel dichter voor hun deur; daardoor kon het spook tenminste niet naar binnen komen.
„Willum, bun ie ’t!”
Terwijl aan weerszijden van de Dijkbrug mensen angstig bijeen stonden en niemand het spook durfde passeren, kwam Hendrik – een potige boerenknecht uit IJzerlo – met grote passen vanuit de Kerkstraat de Dijkstraat in. Het was bekend dat Hendrik de kracht van twee en de moed van vier had, maar dit… „Goeienavond,” zei Hendrik, groetend de angstige mensen links en rechts in de Dijkstraat. Toen ging hij onversaagd de brug op. Een enorme spanning volgde. De mensen meenden dat zelfs de torenklok van de Helenakerk ophield met tikken…
„Goeienavond,” zei Hendrik tegen het spook. Toen weerklonk een plons, daarna een hartverscheurende kreet en even later kroop „het spook” langs de oever van de Slingebeek. Een wit laken dreef met de stroom mee en een mensengedaante kwam terzijde van de brug naar boven. Toen rende een vrouw naar voren en gilde: „Willum, bun ie ’t!” Zij omhelsde „het spook”, dat zij nog geen tien minuten tevoren klappertandend van verre had aanschouwd…
Oudheidkamer
Oudheidkamer, Dijkstraat 10b, Aalten
Deze geschiedenis speelde zich vijftig jaar geleden in Aalten af. Er werden toen in Aalten en nog meer in Bredevoort, voortdurend spoken gezien. De mensen hadden daar ontzag voor en wanneer zij ’s avonds bij een klein oliepitje zaten te geselsen, kwam het gesprek telkens opnieuw op de spoken terecht. Men lacht tegenwoordig om die spookverhalen, maar wie een bezoek heeft gebracht aan de Oudheidkamer in Aalten en heeft gesproken met de gids, de heer G.G.W. Essink kan zich een voorstelling maken van de bijgelovigheid van de vroegere Aaltense en Bredevoortse bevolking.
Bij kleine oliepitjes moesten de mensen ’s avonds hun werk doen, als tenminste dit pitje ’s avonds werd aangestoken. Brandde echter het vuur in de open schouw, dan werd veelal geen licht ontstoken. Het zou maar onnodig geld gaan kosten en het vuur gaf voldoende licht. Het gaf ook spookachtig licht. De sfeer voor de spookgeschiedenissen was in ruime mate aanwezig en de verhalen bleven niet uit.
Rakkers van jongens maakten van de bijgelovigheid van de bevolking gebruik, door geregeld als „spook” op te treden. Dikwijls waren ze dan nog bang voor zichzelf. Zo bang waren vroeger velen in Aalten en Bredevoort voor spoken, dat zij niet wilden hebben dat hun kinderen met de handen ’s avonds figuurtjes maakten, die in de schaduw van het lamplicht op de muur te zien waren. Zelfs voor deze onschuldige „konijntjes van schaduw” was men bang. Je kon nooit weten. Er worden rare dingen gezegd…
De straatverlichting was zeer gering en zo werkte alles mede tot het scheppen van een ware spooksfeer. In de Oudheidkamer is nog een open haardvuur en hangen de kleine lampjes voor de schoorsteen, terwijl de gids genegen is te vertellen over spoken van weleer.
„Vorstelijke” haardplaat
Doch niet alleen spookverhalen kan men horen in de Oudheidkamer, er is nog veel meer. Er is in het in oude stijl opgetrokken gebouwtje aan de Dijkstraat te Aalten zeer veel bijeen gebracht uit vroeger tijden. Daar is bijv. een haardplaat met het opschrift Georg Friderich, fürst zu Waldeck.
Eeuwen geleden heeft deze vorst in Culemborg gewoond. Hij heeft daar in de zestiende eeuw de eerste Lutherse kerk doen bouwen. De haardplaat, die hij zich toen heeft laten maken en waarop liefst negen wapens voorkomen, is na veel omzwervingen in Aalten terecht gekomen en hoewel voor dit kunststuk al zeer veel geld is geboden, wil men het in de Oudheidkamer te Aalten niet kwijt.
Een prachtig lepelrek gemaakt van hout trekt bijzonder de aandacht. Het rek is rijk aan symboliek en het lijden en sterven van Christus is in dit rek voorgesteld. De ouderwetse kinderstoel ontbreekt natuurlijk niet in deze verzameling van oudheidkundige voorwerpen, doch evenmin een wafeltang van honderden jaren geleden. Het geval is bijna een kilo zwaar en men hoeft zich niet af te vragen of de vrouwen, die vroeger wafels bakten, ook spierballen hadden. Het moet haast wel.
De klokkestoel uit de Hervormde kerk van Bredevoort heeft ook in de Oudheidkamer een plaats gevonden. Nadat in 1657 de vlakke slinger was uitgevonden, kwam reeds in 1666 een hiermede op „moderne wijze” uitgeruste klok in Bredevoort’s toren. Na ongeveer 280 jaar in het oude stedeke de minuten weggetikt te hebben, werd de klok vervangen door een moderner uurwerk. Het bezwaar van de oude klok was, dat ze iedere morgen moest worden opgewonden.
Sedert kort zijn er in de Oudheidkamer te Aalten ook foto’s te zien van ’t vroegere Aalten. Dank zij bemoeiingen van Aalten’s Belang heeft men deze foto’s gekregen. Vooral oud-Aaltenaren hebben hiervoor grote belangstelling. Er is bijv. een foto, gemaakt bij de aankomst van de eerste tram in Aalten. Grote vreugde heerste er toen. Verleden week zijn de rails opgebroken. Sic transit gloria…
Het station van de Ned. Spoorwegen stond vroeger op een open vlakte in het veld. De bevolking vond dat het station zo vreselijk ongelegen lag, helemaal buiten het dorp. Nu moppert men omdat de spoorlijn door het dorp loopt en men moet wachten voor gesloten spoorbomen. Er zijn foto’s van de vroegere Markt met de oude pompen. Het is nog altijd jammer dat enkele jaren geleden deze oude pompen van gemeentewege zijn verwijderd.
Twee ouderwetse fietsen – velocipêdes, zei men vroeger – staan er in de Oudheidkamer. Het zijn vehikels, die doen veronderstellen dat onze voorouders amateur-circusacrobaten waren. Toch waren zij dat niet, maar niettemin reden zij op deze „fietsen” met het hoge voorrad en het kleine achterwiel door Aalten’s straten. In de laatste oorlog – acht jaar geleden – zijn deze fietsen nog gebruikt, namelijk door Duitse militairen. Wanneer het hun niet gelukte in Aalten een fiets te bemachtigen en dat lukte vaak niet, dan namen zij in arrenmoede maar een velocipède uit de Oudheidkamer en fietsten hierop naar Bocholt.
In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen in de Aaltensche Courant hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Zo schreef hij over spelletjes die de jeugd vroeger speelde:
“Op ’t gebied van kinderspelen is er ook veel veranderd; verschillende spelletjes, welke vroeger door kinderen werden gedaan, ziet men niet meer, o.a. ‘bikkelen’.
Knikkeren
“Ook het knikkeren door jongens gebeurde vroeger heel anders. Toen was het een kunstspel, en lang niet alle jongens waren daarin bedreven. De groote ronde ‘marvel’ werd geklemd tuschen den nagel van den duim en den wijsvinger weggeschoten, en moest men de knikker daarmee raken. Men knikkerde met één, twee, of met een hoopje.
Men moest minstens twee deelnemers hebben, maar meestal waren er meer deelnemers aan het spel. Zoo elke twee meter werden de knikkers gezet, naar gelang er deelnemers waren. Om beurten werd er met de marvel geschoten, en wie dan maar de meeste raakte, won ook het meeste.
Als men eenige knikkers geraakt had, moest men zorgen niet te dicht bij de beginlijn of bij de buurman te komen, want werd de marvel van iemand door een mededinger geraakt, dan moest hij de gewonnen knikkers afgeven.
Men kon zich ook ‘zetten’. Was iemands marvel ’twee handspan en ne knukkel’ van een hoopje of opgezette knikkers verwijderd, dan kon hij zijn marvel bij het hoopje zetten, om dan een volgende beurt met dat hoopje te ’trekken’. Daardoor kon de vaardige speler het aanleggen dat hij zijn marvel tot vlak bij die van een ander kon brengen, en dan restte hem niets meer dan dien marvel te schieten, en de knikkers welke opgezet waren kwamen in ‘zienen knikkerbuul’ terecht. ’t Is erg jammer dat dit interessante spel is verwaarloosd, en nu geworden is tot een doelloos gooien met knikkers door gaten vaneen plankje.”
Mottekoezen
“Een ander spel, dat ook niet meer wordt gedaan, is ‘mottekoezen’. Dit spel werd meestal gedaan door een vier- of vijftal jongens. In een zanderig terrein werden zooveel gaten gemaakt als er deelnemers aan ’t spel waren. De gaten waren ongeveer 15 cM. diep en breed. ledere jongen was met een stok gewapend en hield die in het gat. Nu moest de beginner trachten een bal met een stok in een gat van een medespeler te slaan. De medespeler verweerde met zijn stok de bal af, maar moest, als hij geen afweerpogingen deed, de stok in het gat houden.
Was het de balspeler gelukt den bal in het gat van een der spelers te krijgen, dan moest de getroffene weer pogen de bal in een gat van zijn medespelers te krijgen. Het was dus een gevecht met stokken op de grond om den bal te slaan. Er werd ook wel eens misgeslagen en kwam de stok tegen de beenen van een der medespelers aan. Maar men had vroeger geen bloote knieën, allemaal lange broeken aan en het gevaar voor ernstige blessures was gering.”
Hoed je! de bal
“Weer een ander spelwas: ‘Hoed je! de bal’. Vroeger droegen de jongens allemaal petten en daardoor kan dat spel nu niet meer gespeeld worden, want ze zijn nu bijna allemaal blootshoofds. Een aantal jongens zetten hun petten op een rij tegen een muur, wiens pet vooraan stond begon. Hij plaatste zich op ongeveer 2 Meter afstand van de pettenrij en probeerde een bal in een der petten te gooien. Dat gelukte niet altijd, maar als het gelukte moest hij, in wiens pet de bal kwam, fluks die bal grijpen en daarbij trachten een der jongens te raken. Deze waren inmiddels naar alle kanten uiteengestoven, maar door snelheid kon de balgooier soms iemand raken.
Werd iemand geraakt dan kreeq de getroffene een steentje inde net. Trof de balqooier niemand dan kreeg hij zelf een steentje in de pet. Om beurten, in volgorde der petten, mocht men probeeren de bal in een pet te krijgen. Meestal werd in een anders pet gegooid, maar soms gooide men ook wel eens in zijn eigen pet, om er dan als de kippen bij te zijn den bal te krijgen en snel eender jongens te raken. Als iemand 5 steentjes in de pet had viel hij af, ‘dan was hij melk’, zooals de jongens dat noemden; die het laatst overbleef was overwinnaar. Het was een zeer spannend en veel beoefend spel.
Mieroo
Een vangspel dat veel door jongens gedaan werd was ‘Mieroo’. Een jonqen stelde zich in de straat op en een 25 Meter verder een groep jongens. Op het geroep ‘Mieroo’ stormde men op elkaar in en hij wie door den alleenstaanden jongen werd geraakt moest zich bij hem voegen. Het aantal verplaatste zich dus, totdat de laatste gevangen was. Het kwam hier vooral aan op lenigheid. Hij die snel en lenig was wist geregeld door het cordon te glippen zonder dat hij geraakt werd.
Meneer ik ben de bukersteen
Een spel dat door meisjes en jongens samen wel eens werd gespeeld, was ‘Meneer ik ben de bukersteen’. Hoe men aan die benaming kwam blijkt uit het spel. Op een terrein dat eenigszins afgebakend was, posteerde zich een meisje of jongen en moest dat terrein als zijn eigendom beschouwen. Rondom stonden de deelnemers en betraden dan het verboden terrein, daarbij den titel van het spel roepende, om te kennen te geven dat ze op verboden terrein waren: “Meneer ik ben op verboden terrein”.
Nu moest de alleenheerscher de indringers trachten te grijpen. Hij die vastgegrepen of geraakt werd moest hem helpen zijn grondgebied te verdedigen. De brutaalsten drongen ver het terrein op, maar de geslependsten sprongen maar een paar passen op den verboden grond om direct weer terug te kunnen springen als er gevaar dreigde. Als de laatste geraakt was, was het spel uit en bedacht men zich weer een ander spelletje.
Meentje smieten
Men had vroeger geen werklooze jongens. De jongens moesten al vroeg aan ’t werk, hetzij in de fabriek of bij den boer. Maar ’s Zondagsmiddags kwamen ze bij elkander en trok men ‘de bussche in kateerkers jagen’, en als men dan een paar zakcenten had werd er wel eens een spel met centen gedaan: ‘Meentje smieten’. Een streep werd over de grond getrokken en op 2 Meter afstand ging men staan en gooide met een cent naar de lijn. Hij, die het dichtst bij of op de lijn had gegooid mocht al de gegooide centen oprapen. Hij schudde ze in de gesloten handen, gooide ze op en die centen welke met de leeuwtjes naar boven lagen waren voor hem. Het was dus een soort gokspel hetwelk lang niet door alle jongens werd beoefend, die zakcenten hadden.”
Bron
‘Uit Aalten’s verleden’, door G.H. Rots, Aaltensche Courant, 11 maart 1938 (via Delpher)
In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen in de Aaltensche Courant hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Zo schreef hij over het vroeger geloof aan heksen:
“Volgens het volksgeloof hadden de heksen ’s nachts samenkomsten en zoo was er in den Aalter Esch ook een plek waar het nachtelijk heksenverblijf was. Dat stukje grond, dat ongeveer gelegen heeft halverwege tusschen de Linde en den Lichtenvoordschen weg, heette de ‘heksenbeddestêe’. Het was een stukje niemandsland, waar niemand aanspraak op maakte.”
Wie leest wat zich op dit gebied heeft afgespeeld staat paf van de verhalen die over heksen en spoken in vroeger tijden de ronde deden. Dat was zoo erg dat zelfs ontwikkelde menschen aan hekserij geloofden en de overheid in die dagen bemoeide zich met dit kwaad en strafte degene die zich aan hekserij schuldig maakte.
Om te kunnen beoordeelen of een beschuldigde al of niet vrij uitging werd de z.g.n. waterproef toegepast: Het slachtoffer werd te water geworpen. Bleef hij drijven: zoo kon hij heksen; zonk hij, dan ja wat dan? Dan kon hij niet heksen, maar verdronk hij meestal. Men geloofde dat zij of hij, die heksen kon zich in een dier kon veranderen. Ziekten onder het vee of ook wel onder de menschen was veelal door de heksen voortgekomen. Als de melk een blauwe kleur had, als er in een kalver- of koeienmaag een kluwen haar zat, dan was dat alles de schuld der heksen.
Er waren zelfs menschen die zelf geloofden dat zij heksen konden en daar bij beweerden dat ze met den duivel geregeld een onderhoud hadden. Op een bezemsteel reden de heksen door de lucht en op de beddestae in den Aaltenschen Esch daar kwamen ze samen en vierden hun nachtelijke feesten. Het zij ter eere van de geestelijke leiders in die dagen gezegd, dat zij er althans niet aan geloofden en dan ook herhaaldelijk de bevolking op het ongerijmde der hekserij hebben gewezen.
Maar wat eenmaal vastgeroest zit laat niet gemakkelijk weer los en zoo heeft het jaren, ja zelfs eeuwen geduurd, voordat het bijgeloof verdwenen was. De overheid heeft zich vooral op aandringen der geestlijkheid met de bestrijding der hekserij bezig gehouden. Men nam daarbij middelen te baat die afschrikwekkend waren. Was men er van overtuigd dat iemand heksen kon of zich daarvoor uitgaf dan werden de meeste krasse maatregelen genomen. Vaak moesten de slachtoffers het leven er bij laten, zelfs zijn er brandstapels voor opgericht.
Groezel ovver de hoed
De oude nachtwachts konden griezelige verhalen doen van wat ze ’s nachts al zoo beleefd hadden. De hoorder van deze verhalen trok ‘de groezel ovver de hoed’. Zoo wist men te vertellen dat ‘achter de heggen in het Heuksken’ elken nacht een in ’t wit gekleede vrouw rondzwierf. En dan dat geheimzinnige licht in het knekelhuisje op het kerkhof. Ook ontmoette men soms geheimzinnige dieren, die Aalten’s straten onveilig maakten. En dan de ‘veurspooksels’ van brand. Als er brand kwam in ’t dorp had soms een der nachtwachts weken te voren al een ‘roode gloed’ boven de plek van den brand gezien.
Berent Sweenen
Omstreeks 1600 woonde in Barlo een zekeren Berent Sweenen. Zijn buurman Geerdt Luiten klaagt hem aan wegens hekserij. Er zijn bij Luiten geregeld koeien, varkens en paarden gestorven aan ‘onnatuurlijke krankheit’ of tooverij. In de maag van een der koeien welke hij opengesneden had waren ‘pedden en slangen’ gevonden. En Berent Sweenen zijn zuster ‘was ook ne hekse’. De heele boel was behekst en Luiten was al naar Lichtenvoorde klagen geweest. Berent Sweenen wordt voor de overheid gedaagd en moet al die beschuldigingen aanhoren.
Luiten komt nog met een nieuwe beschuldiging. Men kan in zijn huis geen boter meer karnen. Oorzaak: behekst door Sweenen. Een andere buurman Bernt Tolkamp vertelt dat hij bij Sweenen karnemelk gedronken heeft en daar ‘ijselyk krank’ van geworden is. En de dochter van Tolkamp was ook ziek geworden, ook al door Sweenen behekst.
Er zijn meer getuigen opgeroepen, n.l. Geerdt Winkelhorstink en Johan Merkerdink. Zij konden niet anders vertellen dan dat Sweenen al lang voor toovenaar was aangezien. Persoonlijk hadden zij er echter geen last van gehad. Een zekeren Herman Olthuys legt weer bezwarende getuigenis af. Andere buren vertelden dat zij Berent Sweenen, welke kleermaker was, in huis hadden gehad en hun had medegedeeld dat hij heksen kon. Elf getuigen hebben toen den eed afgelegd en verklaard aanroepende ‘Godt en Zijn heilig Evangelium’, dat het waarheid was wat ze hadden beweerd.
Berent Sweenen, de eenvoudige kleermaker, hield zijn onschuld vol, maar hij staat alleen en tenslotte, onder de suggestie van al die beschuldigingen, geeft hij toe en zegt dat hij al wel 18 à 20 jaren de kunst van heksen heeft verstaan. Zijn lot was beslist en gezien de straffne van die dagen zal zijn hoofd wel onder de bijl des scherprechters zijn gevallen. Een geval uit velen.
De menschen prakkizeerden zich wat. In de lange winteravonden bij de primitieve verlichting, zagen ze allerlei vreemde dingen. Zij hoorden wonderlijke verhalen en als de oude man aan den hoek bij het haardvuur zat, moest hij vertellen en dan kwamen de verhalen los van spoken en heksen en ’s nachts in den slaap hoorde men allerlei geluiden. Het mysterie van het onbekende. Dat onbekende, dat geheimzinnige, maakte de menschen overstuur en het geval Sweenen te Barlo staat niet alleen.
Veertien jaar vroeger had reeds de Drost van Bredevoort aan de Pandvrouw geschreven dat de hekserij in Aalten steeds grooter afmetingen aannam. Men kan daaruit concludeeren dat de regeeringspersonen, dus nemen we aan het intellect van die dagen, ook geloofden dat er heksen waren. De bestrijding van het kwaad gebeurde dus niet door de menschen in te praten dat ‘heksen’ niet kan bestaan, maar door de uitroeiing van de individuen die het kwaad ten uitvoer brachten.”
Aleida Voesters
“We willen nog een geval mededeelen, om een juist beeld te geven van de treurige toestanden in die dagen. Het betreft een vrouw Aleida Voesters geheeten. Zij werd beschuldigd van heksen en in de gevangenis geworpen doch werd daaruit weer bevrijd toen ze beterschap beloofde en een geldelijke boete betaald had. Maar als de bevolking eenmaal iemand in een kwaad daglicht stelt, is het met zijn reputatie gedaan.
Zoo ook deze vrouw. De bevolking liet haar niet met rust. En de maat werd volgemeten toen een zekere Wessel Wassink, kleermaker van beroep, beweerde, dat hij bij vrouw Voesters uit huis was gaan loopen, omdat hij daar duivels had hooren twisten. Het gerucht bereikte de overheid weer, en deze overlegde hoe ze met deze vrouw aan moesten. De ‘beul’ vertelde aan den Drost dat hij er wel een middel op wist om met krachtige maatregelen in te grijpen. De vrouw werd weer gevangen genomen en naar Bredevoort getransporteerd. Ze werd in ’t water geworpen en… ze bleef drijven, ze zonk niet. Een bewijs dat ze heksen kon. Met een langen stok duwde men haar naar beneden, maar het schijnt dat de overmatige vrouwelijke kleeding van die dagen een beletsel voor het zinken is geweest.
Ontzettend wreed is de vrouw toen gefolterd. Ze moest tot een voorbeeld gesteld worden. Op een ladder werd zij vastgebonden en toen gegeeseld, maar de vrouw hield vol dat ze niet kon heksen. Twee dagen later werd ze weer op de pijnbank uitgestrekt. Maar ze bekende niet. Men bond haar een touw aan de handen en hing haar aan een balk. En toen had de beklagenswaardige vrouw een geluid uitgestooten alsof er wel drie mannenstemmen geroepen hadden. En terstond daarna was haar nek gebroken. Haar lichaam is verbrand geworden op een brandstapel; gemaakt van hout dat door de boeren daarvoor expresselijk moest worden aangevoerd. Zoo waren de heksenvervolgingen.”
Molkentoversche
In een gerechtelijk stuk van het Hof van Bredevoort uit 1533 vinden het volgende verhaal: Het echtpaar Gert en Lise Stapelkamp heeft een kerkbank in de Sint Helenakerk in Aalten, die volgens hen al door Gert’s moeder Sine Stapelkamp is gekocht. Maar het echtpaar Koep en Nale Heinen beweert dat het hun bank is. Nale heeft Lise tijdens de dienst driemaal voor ‘molkentoversche‘ (heks die koeien betovert) uitgemaakt, waarop Lise van zich af sloeg. Een forse rel in de kerk!
Bronnen
‘Uit Aalten’s verleden’, door G.H. Rots, Aaltensche Courant, 26 november 1937 (Delpher)
‘Uit Aalten’s verleden’, door G.H. Rots, Aaltensche Courant, 11 maart 1938 (Delpher)
In grote delen van het land viert men zeven weken voor Pasencarnaval. In Aalten niet zozeer. Carnaval is van oudsher namelijk een katholiek feest en Aalten is sinds de Reformatie overwegend protestants gebleven. Toch werd er in het verleden ook in Aalten wel carnaval gevierd.
Carnaval is van oorsprong een gekerstend heidens volksfeest dat traditioneel alleen door katholieken wordt gevierd. In delen van Gelderland wordt carnaval ieder jaar uitbundig gevierd, in veel andere delen (helemaal) niet. Deze regionale cultuurverschillen gaan vaak terug tot de Reformatie en de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Tijdens deze strijd ontstonden regio’s die al snel aan de kant van de protestantse opstandelingen terechtkwamen. Andere regio’s hielden lang vast aan het katholieke geloof van de wettige vorst en hertog van Gelre.
Zo werd de heerlijkheid Bredevoort in 1597 veroverd door de calvinistische Maurits van Nassau. Hij maakte daarna de hele regio van Aalten tot Winterswijk protestants. Zijn halfbroer Frederik-Hendrik veroverde Groenlo pas in 1627 definitief op de katholieke vorst. In de voorliggende jaren kon het katholieke geloof dieper wortelen in de samenleving van Groenlo en omgeving dankzij de contrareformatie.
Carnaval in Aalten
Toch werd ook in Aalten vroeger carnaval gevierd. In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Zo wijdde hij onder andere een deel aan de ‘vastenoavond’, oftewel carnaval:
“Gaan we nu weer eens de vroolijke dingen bekijken, dan was het eerste waarvoor men zich in ’t dorp druk maakte de ‘vastenoavond’. Evenwel in vergelijking met carnavalspret in zuidelijker deelen van ’t land was het hier erg bescheiden. In enkele café’s was muziek, en op straat vertoonden zich ook enkelen met een narrenpak. Teekenend was echter de gewoonte van de jeugd door met een z.g.n. „foekepot” te loopen. Dat was een blikken bus, waarover een gedroogd stuk varkensblaas was gespannen. In ’t midden was een gaatje, waarin passend een staafje hout. Door op en neer duwen van dit stokje ontstond een brommend geluid, en zoo kon men op vastenavond het doffe geluid hooren van foeke-foeke-foeke. Men zong daarbij het volgende liedje:
Foekepotterij, foekepotterij, geef me een centje, dan ga ik voorbij. ’k Heb geen geld om brood te koopen, ‘k Heb al zoo lang met de foekepot geloopen. Foekepotterij, foekepotterij, geef me een centje, dan ga ik voorbij.
Het centje werd meestal gegeven, en de „vastenaovendsgekken” maakten goede zaken.”
Aalten heeft zelfs drie carnavalsverenigingen gehad: De Slinge-raars, Spuit Elf en De Olde Mölle.
Carnavalsvereniging De Olde Mölle, Aalten – Prins Jan, zijn adjudant en de Raad van Elf.
Tegenwoordig wordt carnaval in Aalten alleen nog maar gevierd door de kinderen van de St. Jozefschool, de enig overgebleven katholieke basisschool in het dorp. Andere Aaltenaren die carnaval willen vieren, wijken noodgedwongen uit naar bijvoorbeeld Groenlo (Grolle), ‘s-Heerenberg (Waskuupstad) of Doetinchem (Leutekum).
Krantenberichten
De Maasbode, 5 februari 1913Carnaval Mater Amabilisschool, Aalten – Dagblad Tubantia, 30 januari 1961Dagblad Tubantia, 24 februari 1965Dagblad Tubantia, 9 april 1965
Dagblad Tubantia, 12 november 1965Dagblad Tubantia, 18 februari 1966
In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Zo wijdde hij onder andere een deel aan het vroegere boerenleven:
“De buurtschappen van Aalten vormden een onafscheidelijk geheel met het dorp. De dorpsbewoners hadden den boer noodig en omgekeerd zochten de landbouwers der buurtschappen contact met de dorpsbewoners. De wegen waren lang niet even best, en door het smalle wielbeslag hadden de zandwegen heel wat te verduren. Waterafvoer was slecht geregeld, en het onderhoud liet veel te wenschen over. En toch moesten die wegen gebruikt worden ten koste van veel paarde- en ossenvleesch. Want de meeste landbouwers hadden vroeger ossen, welke als trekkracht gebruikt werden voor de wagens en karren. Met tragen gang ging het voort: kom ik er vandaag niet, dan morgen, langzaam maar zeker, want de os was een sterk trekdier. Na eenige jaren als trekdier dienst gedaan te hebben, werd het naar de slachtbank gevoerd.”
Primitief
“Het geheele landbouwersbedrijf was natuurlijk primitief, kunstmest was er niet, met als gevolg veel minder bodemopbrengst. Grupstallen kende men niet, en kippenhokken had men „op den boer” niet. De kippen vertoefden des nachts bij de koeien in den stal. Men had daar eenige slieten aangebracht, en de geheele hoenderstapel tippelde ’s avonds het „hoonderrek” op. En als de dagen kort waren kwamen ze er bijna niet af. Eierproductie alleen in den zomer, en dan nog niet te veel. Ook het rundvee zag er niet zoo florissant uit als tegenwoordig. Men moest voederen wat eigen bodem opbracht. Alles was naar “rato”, naar evenredigheid, maar veel minder en productiever dan tegenwoordig.
Boterfabrieken waren er niet, de melk werd in roompotten gezuurd en zelf gekarnd. Op sommige boerderijen liet men dat karwei door een hond doen. De karnhond moest in een groot rad loopen, waardoor dit in beweging werd gebracht, hetwelk met een asverbinding de karninrichting in beweging bracht. De gekneede boter werd aan ‘welters’ gemaakt, en dan ging de huisvrouw er mee naar de markt. In Aalten was de botermarktachter ’t Gemeentehuis. Deze heeft echter geen bloeiende periode gehad, want de winkelier was ook een willig kooper. Met een gesloten beurs kon men dan kruidenierswaren koopen, en groote leveranciers kregen er contanten bij. Ook de eieren brachten wat geld op, maar zooals gezegd, de productie was niet zoo groot.”
Botermarkt – De Graafschapbode, 21-07-1888
Koojonges
“Vele kleine landbouwers gingen in daghuur werken, en enkelen hadden ook een weefkamer, waarin wat verdiend werd. Alles moest natuurlijk met handenarbeid verricht worden, machines kende men niet. Elke landbouwer (geen daghuurder) had dan ook minstens één groote knecht en ‘ne koojonge’. En die ‘koojonges’ kwamen meestal uit het dorp.
Het was de gewoonte dat de jongens uit de arbeidersgezinnen, vóórdat ze een vak of ambacht leerden, eerst een paar jaar naar ‘den boer’ gingen. De arbeidersgezinnen in ’t dorp waren meestal nogal met kinderen gezegend, en als dan een jongen 10 à 11 jaar was, moest hij naar ‘den boer’ voor ‘kost en kleeren’. Er werd dan bij gezegd: “dan leert ‘e meteene ordentelijkheid”. In elk geval leerden de jongens de eerste beginselen van het landbouwbedrijf, wat hun in ’t verdere leven goed van pas kwam.
Voor volslagen knechten en dienstboden was het loon ook niet te veel. Dertig of vijftig gulden per jaar, maar daarbij kregen ze nog wel eens kleeding. Een paar hemden, een paar brunten (soort schorten), klompen en eenige andere benoodigdheden. Dat was het geheele loon van de dienstbode. In ’t voorjaar hadden ze vacantie, z.g.n. ‘spinneweek’. Dan waren ze weer een week bij moeder thuis. Het loon der knechten was iets hooger, maar toch naar tegenwoordige begrippen zeer laag. En reken er niet op dat men veel vrijen tijd of korte dagen maakte. We vermeldden reeds dat ’s morgens om vier uur de dorschvlegel al ter hand genomen moest worden.”
Voeding
“Voor eigen voeding werd meer uit het landbouwbedrijf genoten dan thans. In de eerste plaats verbouwde ieder een kwantum boekweit. Het boekweitemeel was geschikt voor pannekoeken. En steevast werd elken morgen pannekoek gebakken, meest met ‘ne harste spek’ er in. De bakolie was ook een product van eigen verbouw. Het raapzaad werd naar den olieslager gebracht, en eenige groote kruiken raapolie en een aantal raapkoeken eenige weken later weer opgehaald. De koeken was een uitstekend veevoeder, een extraatje voor nieuwmelkte koeien.
Het eten was verder zoo eenvoudig mogelijk, doch voedzaam. Eigengebakken brood, want veel landbouwers hadden zelf een bakoven, en bakten hun eigen brood. De eenige delicatesse was ‘riestpap met broenen suker’, meestal een maaltijd voor zondagsavonds of als er bezoek kwam. Een groote schaal vol ‘riestpap’ werd midden op de tafel geplaatst. leder aanzittende kreeg een lepel, en dan begon het eten. Het fatsoen eischte dat men de lepel kortaf inde stevige brij stak, om den indruk niet te wekken dat het om de lekkerste bovenlaag met bruine suiker te doen was. Was iemand tóch zoo brutaal, dan dacht men al gauw: “Hee is ok an ’t plaggen mèèjen”. Eieren eten deed men alleen op Paaschzondag. Dan werden er wel eens meer verorberd dan goed was voor de maag.”
“Als de oogst binnen was, de aardappelen gerooid, dan was er reden tot blijdschap, dan werd er een huiselijk feestje aangericht en had men ‘stoppelaene’. Dit feestje beperkte zich tot de huisgenooten en arbeiders die bij den oogst behulpzaam waren geweest. Dat het landbouwbedrijf met economische moeilijkheden te kampen heeft gehad, blijkt wel hieruit dat vele familie’s hun boerderijen verkochten en zich een nieuw bestaan zochten in het Nieuwe Werelddeel in Amerika. Behoudens een enkele uitzondering, is er geen enkele teruggekeerd en zijn ze in hun nieuwe vaderland tot grootere welvaart gekomen.
De grondprijzen waren hier laag en vooral woeste grond was niet duur. Voor honderd gulden per H.A. kon men al woeste grond koopen, want bosch en heide was er genoeg en waar nu vette weiden en best bouwland is waren vroeger uitgestrekte bosschen, heidevelden en woeste grond. Vooral de buurtschap Haart was zeer boschrijk.
Toen de kunstmest haar intrede deed in het boerenbedrijf, kwam er een ommekeer ten goede. Woeste gronden werden ontgonnen, bosschen gekapt, de waterafvoer werd beter geregeld en tal van arbeiders vonden werk bij de ontginningen en cultiveering van woeste gronden. De veestapel nam toe, de kwaliteit van het vee werd beter, landbouwcursussen gaven wenken en aanwijzingen voor doelmatige bemesting en de een na de andere nieuwe boerderij werd gebouwd. Ouderwetsche stallen veranderd en tegenwoordig is het bouwtype van een boerderij heel wat anders dan vroeger.
Het gewas werd vroeger alle in huis geborgen, ‘op den balken’ en ‘op de hilde’, terwijl nu overal de ‘viemheupe’ te zien zijn, die den oogst herbergen. Ook bij de dorpsbewoners kwam er verandering in de economische en maatschappelijke verhouding en de landbouw werd minder beoefend. Vaalten moesten worden opgeruimd, de moderne industrie kwam en van lieverlede werden de toestanden moderner.”
Verhuizen
“Een enkele maal dat een boer verhuisde, geschiedde dit op ‘Sinte Peter’, 22 Februari. Al het hebben en houden werd op de wagens geladen der buren en de heele stoet trok dan van ’t oude huis naar de nieuwe of andere hoeve. De buurvrouwen waren dan al vast naar de nieuwe woning gegaan, hadden die schoon gemaakt en het vuur aangelegd. In den volksmond heette dat ‘vuur beün’.
Als de nieuwe bewoners kwamen, was de koffie reeds gezet en konden de aankomenden direct zich verkwikken aan een lekkere kop koffie. De buren hielpen dien dag, de een gooide hier wat neer de ander daar, het was een kolossale drukke. Als klap op de vuurpijl kwam dan later het ‘intrekkersmoal’, waarbij het ook al weer niet aan geestrijke dranken ontbrak.
Verhuizing
Sterfgevallen
Begrafenis
“Bij sterfgevallen werden onmiddellijk de buren gewaarschuwd, de buurvrouwen legden het lijk af, het werd zoogenaamd ‘verhaenekleed’. De naaste buurlui traden dan op als eerste vertegenwoordiger der bewoners. De naaste buurvrouw nam de taak van de huisvrouw over en de buurman van de huisbaas. Deze gewoonten waren bij de dorpsbewoners evenzoo, en nu nog wordt in de buurtschappen die oude gewoonte gehandhaafd.
Men had vroeger het z.g.n. ‘doodenbier’. De buurtschapbewoners gingen na de begrafenis naar een of ander café in ‘t dorp. Daar werd uitgerust van den vermoeienden tocht en werd bier geschonken. Doorgaans was dat bier vroeger niet van de allerbeste kwaliteit, en was het zoo’n bruin vocht wat men te drinken kreeg. In dat café nam men afscheid van elkander en ging een ieder zijns weegs.
De begrafenisstoet der buurtbewoners bestond uit de kar waarop het lijk vervoerd werd. Deze was onoverdekt. Dan volgden een aantal „zeilkarren”, hooge karren met witte huiven. Als er een doode was in ’t dorp, moest ’s morgens een der buren het ‘rot’ rond om de menschen te waarschuwen, dat ze ‘um elf uur mosten kommen loên’. Daar was ’t meestal nogal druk om elf uur, want het was de gewoonte dat den ‘noasten noaber’ met de ‘flessche rondging’. Het lijk werd vanaf het sterfhuis door de buren naar ’t kerkhof gedragen, en weer kwam de jenever er bij te pas, want de dragers kregen vooraf een hartversterking.”
Visite
“In de Meimaand waren er veel boerenvisites. Dan noodigde men vrienden, familie en bekenden uit en de boerenhofsteden krioelden van bezoekers. De landerijen werden bekeken, de veestapel becritiseerd, het was meer zoo’n tentoonstelling in het klein. Deze visites werden ook steeds gehouden wanneer men iets verbouwd had. Het bouwmateriaal was door de „noabers” gehaald van de steenfabrieken of opslagplaatsen en een feestje bekroonde dit alles. Die burenhulp was iets traditioneels en was ook onmisbaar, onderling steunde men elkaar. Gezamenlijk werd wat verricht wat één niet af kon, en vooral bij familiegebeurtenissen was de burenhulp onmisbaar.”
“In de lange winteravonden ging men nog al eens buurtvisites maken, en ook de slachtvisites waren bij de buurtschapbewoners een echte uitgaansavond. Het groote schaddenvuur (schadden waren lichte turven, de bovenste laag van een veenlaag) verspreidde een aangename warmte als men er dicht bij zat, en dan zat de huisbaas met de stoel achterover voor den eenen schoorsteenmantel, en de buurman voor den anderen. Het gesprek ging dan over ’t bedrijf, over de koeien en varkens. De bezoekers hadden gratis rooken, en als de pijp moest worden aangestoken werd met de tang een gloeiend kooltje uit ’t vuur genomen.
De huisslachter
De verdieping in de vuurplaat, waar de eigenlijke haard van het vuur zich bevond, heette ‘rake’, ‘vuurrake’. De ‘bloasepiepe’, de tang en de vuurlepel waren de gereedschappen die terzijde van het vuur hingen. Boven het vuur was een groote boezem uitgebouwd, welke als rookvanger dienst deed. Het was meteen de bergplaats voor alles wat men droog wilde bewaren, o.a. het kruit en het kruithoorn, want elke boer had een geweer, een bovenlader, welke met kruit moest worden geladen. Het stroopen zat den boer in ’t bloed. Zoo’n haas of konijntje verschalkte hij nog wel eens.
Tekening: Piet te Lintum
De bouwtrant der oude boerderijen was het Saksische type. In heel oude huizen was de woonruimte voor menschen en dieren niet gescheiden. Bij de meeste was er een tusschenwand, soms van steen, soms van z.g.n. ‘wand’, een vlechtwerk van hout, van weerskanten met leem bestreken. De bedsteden waren meest alle in de keuken aangebracht, en men kan zich voorstellen welke situaties daardoor ontstonden.
Als er kleeren te verstellen of nieuw te maken waren, kwam de kleermaker uit ’t dorp aan huis die bezigheden verrichten, en ’s avonds klepperde deze weer naar ’t dorp met het persijzer en de persplank in de handen. Als de Mei in ’t land kwam kon de boer zich een extra verdienste verschaffen met hout schillen. Rondom de akkers waren houtwallen, waarop eiken slaghout werd geteeld. Als dit hout de dikte van pl.m. 5 cm. had bereikt, werd het gekapt, en doordat het in Mei ‘sap’ was geschild, d.w.z. van de bast was ontdaan. Het hout was op lengte van ongeveer 1 meter gehakt, en dan werd het over een ander stuk hout gelegd en daarna zoo lang geklopt tot de bast of schors los zat. De schors werd gedroogd en naar leerlooierijen gebracht, waar ze werd bewerkt tot looistof. Het hout dat overbleef noemde men schelhout en was een zeer gewilde brandstof.
Een andere hulpbron om de inkomsten te verhoogen was het stoken van houtskool. Enkelen hadden daarin vaardigheid verkregen, en deze kolenbranders hadden zoo hun klanten overal zitten. In den herfst trokken de boeren met het vee naar het land. Geheele akkers waren begroeid met spurrie, een verbouw dat na de rogge gezaaid werd. Het vee werd aan den ’tuur’ gezet: een paal werd in den grond geslagen, waaraan een houten sliet met ijzeren beugel, en aan de koeketting of touw bevestigd. Het rund kon dan een bepaald stuk afgrazen, en telkens moest het vee weer ‘angetuurd’ worden.”
Markt
“Als het marktdag was ging men naar de markt, was er vee te verkoopen, dit werd naar de markt vervoerd, want veehandel gebeurde alleen op de markt. De Aaltensche veemarkt was dan ook druk bezocht. Men kwam met de prijzen der ossen en het overige rundvee op de hoogte, men hoorde op de markt allerlei nieuwtjes, welke weer stof tot praten opleverden in den huiselijken kring.
De jaarmarkten waren het groote evenement in het leven der bevolking. Eerst had men de Meimarkt, in den herfst de Kermis- en op 6 December de Sint Nicolaasmarkt. Dan was het een drukte van belang in ’t dorp. Voormiddags gingen de getrouwden uit huis naar de markt. De veemarkt was overvol, en op de binnenmarkt ontbrak het niet aan kramen en verkoopers van allerlei huishoudelijke artikelen. Bekende figuren waren de kwakzalvers die kruiden verkochten, waardoor de meeste ziekten zouden genezen. De tandentrekkers hadden ook meestal goede klandizie.
Veemarkt Aalten, ca. 1934
Op die jaarmarkten was er in de meeste herbergen dansmuziek. Het jonge volk ging des namiddags naar de markt. De boerenmeisjes slenterden eerst eens langs de kramen, kochten iets van hun gading, en eindelijk groepeerden ze samen. Dan kwamen de jongens opdagen en probeerde men elkaar te vinden om dezen avond uit te gaan. Enkelen hadden van te voren al afspraakjes gemaakt. Deze ‘hadden de schadden al dreuge’, want in den volksmond heette het als men de belofte van iemand had om samen de jaarmarkt te vieren: ‘dan had men de schadden dreuge’. Als het negen uur was ‘s avonds, en er waren dan nog meisjes die geen aanzoek kregen, dan was de kans voor hen verkeken en moesten ze alleen huiswaarts. Zoo werden vaak de eerste huwelijksbanden gelegd en was de eerste kennismaking op de jaarmarkt beslissend voor heel hun leven.”
Bron
‘Uit Aalten’s verleden’, door G.H. Rots, Aaltensche Courant, 12 & 19 november 1937 (via Delpher: deel III & deel IV)
In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Het volgende fragment geeft een indruk van de rol van de vrouw in het dagelijks leven van weleer:
“De vrouwen van de meeste dorpsbewoners hadden een zware taak te vervullen. Zij waren aangewezen om veel zwaar werk te doen in het landbouwbedrijf. Zooals wij reeds mededeelden was de kruiwagen het hoofdvervoermiddel in het dorp, en geregeld zag men de vrouwen de landbouwgewassen per kruiwagen van het land of uit de tuinen naar de woonhuizen brengen. Had zij kleine kinderen, dan moesten die op de kruiwagen worden meegenomen naar ’t land, waar zij dan de werkzaamheden verrichtte welke op den akker te doen waren. De vrouwen moesten zwaar werk verrichten, niet alleen in de kruiwagen, maar zij moesten ook het land helpen omspitten.
Als in ’t voorjaar de wintervoorraad geslonken was en krachtvoeder koopen uitgesloten was, gingen sommige vrouwen „kwekkene schudden”. Door de slechte bemesting en het ontbreken van kunstmeststoffen waren sommige stukken land overvol van dit onkruid. Het eenige voordeel hiervan was, dat de wortel van dit onkruid nogal voedingswaarde had en zoodoende kwam het dat men dit dan verzamelde en per kruiwagen naar de beek vervoerd werd, want deze kwekkene moesten eerst gewasschen worden voordat men ze het vee kon voederen.
De vrouw moest vooral in den oogsttijd hard mee werken, en alle afstanden moesten te voet worden afgelegd. De verzorging van het huis eischte ook niet zooveel werk. Zaterdagsmiddags dan deed men daar een beetje aan. Men behoefde geen matten te kloppen, geen kleeden te schuieren, dat kende men niet. De vloer in het woonvertrek was van keisteentjes, later „estrikken”, en als ze de vloer geveegd had werd er een beetje wit zand op gestrooid en de „kamer was gedaan”. Zaterdags werd geschrobt. Eenige emmers water werden op de vloer gegooid, het vuil werd met den berkenbezem los geschrobt, en dan ging alles het gootgat uit, want aan elke keuken was zoo’n „göttengat”. Andere tijden, andere zeden, en zóó was in den ouden tijd de gewoonte om het huis te reinigen. En toch kon het gezellig zijn, gezelliger misschien dan in veel moderner gestoffeerde huiskamers.
Bij winteravond had ieder zijn bezigheden. Als het vee verzorgd was, dan waren er andere bezigheden. De vrouw ging zitten spinnen, de man was in de weefkamer, de grootere kinderen moesten ander huiswerk doen, aardappels schillen, karnen enz. En kreeg moeder de vrouw de „koffiesmodde” en werd een kopje koffie gezet. Als het er aan zat kreeg men ’n „kluntjen” in de koffie, en anders werd ze zoo gedronken. Dan kwam de man en vader te voorschijn, de pijp werd opgestoken, en nadat de kinderen naar bed waren, keuvelden man en vrouw nog wat verder.”
Bron
‘Uit Aalten’s verleden’, door G.H. Rots, Aaltensche Courant, 5 november 1937 (via Delpher)
Wie in dit voorjaar de jaarvergadering heeft meegemaakt van de Oudheidkundige Vereeniging „Oudheidkamer Aalten”, weet ook, dat na het verslag van den Secretaris, er zich een geanimeerde discussie ontspon, over de vraag, hoe leggen we vast, of liever zou het niet raadzaam zijn vast te leggen datgene, wat de oudsten onzer medeburgers uit onze gemeente weten te vertellen over de verschillende toestanden voor een kleine honderd jaren geleden; om alsdan deze gegevens te verzamelen en te bewaren voor ons nageslacht. Besloten werd hiertoe over te gaan, en kregen enkele bestuursleden opdracht hiermede eens een begin te maken. Als eerste bijdrage tot dit besluit moge onderstaande dienen.
Wat de 82-jarige Hendrikus Scholtenlo uit Bredevoort vertelde!
Zaterdagmiddag! Witte wolkjes hangen aan den blauwen hemel; de zon goot hare verzengende stralen over akker en beemd en schilderde den omtrek van boomen en bladeren op den landweg, die glom als de rug van een zeeleeuw. En, als de autobus, waarin we gezeten waren het vredige stadje tegemoet hobbelt, komt vanuit de dichte boomenrij Bredevoort’s vriendelijk R.K. kerkje reeds te voorschijn, en met haar de pannendaken der meestal uit roode baksteen opgetrokken huizen en huisjes. We stappen uit bij „Ruimzicht”, om te voet onzen weg te vervolgen over hobbelige keien en keitjes naar de Hozenstraat, in den volksmond beter bekend onder den naam van „de Hozze”.
De „Hozze” met zijn eeuwenoude huisjes en markante geveltjes, was het doel van ons bezoek, waar onze zegsman, de heer Hendrikus Scholtenlo woont om uit zijn mond eens een en ander te vernemen uit „de goede oude tijd!” Och ja, men hoort zoo vaak praten van „den goeien olden tied”, en denkt dan onwillekeurig aan den tijd, zooals men wel eens placht te zeggen: „too grotvader grotmooder nam”, bedoeld zijn dan de zestiger-zeventiger jaren, toen de industrie nog in hare kinderschoenen stond, en de arbeidersklasse in opkomst was.
„De Hozze” met zijn eeuwenoude huisjes en markante geveltjes, door Piet te Lintum
Méér nog dan op heden, werd toentertijd door een ieder de landbouw beoefend, en leefden de meeste menschen van datgene, wat hun de akker na zwaren arbeid bood. Slechts de oudsten onder onze medeburgers, hebben in hunne jeugd dien tijd nog beleefd, en kunnen uit eigen aanschouwing en uit eigener ervaring daarover spreken. Tot dezulken behoort in Bredevoort zeer zeker Hendrikus Scholtenlo, die in Februari van ’t komende jaar 82 jaar oud wordt, en zich nog in een goede gezondheid mag verheugen zoowel naar lichaam als naar geest.
„’t Wazzen knappe tieden!”
Zóó begon onze zegsman, die we in ’t vervolg met Hendrik-Eume zullen betitelen, gelijk men hem thuis pleegt te noemen. Hendrik-Eume zijn vader was van beroep draaier, en vervaardigde spinnewielen, stoelen, somtijds ook klompen, vandaar dat Hendrik-Eume in den volksmond nog algemeen bekend staat onder den bijnaam van „den drèjer”. ’t Was vanzelfsprekend, dat hij zijn vader na schooltijd „duftig most helpen arbeiden”, wat hij deed tot zijn 11e jaar, toen hij van school afging, om zich in het weversvak te bekwamen.
Hendrik-Eume in zijn 82ste levensjaar, door Piet te Lintum
Het huis-weven werd toendertijd in Bredevoort algemeen beoefend. Bijna in ieder huis stonden een of meer weefgetouwen; en toen we de opmerking maakten, hoe in deze kleine behuizingen nog plaats kon gevonden worden voor één of meer weefstoelen, zei Hendrik-Eume lachend: „Doar mosten wi’j ons moar um behelpen!” In de 60er jaren kon een „tuchtige wêver” 50 tot 60 ct. per dag verdienen, hetgeen na de 70er jaren iets beter werd.
Zeer zeker heeft het weven aan huiselijken haard ook haar romantische zijde gehad; maar als we uit den mond van onze zegsman moesten vernemen, dat de moeder van een „Brevoortschen wêver”, die 20 jaar ouder was als hij, in de 50er jaren ’s nachts bij maanlicht (om het olie-licht te besparen) nog gauw „een stuk in mekaar sloog”, om daarvoor den volgenden morgen brood te koopen, dan is ’t toch met de romantiek gedaan.
Natuurlijk of liever het was toen de gewoonte, dat ook de kinderen bij ’t weven flink moesten helpen. In den zomerdag moesten zij op den akker helpen, terwijl zij des winters voor den wever moesten spoelen. Als een kind vlijtig was, kon het na schooltijd (van 4—8) vier pond „fetten” spoölen, waarvoor dan 10 tot 15 penningen werd betaald. Op gelijke hoogte bewogen zich toentertijd de overige loonen. Zoo verdiende b.v. een daglooner bij een boer pl.m. 40 ct. per dag, op eigen kost, terwijl een boerenmeid 18 tot 20 gld. per jaar verdiende, met „toeboate”, hetwelk bestond uit 1 spint lijnzaad, 5 el linnendoek en 5 el werkendoek (grof linnen). Eenmaal in ’t jaar verkreeg zij 8 dagen vrijaf, de z.g. „spinnewèke”, om het verworven vlas (spintsgezaai) in de ouderlijke woning te kunnen spinnen.
Met de loonen van timmerlieden, metselaars, en andere ambachtlieden, was ’t vrijwel hetzelfde gesteld. Gewoonlijk werd ’s morgens al zeer vroeg begonnen, en werd de arbeid geëindigd zoo ’s avonds tegen half acht. Nemen we aan, dat per dag 2 uur werd besteed aan schafttijd, dan bleef er toch meestal een dagelijksche arbeidstijd van pl.m. 12 uur over. Een vrije Zaterdagmiddag kende men niet, zoodat per week ongeveer 72 uur werd gewerkt.
„Jao ’t wazzen knappe tieden!”, zei Hendrik-Eume met een veelzeggend oogknippen. ’s Morgens gaf ’t een stuk roggebrood, dat was alles een enkele keer met een stuk boekweiten-pannekoek er tusschen. Wittebrood gaf ’t maar heel zelden, alleen op hooge feestdagen. ’s Middags was het regelmatig stamppot met wat vet bereid, want vleesch werd, zooals onze zegsman zich uitdrukte: „met groote letters ’eschreven”, niettegenstaande toendertijd een vette koe slechts 30 tot 40 gulden kostte. Alleen de meer gegoeden slachtten toen zelf, maar dan nog werden de schinken en het nagelhout verkocht; meestal werd van het geslacht de landpacht betaald.
Het jaar 1847 was met recht een „hongerjaar”.
Wijl de oogst, voornamelijk de roggeoogst, zoo goed als mislukt was, kostte toen de rogge 22 gulden per mud, en moesten de meeste menschen zich behelpen met brood van paardeboonen ofwel bruine boonen, waaronder een weinigje rogge vermengd was. Vooral de kinderen hadden ’t toen hard te verantwoorden. In de zeventiger jaren, zoo ging Hendrik-Eume verder, werd ’t hier heel wat beter.
In ’t naburige Bocholt, had de huisindustrie al hier en daar plaats moeten maken voor de stoomweverij, en gingen reeds verschillende wevers uit Bredevoort naar Bocholt „noa den stoom”. De meesten gingen in Bocholt in de kost, en kwamen dan Zaterdagsavonds weer thuis. Dat er toentertijd geen teveel was aan arbeidskrachten, laat onderstaande niet onaardige omstandigheid duidelijk zien. lederen Zaterdagavond, zoo vertelde onze zegsman, ging de omroeper in Bredevoort rond „of er nog jongens of deêrns wazzen, dee geerne in Boôkelt wollen arbeiden!”
Gewoonlijk was dan de omroeper vergezeld van jeugdige personen, die zoo juist van Bocholt waren thuisgekomen en meestal in een vroolijke stemming verkeerden, waarbij dan werd gezongen:
„In Bookelt bunt zukke mooie stroaten, Wi’j ’t neet doon, dan kö’j ’t ook loaten! Van ain – zwai – drai!”
Gezien de betere arbeidsvoorwaarden, waaronder in Bocholt werd gewerkt, gaven verschillende wevers aan dien oproep gehoor, zoo ook onze zegsman, die toentertijd 6 tot 7 Berliner daalder per week kon verdienen. En als hij dan Zaterdagsavonds thuis kwam, zeide zijn moeder vol verbazing: „Jonge, wat breng i’j völle geld met!”
Al pratende, kwamen we zoo ook al van het eene op het andere. De huishuren waren toentertijd zeer gering, en overeenkomstig de lage inkomens. De huur van een nette arbeiderswoning bedroeg toen 30 tot 40 ct. per week; voor 30 gulden per jaar „ko’j al een deftig huus bewonnen”, zei Hendrik-Eume. Met de post-verhoudingen was ’t al heel treurig gesteld; bode Prange haalde eens per dag de post van Aalten, en bracht deze van Bredevoort uit weer verder door naar Winterswijk.
Het lezen van een courant werd als een weelde beschouwd, en was enkel voor „de groote leû”, alleen de pastoor, toentertijd de Zeer Eerw. heer te Welscher, las de courant samen met den heer van Eijck. In 1880 werd door Aaltjen Hofs het eerste blaadje, de „Vooruit” huis aan huis bezorgd.
Ook de wegen waren toentertijd zeer onbegaanbaar. Moest men naar Aalten, dan ging het over de zandweg naar Lichtenvoorde tot bij den „Ouden tol” en vandaar naar Aalten. Een rechtstreeksche verbinding met Aalten bestond toen nog niet, tot ongeveer in het jaar 1875, toen de wallen werden geslecht en de z.g. Koppeldijk ontstond. De oude R.K. kerk stond toendertijd op de plaats waar thans de tuin van het café „Ruimzicht” is gelegen, het woonhuis, het z.g.n. „Pierikshuis” diende toen als pastorie.
Interessant was het uit den mond van onzen zegsman te vernemen, hoe het gesteld was met de zon- en feestdagen, kermis, enz. De Zondagen en feestdagen, zei Hendrik-Eume, waren „zeer billig”, wijl men zich het eenige genoegen gunde, dat men zich eens behoorlijk kon uitrusten, en dat kostte natuurlijk niets. Eenmaal in ’t jaar gunde men zich een pretje, en dat was ter gelegenheid van de kermis, waarbij dan tevens het z.g. schuttersfeest werd gehouden.
„De Hozze” (zij-aanzicht), door Piet te Lintum
Een 14 dagen van te voren „wanneer ie ’s oavonds de kroewagens ovver de stroate heurden rammelen”, (want dan worden de boeskool verkoft en een paar zak eerpels) was het teeken, dat de kermis op komst was. Ook werden een 14 dagen van te voren „de plaatsen al verpacht veur de schutterieje”; de hooge plaatsen (rangen) zooals kapitein „en dat spul”, werden dan duur betaald, waarbij de noodige „rondjes” moesten worden gegeven; zoo’n kleine kermis dus al vooraf.
Daags voor het eigenlijke feest werd de vogel onder geleide van de muziek weggebracht „noa ’t Zwanenbrook”. Den anderen morgen werd dan begonnen met het bekende vogelschieten, en die dan koning werd, kon zich een koningin kiezen, die dan beide avonden met muziek naar huis werden gebracht. Bij de schuttersoptocht gingen de „bielemans” voorop. „Doar hadden de jonge deerns schrik veur… maor ook wal schik van”, vertelde Hendrik-Eume, aangezien de „bielemannen” in een soldaten-tenue waren gestoken, met een groote muts over ’t hoofd, waarin een opening voor mond, neus en oogen was aangebracht. Verder een handbijltje in de hand, hetgeen de geheele uitrusting van zoo’n bieleman vormde.
Op het Zand achter de school, stond dan de draaimolen. „Dee drilschuûte mosten wie zelvers douwen”, aldus onze zegsman, want Keesje, die hier algemeen bekend was, was beide dagen gewoonlijk een beetje „in de olie”, en dan „wazzen de jongens baas van de drilschuûte”. Een paard bezat Keesje niet. Gewoonlijk waren er dan ook nog een paar kleine kraampjes waar „wat zeut grij” werd verkocht, en dat was dan ook alles.
Evenwel was de jeugd tevreden, en men vermaakte zich naar hartelust, wijl men het ook al niet beter kende. Zondags na de kermis was het potverteeren bij Pierik in de opkamer. Het overgehouden geld werd dan bij elkaar gegooid en was het weer zoo’n beetje kermis onder elkaar. Naar de Brevoortsche kermis ging oud en jong gaarne naar toe, ’t was er „gemeudlik en gezellig!”
Langzamerhand werden de tijden wat beter. Toen in de 90er jaren de kunstmest kwam, ging het met de landbouw ook weer vooruit; in de fabrieken was volop werk, en hoewel er nog geen loon werd verdiend zooals heden ten dage, gevoelden we ons toch recht op ons gemak, ’t Werk op het land kan ik nog zoo’n beetje doen, aldus Hendrik-Eume, en hoop dit ’t komende jaar ook nog te kunnen volbrengen.
Deze website gebruikt cookies voor een optimale ervaring en analyse van bezoekgegevens. Ga je hiermee akkoord? Zonder toestemming werken sommige onderdelen van de site mogelijk minder goed.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door je Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.