Auteur: Oud Aalten

  • Rotterdammertjes in Aalten

    Rotterdammertjes in Aalten

    Rotterdam na het Duitse bombardement van 14 mei 1940

    Rotterdam na het Duitse bombardement van 14 mei 1940

    Tijdens de Tweede Wereldoorlog boden Aaltense gastgezinnen onderdak aan zo’n 800 kinderen uit het zwaar gebombardeerde Rotterdam. Het initiatief kwam van ds. Th. Delleman, predikant in Kralingen, die tot kort daarvoor dominee was geweest in Aalten. Dankzij zijn inzet en het netwerk van beide kerkgemeenten konden Rotterdamse kinderen tijdelijk tot rust komen in de Achterhoek – ver weg van het oorlogsgeweld.

    In mei 1940 werd Rotterdam zwaar getroffen door een Duits bombardement. Bijna de volledige historische binnenstad werd verwoest. In de wijk Kralingen maakte dominee Thomas Delleman de gevolgen van dichtbij mee. Hij zag hoe vooral kinderen getekend waren door angst en verdriet.

    Te midden van deze chaos besloot Delleman actie te ondernemen. Hij kende de Achterhoek goed: van 1930 tot 1938 was hij predikant in Aalten, waar hij de gastvrijheid van de mensen had leren kennen. Hij geloofde dat een tijdelijk verblijf in de rustige omgeving van Aalten kinderen goed zou doen – een plek waar stilte en zorg de oorlog even konden doen vergeten.

    Al snel werd een comité gevormd, met steun van diakenen en gemeenteleden uit zowel Rotterdam als Aalten. In juli 1940 vertrokken de eerste groepen kinderen naar de Achterhoek, waar ze werden ondergebracht bij gastgezinnen.

    In de loop van de oorlog zijn naar schatting circa 800 kinderen uit Rotterdam in Aalten en omgeving opgevangen. Bij hun vertrek naar huis namen ze vaak geschenken mee: eieren, spek, roggebrood, soms zelfs levende dieren. Later werden de bezoeken ondersteund door de plaatselijke diaconieën. De laatste groep kinderen reisde in februari 1945 terug naar Rotterdam. Maar het contact bleef: veel kinderen keerden ook na de oorlog jaarlijks terug naar hun Achterhoekse gastgezinnen.

    Een brief uit oorlogstijd

    Eén van de kinderen die dankzij ds. Delleman naar Aalten kwam, was Anneke Hijmans. Zij verbleef bij de familie Aalbers op boerderij ’t Slat in IJzerlo. Na haar verblijf fietste ze in een week tijd terug naar Rotterdam. Kort daarna, op 26 januari 1945, schreef ze een brief aan haar gastgezin — een persoonlijk document vol herinnering en dankbaarheid.

    De brief is hieronder weergegeven.

    Gedenkraam als dank

    Na de oorlog werd in de Gereformeerde Kerk van Kralingen een comité gevormd om, namens de gezamenlijke kerken en de Joodse gemeenschap, een gedenkraam aan te bieden aan de burgerij van Aalten. Een blijvend geschenk als dank voor de geboden gastvrijheid tijdens de oorlogsjaren.

    Het gedenkraam, ontworpen door kunstenaar Marius Richters, toont onder meer hoe Aaltense boeren en gezinnen kinderen uit Rotterdam opvangen. Het werd geplaatst in de Oosterkerk in Aalten en op 13 juli 1946 officieel onthuld door ds. Delleman zelf.

    Krantenberichten

    Rotterdammertjes in Aalten

    Dank zij de welwillende gastvrijheid van de Aaltensche Gemeente werden wij in staat gesteld circa 100 kinderen, grootendeels afkomstig uit geteisterd Rotterdam, naar Aalten uit te zenden, aldus de heer B. Hoving in de Rotterdamsche Kerkbode. Deze kinderen genieten nu ver weg van hun verwoeste stad van de vredige rust en goede verzorging, die Aalten hun nu biedt.

    Rotterdamsch Nieuwsblad, 17 augustus 1940

    De Rotterdammertjes vertrekken

    Zes weken geleden plaatsten wij een foto van de aankomst van de eerste Rotterdammertjes. Vanmorgen vond de aftocht plaats. In „Elim” werd afscheid genomen door de Hervormde kinderen. Aan ieder kind werd een aardig souvenir aan deze vacantie ter hand gesteld. Een vulpen en potlood in étui door den heer F. Buesink, „Febea”, welwillend ter beschikking gesteld.

    Het was een gezellige drukte. De kinderen verschenen in vol ornaat, dat in dit verband wil zeggen: met gemiddeld drie keer zooveel bagage als waarmede ze gekomen waren. Natuurlijk allerlei doozen, pakken en zakken met appels en peren, (wat een geluk, dat dat net allemaal rijp is), verder boeketten van allerlei soorten bloemen, die met de heibossen een hartelijk welkom thuis moeten geven. Eén was er zoo gelukkig bij een vriendelijken bakker gelogeerd te hebben en dat had ten gevolge, dat de kleine nu met een krentenbrood naar huis gestuurd werd, dat bijna net zoo groot was als het Rotterdammertje zelf.

    Op het station was er een ongekende drukte, naar schatting waren er ruim 500 menschen aanwezig. Ds. Th. Delleman sprak namens alle groepen een kort woord van dank. Spr. had niet durven hopen dat Aalten zoo gastvrij zou zijn geweest. Rotterdam is in veel dingen verarmd, maar uw liefde heeft ons rijk gemaakt. Nimmer zal Rotterdam vergeten de weldaad aan haar kinderen betoond, waarin zoo wonderlijk schoon is beleefd de liefde tot Christus. Allen hartelijk dank !

    De Graafschapper, 30 augustus 1940

    Rotterdammertjes teruggekeerd na een vacantie van vier weken te Aalten

    Luid gejuich steeg op uit den extra trein, die Vrijdagmiddag tegen vier uur 128 kinderen uit getroffen Rotterdamsche gezinnen in de Maasstad terugbracht. De zwaaiende en roepende kinderen zouden het liefst maar ineens uit de raampjes van den trein zijn gesprongen om hun moeders, broertjes en zusjes te begroeten en hun te vertellen hoe zij het in den Gelderschen Achterhoek, in het vriendelijke dorpje Aalten, hadden gehad.

    En niet zoodra had men elkaar ontdekt, of daar toonden de kinderen wat zij zooal hadden meegekregen van hun pleegouders. Bijna allen hadden zij een doos met bloemen en geschenken bij zich, de één had een konijn, een ander een kip ontvangen en zelfs was er een Rotterdammertje getracteerd op een krentenbrood van… een meter lang! En iedereen had als aandenken aan het verblijf te Aalten een vulpen en een vulpotlood ontvangen.

    De Aaltensche burgerij heeft de Rotterdammertjes dus wel verwend. Spontaan had men zich tot de Diaconie van de Nederduitsch Hervormde Gemeente gewend met het verzoek kinderen uit getroffen gezinnen te sturen, om hun gedurende een maand een onbezorgde vacantie te bezorgen. In die lange vacantie hebben de kinderen, dank zij den predikant, ds. Klijn en het hoofd van de school, den heer Hopman, tal van mooie plekjes in den Achterhoek bezocht, terwijl ook door filmmiddagen voor de noodige afwisseling werd gezorgd.

    Het behoeft nauwelijks te worden gezegd. dat de kinderen het in Aalten naar den zin hebben gehad. De kennismaking blijkt wederzijds in den smaak te zijn gevallen, want bij het afscheid nemen hebben vele Aaltensche pleegouders den kinderen voor het volgend jaar weer uitgenoodigd de vacantie bij hen door te brengen.

    Rotterdamsch Nieuwsblad, 31 augustus 1940

    Bronnen


    • Rotterdamsch Nieuwsblad, 17-08-1940 (Delpher)
    • De Graafschapper, 30-08-1940 (Delpher)
    • Rotterdamsch Nieuwsblad, 31-08-1940 (Delpher)
  • Ned. Ver. voor Luchtbescherming

    Ned. Ver. voor Luchtbescherming

    De Graafschapbode, 29 januari 1940

    In de Sociëteit alhier werd Zaterdagmiddag een tentoonstelling geopend van de Nederl. Vereen. voor Luchtbescherming, waarvoor het gemeentebestuur, de officieren, de hoofden van verschillende diensten en de besturen van verschillende vereenigingen waren uitgenoodigd.

    De voorzitter van de afd. Aalten, de heer Klaassen, heette de aanwezigen hartelijk welkom en bracht dank aan B. en W., het hoofd van den Luchtbeschermingsdienst, het bestuur der Sociëteit en anderen hartelijk dank voor de wijze, waarop zij meegewerkt hadden, dat deze tentoonstelling kon slagen. Spreker deelde mee, dat de burgemeester door een lichte ongesteldheid verhinderd was de tentoonstelling te openen en dat de heer weth. Te Gussinklo zich nu bereid verklaard had een openingswoord te spreken.

    De heer Te Gussinklo begon met zich te verontschuldigen, dat hij feitelijk van luchtbescherming zeer weinig wist. Spr. betreurt het, dat er in Nederland geen beter woord voor gevonden is, want we beschermen niet de lucht, maar wel de menschen voor de gevaren, die in een oorlog door de vliegmachines met hun vernielende, dood en verderf brengende bommen uit de lucht komen. Is inderdaad de bevolking van Aalten, van Nederland zich wel voldoende bewust van haar taak in dezen. Het antwoord moet luiden: neen, het grootste gedeelte zeker niet. Daarom is het zeer nuttig en zeer noodig, dat de afd. Aalten deze tentoonstelling heeft georganiseerd.

    Men zegt wel: het leger moet tot het volk gebracht worden, maar spreker wil ook de stelling poneeren, dat de luchtbescherming tot het volk gebracht moet worden. Het is zeer noodzakelijk, dat het Nederl. volk hier wat meer afweet. Daarom heeft het gemeentebestuur van Aalten ook ten zeerste dit aanschouwelijk onderwijs toegejuicht. Spreker hoopt dan ook, dat deze gratis tentoonstelling zeer veel bezoek zal trekken. Nu de oorlog een tijdje geduurd heeft, is de belangstelling wat afgeslapt en zou verder insluimeren. Wanneer we echter bedenken, dat op een land in het Noorden van Europa per dag 1000 à 2000 bommen worden neergestrooid, zullen we volmondig moeten toestemmen, dat deze voorlichting niet onnoodig is. Een gewaarschuwd man telt voor twee.

    Spreker feliciteert het bestuur met deze schitterende wijze van inrichten dezer expositie en verklaart daarmede de tentoonstelling voor geopend. Nadat een kopje thee is aangeboden, werd onder leiding van één der heeren van het bestuur der Ned. Vereen. voor Luchtbescherming een rondgang gemaakt.

    Duidelijk werd alles verklaard en de talrijke aanschouwelijke voorstellingen zoowel in beeld als in natura van het luchtgevaar, de uitwerking er van en de beveiliging er tegen, zullen zeker alle bezoekers veel duidelijk maken wat anders door het nalezen van boekjes niet volkomen begrepen werd. Platen laten ons de verschillende bevolkingsdichtheden van diverse landen zien, de uitwerking van brisant-, brand- en gasbommen, de maatregelen, die de overheid neemt en die door de burgers genomen kunnen worden, enz. enz.

    We zien diverse gasmaskers, lantarens, een model van een rommelzolder en een zolder zoo deze wezen moet, een model schuilkelder, enz. enz. Met groote belangstelling werd naar de duidelijke uiteenzetting geluisterd. Het is te hopen, dat deze tentoonstelling, die tot en met Dinsdag geopend is en geheel gratis toegankelijk is, druk bezocht mag worden.

    Bronnen


  • Reis met abonné’s naar Amsterdam

    Reis met abonné’s naar Amsterdam

    Aaltensche Courant, 1 augustus 1939

    Hier is dan de „Van Hasselt”, het dubbelschroef-stoomschip van de Reederij Koppe, waarmede wij met onze abonné’s op Maandag 14 Augustus a.s. een boottocht op de Noordzee denken te maken.

    Om 6.12 uur (Varsseveld 6.20 uur) vertrekken wij met de eerste trein naar Amsterdam. Aankomst aan het Centraal Station 8.28 uur.

    Om 10.15 uur vertrekt de „Van Hasselt” van de De Ruyterkade. Via het IJ varen we door het Noordzeekanaal, en wij kunnen de verschillende havenwerken, dokken en scheepswerven nu eens van dichtbij bekijken. We varen door naar IJmuiden. Als een echte oceaanstoomer wordt het schip in ’s werelds grootste sluis geschut, en dan ligt de wijde zee voor U open. Ongeveer twee uur kruist de boot op zee en kunt U genieten van het onvergetelijke uitzicht op onze prachtige duinen, en op de gezellige stranddrukte aan de Noordzeebadplaatsen.

    Voor prima voorlichting aan boord van alle bezienswaardigheden wordt gezorgd. (Bij ongunstig weer wordt een boottocht op het IJsselmeer gemaakt.)

    Om 5 uur des namiddags zijn we weer te Amsterdam terug, en is men geheel vrij de resteerende uren van den dag te besteden naar eigen goedvinden.

    Om half 7 of om half 9 des avonds kan men de terugreis ondernemen. Op de terugreis is men niet aan het gezelschap gebonden en kan men desgewenscht nog te Utrecht of Arnhem een trein overblijven, indien men tenminste om half 7 uit Amsterdam vertrekt.

    Bij voldoende deelname bestaat ook de gelegenheid om in plaats van deze boottocht een rondvaart door de havens en grachten te maken per motorboot, gevolgd door een bezoek aan Artis of Schiphol. Heeft men andere plannen, dan kan men ook op eigen gelegenheid zijn dag indeelen, mits men dezelfden dag de terugreis aanvaardt.

    Zooals men ziet, wordt aan de deelnemers volkomen de vrijheid gelaten, den dag door te brengen zoo ze zelf verkiezen. Abonnè’s uit Dinxperlo, Varsseveld en Lichtenvoorde, kunnen zich of te Aalten, of te Varsseveld bij het gezelschap voegen. De totale kosten van treinreis en boottocht of één der andere attracties bedragen f 3,75 per persoon.

    Verdere kosten als verteringen e.d. zijn voor rekening van de deelnemers. Men kan naar verkiezing zijn fourage voor dien dag medenemen of aan boord of elders iets bestellen. (Men verzekerde ons dat de buffetten aan boord van de „Van Hasselt goed en billijk zijn). De deelname staat open voor abonné’s op ons blad en hunne huisgenooten, en voor hen, die zich thans als abonné opgeven.

    Opgave liefst vóór 7 Augustus, opdat wij tijdig kunnen beoordeelen of de tocht kan doorgaan. De reissom kan tegelijk met de opgave worden gestort en wordt gerestitueerd bij niet doorgaan of bij verhindering.

    Reisverslag

    Aaltensche Courant, 18 augustus 1939

    Van een der deelnemers aan onze eerste reis met de abonné’s ontvingen wij onderstaand verslag, waarvoor wij natuurlijk gaarne een plaatsje inruimen.

    Toen de firma Gebr. de Boer in het nummer van j.l. Vrijdag 28 Juli, melding maakte van een tocht op de Noordzee met een zeewaardig schip, door haar te organiseeren voor de abonné’s, huisgenooten en logees, dachten we dadelijk: dat is voor ons landrotten nu eens een uitstapje waar we al zoolang naar hebben uitgekeken. Zeker, als men goed gebeursd is, kan men zoo’n uitstapje ten allen tijde maken, doch anders komt men tot zoo’n uitgaan niet zoo gauw. Toen dan ook dit zeer voordeelige uitstapje, door de directie van dit blad werd aangekondigd, hebben we deze kans met beide handen aangegrepen.

    Wel hebben we de dag van Maandag 14 Augustus 1939 met eenige vreeze tegemoetgezien, wat het weer zou betreffen. De hondsdagen hadden zich de laatste week niet van hun beste zijde laten kennen. Maar zie, hoe ongegrond is deze vrees voor het weer geweest. Toen we Maandagmorgen te kwart voor 6 aan het station te Aalten arriveerden (om vooral maar niet te laat te komen) hing er een ietwat koude nevel, doch de hemel was klaar. Toen de mist dan ook even later was weggetrokken, werd het weer prachtig en deed alle goeds beloven voor het verdere gedeelte van den dag.

    Het is den geheelen dag schitterend weer gebleven, wat ons buitengewoon te stade kwam bij de boottocht. Even voor zes uur zagen we een der heeren de Boer het perron opkomen, om zich naar den chef te begeven, teneinde de passage voor een nagekomen deelnemer nog te regelen.

    Dachten we eerst dat de deelname niet al te groot zou zijn, ruim 6 uur kwamen de de meeste deelneemsters en deelnemers pas opdagen. Toen de trein binnenkwam stapten we met 85 deelnemers in de gereserveerde wagens. Allen goed voorzien van proviand, en bovendien enkelen met fototoestellen en verrekijkers, hadden spoedig een plaatsje opgezocht.

    De spoorwegen hadden voor goed materiaal gezorgd en weldra gingen we met een flinke vaart in de richting Arnhem. Het was voor een tweetal deelnemers uit Dinxperlo—Suderwick erg jammer dat ze juist 1 minuut te laat te Aalten aan het station arriveerden. Wijl ze per motor waren gekomen hebben ze nog getracht te Doetinchem de aansluiting te halen, doch ook hier waren ze juist even te laat.

    In den trein werden ons door den heer de Boer, organisator en leider, de plaatsbewijzen uitgereikt. Voordat we Arnhem bereikten, hadden we al eenige medegenomen boterhammen verorberd, daar op zoo’n dag het meest genoten kan worden, als de inwendige mensch ook op tijd verzorgd wordt.

    In Arnhem werd vlug overgestapt in een Dieseltrein, die een behoorlijke lengte had gekregen, met het oog op ons gezelschap. Met een vaart van 120 km per uur stoven we op Amsterdam aan. Wat een prachtige treinen die Diesels. Men zit er rustig als thuis in een gemakkelijke stoel. Ongeveer half negen arriveerden we aan het Centraal Station te Amsterdam. Terstond begaven we ons naar een wachtkamer waar ons door de firma Gebr. de Boer een heerlijk kopje koffie werd aangeboden. Dat dit zich na deze treinreis goed liet smaken behoeft geen nader betoog.

    Na even nog wat uitgerust te hebben, werd opgestapt en verlieten we het Centraal Station door de tunnel, aan de Oostzijde, waar we op de De Ruyterkade kwamen, vlak bij den steiger waar de „R. van Hasselt”, het dubbelschroefstoomschip van de reederij Koppe gemeerd lag. Even voor 10 uur waren we reeds allen aan boord van dit mooie passagiersschip en konden rustig een goede plaats opzoeken. De een ging een plaats opzoeken beschut achter glas, een ander zocht op het vrije dek een heerlijke zonnige zitplaats. De boot vulde zich weldra met meerdere gezelschappen, o.a. uit Enschedé en Groningen alsmede met Amsterdammers enz. enz. Ruim kwart over 10 werden de trossen los gesmeten en onder de tonen van een lustige marsch ging het full speed ’t IJ op.

    Door middel van ’n versterkerinstallatie werd door den leider van de boottochten van de reederij Koppe, uitstekende voorlichting gegeven van de bezienswaardigheden van Amsterdam’s groote havens. Wij passeerden o.a. de Minervahavens, de groote Tankhaven, de groote haven voor het bunkeren van kolen, tal van kleine, doch ook zeer veel groote zeeschepen. Zoo zagen we op de scheepswerven nog eenige groote zeeschepen in aanbouw en in de droogdokken enkele schepen die gerepareerd moesten worden.

    In een dezer dokken lag ook “De Heemskerk” die verleden week Zaterdag in Vlissingen, door een ander zeeschip is aangevaren. Zelfs lag er een tankschip dat op den Oceaan doormidden is gebroken, en waarvan de helft door een Hollandsche en Duitsche sleepboot naar Amsterdam is gesleept. Alles voor ons Achterhoekers buitengewoon interessant, om dit van zoo dichtbij te kunnen aanschouwen.

    Intusschen waren we het IJ reeds heelmaal afgevaren en kwamen op het Noordzeekanaal. Steeds gaf de boottochtleider van alles uitleg, hetgeen we aan stuur- of bakboord passeerden. We kwamen langs de groote Ford Automobielfabriek, de Amsterdamsche Superfosfaatfabriek, de monding van de Zaan met het prachtige gezicht op de nijvere Zaanstreek en de groote houthaven van Bruinzeel’s bekende deurenfabriek, de artillerie-inrichtingen en de kolossale Hembruq, ja te veel om alles op te noemen. Tot IJmuiden toe het prachtige Hollandsche Polderlandschap met z’n mooie vergezichten. Bij het passeeren van de verschillende fabrieken gaf de leider van de boot steeds een uitvoerige uitleg van de fabricatie enz. enz. Zoo ook van de fabrieken de N.V. Plaatwellerij te Velsen, de Kon. Ned. Papierfabrieken “de Eendracht” van Van Gelder, alsook van het hoogovenbedrijf te IJmuiden.

    Te IJmuiden concentreerde zich aller aandacht op het schutten van de Van Hasselt in ’s werelds grootste sluizen. We troffen het zeer daar in de groote sluis nog eenige zeeschepen geschut werden. Buitengewoon snel ging dit schutten in z’n werk. We waren dan ook zoo weer buiten en de wijde zee lag weldra voor ons.

    Juist buiten de sluis passeerden we nog de Z. 8 waar de Jantjes de vlag streken, evenals onze boot zulks deed. Hier passeerden we ook het groote fort dat de monding van het Noordzeekanaal bewaakt. Nog even en we waren al tusschen de pieren die in zee liggen voor het veilig binnen kunnen loodsen der groote schepen, en dan de groote haringvijver.

    Buitengewoon prachtig was de tocht op dit gedeelte der reis, voor hen die van zeeziekte geen hinder hadden. Gelukkig waren er maar enkelen die zich ietwat vervelend gingen voelen en dan nog in lichte mate, het kwam dan ook niet zoo ver dat er een fooitje in de door de scheepsbemanning beschikbaar gestelde papieren zakken geofferd behoefde te worden. Prachtig dat gezicht op de Nederlandsche badplaatsen, als Zandvoort enz.

    Ruim 2 uur werd op de Noordzee gekruist, met schitterend weer in een boot vol zeer voldane passagiers. Op de boot was gelegenheid om te dineeren, en nagenoeg alles te krijgen, voor billijke prijzen. Na een terugtocht die gelegenheid gaf om nog eens alles weer goed op te nemen, arriveerden we om 5 uur weer in de stad Amsterdam. Na nog even in de verte het groote prachtige schip de “Oranje” te hebben zien liggen, met naast haar de “Tarakan” en de 24 jaar oude “J. P. Coen” gingen we zeer voldaan van boord.

    Een groot gedeelte der deelnemers heeft nog per touringcar Amsterdam bekeken, doch wij gingen, daar een ieder vrij was te gaan waar hij wilde, op eigen gelegenheid Amsterdam bekijken. Om half 9 moesten we weer aan het C. S. zijn, maar door een ontsporing van een wagon gingen we iets later weg en over een omweg. Hierover is in het blad van Dinsdag j.l. al het een en ander geschreven. Er rest ons dus niets anders meer, dan de geachte firma Gebr. de Boer, (bij de dank die we reeds betuigd hebben, bij ons afscheid aan het station), nogmaals hartelijk dank te zeggen voor de organisatie van deze prachtige tocht, die hen zeer zeker de moed zal geven, een volgend jaar iets dergelijks te doen ondernemen.

    EEN DEELNEMER.

    Van onze zijde danken wij onze abonné’s langs dezen weg voor hun deelname aan dezen tocht en voor hun prettig reisgezelschap, waardoor wij zeer zeker den moed hebben een volgend jaar weer met onze abonné’s op stap te gaan.

    DE UITGEVERS.

    Bronnen


    • Aaltensche Courant, 01-08-1939 (via Delpher)
    • Aaltensche Courant, 18-08-1939 (via Delpher)
  • Verbreeding van den weg Aalten—Bredevoort

    Verbreeding van den weg Aalten—Bredevoort

    De Graafschapbode, 15 maart 1939

    Een verkeersverbetering van eminente beteekenis in ’t nabije verschiet.

    Momenteel is een groot aantal werkloozen druk bezig met het in werkverschaffing aanleggen van de aardenbaan voor de verbreeding van den weg Aalten—Bredevoort. Wie eenigermate op de hoogte is met het drukke verkeer, dat dagelijks over dezen weg plaats vindt, weet, dat de verkeersverbetering, welke eerlang door de verbreeding van dezen weg tot stand zal komen, zeer noodzakelijk en van eminente beteekenis is.

    Is het vanuit ’t oogpunt van locaal verkeersbelang reeds van harte toe te juichen, dat tusschen de twee in een gemeente gelegen plaatsen als Aalten en Bredevoort binnen afzienbaren tijd een frequente verbinding wordt geschapen, veel grooter is ongetwijfeld het belang van ’t verkeer in ’t algemeen, dat hiermee wordt gediend.

    De lengte van het te verbreeden wegvak bedraagt pl.m. 1432 meter. Blijkens de begrooting van de Ned. Heide Mij. is met den aanleg van de aardenbaan voor loonen, enz ƒ 14000.— gemoeid, terwijl de bijkomende kosten eveneens een bedrag van ƒ 14000.— vorderen. Onder ’t laatstgenoemde zijn begrepen de aankoopsommen van den benoodigden grond, vergoedingen wegens schade, vruchtverlies, enz., en de kosten voortvloeiende uit andere bedingen van verschillende verkoopers.

    De weg wordt verbreed vanaf den Ringweg te Aalten tot de Koppelbrug te Bredevoort. 90 % van de kosten van onderhandschen aankoop en ruiling van de gronden wordt verkregen uit ’n subsidie uit het Provinciaal Wegenfonds, terwijl rijkssubsidie wordt verleend voor den aanleg van de aardenbaan.

    Het wegkappen van ’t hout, voorheen behoorende bij de bosschen en landerijen van ’t landgoed „’t Walfort” van Baron van Pallandt van Walfort, is reeds geschied en op ’t oogenblik is men werkzaam aan de egalisatie van de aardenbaan. Uiteraard zal de tramlijn van de Geld. Westf. Tramweg Mij., die over de volle lengte terzijde van den weg ligt, verlegd moeten worden, daar deze anders een groot obstakel zou vormen. Bijstaande foto toont op in ’t oog loopende wijze aan, welk een belangrijke verbreeding t.z.t. tot stand zal komen.

    Bron


  • Nieuw voetbalterrein van „Aalten” geopend

    Nieuw voetbalterrein van „Aalten” geopend

    De Graafschapbode, 22 augustus 1938

    Succesvolle inzet door een verdiende zege op Doetinchem

    Zondagmiddag om 2 uur zou te Aalten de officieele opening plaats hebben van het nieuwe sportterrein, gelegen aan den verbindingsweg Bocholtschestraat-Bodendijk. Het werd evenwel ongeveer een half uur later, daar een onweersbui, met een geweldige gietbui, het onmogelijk maakte op tijd te beginnen. Gelukkig klaarde het later op en bleef het gedurende den heelen middag mooi droog weer.

    De voorzitter van „Aalten”, de heer J.W. Huinink, heette alle aanwezigen hartelijk welkom op het nieuwe terrein, dat tot stand is gekomen mede door de zeer gewaardeerde medewerking van het publiek. Spr. dankt hartelijk voor de bijdragen, die in eenigerlei vorm voor dit doel werden ontvangen.

    De voetbalvereen. Doetinchem, de gymnastiekvereen. „Achilles” te Aalten en „Prinses Juliana” te Terborg dankt spr. voor de spontane medewerking. Het is voor de 3e maal, dat „Aalten” tijdens haar 18½-jarig bestaan van terrein verandert. Eerst speelden we aan den Molenkampsdijk, toen aan den Sladijk en nu komen we op dit fraai gelegen nieuwe veld.

    leder nieuw terrein bracht „Aalten” een kampioenschap

    Hoe zal het hier gaan? Spreker hoopt, dat de vereen. goed zal samenwerken met den eigenaar van het terrein, den heer H. Magis, die reeds getoond heeft zeer behulpzaam te zijn. Spreker eindigt met den wensch, dat deze openingswedstrijd spannend en fair mag zijn en tevens het begin van een periode van grooten bloei. De voorzitter van Doetinchem en daarna de heer J. ten Bosch, voorzitter van „Achilles”, feliciteerden „Aalten” met dit nieuwe terrein en onderstreepten hun gelukwenschen met een bloemenhulde. Ook de Ambtenaren Voetbalvereen. „A.S.C.A.” wenschte „Aalten” geluk met haar mooie terrein. De heer E. ter Brugge wilde gaarne aan het verzoek van „Aalten” voldoen om den bal voor dezen wedstrijd af te trappen. Met de beste wenschen voor de vereen. werd hier aan voldaan en zoo was de openingswedstrijd begonnen.

    Doetinchem 1 tegen Aalten 1

    Doetinchem was eerst even sterker en spoedig werd dit in een doelpunt uitgedrukt. Lang duurde dezen voorsprong echter niet, want met een heel „tam” balletje maakte de thuisclub den stand gelijk. Aalten kwam er nu beter in. Haar spel werd losser en het plaatsen beter, uit een mooien voorzet van Vultink behoefde Vogel maar een zacht tikje te geven om Aalten met 2–1 de leiding te bezorgen. Even later een mooi schot van Van Eerden, dat de Doetinchemsche keeper echter keurig stopte.

    Nu werd eerst thee gedronken, die de gasten blijkbaar in de war bracht, want een minuut na het hervatten van den strijd plaatsten zij den bal in hun eigen doel, zoodat Aalten een 3–1 voorsprong kreeg. Nu werd het Doet. toch te bar. Een hard schot werd prachtig door den Aalt.-keeper Ten Barge gehouden. Een volgende tot 2 keer toe nog weer, maar nu kwam de bal terug voordat de keeper zich hersteld had en zoo werd het 3–2. Dadelijk na den aftrap viel Aalten weer aan en met succes! Met een ver schot kwam het 4e punt voor de thuisclub.

    „Aalten” was nu een tijdlang overwegend sterker. Het plaatsen was veel beter dan bij de gasten en successievelijk werd den stand dan ook tot 6–2 opgevoerd, waarmee het einde kwam. De scheidsrechter leidde prima. Gedurende dezen openingswedstrijd zorgde de firma Ten Have voor aardige gramofoonmuziek, die via versterker en luidspreker over het geheele terrein hoorbaar was.

    Na dezen voetbalwedstrijd werd tusschen „Achilles” Aalten en „Prinses Juliana” Terborg, een handbalwedstrijd gespeeld. Ook dit spel, dat hier nog weinig bekend is, viel zeer in den smaak. „Achilles” bleek veel sterker te zijn en won dan ook met 9–3! Het nieuwe terrein, dat aan de Noord- en Oostzijde geheel door hooge dennen is afgesloten, zag er keurig verzorgd uit. Door dezen donkeren achtergrond is het spel veel beter te volgen dan op het open terrein van vroeger.

    Voetbalvereniging ‘Aalten’ fuseerde in 1969 met DVO tot AD’69. Sinds 2018 is dit terrein in gebruik als multifunctioneel sportpark genaamd Sportpark Zuid.

    Bron


  • Optreden Djiguiten-Ruiter-Kozakken

    Optreden Djiguiten-Ruiter-Kozakken

    De Graafschapbode, 6 juli 1938

    Op hun rondreis door Nederland vóór hun vertrek naar Amerika zullen de beroemde Djiguiten-Ruiter-Kozakken nog éénmaal een voorstelling geven te Aalten o. h. terrein der Voetbalvereniging Aalten, Sladijk en wel op Zaterdag, 9 Juli a.s. des avonds te 7 uur N.T.

    Zooals bekend, zijn de Djiguiten-Ruiter-Kozakken officieren van de voormalige Wit-Russische ruiter-regimenten, die zich na de revolutie vereenigden onder leiding van Hetman Remeleff. Zij reizen thans door alle landen van Europa en toonen overal met het grootste succes hun onovertroffen staaltjes van paardrijkunst en van ruiteracrobatick.

    Wij twijfelen er dan ook niet aan of deze laatste voorstellingen in Nederland van de Djiguiten-Ruiter-Kozakken zullen ook hier ter plaatse zeer veel belangstelling trekken. Het optreden wordt door muziek opgeluisterd en zal ongeacht de weersgesteldheid plaatsvinden. Men zie voorts de adv. in dit nummer.

    Optreden Djiguiten-Ruiter-Kozakken - Graafschapbode, 06-07-1938
    Optreden Djiguiten-Ruiter-Kozakken - Graafschapbode, 06-07-1938

    Bron


  • Een Paaskamp in de Achterhoek

    Een Paaskamp in de Achterhoek

    De Verkenner, no. 5, 1938

    Op de laatste leidersbijeenkomst van ons district te Arnhem, waren we overeengekomen, met de Paasdagen een groot kamp te houden in Aalten met de groep uit Winterswijk, de Burchtlanciers uit Aalten, Dodo uit Doetinchem, Zutfen en de Dunogroep uit Oosterbeek, allen oude vrienden van Woestduin!

    De staf werd gevormd door Hopman Post, Vaandrig Beskers en ondergetekende. Op Goede Vrijdag des namiddags omstreeks twee uur arriveerde de Dunogroep per fiets uit Oosterbeek, die onderweg 4 Dodo p.l.’s had opgepikt.

    Triomfantelijk werden deze eerste gasten door enkele v.t.’s ingehaald en naar de oude Padvindersburcht in het centrum van Aalten gevoerd, waar reeds meerdere Aaltense verkenners aanwezig waren. Met enkelen gingen we vervolgens Winterswijk tegemoet, dat met Zutfen per fiets even buiten Aalten aankwam. Gezamenlijk gingen we terug naar de Burcht, waar in de Ridderzaal het kamp door Hopman Post geopend werd.

    Hierna konden de verkenners hun nachtkwartieren opzoeken om daar de boel voor de nacht in gereedheid te brengen. De Winterswijkers en Zutfenaren werden gedeeltelijk in de Burcht, gedeeltelijk in Lansbulten (het zomercentrum van de Winterswijksche padvinders te Aalten!) en in een tweetal directiewagens ingekwartierd. De Dunogroepers en Dodo zouden de nachten in de oude burcht doorbrengen. Om half vier vertrok een gedeelte der deelnemers naar Lansbulten om daar enkele spelen te doen. Ik kan hierover niets zeggen, daar ik met een aantal mijner verkenners en enige v.t.’s vergeefse pogingen deed in Aaltens wirwarstraatjes een selderijknol en andere fourageartikelen machtig te worden.

    Daar we geen sleutel hadden moesten we op inbrekerswijze de oude burcht forceeren! Des avonds na het eten werd er op Lansbulten een kampvuur gehouden, waar ook Oubaas (Akela) Kreit aanwezig was. De verschillende recreaties der troepen amuseerden ons kostelijk en de zang en yells (vooral het Bospaadje en de Kurassiersyell!) gingen uitstekend. Na het kampvuur volgde de terugtocht per fiets en dan de nacht! In het kantoor werd door de staf nog beraadslaagd, maar verder heerste er overal diepe stilte!

    De volgende morgen al vroeg renden verkenners met een urn in de hand in hun flanelletje naar de pomp, even verder op de straat om daarna weer snel terug te rennen. Een was- en kleedpartij, ochtendgymnastiek en daarna zou om 10 uur een grote propagandatocht met vlaggen, trommels en hoorns door Aalten worden gehouden!

    Wie schetst Vaandrig Beskers’ verontwaardiging, toen hij van de politie te Aalten hiervoor geen vergunning kon krijgen! Er werd op het kantoor hevig beraadslaagd, waarna besloten werd stapvoets rijdend op de fiets een défilé te houden met ontplooide vlaggen en schallende hoorns! Aldus geschiedde en dat de route tweemaal langs het politiebureau ging, waar de tocht bijzondere belangstelling genoot, was natuurlijk bloot toeval!

    Des middags werd een grote gemeenschappelijke oefening gehouden in de omliggende bossen. Er werden mixed patrouilles gevormd, terwijl er twee partijen bestonden, Sueven en Saksen, die elkander moesten bekampen. De opdrachten werden met toepasselijke toespraken door den priester in de kelder uitgereikt, waarna de patrouilles uittrokken, speurend naar vage aanwijzingen, verstopte urnen en tenslotte naar den Priester.

    De oefening slaagde uitstekend! Er kwam behalve deductie en speuren, ook lopen op de kaart en natuurkennis bij te pas, zodat het alleszins een goed verkennersspel werd! In de ridderzaal werd het kamp die avond gesloten. Winterswijk en Zutfen keerden terug naar hun haardsteden. Dodo en Duno bleven met enkele Winterswijkers in de Padvindersburcht achter.

    De Zondag hebben we des morgens weinig uitgevoerd en de middag besteedden we aan nieuwe verkennersspelen op Lansbulten. Ook hadden we de gelegenheid een klein brandje te blussen. De avond brachten we door met een verkennersquest aan de brandende schouw! De Maandagmorgen was voor kerkgang gereserveerd en des middags trok de troep naar Winterswijk, waar we het prachtige troephuis bezichtigden en des avonds het Paasvuur met een geestige padvindersrevue meemaakten.

    Het was een door het publiek druk bezocht feest, dat zeer zeker goed geslaagd mag heten. Bij de uitdovende resten van het Paasvuur, lang nadat de jongens o.l.v. den troepleider vertrokken waren, namen Hopman Post en ik afscheid van elkaar. Daarna suisden we met een auto de heerlijke weg over Bredevoort naar Aalten langs en sloten de dag.

    De Verkenners gingen ter ruste en wij hielden nog een korte nabeschouwing. Toen was ook het ogenblik van afscheid nemen van Vaandrig Beskers daar. De nacht ging voorbij en voor dag en dauw waren we in de weer, de kar vol te laden, die een half uur eerder vertrok. Om half acht koerste het vehikel weg in de richting Oosterbeek, om acht uur gevolgd door de verkenners, vechtend met een straffe tegenwind.

    Het werd een zware terugtocht, maar in ons was die grote vreugde van dit heerlijke Paaskamp en wat maalden we dan om wat tegenwind? Om ongeveer half vier hebben we ons dorp weer bereikt.

    Laat ik eindigen met te zeggen, dat het kamp art. 4 van de padvinderswet in de practijk heeft gebracht. De Jamboreezaden hebben vrucht gevormd en de toen aangeknoopte banden zijn zeer versterkt!

    Van deze plaats nog een eresaluut aan Vaandrig Beskers, die met zoveel energie probeert in Aalten een eigen padvinderstroep te krijgen en daar nu al optreedt als Akela en Vaandrig. Het kamp zal zeker de Padvindersbeweging in Aalten meer populair gemaakt hebben en ik twijfel dan ook niet aan Vaandrig Beskers’ succes!

    Hopman VAN DER VELDE

  • Oud-Aaltensche spelletjes

    Oud-Aaltensche spelletjes

    In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen in de Aaltensche Courant hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Zo schreef hij over spelletjes die de jeugd vroeger speelde:

    “Op ’t gebied van kinderspelen is er ook veel veranderd; verschillende spelletjes, welke vroeger door kinderen werden gedaan, ziet men niet meer, o.a. ‘bikkelen’.

    Knikkeren

    “Ook het knikkeren door jongens gebeurde vroeger heel anders. Toen was het een kunstspel, en lang niet alle jongens waren daarin bedreven. De groote ronde ‘marvel’ werd geklemd tuschen den nagel van den duim en den wijsvinger weggeschoten, en moest men de knikker daarmee raken. Men knikkerde met één, twee, of met een hoopje.

    Men moest minstens twee deelnemers hebben, maar meestal waren er meer deelnemers aan het spel. Zoo elke twee meter werden de knikkers gezet, naar gelang er deelnemers waren. Om beurten werd er met de marvel geschoten, en wie dan maar de meeste raakte, won ook het meeste.

    Als men eenige knikkers geraakt had, moest men zorgen niet te dicht bij de beginlijn of bij de buurman te komen, want werd de marvel van iemand door een mededinger geraakt, dan moest hij de gewonnen knikkers afgeven.

    Oud-Aaltensche spelletjes

    Men kon zich ook ‘zetten’. Was iemands marvel ’twee handspan en ne knukkel’ van een hoopje of opgezette knikkers verwijderd, dan kon hij zijn marvel bij het hoopje zetten, om dan een volgende beurt met dat hoopje te ’trekken’. Daardoor kon de vaardige speler het aanleggen dat hij zijn marvel tot vlak bij die van een ander kon brengen, en dan restte hem niets meer dan dien marvel te schieten, en de knikkers welke opgezet waren kwamen in ‘zienen knikkerbuul’ terecht. ’t Is erg jammer dat dit interessante spel is verwaarloosd, en nu geworden is tot een doelloos gooien met knikkers door gaten vaneen plankje.”

    Mottekoezen

    “Een ander spel, dat ook niet meer wordt gedaan, is ‘mottekoezen’. Dit spel werd meestal gedaan door een vier- of vijftal jongens. In een zanderig terrein werden zooveel gaten gemaakt als er deelnemers aan ’t spel waren. De gaten waren ongeveer 15 cM. diep en breed. ledere jongen was met een stok gewapend en hield die in het gat. Nu moest de beginner trachten een bal met een stok in een gat van een medespeler te slaan. De medespeler verweerde met zijn stok de bal af, maar moest, als hij geen afweerpogingen deed, de stok in het gat houden.

    Was het de balspeler gelukt den bal in het gat van een der spelers te krijgen, dan moest de getroffene weer pogen de bal in een gat van zijn medespelers te krijgen. Het was dus een gevecht met stokken op de grond om den bal te slaan. Er werd ook wel eens misgeslagen en kwam de stok tegen de beenen van een der medespelers aan. Maar men had vroeger geen bloote knieën, allemaal lange broeken aan en het gevaar voor ernstige blessures was gering.”

    Hoed je! de bal

    “Weer een ander spelwas: ‘Hoed je! de bal’. Vroeger droegen de jongens allemaal petten en daardoor kan dat spel nu niet meer gespeeld worden, want ze zijn nu bijna allemaal blootshoofds. Een aantal jongens zetten hun petten op een rij tegen een muur, wiens pet vooraan stond begon. Hij plaatste zich op ongeveer 2 Meter afstand van de pettenrij en probeerde een bal in een der petten te gooien. Dat gelukte niet altijd, maar als het gelukte moest hij, in wiens pet de bal kwam, fluks die bal grijpen en daarbij trachten een der jongens te raken. Deze waren inmiddels naar alle kanten uiteengestoven, maar door snelheid kon de balgooier soms iemand raken.

    Werd iemand geraakt dan kreeq de getroffene een steentje inde net. Trof de balqooier niemand dan kreeg hij zelf een steentje in de pet. Om beurten, in volgorde der petten, mocht men probeeren de bal in een pet te krijgen. Meestal werd in een anders pet gegooid, maar soms gooide men ook wel eens in zijn eigen pet, om er dan als de kippen bij te zijn den bal te krijgen en snel eender jongens te raken. Als iemand 5 steentjes in de pet had viel hij af, ‘dan was hij melk’, zooals de jongens dat noemden; die het laatst overbleef was overwinnaar. Het was een zeer spannend en veel beoefend spel.

    Mieroo

    Een vangspel dat veel door jongens gedaan werd was ‘Mieroo’. Een jonqen stelde zich in de straat op en een 25 Meter verder een groep jongens. Op het geroep ‘Mieroo’ stormde men op elkaar in en hij wie door den alleenstaanden jongen werd geraakt moest zich bij hem voegen. Het aantal verplaatste zich dus, totdat de laatste gevangen was. Het kwam hier vooral aan op lenigheid. Hij die snel en lenig was wist geregeld door het cordon te glippen zonder dat hij geraakt werd.

    Meneer ik ben de bukersteen

    Een spel dat door meisjes en jongens samen wel eens werd gespeeld, was ‘Meneer ik ben de bukersteen’. Hoe men aan die benaming kwam blijkt uit het spel. Op een terrein dat eenigszins afgebakend was, posteerde zich een meisje of jongen en moest dat terrein als zijn eigendom beschouwen. Rondom stonden de deelnemers en betraden dan het verboden terrein, daarbij den titel van het spel roepende, om te kennen te geven dat ze op verboden terrein waren: “Meneer ik ben op verboden terrein”.

    Nu moest de alleenheerscher de indringers trachten te grijpen. Hij die vastgegrepen of geraakt werd moest hem helpen zijn grondgebied te verdedigen. De brutaalsten drongen ver het terrein op, maar de geslependsten sprongen maar een paar passen op den verboden grond om direct weer terug te kunnen springen als er gevaar dreigde. Als de laatste geraakt was, was het spel uit en bedacht men zich weer een ander spelletje.

    Meentje smieten

    Men had vroeger geen werklooze jongens. De jongens moesten al vroeg aan ’t werk, hetzij in de fabriek of bij den boer. Maar ’s Zondagsmiddags kwamen ze bij elkander en trok men ‘de bussche in kateerkers jagen’, en als men dan een paar zakcenten had werd er wel eens een spel met centen gedaan: ‘Meentje smieten’. Een streep werd over de grond getrokken en op 2 Meter afstand ging men staan en gooide met een cent naar de lijn. Hij, die het dichtst bij of op de lijn had gegooid mocht al de gegooide centen oprapen. Hij schudde ze in de gesloten handen, gooide ze op en die centen welke met de leeuwtjes naar boven lagen waren voor hem. Het was dus een soort gokspel hetwelk lang niet door alle jongens werd beoefend, die zakcenten hadden.”

    Bron


    • ‘Uit Aalten’s verleden’, door G.H. Rots, Aaltensche Courant, 11 maart 1938 (via Delpher)
  • Hekserij

    Hekserij

    In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen in de Aaltensche Courant hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Zo schreef hij over het vroeger geloof aan heksen:

    “Volgens het volksgeloof hadden de heksen ’s nachts samenkomsten en zoo was er in den Aalter Esch ook een plek waar het nachtelijk heksenverblijf was. Dat stukje grond, dat ongeveer gelegen heeft halverwege tusschen de Linde en den Lichtenvoordschen weg, heette de ‘heksenbeddestêe’. Het was een stukje niemandsland, waar niemand aanspraak op maakte.”

    Wie leest wat zich op dit gebied heeft afgespeeld staat paf van de verhalen die over heksen en spoken in vroeger tijden de ronde deden. Dat was zoo erg dat zelfs ontwikkelde menschen aan hekserij geloofden en de overheid in die dagen bemoeide zich met dit kwaad en strafte degene die zich aan hekserij schuldig maakte.

    Om te kunnen beoordeelen of een beschuldigde al of niet vrij uitging werd de z.g.n. waterproef toegepast: Het slachtoffer werd te water geworpen. Bleef hij drijven: zoo kon hij heksen; zonk hij, dan ja wat dan? Dan kon hij niet heksen, maar verdronk hij meestal. Men geloofde dat zij of hij, die heksen kon zich in een dier kon veranderen. Ziekten onder het vee of ook wel onder de menschen was veelal door de heksen voortgekomen. Als de melk een blauwe kleur had, als er in een kalver- of koeienmaag een kluwen haar zat, dan was dat alles de schuld der heksen.

    Aaltensche Courant, 18-03-1938 Heks
    Tekening: Piet te Lintum

    Er waren zelfs menschen die zelf geloofden dat zij heksen konden en daar bij beweerden dat ze met den duivel geregeld een onderhoud hadden. Op een bezemsteel reden de heksen door de lucht en op de beddestae in den Aaltenschen Esch daar kwamen ze samen en vierden hun nachtelijke feesten. Het zij ter eere van de geestelijke leiders in die dagen gezegd, dat zij er althans niet aan geloofden en dan ook herhaaldelijk de bevolking op het ongerijmde der hekserij hebben gewezen.

    Maar wat eenmaal vastgeroest zit laat niet gemakkelijk weer los en zoo heeft het jaren, ja zelfs eeuwen geduurd, voordat het bijgeloof verdwenen was. De overheid heeft zich vooral op aandringen der geestlijkheid met de bestrijding der hekserij bezig gehouden. Men nam daarbij middelen te baat die afschrikwekkend waren. Was men er van overtuigd dat iemand heksen kon of zich daarvoor uitgaf dan werden de meeste krasse maatregelen genomen. Vaak moesten de slachtoffers het leven er bij laten, zelfs zijn er brandstapels voor opgericht.

    Groezel ovver de hoed

    De oude nachtwachts konden griezelige verhalen doen van wat ze ’s nachts al zoo beleefd hadden. De hoorder van deze verhalen trok ‘de groezel ovver de hoed’. Zoo wist men te vertellen dat ‘achter de heggen in het Heuksken’ elken nacht een in ’t wit gekleede vrouw rondzwierf. En dan dat geheimzinnige licht in het knekelhuisje op het kerkhof. Ook ontmoette men soms geheimzinnige dieren, die Aalten’s straten onveilig maakten. En dan de ‘veurspooksels’ van brand. Als er brand kwam in ’t dorp had soms een der nachtwachts weken te voren al een ‘roode gloed’ boven de plek van den brand gezien.

    Berent Sweenen

    Omstreeks 1600 woonde in Barlo een zekeren Berent Sweenen. Zijn buurman Geerdt Luiten klaagt hem aan wegens hekserij. Er zijn bij Luiten geregeld koeien, varkens en paarden gestorven aan ‘onnatuurlijke krankheit’ of tooverij. In de maag van een der koeien welke hij opengesneden had waren ‘pedden en slangen’ gevonden. En Berent Sweenen zijn zuster ‘was ook ne hekse’. De heele boel was behekst en Luiten was al naar Lichtenvoorde klagen geweest. Berent Sweenen wordt voor de overheid gedaagd en moet al die beschuldigingen aanhoren.

    Luiten komt nog met een nieuwe beschuldiging. Men kan in zijn huis geen boter meer karnen. Oorzaak: behekst door Sweenen. Een andere buurman Bernt Tolkamp vertelt dat hij bij Sweenen karnemelk gedronken heeft en daar ‘ijselyk krank’ van geworden is. En de dochter van Tolkamp was ook ziek geworden, ook al door Sweenen behekst.

    Er zijn meer getuigen opgeroepen, n.l. Geerdt Winkelhorstink en Johan Merkerdink. Zij konden niet anders vertellen dan dat Sweenen al lang voor toovenaar was aangezien. Persoonlijk hadden zij er echter geen last van gehad. Een zekeren Herman Olthuys legt weer bezwarende getuigenis af. Andere buren vertelden dat zij Berent Sweenen, welke kleermaker was, in huis hadden gehad en hun had medegedeeld dat hij heksen kon. Elf getuigen hebben toen den eed afgelegd en verklaard aanroepende ‘Godt en Zijn heilig Evangelium’, dat het waarheid was wat ze hadden beweerd.

    Berent Sweenen, de eenvoudige kleermaker, hield zijn onschuld vol, maar hij staat alleen en tenslotte, onder de suggestie van al die beschuldigingen, geeft hij toe en zegt dat hij al wel 18 à 20 jaren de kunst van heksen heeft verstaan. Zijn lot was beslist en gezien de straffne van die dagen zal zijn hoofd wel onder de bijl des scherprechters zijn gevallen. Een geval uit velen.

    De menschen prakkizeerden zich wat. In de lange winteravonden bij de primitieve verlichting, zagen ze allerlei vreemde dingen. Zij hoorden wonderlijke verhalen en als de oude man aan den hoek bij het haardvuur zat, moest hij vertellen en dan kwamen de verhalen los van spoken en heksen en ’s nachts in den slaap hoorde men allerlei geluiden. Het mysterie van het onbekende. Dat onbekende, dat geheimzinnige, maakte de menschen overstuur en het geval Sweenen te Barlo staat niet alleen.

    Veertien jaar vroeger had reeds de Drost van Bredevoort aan de Pandvrouw geschreven dat de hekserij in Aalten steeds grooter afmetingen aannam. Men kan daaruit concludeeren dat de regeeringspersonen, dus nemen we aan het intellect van die dagen, ook geloofden dat er heksen waren. De bestrijding van het kwaad gebeurde dus niet door de menschen in te praten dat ‘heksen’ niet kan bestaan, maar door de uitroeiing van de individuen die het kwaad ten uitvoer brachten.”

    Aleida Voesters

    “We willen nog een geval mededeelen, om een juist beeld te geven van de treurige toestanden in die dagen. Het betreft een vrouw Aleida Voesters geheeten. Zij werd beschuldigd van heksen en in de gevangenis geworpen doch werd daaruit weer bevrijd toen ze beterschap beloofde en een geldelijke boete betaald had. Maar als de bevolking eenmaal iemand in een kwaad daglicht stelt, is het met zijn reputatie gedaan.

    Zoo ook deze vrouw. De bevolking liet haar niet met rust. En de maat werd volgemeten toen een zekere Wessel Wassink, kleermaker van beroep, beweerde, dat hij bij vrouw Voesters uit huis was gaan loopen, omdat hij daar duivels had hooren twisten. Het gerucht bereikte de overheid weer, en deze overlegde hoe ze met deze vrouw aan moesten. De ‘beul’ vertelde aan den Drost dat hij er wel een middel op wist om met krachtige maatregelen in te grijpen. De vrouw werd weer gevangen genomen en naar Bredevoort getransporteerd. Ze werd in ’t water geworpen en… ze bleef drijven, ze zonk niet. Een bewijs dat ze heksen kon. Met een langen stok duwde men haar naar beneden, maar het schijnt dat de overmatige vrouwelijke kleeding van die dagen een beletsel voor het zinken is geweest.

    Ontzettend wreed is de vrouw toen gefolterd. Ze moest tot een voorbeeld gesteld worden. Op een ladder werd zij vastgebonden en toen gegeeseld, maar de vrouw hield vol dat ze niet kon heksen. Twee dagen later werd ze weer op de pijnbank uitgestrekt. Maar ze bekende niet. Men bond haar een touw aan de handen en hing haar aan een balk. En toen had de beklagenswaardige vrouw een geluid uitgestooten alsof er wel drie mannenstemmen geroepen hadden. En terstond daarna was haar nek gebroken. Haar lichaam is verbrand geworden op een brandstapel; gemaakt van hout dat door de boeren daarvoor expresselijk moest worden aangevoerd. Zoo waren de heksenvervolgingen.”

    Molkentoversche

    In een gerechtelijk stuk van het Hof van Bredevoort uit 1533 vinden het volgende verhaal: Het echtpaar Gert en Lise Stapelkamp heeft een kerkbank in de Sint Helenakerk in Aalten, die volgens hen al door Gert’s moeder Sine Stapelkamp is gekocht. Maar het echtpaar Koep en Nale Heinen beweert dat het hun bank is. Nale heeft Lise tijdens de dienst driemaal voor ‘molkentoversche‘ (heks die koeien betovert) uitgemaakt, waarop Lise van zich af sloeg. Een forse rel in de kerk!

    Bronnen


    • ‘Uit Aalten’s verleden’, door G.H. Rots, Aaltensche Courant, 26 november 1937 (Delpher)
    • ‘Uit Aalten’s verleden’, door G.H. Rots, Aaltensche Courant, 11 maart 1938 (Delpher)
    • “Wortels in de Achterhoek’, door Henk Harmsen, 1996 [p.17]
  • Nachtwacht & Veldwachters

    Nachtwacht & Veldwachters

    In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Dit schreef hij over de ‘nachtwacht’ en de veldwachters in Aalten:

    “Als de Aaltensche bevolking rust had gevonden in Morpheus armen, werd ’s nachts over hun gewaakt. De nachtwacht deed de ronde en vergezeld van zijn trouwen hond en met dikke rotting in de hand, surveilleerde hij door Aalten’s straten. Hij deed meteen dienst als ‘porder’, d.w.z. als sommige menschen vroegtijdig gewekt moesten worden, dan was hij de man die daarvoor zorgde.

    Lange jaren had de nachtwacht een ratel en telkens als de torenklok zich liet hooren werd de ratel gedraaid en riep de nachtwacht het uur af dat geslagen had, bijv. als het twaalf uur was werd geroepen: “De klok heeft twaalf, twaalf heeft de klok!”. Dat dergelijke gebruiken niet bevorderlijk waren voor de nachtrust der ingezetenen, heeft men ingezien en heeft men toen dit gebruik afgeschaft.

    Voor controle waren op enkele punten van ’t dorp controleklokjes bevestigd waarvan de werking zoodanig was dat de overheid kon constateeren of de nachtwachts hun plicht hadden gedaan. In woelige tijden of wanneer de overheid het noodig achtte, werd de nachtwacht versterkt door een ‘wacht’. Elk rot (= wijk/buurt) moest een manschap leveren en moest de wacht worden betrokken. De ‘wacht’ was in het gebouw waar nu de kapperszaak van den heer ter Maat is.

    De vaste nachtwacht had dus de assistentie van deze personen en gingen ze mee op surveillance. Als het pikdonker was, gebeurde het wel eens dat zoo’n nieuwbakken hulp-nachtwacht de gebaande weg niet meer wist en in een vaalt of mestput terechtkwam. Dat deze rondgang door het dorp, behalve het ratelen, niet geheel geruischloos was, is bekend en kon men al uit de verte hooren dat de nachtwacht op komst was. Voor dieven en ander gespuis was dit het sein om de beenen te nemen of zich schuil te houden.”

    Sinds 1 januari 1915 behoort de nachtwaker in Aalten tot het verleden. Eén van de laatste nachtwakers in Aalten was Jan te Slaa, bekender als dorpsomroeper ‘Jan met de Panne‘.

    Griezelen

    “De oude nachtwachts konden griezelige verhalen doen van wat ze ’s nachts al zoo beleefd hadden. De hoorder van deze verhalen trok ‘de groezel ovver de hoed’. Zoo wist men te vertellen dat ‘achter de heggen in het Heuksken’ elken nacht een in ’t wit gekleede vrouw rondzwierf. En dan dat geheimzinnige licht in het knekelhuisje op het kerkhof. Ook ontmoette men soms geheimzinnige dieren, die Aalten’s straten onveilig maakten. En dan de ‘veurspooksels’ van brand. Als er brand kwam in ’t dorp had soms een der nachtwachts weken te voren al een ‘roode gloed’ boven de plek van den brand gezien. En dat gebeurde nog wel eens want op het gebied van branden had Aalten een zekere ‘bekendheid’. Het is wel is gebeurd dat er drie dagen achtereen brand uitbrak. Den ‘rooden gloed’ zal dan nog wel eens gezien zijn.

    Het geloof aan heksen en spoken was in de vorige eeuw nog niet geheel verdwenen, zoodat aan de griezelverhalen vaak geloof werd geslagen. Volgens het volksgeloof hadden de heksen ’s nachts samenkomsten en zoo was er in den Aalter Esch ook een plek waar het nachtelijk heksenverblijf was. Dat stukje grond, dat ongeveer gelegen heeft halverwege tusschen de Linde en den Lichtenvoordschen weg, heette de ‘heksenbeddestëe’. Het was een stukje niemandsland, waar niemand aanspraak op maakte. De nachtwacht was voor dit alles niet bevreesd en door hunne heldhaftige houding tegenover deze geheimzinnige dingen, dwongen ze al eerbied af van de bevolking. Ontegenzeggelijk heeft de nachtwacht, afgezien van het bovengenoemde, goede diensten gedaan en menigeen heeft de afschaffing van de nachtwacht met leede oogen aangezien.”

    Veldwachters

    “En dan de politiebewaking. Als Rijks-Veldwachter was bekend Jan Steven Schaars Prins. Het noemen van zijn naam was al voldoende om de schrik er in te krijgen. De jeugd kroop in haar schulp als zijn naam genoemd werd en de ondeugende rakkers kon men er mee naar bed krijgen. Maar ook voor grooteren was Schaars Prins iemand voor wien men ontzag had. Zijn verschijning alleen al werkte mee om de orde te herstellen en als hij aanpakte dan was de orde direct hersteld.

    Een mannetjesputter die dus wel eens voor heete vuren heeft gestaan. Alleen trok hij er vaak op uit om gevaarlijke stroopers te verbaliseeren, maar ook heeft hij tegenover ’t geboefte zijn kracht getoond. De arrestatie van twee ontsnapte Duitsche moordenaars in 1875 heeft hem een eervolle onderscheiding der Duitsche regeering bezorgd.

    Eén keer moet hij door overmacht overmeesterd zijn en hebben hem de stroopers in het Aalter Goor aan een boom gebonden en werd hij eenige uren later door een voorbijganger bevrijd.

    Als gemeentepolitie kende men in ’t midden der vorige eeuw Jan te Hoonte en veldwachter Beernink. Ze waren aangesteld op een bezoldiging van 145 gulden ’s jaars. Proces-verbalen werden er niet te veel opgemaakt, want als het gevallen betrof die voor de rechtbank te Zutphen behandeld moesten worden, moesten ze als getuige de reis te voet naar Zutphen maken. Een strooper verbaliseeren, dat was nog iets, want dat gaf een extra belooning en die kon men bij het vorengenoemde salaris wel gebuiken.

    De veldwachter ging ’s morgens naar het gemeentehuis om te vragen of er nog ‘iets bijzonders’ was. Soms was het een boodschap naar een buurtbewoner, maar meestal had de Burgemeester niets op ’t programma staan en ging de veldwachter zijn boerderij verzorgen; was er iets bijzonders aan de hand dan wist men de veldwachter op ’t land te vinden.”

    Bronnen


    • ‘Uit Aalten’s verleden’, door G.H. Rots, Aaltensche Courant, 26 november 1937 (via Delpher)
    • Het Vaderland, 7 maart 1876 (via Delpher)
  • Carnaval / Vastenoavond

    Carnaval / Vastenoavond

    In grote delen van het land viert men zeven weken voor Pasen carnaval. In Aalten niet zozeer. Carnaval is van oudsher namelijk een katholiek feest en Aalten is sinds de Reformatie overwegend protestants gebleven. Toch werd er in het verleden ook in Aalten wel carnaval gevierd.

    Carnaval is van oorsprong een gekerstend heidens volksfeest dat traditioneel alleen door katholieken wordt gevierd. In delen van Gelderland wordt carnaval ieder jaar uitbundig gevierd, in veel andere delen (helemaal) niet. Deze regionale cultuurverschillen gaan vaak terug tot de Reformatie en de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Tijdens deze strijd ontstonden regio’s die al snel aan de kant van de protestantse opstandelingen terechtkwamen. Andere regio’s hielden lang vast aan het katholieke geloof van de wettige vorst en hertog van Gelre.

    Zo werd de heerlijkheid Bredevoort in 1597 veroverd door de calvinistische Maurits van Nassau. Hij maakte daarna de hele regio van Aalten tot Winterswijk protestants. Zijn halfbroer Frederik-Hendrik veroverde Groenlo pas in 1627 definitief op de katholieke vorst. In de voorliggende jaren kon het katholieke geloof dieper wortelen in de samenleving van Groenlo en omgeving dankzij de contrareformatie.

    Carnaval in Aalten

    Toch werd ook in Aalten vroeger carnaval gevierd. In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Zo wijdde hij onder andere een deel aan de ‘vastenoavond’, oftewel carnaval:

    “Gaan we nu weer eens de vroolijke dingen bekijken, dan was het eerste waarvoor men zich in ’t dorp druk maakte de ‘vastenoavond’. Evenwel in vergelijking met carnavalspret in zuidelijker deelen van ’t land was het hier erg bescheiden. In enkele café’s was muziek, en op straat vertoonden zich ook enkelen met een narrenpak. Teekenend was echter de gewoonte van de jeugd door met een z.g.n. „foekepot” te loopen. Dat was een blikken bus, waarover een gedroogd stuk varkensblaas was gespannen. In ’t midden was een gaatje, waarin passend een staafje hout. Door op en neer duwen van dit stokje ontstond een brommend geluid, en zoo kon men op vastenavond het doffe geluid hooren van foeke-foeke-foeke. Men zong daarbij het volgende liedje:

    Foekepotterij, foekepotterij, geef me een centje, dan ga ik voorbij. ’k Heb geen geld om brood te koopen, ‘k Heb al zoo lang met de foekepot geloopen. Foekepotterij, foekepotterij, geef me een centje, dan ga ik voorbij.

    Het centje werd meestal gegeven, en de „vastenaovendsgekken” maakten goede zaken.”

    Aalten heeft zelfs drie carnavalsverenigingen gehad: De Slinge-raars, Spuit Elf en De Olde Mölle.

    De Olde Mölle werd in 1965 opgericht bij café ’t Noorden.

    Carnavalsvereniging De Olde Mölle, Aalten
    Carnavalsvereniging De Olde Mölle, Aalten – Prins Jan, zijn adjudant en de Raad van Elf.

    Tegenwoordig wordt carnaval in Aalten alleen nog maar gevierd door de kinderen van de St. Jozefschool, de enig overgebleven katholieke basisschool in het dorp. Andere Aaltenaren die carnaval willen vieren, wijken noodgedwongen uit naar bijvoorbeeld Groenlo (Grolle), ‘s-Heerenberg (Waskuupstad) of Doetinchem (Leutekum).

    Krantenberichten

    Carnavalsvereniging De Olde Mölle, Aalten - Dagblad Tubantia, 18-02-1966
    Dagblad Tubantia, 18 februari 1966
  • Boerenleven

    Boerenleven

    In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Zo wijdde hij onder andere een deel aan het vroegere boerenleven:

    “De buurtschappen van Aalten vormden een onafscheidelijk geheel met het dorp. De dorpsbewoners hadden den boer noodig en omgekeerd zochten de landbouwers der buurtschappen contact met de dorpsbewoners. De wegen waren lang niet even best, en door het smalle wielbeslag hadden de zandwegen heel wat te verduren. Waterafvoer was slecht geregeld, en het onderhoud liet veel te wenschen over. En toch moesten die wegen gebruikt worden ten koste van veel paarde- en ossenvleesch. Want de meeste landbouwers hadden vroeger ossen, welke als trekkracht gebruikt werden voor de wagens en karren. Met tragen gang ging het voort: kom ik er vandaag niet, dan morgen, langzaam maar zeker, want de os was een sterk trekdier. Na eenige jaren als trekdier dienst gedaan te hebben, werd het naar de slachtbank gevoerd.”

    Primitief

    “Het geheele landbouwersbedrijf was natuurlijk primitief, kunstmest was er niet, met als gevolg veel minder bodemopbrengst. Grupstallen kende men niet, en kippenhokken had men „op den boer” niet. De kippen vertoefden des nachts bij de koeien in den stal. Men had daar eenige slieten aangebracht, en de geheele hoenderstapel tippelde ’s avonds het „hoonderrek” op. En als de dagen kort waren kwamen ze er bijna niet af. Eierproductie alleen in den zomer, en dan nog niet te veel. Ook het rundvee zag er niet zoo florissant uit als tegenwoordig. Men moest voederen wat eigen bodem opbracht. Alles was naar “rato”, naar evenredigheid, maar veel minder en productiever dan tegenwoordig.

    Boterfabrieken waren er niet, de melk werd in roompotten gezuurd en zelf gekarnd. Op sommige boerderijen liet men dat karwei door een hond doen. De karnhond moest in een groot rad loopen, waardoor dit in beweging werd gebracht, hetwelk met een asverbinding de karninrichting in beweging bracht. De gekneede boter werd aan ‘welters’ gemaakt, en dan ging de huisvrouw er mee naar de markt. In Aalten was de botermarkt achter ’t Gemeentehuis. Deze heeft echter geen bloeiende periode gehad, want de winkelier was ook een willig kooper. Met een gesloten beurs kon men dan kruidenierswaren koopen, en groote leveranciers kregen er contanten bij. Ook de eieren brachten wat geld op, maar zooals gezegd, de productie was niet zoo groot.”

    Koojonges

    “Vele kleine landbouwers gingen in daghuur werken, en enkelen hadden ook een weefkamer, waarin wat verdiend werd. Alles moest natuurlijk met handenarbeid verricht worden, machines kende men niet. Elke landbouwer (geen daghuurder) had dan ook minstens één groote knecht en ‘ne koojonge’. En die ‘koojonges’ kwamen meestal uit het dorp.

    Het was de gewoonte dat de jongens uit de arbeidersgezinnen, vóórdat ze een vak of ambacht leerden, eerst een paar jaar naar ‘den boer’ gingen. De arbeidersgezinnen in ’t dorp waren meestal nogal met kinderen gezegend, en als dan een jongen 10 à 11 jaar was, moest hij naar ‘den boer’ voor ‘kost en kleeren’. Er werd dan bij gezegd: “dan leert ‘e meteene ordentelijkheid”. In elk geval leerden de jongens de eerste beginselen van het landbouwbedrijf, wat hun in ’t verdere leven goed van pas kwam.

    Voor volslagen knechten en dienstboden was het loon ook niet te veel. Dertig of vijftig gulden per jaar, maar daarbij kregen ze nog wel eens kleeding. Een paar hemden, een paar brunten (soort schorten), klompen en eenige andere benoodigdheden. Dat was het geheele loon van de dienstbode. In ’t voorjaar hadden ze vacantie, z.g.n. ‘spinneweek’. Dan waren ze weer een week bij moeder thuis. Het loon der knechten was iets hooger, maar toch naar tegenwoordige begrippen zeer laag. En reken er niet op dat men veel vrijen tijd of korte dagen maakte. We vermeldden reeds dat ’s morgens om vier uur de dorschvlegel al ter hand genomen moest worden.”

    Voeding

    “Voor eigen voeding werd meer uit het landbouwbedrijf genoten dan thans. In de eerste plaats verbouwde ieder een kwantum boekweit. Het boekweitemeel was geschikt voor pannekoeken. En steevast werd elken morgen pannekoek gebakken, meest met ‘ne harste spek’ er in. De bakolie was ook een product van eigen verbouw. Het raapzaad werd naar den olieslager gebracht, en eenige groote kruiken raapolie en een aantal raapkoeken eenige weken later weer opgehaald. De koeken was een uitstekend veevoeder, een extraatje voor nieuwmelkte koeien.

    Het eten was verder zoo eenvoudig mogelijk, doch voedzaam. Eigengebakken brood, want veel landbouwers hadden zelf een bakoven, en bakten hun eigen brood. De eenige delicatesse was ‘riestpap met broenen suker’, meestal een maaltijd voor zondagsavonds of als er bezoek kwam. Een groote schaal vol ‘riestpap’ werd midden op de tafel geplaatst. leder aanzittende kreeg een lepel, en dan begon het eten. Het fatsoen eischte dat men de lepel kortaf inde stevige brij stak, om den indruk niet te wekken dat het om de lekkerste bovenlaag met bruine suiker te doen was. Was iemand tóch zoo brutaal, dan dacht men al gauw: “Hee is ok an ’t plaggen mèèjen”. Eieren eten deed men alleen op Paaschzondag. Dan werden er wel eens meer verorberd dan goed was voor de maag.”

    Oogst

    “Als de oogst binnen was, de aardappelen gerooid, dan was er reden tot blijdschap, dan werd er een huiselijk feestje aangericht en had men ‘stoppelaene’. Dit feestje beperkte zich tot de huisgenooten en arbeiders die bij den oogst behulpzaam waren geweest. Dat het landbouwbedrijf met economische moeilijkheden te kampen heeft gehad, blijkt wel hieruit dat vele familie’s hun boerderijen verkochten en zich een nieuw bestaan zochten in het Nieuwe Werelddeel in Amerika. Behoudens een enkele uitzondering, is er geen enkele teruggekeerd en zijn ze in hun nieuwe vaderland tot grootere welvaart gekomen.

    De grondprijzen waren hier laag en vooral woeste grond was niet duur. Voor honderd gulden per H.A. kon men al woeste grond koopen, want bosch en heide was er genoeg en waar nu vette weiden en best bouwland is waren vroeger uitgestrekte bosschen, heidevelden en woeste grond. Vooral de buurtschap Haart was zeer boschrijk.

    Toen de kunstmest haar intrede deed in het boerenbedrijf, kwam er een ommekeer ten goede. Woeste gronden werden ontgonnen, bosschen gekapt, de waterafvoer werd beter geregeld en tal van arbeiders vonden werk bij de ontginningen en cultiveering van woeste gronden. De veestapel nam toe, de kwaliteit van het vee werd beter, landbouwcursussen gaven wenken en aanwijzingen voor doelmatige bemesting en de een na de andere nieuwe boerderij werd gebouwd. Ouderwetsche stallen veranderd en tegenwoordig is het bouwtype van een boerderij heel wat anders dan vroeger.

    Het gewas werd vroeger alle in huis geborgen, ‘op den balken’ en ‘op de hilde’, terwijl nu overal de ‘viemheupe’ te zien zijn, die den oogst herbergen. Ook bij de dorpsbewoners kwam er verandering in de economische en maatschappelijke verhouding en de landbouw werd minder beoefend. Vaalten moesten worden opgeruimd, de moderne industrie kwam en van lieverlede werden de toestanden moderner.”

    Verhuizen

    “Een enkele maal dat een boer verhuisde, geschiedde dit op ‘Sinte Peter’, 22 Februari. Al het hebben en houden werd op de wagens geladen der buren en de heele stoet trok dan van ’t oude huis naar de nieuwe of andere hoeve. De buurvrouwen waren dan al vast naar de nieuwe woning gegaan, hadden die schoon gemaakt en het vuur aangelegd. In den volksmond heette dat ‘vuur beün’.

    Als de nieuwe bewoners kwamen, was de koffie reeds gezet en konden de aankomenden direct zich verkwikken aan een lekkere kop koffie. De buren hielpen dien dag, de een gooide hier wat neer de ander daar, het was een kolossale drukke. Als klap op de vuurpijl kwam dan later het ‘intrekkersmoal’, waarbij het ook al weer niet aan geestrijke dranken ontbrak.

    Sterfgevallen

    “Bij sterfgevallen werden onmiddellijk de buren gewaarschuwd, de buurvrouwen legden het lijk af, het werd zoogenaamd ‘verhaenekleed’. De naaste buurlui traden dan op als eerste vertegenwoordiger der bewoners. De naaste buurvrouw nam de taak van de huisvrouw over en de buurman van de huisbaas. Deze gewoonten waren bij de dorpsbewoners evenzoo, en nu nog wordt in de buurtschappen die oude gewoonte gehandhaafd.

    Men had vroeger het z.g.n. ‘doodenbier’. De buurtschapbewoners gingen na de begrafenis naar een of ander café in ‘t dorp. Daar werd uitgerust van den vermoeienden tocht en werd bier geschonken. Doorgaans was dat bier vroeger niet van de allerbeste kwaliteit, en was het zoo’n bruin vocht wat men te drinken kreeg. In dat café nam men afscheid van elkander en ging een ieder zijns weegs.

    De begrafenisstoet der buurtbewoners bestond uit de kar waarop het lijk vervoerd werd. Deze was onoverdekt. Dan volgden een aantal „zeilkarren”, hooge karren met witte huiven. Als er een doode was in ’t dorp, moest ’s morgens een der buren het ‘rot’ rond om de menschen te waarschuwen, dat ze ‘um elf uur mosten kommen loên’. Daar was ’t meestal nogal druk om elf uur, want het was de gewoonte dat den ‘noasten noaber’ met de ‘flessche rondging’. Het lijk werd vanaf het sterfhuis door de buren naar ’t kerkhof gedragen, en weer kwam de jenever er bij te pas, want de dragers kregen vooraf een hartversterking.”

    Visite

    “In de Meimaand waren er veel boerenvisites. Dan noodigde men vrienden, familie en bekenden uit en de boerenhofsteden krioelden van bezoekers. De landerijen werden bekeken, de veestapel becritiseerd, het was meer zoo’n tentoonstelling in het klein. Deze visites werden ook steeds gehouden wanneer men iets verbouwd had. Het bouwmateriaal was door de „noabers” gehaald van de steenfabrieken of opslagplaatsen en een feestje bekroonde dit alles. Die burenhulp was iets traditioneels en was ook onmisbaar, onderling steunde men elkaar. Gezamenlijk werd wat verricht wat één niet af kon, en vooral bij familiegebeurtenissen was de burenhulp onmisbaar.”

    “In de lange winteravonden ging men nog al eens buurtvisites maken, en ook de slachtvisites waren bij de buurtschapbewoners een echte uitgaansavond. Het groote schaddenvuur (schadden waren lichte turven, de bovenste laag van een veenlaag) verspreidde een aangename warmte als men er dicht bij zat, en dan zat de huisbaas met de stoel achterover voor den eenen schoorsteenmantel, en de buurman voor den anderen. Het gesprek ging dan over ’t bedrijf, over de koeien en varkens. De bezoekers hadden gratis rooken, en als de pijp moest worden aangestoken werd met de tang een gloeiend kooltje uit ’t vuur genomen.

    De verdieping in de vuurplaat, waar de eigenlijke haard van het vuur zich bevond, heette ‘rake’, ‘vuurrake’. De ‘bloasepiepe’, de tang en de vuurlepel waren de gereedschappen die terzijde van het vuur hingen. Boven het vuur was een groote boezem uitgebouwd, welke als rookvanger dienst deed. Het was meteen de bergplaats voor alles wat men droog wilde bewaren, o.a. het kruit en het kruithoorn, want elke boer had een geweer, een bovenlader, welke met kruit moest worden geladen. Het stroopen zat den boer in ’t bloed. Zoo’n haas of konijntje verschalkte hij nog wel eens.

    De bouwtrant der oude boerderijen was het Saksische type. In heel oude huizen was de woonruimte voor menschen en dieren niet gescheiden. Bij de meeste was er een tusschenwand, soms van steen, soms van z.g.n. ‘wand’, een vlechtwerk van hout, van weerskanten met leem bestreken. De bedsteden waren meest alle in de keuken aangebracht, en men kan zich voorstellen welke situaties daardoor ontstonden.

    Als er kleeren te verstellen of nieuw te maken waren, kwam de kleermaker uit ’t dorp aan huis die bezigheden verrichten, en ’s avonds klepperde deze weer naar ’t dorp met het persijzer en de persplank in de handen. Als de Mei in ’t land kwam kon de boer zich een extra verdienste verschaffen met hout schillen. Rondom de akkers waren houtwallen, waarop eiken slaghout werd geteeld. Als dit hout de dikte van pl.m. 5 cm. had bereikt, werd het gekapt, en doordat het in Mei ‘sap’ was geschild, d.w.z. van de bast was ontdaan. Het hout was op lengte van ongeveer 1 meter gehakt, en dan werd het over een ander stuk hout gelegd en daarna zoo lang geklopt tot de bast of schors los zat. De schors werd gedroogd en naar leerlooierijen gebracht, waar ze werd bewerkt tot looistof. Het hout dat overbleef noemde men schelhout en was een zeer gewilde brandstof.

    Een andere hulpbron om de inkomsten te verhoogen was het stoken van houtskool. Enkelen hadden daarin vaardigheid verkregen, en deze kolenbranders hadden zoo hun klanten overal zitten. In den herfst trokken de boeren met het vee naar het land. Geheele akkers waren begroeid met spurrie, een verbouw dat na de rogge gezaaid werd. Het vee werd aan den ’tuur’ gezet: een paal werd in den grond geslagen, waaraan een houten sliet met ijzeren beugel, en aan de koeketting of touw bevestigd. Het rund kon dan een bepaald stuk afgrazen, en telkens moest het vee weer ‘angetuurd’ worden.”

    Markt

    “Als het marktdag was ging men naar de markt, was er vee te verkoopen, dit werd naar de markt vervoerd, want veehandel gebeurde alleen op de markt. De Aaltensche veemarkt was dan ook druk bezocht. Men kwam met de prijzen der ossen en het overige rundvee op de hoogte, men hoorde op de markt allerlei nieuwtjes, welke weer stof tot praten opleverden in den huiselijken kring.

    De jaarmarkten waren het groote evenement in het leven der bevolking. Eerst had men de Meimarkt, in den herfst de Kermis- en op 6 December de Sint Nicolaasmarkt. Dan was het een drukte van belang in ’t dorp. Voormiddags gingen de getrouwden uit huis naar de markt. De veemarkt was overvol, en op de binnenmarkt ontbrak het niet aan kramen en verkoopers van allerlei huishoudelijke artikelen. Bekende figuren waren de kwakzalvers die kruiden verkochten, waardoor de meeste ziekten zouden genezen. De tandentrekkers hadden ook meestal goede klandizie.

    Veemarkt, Aalten
    Veemarkt Aalten, ca. 1934

    Op die jaarmarkten was er in de meeste herbergen dansmuziek. Het jonge volk ging des namiddags naar de markt. De boerenmeisjes slenterden eerst eens langs de kramen, kochten iets van hun gading, en eindelijk groepeerden ze samen. Dan kwamen de jongens opdagen en probeerde men elkaar te vinden om dezen avond uit te gaan. Enkelen hadden van te voren al afspraakjes gemaakt. Deze ‘hadden de schadden al dreuge’, want in den volksmond heette het als men de belofte van iemand had om samen de jaarmarkt te vieren: ‘dan had men de schadden dreuge’. Als het negen uur was ‘s avonds, en er waren dan nog meisjes die geen aanzoek kregen, dan was de kans voor hen verkeken en moesten ze alleen huiswaarts. Zoo werden vaak de eerste huwelijksbanden gelegd en was de eerste kennismaking op de jaarmarkt beslissend voor heel hun leven.”

    Bron


    • ‘Uit Aalten’s verleden’, door G.H. Rots, Aaltensche Courant, 12 & 19 november 1937 (via Delpher: deel III & deel IV)
  • Rol van de vrouw

    Rol van de vrouw

    In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Het volgende fragment geeft een indruk van de rol van de vrouw in het dagelijks leven van weleer:

    “De vrouwen van de meeste dorpsbewoners hadden een zware taak te vervullen. Zij waren aangewezen om veel zwaar werk te doen in het landbouwbedrijf. Zooals wij reeds mededeelden was de kruiwagen het hoofdvervoermiddel in het dorp, en geregeld zag men de vrouwen de landbouwgewassen per kruiwagen van het land of uit de tuinen naar de woonhuizen brengen. Had zij kleine kinderen, dan moesten die op de kruiwagen worden meegenomen naar ’t land, waar zij dan de werkzaamheden verrichtte welke op den akker te doen waren. De vrouwen moesten zwaar werk verrichten, niet alleen in de kruiwagen, maar zij moesten ook het land helpen omspitten.

    Als in ’t voorjaar de wintervoorraad geslonken was en krachtvoeder koopen uitgesloten was, gingen sommige vrouwen „kwekkene schudden”. Door de slechte bemesting en het ontbreken van kunstmeststoffen waren sommige stukken land overvol van dit onkruid. Het eenige voordeel hiervan was, dat de wortel van dit onkruid nogal voedingswaarde had en zoodoende kwam het dat men dit dan verzamelde en per kruiwagen naar de beek vervoerd werd, want deze kwekkene moesten eerst gewasschen worden voordat men ze het vee kon voederen.

    De vrouw moest vooral in den oogsttijd hard mee werken, en alle afstanden moesten te voet worden afgelegd. De verzorging van het huis eischte ook niet zooveel werk. Zaterdagsmiddags dan deed men daar een beetje aan. Men behoefde geen matten te kloppen, geen kleeden te schuieren, dat kende men niet. De vloer in het woonvertrek was van keisteentjes, later „estrikken”, en als ze de vloer geveegd had werd er een beetje wit zand op gestrooid en de „kamer was gedaan”. Zaterdags werd geschrobt. Eenige emmers water werden op de vloer gegooid, het vuil werd met den berkenbezem los geschrobt, en dan ging alles het gootgat uit, want aan elke keuken was zoo’n „göttengat”. Andere tijden, andere zeden, en zóó was in den ouden tijd de gewoonte om het huis te reinigen. En toch kon het gezellig zijn, gezelliger misschien dan in veel moderner gestoffeerde huiskamers.

    Bij winteravond had ieder zijn bezigheden. Als het vee verzorgd was, dan waren er andere bezigheden. De vrouw ging zitten spinnen, de man was in de weefkamer, de grootere kinderen moesten ander huiswerk doen, aardappels schillen, karnen enz. En kreeg moeder de vrouw de „koffiesmodde” en werd een kopje koffie gezet. Als het er aan zat kreeg men ’n „kluntjen” in de koffie, en anders werd ze zoo gedronken. Dan kwam de man en vader te voorschijn, de pijp werd opgestoken, en nadat de kinderen naar bed waren, keuvelden man en vrouw nog wat verder.”

    Bron


    • ‘Uit Aalten’s verleden’, door G.H. Rots, Aaltensche Courant, 5 november 1937 (via Delpher)
  • Huwelijksdrama te Aalten

    Huwelijksdrama te Aalten

    4 augustus 1937

    In Aalten woonde het gezin Kl. H., waarvan de man en zijn veel jongere vrouw in ongenoegen met elkaar leefden. De man liet vrouw en kinderen gebrek lijden, omdat hij geen werk wilde zoeken en niet om steun wilde gaan. De toestand werd van dien aard, dat de vrouw besloot naar haar ouders terug te keeren. Gemakkelijk was dat niet, want de man had haar al eens gedreigd met een geladen geweer, voor het geval zij dit plan ten uitvoer zou leggen.

    Om nu van hem af te kunnen komen met de jonge spruiten en het meubilair, daar was een truc voor noodig. Met de familie werd overleg gepleegd en in den morgen van 4 Augustus j.l. voltrok zich in onze anders zoo rustige gemeente het echtelijk „drama”. Een kostganger van de ouders van de vrouw kwam dien morgen bij KI. H., zich voordoende als koopman, om te vragen of er nog wat te handelen was. KI. H. bemerkte reeds, dat er iets ongewoons aan de hand was en zijn vermoeden bleek niet ongegrond.

    Vastgebonden

    Deze kostganger, J. G. K., timmerman te Sinderen, pakte KI. H. plotseling vast en een ware worsteling ontstond nu. Gelijkertijd kwam toen binnenstappen de zwager van KI. H., de fabrieksarbeider J. H. K. uit Silvolde, die een handje hielp. Deze vroeg aan de vrouw van KI. H. waar hij een touw kon vinden, waarop deze zei, dat dit in het kalverhok lag. Het touw werd vlug gehaald, gezamenlijk hebben ze toen den wel zeer geschrokken echtgenoot aan beenen enz. gebonden en zoo werd hij getransporteerd naar de kelderdeur, waar ze hem langs de keldertrap naar beneden lieten glijden. De kruk werd hierna uit de deur genomen en de deur dicht gespijkerd, zoodat ontkomen hieruit al moeilijk ging.

    Om nu KI. H. ook de kans te ontnemen, dat hij door het kelderluik naar buiten kon kruipen, waartoe hij pogingen deed, werd dit luik afgesloten met een mat, waarop takkenbosschen en een tuinbank. Het voorgenomen plan van juffrouw KI. H. om een en ander rustig te kunnen weghalen, gelukte nu volkomen. Met een vrachtauto werd alles vervoerd.

    Toevalligerwijze kwam een buurvrouw van KI. H. die per fiets uit was geweest, de verhuisauto tegen met haar buurvrouw, juffrouw Kl. H. er in, welke laatste haar nog een laatste vaarwel toewuifde. Deze buurvrouw, juffrouw B. spoedde zich vlug naar huis, omdat ze al wat vreesde, nu ze dit had gezien.

    Bij het huis van Klein H. gekomen stelde ze een kort onderzoek in, totdat ze plots vanuit de kelder een geroep hoorde. Haar vreugde was niet gering, toen ze op haar vraag in de richting van het keldergat „Leef ie nog” een bevestigend antwoord hoorde. Zij heeft haar buurman KI. H. hierop spoedig uit zijn benarde positie bevrijd.

    Voor de rechter

    Het drietal, t.w. de 26-jarige Ba. Wa. W. echtgenoote van KI. H., haar 27-jarige zwager J. H. K. en de 36-jarige kostganger J. G. K., hadden zich nu heden voor deze wederrechtelijke vrijheidsberooving voor de Zutphensche Rechtbank te verantwoorden. Als getuigen waren gedagvaard het slachtoffer van dien vierden Augustus, B. H. Klein Hesselink en de buurvrouw, die de „vreeselijke” ontdekking in de kelderruimte deed.

    Verdachte was verschenen en erkende de feiten. Hij zag evenwel niet in iets strafbaars gedaan te hebben. Hij geloofde integendeel een goede daad gedaan te hebben, om het leven van de vrouw te redden. De Off. van Justitie dacht er anders over. Vrijheidsberooving is strafbaar. Hij eischte deswegen tegen elk der verdachten een half jaar gevangenisstraf. De verdediger achtte opzet niet bewezen en pleitte vrijspraak, of anders de uiterste clementie.

    Twee weken later deed de rechtbank te Zutphen uitspraak en veroordeelde elk der verdachten tot drie maanden gevangenisstraf.

    Bronnen


    • Nieuwe Winterswijksche Courant, 15 oktober 1937 (via Delpher)
    • De Avondpost, 15 oktober 1937 (via Delpher)
    • Aaltensche Courant, 29-10-1937 (via Delpher)
  • Een zweefvliegveld te Aalten?

    Een zweefvliegveld te Aalten?

    Aaltensche Courant, 2 juli 1937

    Door een clubje zweefvliegers uit deze omgeving, die tot heden hun sport op het vliegveld bij Enschede beoefenden, is een terrein gezocht in de Schaarsheide, een terrein dat alle gunstige factoren voor de zweefvliegerij in zich vereenigt.

    De sterke glooiing welke vanuit Vragender en Barlo naar dit terrein afloopt zorgt voor de zoo noodige thermische luchtstroomen, terwijl verder het terrein dat ruim 5 ha groot is, mooi vlak ligt en een vasten bodem heeft.

    Wordt het terrein door de bevoegde instanties goedgekeurd dan ligt het in de bedoeling begin Augustus met de zweefvliegerij te beginnen. Een toestel is reeds in aanbouw en nadert zijn voltooiing. Indien deze plannen tot uitvoering zullen komen zal Aalten de primeur hebben van deze modernste sportbeoefening.

    Eén van de enthousiaste zweefvliegers zou wel eens Jan Bennink uit Aalten kunnen zijn. Hij bouwde in 1934 zijn eigen zweefvliegtuig en heeft daar ook mee gevlogen. Lees meer »

    Bronnen


  • Het leven in de 19e eeuw te Bredevoort

    Het leven in de 19e eeuw te Bredevoort

    Aaltensche Courant, 11 september 1936

    Wie in dit voorjaar de jaarvergadering heeft meegemaakt van de Oudheidkundige Vereeniging „Oudheidkamer Aalten”, weet ook, dat na het verslag van den Secretaris, er zich een geanimeerde discussie ontspon, over de vraag, hoe leggen we vast, of liever zou het niet raadzaam zijn vast te leggen datgene, wat de oudsten onzer medeburgers uit onze gemeente weten te vertellen over de verschillende toestanden voor een kleine honderd jaren geleden; om alsdan deze gegevens te verzamelen en te bewaren voor ons nageslacht. Besloten werd hiertoe over te gaan, en kregen enkele bestuursleden opdracht hiermede eens een begin te maken. Als eerste bijdrage tot dit besluit moge onderstaande dienen.

    Wat de 82-jarige Hendrikus Scholtenlo uit Bredevoort vertelde!

    Zaterdagmiddag! Witte wolkjes hangen aan den blauwen hemel; de zon goot hare verzengende stralen over akker en beemd en schilderde den omtrek van boomen en bladeren op den landweg, die glom als de rug van een zeeleeuw. En, als de autobus, waarin we gezeten waren het vredige stadje tegemoet hobbelt, komt vanuit de dichte boomenrij Bredevoort’s vriendelijk R.K. kerkje reeds te voorschijn, en met haar de pannendaken der meestal uit roode baksteen opgetrokken huizen en huisjes. We stappen uit bij „Ruimzicht”, om te voet onzen weg te vervolgen over hobbelige keien en keitjes naar de Hozenstraat, in den volksmond beter bekend onder den naam van „de Hozze”.

    De „Hozze” met zijn eeuwenoude huisjes en markante geveltjes, was het doel van ons bezoek, waar onze zegsman, de heer Hendrikus Scholtenlo woont om uit zijn mond eens een en ander te vernemen uit „de goede oude tijd!” Och ja, men hoort zoo vaak praten van „den goeien olden tied”, en denkt dan onwillekeurig aan den tijd, zooals men wel eens placht te zeggen: „too grotvader grotmooder nam”, bedoeld zijn dan de zestiger-zeventiger jaren, toen de industrie nog in hare kinderschoenen stond, en de arbeidersklasse in opkomst was.

    Méér nog dan op heden, werd toentertijd door een ieder de landbouw beoefend, en leefden de meeste menschen van datgene, wat hun de akker na zwaren arbeid bood. Slechts de oudsten onder onze medeburgers, hebben in hunne jeugd dien tijd nog beleefd, en kunnen uit eigen aanschouwing en uit eigener ervaring daarover spreken. Tot dezulken behoort in Bredevoort zeer zeker Hendrikus Scholtenlo, die in Februari van ’t komende jaar 82 jaar oud wordt, en zich nog in een goede gezondheid mag verheugen zoowel naar lichaam als naar geest.

    „’t Wazzen knappe tieden!”

    Zóó begon onze zegsman, die we in ’t vervolg met Hendrik-Eume zullen betitelen, gelijk men hem thuis pleegt te noemen. Hendrik-Eume zijn vader was van beroep draaier, en vervaardigde spinnewielen, stoelen, somtijds ook klompen, vandaar dat Hendrik-Eume in den volksmond nog algemeen bekend staat onder den bijnaam van „den drèjer”. ’t Was vanzelfsprekend, dat hij zijn vader na schooltijd „duftig most helpen arbeiden”, wat hij deed tot zijn 11e jaar, toen hij van school afging, om zich in het weversvak te bekwamen.

    Het huis-weven werd toendertijd in Bredevoort algemeen beoefend. Bijna in ieder huis stonden een of meer weefgetouwen; en toen we de opmerking maakten, hoe in deze kleine behuizingen nog plaats kon gevonden worden voor één of meer weefstoelen, zei Hendrik-Eume lachend: „Doar mosten wi’j ons moar um behelpen!” In de 60er jaren kon een „tuchtige wêver” 50 tot 60 ct. per dag verdienen, hetgeen na de 70er jaren iets beter werd.

    Zeer zeker heeft het weven aan huiselijken haard ook haar romantische zijde gehad; maar als we uit den mond van onze zegsman moesten vernemen, dat de moeder van een „Brevoortschen wêver”, die 20 jaar ouder was als hij, in de 50er jaren ’s nachts bij maanlicht (om het olie-licht te besparen) nog gauw „een stuk in mekaar sloog”, om daarvoor den volgenden morgen brood te koopen, dan is ’t toch met de romantiek gedaan.

    Natuurlijk of liever het was toen de gewoonte, dat ook de kinderen bij ’t weven flink moesten helpen. In den zomerdag moesten zij op den akker helpen, terwijl zij des winters voor den wever moesten spoelen. Als een kind vlijtig was, kon het na schooltijd (van 4—8) vier pond „fetten” spoölen, waarvoor dan 10 tot 15 penningen werd betaald. Op gelijke hoogte bewogen zich toentertijd de overige loonen. Zoo verdiende b.v. een daglooner bij een boer pl.m. 40 ct. per dag, op eigen kost, terwijl een boerenmeid 18 tot 20 gld. per jaar verdiende, met „toeboate”, hetwelk bestond uit 1 spint lijnzaad, 5 el linnendoek en 5 el werkendoek (grof linnen). Eenmaal in ’t jaar verkreeg zij 8 dagen vrijaf, de z.g. „spinnewèke”, om het verworven vlas (spintsgezaai) in de ouderlijke woning te kunnen spinnen.

    Met de loonen van timmerlieden, metselaars, en andere ambachtlieden, was ’t vrijwel hetzelfde gesteld. Gewoonlijk werd ’s morgens al zeer vroeg begonnen, en werd de arbeid geëindigd zoo ’s avonds tegen half acht. Nemen we aan, dat per dag 2 uur werd besteed aan schafttijd, dan bleef er toch meestal een dagelijksche arbeidstijd van pl.m. 12 uur over. Een vrije Zaterdagmiddag kende men niet, zoodat per week ongeveer 72 uur werd gewerkt.

    „Jao ’t wazzen knappe tieden!”, zei Hendrik-Eume met een veelzeggend oogknippen. ’s Morgens gaf ’t een stuk roggebrood, dat was alles een enkele keer met een stuk boekweiten-pannekoek er tusschen. Wittebrood gaf ’t maar heel zelden, alleen op hooge feestdagen. ’s Middags was het regelmatig stamppot met wat vet bereid, want vleesch werd, zooals onze zegsman zich uitdrukte: „met groote letters ’eschreven”, niettegenstaande toendertijd een vette koe slechts 30 tot 40 gulden kostte. Alleen de meer gegoeden slachtten toen zelf, maar dan nog werden de schinken en het nagelhout verkocht; meestal werd van het geslacht de landpacht betaald.

    Het jaar 1847 was met recht een „hongerjaar”.

    Wijl de oogst, voornamelijk de roggeoogst, zoo goed als mislukt was, kostte toen de rogge 22 gulden per mud, en moesten de meeste menschen zich behelpen met brood van paardeboonen ofwel bruine boonen, waaronder een weinigje rogge vermengd was. Vooral de kinderen hadden ’t toen hard te verantwoorden. In de zeventiger jaren, zoo ging Hendrik-Eume verder, werd ’t hier heel wat beter.

    In ’t naburige Bocholt, had de huisindustrie al hier en daar plaats moeten maken voor de stoomweverij, en gingen reeds verschillende wevers uit Bredevoort naar Bocholt „noa den stoom”. De meesten gingen in Bocholt in de kost, en kwamen dan Zaterdagsavonds weer thuis. Dat er toentertijd geen teveel was aan arbeidskrachten, laat onderstaande niet onaardige omstandigheid duidelijk zien. lederen Zaterdagavond, zoo vertelde onze zegsman, ging de omroeper in Bredevoort rond „of er nog jongens of deêrns wazzen, dee geerne in Boôkelt wollen arbeiden!”

    Gewoonlijk was dan de omroeper vergezeld van jeugdige personen, die zoo juist van Bocholt waren thuisgekomen en meestal in een vroolijke stemming verkeerden, waarbij dan werd gezongen:

    „In Bookelt bunt zukke mooie stroaten, Wi’j ’t neet doon, dan kö’j ’t ook loaten! Van ain – zwai – drai!”

    Gezien de betere arbeidsvoorwaarden, waaronder in Bocholt werd gewerkt, gaven verschillende wevers aan dien oproep gehoor, zoo ook onze zegsman, die toentertijd 6 tot 7 Berliner daalder per week kon verdienen. En als hij dan Zaterdagsavonds thuis kwam, zeide zijn moeder vol verbazing: „Jonge, wat breng i’j völle geld met!”

    Al pratende, kwamen we zoo ook al van het eene op het andere. De huishuren waren toentertijd zeer gering, en overeenkomstig de lage inkomens. De huur van een nette arbeiderswoning bedroeg toen 30 tot 40 ct. per week; voor 30 gulden per jaar „ko’j al een deftig huus bewonnen”, zei Hendrik-Eume. Met de post-verhoudingen was ’t al heel treurig gesteld; bode Prange haalde eens per dag de post van Aalten, en bracht deze van Bredevoort uit weer verder door naar Winterswijk.

    Het lezen van een courant werd als een weelde beschouwd, en was enkel voor „de groote leû”, alleen de pastoor, toentertijd de Zeer Eerw. heer te Welscher, las de courant samen met den heer van Eijck. In 1880 werd door Aaltjen Hofs het eerste blaadje, de „Vooruit” huis aan huis bezorgd.

    Ook de wegen waren toentertijd zeer onbegaanbaar. Moest men naar Aalten, dan ging het over de zandweg naar Lichtenvoorde tot bij den „Ouden tol” en vandaar naar Aalten. Een rechtstreeksche verbinding met Aalten bestond toen nog niet, tot ongeveer in het jaar 1875, toen de wallen werden geslecht en de z.g. Koppeldijk ontstond. De oude R.K. kerk stond toendertijd op de plaats waar thans de tuin van het café „Ruimzicht” is gelegen, het woonhuis, het z.g.n. „Pierikshuis” diende toen als pastorie.

    Interessant was het uit den mond van onzen zegsman te vernemen, hoe het gesteld was met de zon- en feestdagen, kermis, enz. De Zondagen en feestdagen, zei Hendrik-Eume, waren „zeer billig”, wijl men zich het eenige genoegen gunde, dat men zich eens behoorlijk kon uitrusten, en dat kostte natuurlijk niets. Eenmaal in ’t jaar gunde men zich een pretje, en dat was ter gelegenheid van de kermis, waarbij dan tevens het z.g. schuttersfeest werd gehouden.

    Een 14 dagen van te voren „wanneer ie ’s oavonds de kroewagens ovver de stroate heurden rammelen”, (want dan worden de boeskool verkoft en een paar zak eerpels) was het teeken, dat de kermis op komst was. Ook werden een 14 dagen van te voren „de plaatsen al verpacht veur de schutterieje”; de hooge plaatsen (rangen) zooals kapitein „en dat spul”, werden dan duur betaald, waarbij de noodige „rondjes” moesten worden gegeven; zoo’n kleine kermis dus al vooraf.

    Daags voor het eigenlijke feest werd de vogel onder geleide van de muziek weggebracht „noa ’t Zwanenbrook”. Den anderen morgen werd dan begonnen met het bekende vogelschieten, en die dan koning werd, kon zich een koningin kiezen, die dan beide avonden met muziek naar huis werden gebracht. Bij de schuttersoptocht gingen de „bielemans” voorop. „Doar hadden de jonge deerns schrik veur… maor ook wal schik van”, vertelde Hendrik-Eume, aangezien de „bielemannen” in een soldaten-tenue waren gestoken, met een groote muts over ’t hoofd, waarin een opening voor mond, neus en oogen was aangebracht. Verder een handbijltje in de hand, hetgeen de geheele uitrusting van zoo’n bieleman vormde.

    Op het Zand achter de school, stond dan de draaimolen. „Dee drilschuûte mosten wie zelvers douwen”, aldus onze zegsman, want Keesje, die hier algemeen bekend was, was beide dagen gewoonlijk een beetje „in de olie”, en dan „wazzen de jongens baas van de drilschuûte”. Een paard bezat Keesje niet. Gewoonlijk waren er dan ook nog een paar kleine kraampjes waar „wat zeut grij” werd verkocht, en dat was dan ook alles.

    Evenwel was de jeugd tevreden, en men vermaakte zich naar hartelust, wijl men het ook al niet beter kende. Zondags na de kermis was het potverteeren bij Pierik in de opkamer. Het overgehouden geld werd dan bij elkaar gegooid en was het weer zoo’n beetje kermis onder elkaar. Naar de Brevoortsche kermis ging oud en jong gaarne naar toe, ’t was er „gemeudlik en gezellig!”

    Langzamerhand werden de tijden wat beter. Toen in de 90er jaren de kunstmest kwam, ging het met de landbouw ook weer vooruit; in de fabrieken was volop werk, en hoewel er nog geen loon werd verdiend zooals heden ten dage, gevoelden we ons toch recht op ons gemak, ’t Werk op het land kan ik nog zoo’n beetje doen, aldus Hendrik-Eume, en hoop dit ’t komende jaar ook nog te kunnen volbrengen.

    J.W. VOSMAN,
    Secr. Oudheidkamer.

    Bronnen


  • Doodgravers

    Doodgravers

    De taak van de doodgraver was het delven van de graven voor de doden. Op het platteland werd deze taak vaak uitbesteed aan armlastige dorpsbewoners of gecombineerd met andere banen: kosters, nachtwakers of schoolmeesters verrichtten de grafwerken naast hun hoofdberoep. Het ambt van doodgraver bood slechts een bescheiden (aanvullend) inkomen.

    Enkele bekende doodgravers in Aalten en Bredevoort (incompleet overzicht):

    Aalten

    * Zij hebben in het ‘doodgravershuisje’ bij de Oude Algemene Begraafplaats gewoond.

    Bredevoort

    Krantenberichten

  • Omlegging Slingebeek en bouw Richterinkbrug

    Omlegging Slingebeek en bouw Richterinkbrug

    Aaltensche Courant, 21 augustus 1936

    Met de omlegging van de Slinge en den bouw van de nieuwe brug nabij de Richterinkstraat vordert men thans reeds goed. Van de brug is het landhoofd aan de Aaltensche zijde reeds gereed, aan de andere zijde zijn de damwanden reeds ingespoten. Door den regenval der laatste dagen worden de werkzaamheden wel wat bemoeilijkt, met een tweetal motorpompen heeft men het water echter grootendeels af kunnen voeren, zoodat toch doorgewerkt kan worden.

    Omlegging Slingebeek Kemena - Aaltensche Courant, 21-08-1936

    Op bovenstaand kaartje ziet men de situatie zooals deze na voltooiing van het werk zal zijn. De Willemstraat wordt verbreed en doorgetrokken over de nieuwe brug; even vóór de brug wordt een nieuwe straat aangelegd, welke tot de nieuwe bedding der beek loopt, hier komt een voetbrug over de beek, waarover de Kemena is te bereiken, terwijl de straat zich links ombuigt en de beek stroomopwaarts volgt.

    Op de foto ziet men op den voorgrond de brugbouwers in actie bij het inspuiten van den damwand voor het linker landhoofd, aan de overzijde der beek zijn de werklieden onder opzicht van de Heidemaatschappij bezig de laatste beletselen voor den nieuwen loop van de Slinge weg te graven, slechts een meter breed dammetje houdt het water nog buiten z’n nieuwe bedding.

    Donderdagavond werd ook dit dammetje weggegraven, en hedenmorgen volgde het water beneden de in aanbouw zijnde brug reeds z’n nieuwen loop. De oude bedding wordt reeds gedicht, en geleidelijk wordt het water uit z’n ouden loop gestuwd.

    ’t Spreekt vanzelf dat deze werkzaamheden veel bekijks trekken, de ijverig werkende arbeiders hebben dan ook over gebrek aan toezicht niet te klagen.

    Bouw Richterinkbrug - Aaltensche Courant, 21-08-1936
    Loop van de Slingebeek vóór de omlegging in 1936
    Loop van de Slingebeek vóór de omlegging in 1936

    Bronnen


  • Aalten’s lofzang

    Aalten’s lofzang

    De Standaard, 23 juli 1936

    Zij, die nog vreemdeling in den Achterhoek zijn, raden wij aan eens een vacantie door te brengen in Aalten, dat een heel eigen karakter heeft en liefelijk is gelegen op de Zuid-helling van een heuvel, de „Aalter-esch.” Dit hoog en laag met de beekjes, de bosschen, en heiden, de golvende korenvelden afgewisseld door weiden en koeien, de echte, oude boerenhofsteden tusschen de aardappelakkers, maken het landschap zeer afwisselend en speciaal geschikt voor rustige wandelingen en prachtige fietstochten. Mondain vermaak vindt men hier niet, maar voor wandelen en fietsen is het hier een dorado.

    Wanneer we de kaart van de gemeente Aalten beschouwen valt het op, dat het dorp, juist als een spin in haar web, midden in de gemeente ligt. Straalsgewijze gaan van dit middelpunt de harde wegen uit. Deze wegen en de door de gemeente stroomende beekjes, maken het zeer gemakkelijk om zich te oriënteeren. Tusschen al deze harde wegen, en als onderlinge verbinding ervan, zijn er honderden zandwegen, alle met uitstekende fietspaden, die u vanzelf langs alle mooie plekjes voeren. Nergens vindt u een bordje „Verboden Toegang”, nergens loopt u de kans, dat een weg plotseling ophoudt.

    Vlak bij het dorp ligt het Natuurmonument ’t Loohuis (dennen, heide, vennetjes en hoog akkerland), dat een bezoek overwaard is, en door onze vereen. op het juiste moment werd aangekocht om het voor vernietiging te behoeden. Nu is het een bezitting der Vereen. tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland. De wandeling erin is geheel vrij, maar kampeeren in dit stukje natuur is verboden. Verder vindt u in den „Wolboom”, in het „Klooster”, in „’t Walfort” en in alle buurtschappen, (Haart, Barlo, Lintelo, Heurne, Dale en IJzerlo), overal een rijkdom aan natuurschoon.

    Voor de liefhebbers van planten en dieren is het hier een waar paradijs! Veel, weinig voorkomende planten zult u hier in de bosschen, langs de oevers der beekjes en langs de vochtige weggetjes in Lintelo aantreffen. Gevonden worden hier o.a. orchideeën, orchis incarnata, witte nacht orchis, dalkruid, wintergroen, Geldersche Roos, Spiraea’s, Senecio paludosus, Parnassia, blauwe gentiaan, Jasione, moerasandoorn, Conium-maculatum, Bereklauw, hulst, Wakel, Kamperfoeli, Heksenkruid, Circaea, lutetiana, etc.

    Wat de dierenwereld betreft zien we b.v. in ’t Loohuis reeën, fazanten, patrijzen, etc. Als vogels noemen we de zwarte specht en de Ortolaan, en als vlinders: het moerasblauwtje, Lycaena euphemus, Lycaena corydon Poda, (zeer zeldzaam), Limenitus sybilla L., Plusia moneta F, Plusia Chrysitis L., enz.

    Handel en Industrie te Aalten

    Wanneer men het heeft over den handel en industrie in Aalten, wie denkt dan ook niet aanstonds aan Joh. Lammers’ Groothandel, een bedrijf dat op het gebied van den Groothandel in Levensmiddelen over bijna den geheelen Achterhoek bekend staat. De eigenaar, de heer Joh. Lammers op de Wehme, heeft zijn zaak sinds 1923 dusdanig weten uit te beiden, dat ieder winkelier van beteekenis zich gaarne door deze firma wil laten bedienen. Vooral in dezen tijd heeft hij de bakens steeds tijdig weten te verzetten en op deze manier zich aangepast bij de tijdsomstandigheden mede tot voordeel van den winkelier. Zijn leus „De klant is Koning” heeft ook zeer veel ten goede bijgedragen. Van beide zijden heerscht er een goede verstandhouding.

    Dat deze kleine zaak in een zeer kort tijdsbestek was uitgegroeid tot een volslagen Groothandel in Levensmiddelen, was mede de oorzaak dat vooral nieuwe zaken met deze firma in zee gingen. Onder de zeer groote verscheidenheid van artikelen welke verhandeld worden neemt Koffie en Thee een eigensoortige plaats in, waarom het een zeer goede gedachte is geweest dat de heer Lammers een paar jaar geleden speciaal aan deze artikelen aparte aandacht heeft besteed en naar de juiste middelen heeft gezocht ook voor deze artikelen succes te kunnen boeken. De geïmporteerde Koffie en Thee gaat nu via Rotterdam naar Aalten, en wie kent ze niet de geurige melange’s „ELZET”.

    Het is nu Juli 1936. Na ongeveer dertienjarigen noesten arbeid staat het pakhuis nog bij het Tramstation, maar een nieuw modem ingericht gebouw is in het zicht, want over nog slechts enkele maanden zullen de nieuwe kantoren en gebouwen aan de Patrimoniumstraat in gebruik genomen kunnen worden. Wij wenschen den eigenaar gaarne ook voor de toekomst succes.

    Het reeds meer dan 40 jaar bestaande bedrijf van de fa. J.B. te Paske is in de eerste plaats houthandel, annex stoomhoutzagerij en -schaverij. Voorts handelt men in Vuren- en Grenenhout, en daarnevens ook Eikenhout en Oreg. Pine en alle soorten Triplex en Boards. In de afd. Bouwmaterialenhandel, die vooral in den laatsten tijd sterk naar voren komt, zijn zoo goed als alle artikelen verkrijgbaar. In eigen werkplaats vervaardigt men buizen en andere betonartikelen. Daar de opslagplaatsen gunstig aan het water, spoor en tram gelegen zijn, kan men concurreerend leveren.

    De Boekh. De Graafschap – gevestigd sedert 1919 als afdeeling van de N.V. „De Graafschap”, drukkerij en uitgeverszaak – is sinds 1 November 1935 een zelfstandige zaak: de eenige erkende boekhandel in Aalten, die zonder nevenbedrijf wordt uitgeoefend. De boekhandel wordt thans gedreven door den heer Ant. Lammers, die ongeveer 12 jaren in deze venn. werkzaam was, en is thans gevestigd in een nog betrekkelijk nieuw pand a/d Landstraat No. 19. Zoowel in- als exterieur zien er thans buitengewoon aantrekkelijk uit. Behalve een schitterende sorteering, studie- en ontspanningslectuur vindt men er ook een buitengewoon groote voorraad andere artikelen op het gebied van kantoorboekhandel, kunsthandel enz., waarvan ongetwijfeld velen een dankbaar gebruik zullen maken. Ook de achter den winkel gelegen toonkamer zal ongetwijfeld den verkoop ten goed komen. Een ieder is n.l. vrij hier zonder verplichting een kijkje te komen nemen en kan hier rustig zijn zaken bespreken.

    De Dames- en Heerenkleedingmakerij van de fa. Gebr. Prinsen legt zich speciaal toe op lederen kleeding naar maat. Levering geschiedt „en gros”. De afwerking hiervan is prima. De firma heeft hiermede dan ook een goede reputatie verworven.

    De Kapperszaak van den heer Kruithof, welke de per 1 Augustus voortgezette zaak is van den heer H.J. de Lijn aan de Hoogestraat 35, is sinds dien datum aanmerkelijk veranderd. De heer Kruithof meende de zaak direct goed te moeten aanpakken. Zoo werden dan ook verschillende verbeteringen aangebracht, zooals uitbreiding van meubilair, betere sorteering en het nemen van een tabaksvergunning. Vakkundige behandeling was echter steeds hoofdzaak. Voortdurend was een groei merkbaar, met het gevolg dat de heer Kruithof thans werkt met twee bedienden. Vooral werd ook reclame gemaakt met Kruithof’s haarwater en Kruithof’s vloeibare scheerzeep. Van laatstgenoemde artikelen maken niet alleen verschillende Aaltenaren gebruik, maar ook worden nog regelmatig postbestellingen ontvangen. Zoo heeft deze zaak zich reeds een goeden naam weten te veroveren.

    De Electrische Brood-, Koek-, Beschuiten Banketbakkerij G.J. Heersink bestaat reeds ca. 70 jaar en is de oudste zaak van Aalten. Men levert prima brood tot volle tevredenheid van de klanten. Gedurende den tijd van haar bestaan heeft deze zaak een goeden naam weten te verwerven.

    Een aan te bevelen adres voor dames- en heerenmodeartikelen is de fa. F. J. Oberink. Door eerste klas kwaliteit te leveren heeft de firma goede bekendheid gekregen. Daarbij heeft men de prijzen zoo laag mogelijk gehouden.

    In 1896 stichtte de heer Johs. Peters een zaak, die door associatie met den heer M. Gans, den firmanaam Peters & Gans kreeg. Dit bedrijf was op moderne leest geschoeid. In 1900 trad de heer Gans uit de firma. Op 27 Mei 1917 werd de fabriek aan de Gasthuisstraat door brand totaal verwoest en niet herbouwd, doch in Juni reeds werd het bedrijf weer voortgezet in de voormalige meubelfabriek van den heer Vreede, die door bijbouw en verbouw aan den eisch en behoeften van het bedrijf was aangepast. Hoofdzakelijk werden pijpen gefabriceerd. Naast pijpen werden wandelstokken vervaardigd; het afzetgebied was voor beide producten tot den oorlog hoofdzakelijk over de grens gelegen.

    Thans zijn de bordjes evenwel verhangen en importeert het bedrijf meer dan de export bedraagt; de eigen productie moest tot een minimum worden teruggebracht. Een groote tegenstelling met de mobilisatie-jaren, toen de vraag de productie overtrof. De tabakspijp is het hoofdartikel, dat de zaak thans pousseert; den rookers zullen de bekende bruyère „Pega”-pijpen wel niet vreemd zijn. De houten „koppen” worden ruw geïmporteerd, de „spitsen” of mondstukken zijn eigen fabrikaat. Naast de bruyère pijpen worden nog steeds de z.g, Duitsche pijpen vervaardigd, welke in bepaalde streken nog steeds aftrek hebben.

    Voor Woninginrichting is de fa. B.H. Houwers een aangewezen adres. Eenigszins ongunstig gelegen heeft zij toch goede bekendheid gekregen en staat een 35-jarige ervaring haar ten dienste. Zoowel in de betere als in de goedkoopere genres streeft zij er naar alleen de beste kwaliteit te leveren. In het bijzonder trad deze firma in de laatste jaren op het gebied van gordijnen en vloerbedekkingen naar voren. Tenslotte zij nog vermeld, dat men zich ook belast met het uitvoeren van verhuizingen.

    Bron


  • Bruiloft in de eerste helft der 19e eeuw

    Bruiloft in de eerste helft der 19e eeuw

    in ’t Oosten van Nederland

    Ze hadden lang met mekaar verkeerd. „’t Most maor wezen”. De dag van „de brullefte” was bepaald. De „brüdsneugers” waren uitgezonden. Deze gingen uit op den dag van het aanteekenen. Nog vroeger, in de dagen waarvan mijn grootvader vertelde, was er geen aanteekenen en trouwen voor den ambtenaar. Het eerste begin was het uitzenden der bruidsneugers. Dan, als de groote dag gekomen was, werd de acte voor den Scholte opgemaakt en, was deze geteekend met naam of kruis, dan was de overeenkomst klaar, en de man met zijn magen trok met de bruid (die dien dag voor ’t eerst zoo genoemd werd) en hare magen naar het huis van den man, waar zij als man en vrouw verder wonen zouden. Soms werd er ook geen contract opgemaakt — de optocht was het wettig bewijs en zoodra de Zondagmiddag in het land was bevestigde de kerk het verbond en teekende het in haar boek aan.

    Omstreeks de vijftig der 19e eeuw was dit reeds geheel anders: het burgerlijk huwelijk was geheel ingeburgerd. Met de kerk was het op den ouden voet gebleven. Zij gaf haar zegen op het voltrokken feit. In het oog van den boer was echter de actus voor den ambtenaar niets anders dan het vroegere contract, en de hoofdhandeling bleef het halen van de bruid uit haar ouderswoning.

    Aan den vooravond kwam de familie van den bruigom, mannen en vrouwen, vader en moeder, ooms en tantes, neven en nichten om over de plechtigheid van den volgenden dag officieel te spreken (factisch was alles reeds door de bruidsjonkers geregeld). In langen statigen optocht kwamen zij naar den hof der bruidsouders. Daar deed men alsof men van niets af wist. De tafel met koffie met kaneel en boterhammen stond echter binnen klaar. Men zette zich, alsof het een gewoon bezoek gold. Van de dochter, om wie het te doen was, was niets te zien.

    Als een kop koffie gedronken was, stond het oudste mannelijke lid van de familie van den bruigom op en vroeg of „Gardine… hier wal te hûs was (woonde)”, want hij wilde met haar praten. Het antwoord was natuurlijk bevestigend, en de vader zond een paar van de jongere familieleden van weerskanten uit om haar te zoeken. Deze vonden haar en brachten haar in den familiekring.

    Nu kwam de plechtige vraag of zij de vrouw van Hendrik wou worden en of zij goed vond dat hij haar den volgenden morgen kwam halen. Zij antwoordde „ja, als vader en moeder het goed vinden”. Deze gaven officieel consent en het officieele deel van het bezoek was hiermede ten einde. De oudste dronk zijn kop koffie leeg en deed alsof hij weg wilde gaan. Nu noodigde de vader hem uit om nog wat te blijven en nog wat te eten, en nog wat te drinken, en alzoo geschiedde.

    Den volgenden morgen was alles op beide boerderijen in de weer om alles gereed te maken.-Bij de ouders van den bruigom om den stoet op te stellen, die in wagens de bruid en hare familie zou gaan halen; bij de bruid om alles gereed te maken voor de ontvangst der gasten, die reeds vroeg zouden komen, want de geheele familie der bruid en de buren waren genoodigd om daar de komst van den bruigom en zijn verwanten af te wachten.

    Omstreeks tien uren waren de gasten er met hunne wagens, alles in ’t beste tuig. De bruid, die op dezen dag voor ’t eerst met den titel van bruid werd aangesproken, was gekleed, maar liet zich niet zien. Zij had het hemd van eigen gereid linnen, zelf genaaid, met één draad, aan. Dat hemd zou zij na het huwelijk weer wegbergen en eenmaal weer zou het haar aangedaan worden, maar niet bij haar leven.

    De stoet van den bruigom kwam aan. De wagen van den bruigom voorop, versierd met groen en linten. De bruidsjonkers zaten voorop, een van hen mende de paarden. Achter op den wagen zaten twee knechten met geweren en eene mand met brooden en met flesschen bij zich. Daar achter de wagen met de ouders, enz. Aan de woning gekomen steeg de bruigom van den wagen, opende de deur en de boer, vader der bruid, vroeg hem wat hij wilde. Hij antwoordde: mijn bruid halen. Antw. „Dê kenne ik nêt.” — „Dat is ow Gardîne.” — „Dê zee ik neet.” — „Laot er dan zöken.” Zoo geschiedt. Zij wordt gevonden.

    Buiten gekomen neemt de bruigom haar om het middel en licht haar op den wagen. Dan keert hij zich om tot den vader en zegt: „Gao ij en ow volk ok met -— bij mi an hoes steet alles klaor.” Daarop klimt hij op den wagen, neemt zijne plaats naast de bruid in, de ouders van de bruid stijgen op den volgenden wagen bij die van den bruigom en bij hen hunne kleinste kinderen, verder schikt zich alles op de wagens van de verwanten van den bruigom en van de bruid. Op elken wagen haast zitten eenige jonge mannen met geweren en jonge meisjes met rateltjes.

    Als de wagens wegrijden wordt er geschoten, gerateld, kortom een leven gemaakt, dat de jonge boeren de handen vol hebben om de paarden in bedwang te houden. Van het gemeentehuis ging het naar het huis, dat de jongelui voortaan bewonen zouden. Onderweg ontmoette de stoet menigmaal hindernissen, die uit den weg werden geruimd door brood en drank te geven. Hier en daar werden zij met schoten begroet, die van de wagens beantwoord werden. Voor het huis der jongelui, alle geweren afgeschoten. Hier ontvingen hunne buren het jonge paar en gedurende den verderen dag hielpen deze en hunne knechts en meiden door de gasten en het jonge paar te bedienen.

    De bruigom, lichtte nu weder zijne bruid van den wagen en nu gingen zij over den drempel zonder dien aan te raken; òf er was een hout over den drempel gelegd, òf er was een plas water over gegoten. Was de bruid er over, dan was er terstond een bij die haar het stof van de schoenen met mooie gespen afveegde en dezen moest zij tracteeren.

    Dan ving het bruiloftsmaal aan, waarbij bruid en bruigom onder de groene kroon op de rijk versierde stoelen zaten. Er werd veel gegeten en goed gedronken en eindelijk overgegaan tot eene rondwandeling over erf en akkers. Daarna kwam er koffie met kandeel, wijn, brandewijn met suiker, koek (Deventer koek) en hiermede was men bezig tot het vallen van den avond. Dan gingen de gasten weg met een: ajuus, tot margen, want voor den volgenden middag waren zij weer door de bruidsneugers uitgenoodigd.

    Nu kwamen in den middag de oudere lui met de kleine kinderen en ieder bracht een geschenk in de woning van het jonge paar. Tegen den namiddag kwamen de jongens en de deerns en nu was op de dèle het feest. Daar was de fideler, een of twee violen en een bas. Daar werd gedanst tot het duister was of als er een lampje was tot de olie op was.

    Beide avonden, maar vooral den eersten avond, moesten de jongelui zich in acht nemen voor allerlei verrassingen. Dan eens was het een der jongelui, die zich verstopt had en op het meest ongelegen oogenblik voor den dag kwam, bewerende dat hij zich verslapen had en nu naar huis wilde. Dan weer was alles aan elkaar genaaid en had de bruid voor het naar bed gaan nog lakens en dekens en kussens los te tornen; dan weer wilde het luik voor het venster niet sluiten, of het bed lag vol klissen.

    Na de beide groote dagen, die soms nog eenige dagen verlengd werden, volgde het feest aan de Naobers (de buren), die nu gasten waren, terwijl de jongere familieleden van bruid en bruigom bedienden. Dit feest verliep op dezelfde wijze: overdag de ouderen, ’s namiddags het jongere volk, maar bij alles veel eten en drinken en voor den avond dansmuziek.

    Ziedaar het verloop eener brullefte van een vijftig jaar geleden, zooals ik ze nog zelf gekend heb. Wanneer de bruid haar titel verloor kan ik niet juist aangeven. Ik meen dat zij, als de week van de bruiloft voorbij was, ook niet meer dien titel voerde, maar nauwkeurig kan ik het niet zeggen. Wellicht zijn er onder de lezers die het weten en die uit hunne herinneringen het hier medegedeelde nog kunnen aanvullen. Uit het thans bestaande zal dit niet kunnen geschieden, want de oude, zoo beteekenisvolle vormen van vroeger zijn meer en meer verlaten.

    J.H. GALLEÉ.

    Bronnen