Logement Stad Munster in de Peperstraat in Aalten (beeld gegenereerd met AI op basis van oude foto)
Logement Stad Munster was ooit een belangrijk rustpunt voor reizigers en postkoetsen. Het stond in de Peperstraat, tussen het voormalige postkantoor en de Postiljon, tegenover Stegers. Na de gemeentelijke herindeling van 1816 werd het korte tijd ook als Rechthuis gebruikt. In 1873 werd het pand door een brand volledig verwoest en het is daarna nooit herbouwd.
Pleisterplaats voor de diligence
In vroeger eeuwen, toen de postwagen of diligence het officiële vervoermiddel was, fungeerde ‘Logement Stad Munster’, ook wel bekend als ‘Hotel Wamelink’, als pleisterplaats voor de diligence en als rustpunt voor vermoeide reizigers. Wie een verre reis moest maken en het zich kon veroorloven, stapte in bij Hotel Wamelink, waarna de reis hortend en stotend werd voortgezet naar de eindbestemming. Wie minder te besteden had, trok de ‘steffels’ (laarzen) aan en ondernam de reis te voet. Een wandeling naar Arnhem of Zutphen was geen zeldzaamheid. Men had de tijd. Logement Stad Munster verwelkomde reizigers van allerlei pluimage, zoals een fabrikant uit Armentiers in Frankrijk, een koopman uit Stadlohn en een commies te voet uit Oosterwijk. Drie Engelse fabrieksarbeiders uit Manchester, Asthon en Oldham, verbleven er twee maanden.
De familie Wamelink
In 1823 stond Johanna Maria Martha Mensinck op dit adres geregistreerd als logementhoudster. Zij was de weduwe van Gerrit Jan Wamelink, die in 1822 overleed. Johanna overleed in 1854. Hun zoon Lambertus Hermanus Wamelink zette het logement voort. Hij was in 1852, op 39-jarige leeftijd, getrouwd met Johanna Catharina Heming. Nadat zij in 1854 overleed, hertrouwde hij in 1856 met Wilhelmina Louisa Hendrina Meijrink.
Brand
Op 2 april 1873 barstte er een hevig onweer los boven Aalten. De arbeiders op het land vluchtten schuren en tuinhuisjes in. De donder rolde af en aan, en de bliksem was niet van de lucht. Plotseling klonk er een knal en kort daarna hoorde iedereen, boven het geruis van de regen uit, het luiden van de brandklok in de kerktoren. Een blikseminslag had het pand naast het logement getroffen, dat bewoond werd door de heer Van Eerden en rijksontvanger Boudewijn.
Toen de brandwachten arriveerden, stonden beide panden al in lichterlaaie. Tegen dit geweld konden de brandspuiten weinig beginnen. Het oude logement, de trots van de Wamelinks, die er begin 18e eeuw al woonden, brandde tot de grond toe af, evenals het naastgelegen huis op de hoek van de Kerkstraat. Het logement werd niet herbouwd, en sindsdien is de plek een open doorgang gebleven tussen de Peperstraat en het Hoge Blik.
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1832
I-1152
wed. Gerrit Jan Wamelink
490 m² huis, schuur
1858
I-2011 I-2012
wed. Gerrit Jan Wamelink erven Lambertus Hermanus Wamelink
Fragment kadastrale kaart, 1858 (perceel I-2011)Contouren voormalig Logement Stad Munster, overgenomen van een kadastrale hulpkaart uit 1858, geprojecteerd op een kaart uit 1879.Tekening: Piet te LintumDe Tijd, 26 april 1873
Café-Restaurant Stegers, gelegen op de hoek van de Markt en de Peperstraat in Aalten, heeft een rijke geschiedenis die teruggaat tot de 18e eeuw. Het pand begon als herberg en jeneverstokerij en is in de loop der tijd een slijterij en uiteindelijk een bekend café-restaurant geworden. Stegers is niet alleen een populaire ontmoetingsplek, maar ook een belangrijk onderdeel van het lokale erfgoed.
De familie Becking
In 1717 bevond zich op deze locatie een brouwerij met voortuin van Lemmert te Kavestede. Bekend is dat op deze plek eertijds de herberg van Schaars was gevestigd. Rond 1800 krijgen we meer zekerheid over de bewoners. Omstreeks die tijd woonde de in Varsseveld geboren Lourens Becking in Aalten. Het pand werd in 1799, blijkens een inscriptie op een gevelsteen, door Lourens Becking en Willemina Geertruid Schaars verbouwd tot woonhuis, branderij en landbouwschuur.
In 1804 liet Becking, jeneverstoker van beroep, een nieuw huis bouwen aan de Markt. Boven in zijn nieuwe huis liet hij een gevelsteen inmetselen met een cryptische rebus die als volgt vertaald kan worden: “Het naaihuis van Tabitha”. Volgens pater Reinders heeft de rebus echter een andere betekenis: “Tabitha begeert verkwikt te worden door de verdiensten, die Christus op Kalvarië heeft verworven”.
Rond 1828 nam zoon Hendrik Jan de jeneverstokerij over. In 1864 stopte hij met het stoken en ging verder als slijter. Waarschijnlijk combineerde hij deze activiteit met een tapperij. Er had een verbouwing plaats en het gedeelte van het pand in de Peperstraat werd verhuurd aan bakker Lourens Prins.
Na het overlijden van Hendrik Jan in 1889, zonder mannelijke opvolgers, nam zijn dochter Johanna Geertruida Klazina de slijterij over. Met haar overlijden in 1894 kwam er een einde aan 90 jaar stokerij en slijterij van de familie Becking in Aalten. De erfgenamen verkochten het pand in de Peperstraat aan koopman Salomon Goedhart. Het pand aan de Markt werd verhuurd aan timmerman H.B. Lelieveld.
Tante Mina
In 1922 werd het pand aan de Markt eigendom van ‘Tante’ Mina Heersink-Geerdes, geboren in de Brinkheurne bij Winterswijk. Zij opende hier een café en breidde haar activiteiten later uit met een pension en restaurant. Later werd ze bijgestaan door haar dochter Leis, die getrouwd was met Gert Prins. Hij drijft later een rookwarenwinkel opzij van het pand, en in de jaren twintig was er in de achterkeuken zelfs een fietsenmakerij gevestigd. Het café van tante Mina stond bekend om de grote potkachel in het midden van het lokaal. In 1952 raakte de voorgevel van het monumentale pand zwaar beschadigd toen de eeuwenoude lindeboom voor het etablissement omwaaide tijdens een hevige storm.
De familie Stegers
Begin jaren zestig van de vorige eeuw waren Riek en Jan Stegers uit Groenlo op zoek naar een horecagelegenheid. Riek had al ervaring in de horeca. Jan was verzekeringsagent, maar werkte in zijn vrije tijd ook in de horeca. Het pand aan de Markt in Aalten stond te koop en in april 1961 nam de familie Stegers de grote stap. Omdat ze niet de benodigde papieren hadden voor een rookwarenwinkel, sloten ze deze en openden in oktober van dat jaar een snackbar in de voormalige winkel. Sinds 1990 wordt Café-Restaurant Stegers geleid door Bertus en Jolanda Lammers, samen met Raymund en Sophia Stegers.
Nieuw hoofdstuk
Begin 2025 werd aangekondigd dat Café-Restaurant Stegers en De Geste worden overgenomen door Zila en Kayra Ertunç, van het naastgelegen Krul Bar & Restaurant. Zij verklaarden trouw te blijven aan de oorspronkelijke naam en het concept. Met respect voor het levenswerk van de families Stegers en Lammers willen zij de sfeer en traditie van deze historische horecagelegenheid in Aalten voortzetten.
Fragment kadastrale kaart, 1895 (perceel I-4652)Café Tante Mina, getekend door Paul HagemannCafé Heersink, 1922.Aaltensche Courant, 7 januari 1947Stormschade aan de voorgevel, 1952.De oude lindeboom ontworteld.De schade aan de voorgevel.Achterzijde Stegers aan de PeperstraatAutomatiek (foto: Henk Wassink)
In het hart van Aalten bevindt zich Oerkroeg Schiller, een begrip in de regio. Bezoekers komen er voor de originele sfeer, een goed glas speciaalbier, een maaltijd met groenten uit eigen tuin of het filmtheater, maar vooral voor de muziek: Schiller heeft een stevige reputatie als poppodium opgebouwd.
De oorsprong van het café ligt in de 17e eeuw, toen Hendrik Westerveld, brouwer van beroep, een herberg met brouwerij begon onder de naam ‘Café Brouwerij De Halve Maan’. Daarmee behoort het pand tot de oudste horecagelegenheden van Aalten en omgeving.
Halverwege de 19e eeuw kwam het café in handen van Gerrit Jan Prins. Hij leerde het horecavak in het beroemde Hotel Café Schiller in Amsterdam. Na zijn leertijd kreeg hij toestemming van de eigenaar om de naam ‘Schiller’ ook in Aalten te voeren. Terug in zijn geboortedorp richtte Prins in Aalten een herensociëteit op. De originele ledenlijst hangt nog altijd zichtbaar in het eetlokaal van het café.
Monumentale waarde
Het pand van Oerkroeg Schiller kent meerdere bouwfasen. De oudste delen dateren vermoedelijk uit het einde van de 16e eeuw, mogelijk met een oudere kern. In de loop van de 20e eeuw volgden verschillende uitbreidingen. Vanwege de karakteristieke uitstraling en de prominente ligging is het gebouw door de gemeente Aalten aangewezen als gemeentelijk monument.
Ontwikkeling tot muziekcafé
Vanaf 1977 heeft Theo de Gier het café omgevormd tot muziekcafé. Daarmee kreeg Oerkroeg Schiller haar huidige karakter: een warm, bruin café met poppodium. Bekende artiesten en bands als Herman Brood, De Staat, Donnerwetter en Go Back To The Zoo stonden hier op het podium.
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1832
I-1110
Jan Prins, brouwer
270 m² huis & erf
1859
I-2014
Gerhard Prins, bierbrouwer
270 m² huis & erf
1897
I-4778
Hermina Johanna Prins
1.236 m² huis & erf
1900
I-4912
Hermina Johanna Prins
1.606 m² huis, schuur & erf
1934
I-5302
Gerrit Jan Prins, koffiehuishouder & bierbottelaar
1.600 m² huis, garage & erf (dj. 1944: verkoop)
1944
I-5302
Berendina Gesina Grevink, caféhoudster
1.600 m² huis, garage & erf
1965
I-9177
vof “G.J. Prins” te Aalten
1.400 m² slijterij, bottelarij, huis, café, erf, magazijn
Gerrit Jan Prins (Aalten, 02-08-1868), tapper, z.v. Louwrens Prins en Everdina Johanna Voltman Harmina Johanna Prins (Aalten, 15-10-1861), d.v. Gerhard Prins en Harmina Johanna Westerveld
De School voor Nijverheidsonderwijs aan de Haartsestraat in Aalten werd in 1928 geopend als de eerste Nederlandse landbouwhuishoudschool met de toevoeging ‘christelijk’ in de naam. Het gebouw stond op de plek waar nu de Hema is gevestigd. De school begon met twee leerjaren en ontwikkelde zich snel.
Onderwijs en schoolleven
Het was destijds gebruikelijk dat meisjes naar de huishoudschool gingen. Zij werden voorbereid op hun toekomst als huisvrouw. Iedere leerling droeg een voorgeschreven uniform: een lichtgroene katoenen jurk met korte mouw, witte manchetten en kraag, aangevuld met een witte schort en kookmuts.
Het lesprogramma omvatte voortgezet lager onderwijs, huishoudelijk werk, koken, naaien en verstellen, wassen en strijken, kinderverzorging, natuur- en scheikunde. Ook werd telefoonles gegeven, waarbij leerlingen werd geleerd hoe ze iemand per telefoon konden bereiken buiten de regio. Dat ging in die tijd via een telefoniste op het postkantoor.
Praktijklessen namen een belangrijke plaats in. Er werd gekookt op elektrische fornuizen, gasfornuizen of een kolenfornuis. De tafels moesten netjes gedekt worden voordat de door de leerlingen bereide maaltijden werden opgediend en gegeten. Voor netheid en smaak werden cijfers gegeven.
De was moest keurig volgens een bepaalde methode opgehangen worden. Het strijken gebeurde met kleine ijzeren strijkbouten die verhit werden op het fornuis of de kachel. Ook waren er een paar elektrische strijkijzers. In de schooltuin werden groenten en fruit verbouwd, die later door de leerlingen werden geoogst en verwerkt.
Er was ook ruimte voor ontspanning: Toen een nieuwe schooldirectrice haar intrede deed, werd een welkomstfeest georganiseerd in het toenmalige Feestgebouw. Alle leerlingen verschenen als echtpaar in Achterhoekse kledij, compleet met knipmuts of pet. Verschillende meisjes hadden liedjes en sketches ingestudeerd.
Ook vormden de meisjes bij een bepaalde gelegenheid een orkest, waarbij de muziekinstrumenten bestonden uit huishoudelijke voorwerpen zoals stoffer en blik, bezems, pannen en pannendeksels. Op het podium van de Sociëteit brachten ze, getooid in boerendracht, hun boerendansen ten tonele die ze tijdens de gymlessen hadden ingestudeerd.
Oorlogsjaren
Tijdens de Tweede Wereldoorlog moest het onderwijzend personeel improviseren. Leerlingen brachten ingrediënten van huis mee voor de kooklessen — zoals aardappels, melk of een geslachte kip, vaak afkomstig van boerenbedrijven waar deze nog aanwezig waren. Oude kledingstukken werden tijdens de naailessen op trapnaaimachines vermaakt tot nieuwe. Leerlingen brachten vuil ondergoed van huis mee om te wassen in een teil, met een wasbord en borstel.
In september 1944 werd de school door de Duitsers gevorderd en kwamen de lessen stil te liggen. Het gebouw bood geen bescherming bij luchtalarm, waardoor onderwijs te gevaarlijk werd.
Na de oorlog en verhuizing
Na de bevrijding werden de leerlingen in staat gesteld alsnog hun diploma te behalen. Van het Amerikaanse Rode Kruis had iedere leerling een schooltas, een etuitje met naaibenodigdheden en een schaar gekregen.
In de jaren na de oorlog breidde het onderwijsaanbod zich verder uit. Er werden veel cursussen georganiseerd voor plattelands- en andere vrouwen, en er kwamen middelbare beroepsopleidingen bij.
Omdat het schoolgebouw aan de Haartsestraat te klein werd, verhuisde de huishoudschool in 1956 naar een nieuw pand aan de Oranjelaan. Aansluitend werd het oude gebouw tot 1960 gebruikt door de net opgerichte HBS. Daarna deed het tot 1977 dienst als dependance van de Technische School. In 1982 verrees op deze locatie een filiaal van de HEMA.
De firma J. van Eijck & Co. is een voormalige weverij in Bredevoort, gelegen aan de Misterstraat, net voorbij de Munsterbrug en aan de Slingebeek (rechts op bovenstaande foto). Deze weverij speelde een belangrijke rol in de textielindustrie van Bredevoort.
Het bedrijf werd rond 1867 opgericht door Josephus Godefridus Henricus van Eijck, geboren in Helmond en van oorsprong afkomstig uit een familie uit Sint-Niklaas, België. In Bredevoort werd hij kortweg ‘Sjef’ genoemd. J. van Eijck & Co. was de tweede textielfabriek in Bredevoort. Bij de eerste fabriek, van H. van Eijck & Zoon, werd intussen gestaakt. Hoewel de staking eind januari was beëindigd, werd het 25-jarig jubileum van die fabriek slechts sober gevierd door de werknemers.
Na het overlijden van Josephus G.H. van Eijck in 1898 nam zijn vrouw, Hendrika Maria Kavelaar, de leiding van het bedrijf over. Zij benoemde de broers Henricus en Johannes Müter tot directeuren. Johannes Müter liet de monumentale Villa Maria bouwen, gelegen naast de fabriek (ook op bovenstaande foto te zien). Na de dood van Hendrika Maria Kavelaars zetten de broers het bedrijf voort. Ondertussen was een deel van het oude familiebedrijf in handen gekomen van A. Ubbink uit Bredevoort.
Vermoedelijk heeft Sjef van Eijck geprobeerd dit deel van het familiebezit terug te verwerven en is daar anno 1893 in geslaagd, zoals blijkt uit akten met betrekking tot de familie Ubbink. Na het overlijden van Sjef in 1898 werd de firma ‘J. van Eijck & Co.’ op contractbasis voortgezet door zijn weduwe, H.M. Kavelaars, samen met vennoot J.H.J. Müter, voor een periode van tien jaar.
Na een periode van leegstand werd het gebouw in 1956 in gebruik genomen door het bedrijf Aparta, dat er een snoepfabriek vestigde. Later huisvestte het gebouw onder meer een dozenfabrikant, een Coca-Colafabriek, een groothandel in hangsloten en de bontweverij/tuftingfabriek van Jos Rusink. In 1993 werd het complex door brand verwoest, waarmee een markant gebouw uit het stadsbeeld verdween.
Markt 12 in Aalten is een historisch pand met wortels die teruggaan tot de zeventiende eeuw. Het huis kent een bijzonder verhaal: tijdens de Tweede Wereldoorlog bood het onderdak aan onderduikers, terwijl de bezetter het tegelijkertijd in gebruik had. Tegenwoordig maakt Markt 12 deel uit van het Nationaal Onderduikmuseum.
Op de locatie van de huidige adressen Markt 12–18 stonden vermoedelijk al in de zeventiende eeuw twee dorpsboerderijen: vakwerkhuizen met een sterk agrarisch karakter. De panden werden van elkaar gescheiden door een smalle doorgang, een zogenaamde osendrop. Een bredere steeg aan de linkerzijde leidde naar een achtererf waaraan een vakwerkschuur stond.
Aan de achterzijde strekten zich twee diepe, onbebouwde percelen uit richting de Prinsenstraat, vermoedelijk in gebruik als tuinen of landbouwgrond. In de achttiende en negentiende eeuw werden de oorspronkelijke vakwerkhuizen aan de Markt vervangen door bakstenen huizen. Het huidige pand Markt 12 is ontstaan na nieuwbouw omstreeks 1843.
Tweede Wereldoorlog
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het huis bewoond door de familie Kempink, een gezin met twee jonge kinderen. Aan het begin van de oorlog werd de voorkamer gebruikt door het Rode Kruis. Later werd deze ruimte gevorderd door de nazi’s en ingericht als Ortskommandantur. Tegelijkertijd zaten er op de zolder acht onderduikers verborgen. Deze onderduikplek is nog steeds aanwezig.
De gewelfde kelder onder het huis werd bij luchtalarm gebruikt als schuilkelder voor de buurt. Soms zochten wel twintig mensen daar bescherming tegen bombardementen.
Aan het eind van de oorlog moest de familie Kempink het huis halsoverkop verlaten op last van de Duitsers. In het zwaar getroffen Sauerland waren veel woningen verwoest; Duitse moeders en kinderen werden elders ondergebracht – onder andere in Markt 12 in Aalten. Na de oorlog keerde de familie terug en bleef nog jarenlang in het pand wonen.
Museum
Na 1970 onderging het complex enkele belangrijke stedenbouwkundige veranderingen. Het werd in fasen gerestaureerd en opgenomen in museum ’t Frerikshuus, de voorloper van het huidige Nationaal Onderduikmuseum.
In 2004 werd achter Markt 12 een nieuw museumgebouw gerealiseerd, en het achterliggende terrein ingericht als parkeerplaats. De nieuwbouw en de drie historische panden Markt 12–16 werden met elkaar verbonden door een glazen overkapping, waarin de hoofdentree en een entreehal werden opgenomen.
In 2024 maakte het Nationaal Onderduikmuseum bekend dat het opnieuw uitbreidingsplannen heeft. Voor dit doel is het naastgelegen pand Markt 18 aangekocht.
Johannes Catharinus Becking (Aalten, 17-07-1848), winkelier trouwt op 19-05-1881 in Aalten met Anna Wilhelmina Theodora Becking (Varsseveld, 08-09-1855)
Markt 12, voorzijdeMarkt 12, achterzijdeOrtskommandantur (foto: Nationaal Onderduikmuseum)Geheime deur (foto: Nationaal Onderduikmuseum)Schuilkelder (foto: Nationaal Onderduikmuseum)Fragment kadastrale kaart uit 1843, waarop de nieuwe bebouwingscontour van Markt 12 werd vastgelegd. De nieuwbouw van het pand zal kort daarvoor hebben plaatsgevonden. Aanvankelijk was aan de achterzijde sprake van een langgerekte aanbouw, deze is later verdwenen.Aaltensche Courant, 1 augustus 1914
Aan de Industriestraat, direct bij het station van Aalten, stond bijna een eeuw lang een slachterij. De oorsprong ligt in het begin van de 20e eeuw, toen de gemeente ruimten begon te verhuren voor de slacht. Vanaf 1903 kreeg het slachten een meer industrieel karakter. In 1916 verrees hier een exportslachthuis van koopman B.J. Rathmer, ontworpen door gemeentearchitect Jan Brill. In 1922 kocht de gemeente het complex en werd het officieel het Gemeenteslachthuis.
In 1964 namen Bram Kropveld en André van Schipstal de slachterij van de gemeente over en sprak men van KSA (Kropveld Schipstal Aalten). Vroeger slachtte men er ook varkens. Door aangescherpte regelgeving richtte het bedrijf zich voortaan uitsluitend op kalveren. Later heette het bedrijf dan ook Kalver Slachterij Aalten.
In 1976 nam KSA een nieuwe kantoorruimte in gebruik op de plaats waar voorheen een woning stond. De eerste steen werd gelegd door het personeel van KSA. In de loop der jaren werd de productie aanzienlijk vergroot. Er kwamen koelruimtes bij voor de opslag. Rond 1990 is de expeditie geheel vernieuwd. Vanaf dat moment konden er twee vrachtwagens tegelijk laden en was de aan- en afvoer grotendeels aan het oog onttrokken.
Overnames
In 1988 kwam de slachterij in handen van de Coöperatieve Centrale Veevoederfabriek. In het jaar 1992 werd het bedrijf verkocht aan de Van Drie Group en specialiseerde men zich in het slachten van Friander of rosé-kalveren. KSA groeide in de jaren negentig uit tot een modern bedrijf met circa 65 medewerkers, met op het hoogtepunt zelfs meer dan honderd werknemers.
In april 1996 kwam de slachterij in Aalten in het wereldnieuws. Er werden 64.000 Britse kalveren gedood in opdracht van de Nederlandse regering vanwege BSE, ook wel ‘gekke koeienziekte’ genoemd.
In 2001 waren er plannen voor de realisatie van een etage bovenop de slachterij om in Aalten ook uitbenen en verdere verwerking mogelijk te maken. Maar vergunningstrajecten strandden en de MKZ-crisis met bijbehorende vervoersverboden legde het bedrijf wekenlang stil, waardoor men van de plannen afzag.
Sluiting
Om kosten te besparen besloot de Van Drie Group in 2012 om haar activiteiten te concentreren. Dit pakte nadelig uit voor KSA, want hier kon men alleen kalveren slachten; voor de verwerking moesten ze naar zusterbedrijven worden vervoerd en dat was kostbaar. Het gevolg was dat KSA op 31 december 2012 haar deuren sloot.
Na een aantal jaren werden de gebouwen gesloopt en het terrein werd, samen met dat van de voormalige houthandel Te Paske, verkocht aan de gemeente. Deze verkocht het op haar beurt weer aan de firma Beele Engineering. Beele ontwikkelde hier zijn R&D-campus “Sealing Valley”. Daarmee kreeg het voormalige slachterijterrein een nieuwe, industriële bestemming in de maakindustrie.
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1918
I-4164
Bernard Johan Rathmer, koopman
4.100 m² exportslagerij, stalling, politiebarak en grasland
1925
I-6098
Gemeente Aalten
4.070 m² slachthuisplts., loods, barak en erf
1963
I-8955
Gemeente Aalten
3.954 m² abattoir, huis, schuur, loods, barak, erf, werkplaats
Door den heer Julius te Aalten werd dezer dagen een stier aangekocht van het enorme gewicht van 1920 pond. Op de foto zien wij den stier gekiekt voor het slachthuis te Aalten, omringd door het personeel (1927).Slachthuis / KSA, ca. 1965Fragment kadastrale kaart, 1918 (perceel I-4164)Fragment kadastrale kaart, 1963 (perceel I-8955)Aaltensche Courant, 22 september 1915Nieuwe Aaltensche Courant, 2 april 1920Nieuwe Aaltensche Courant, 11 april 1922KSA (“het slachthuis”) te Aalten, kort voor de sluiting
Burchard Diederik Gerhard Muller (1802–1873) was eigenaar van twee manufacturen-, ijzer- en galanteriewinkels. Ook dreef hij een graanhandel en had hij een kruidenierszaak. Hij was getrouwd met Elisabeth Manschot en zij woonden aan de Lichtenvoordsestraatweg in Aalten.
In 1870 startte hij een stoomblekerij op het Geurken aan de Haartseweg. Twee jaar later werd het bedrijf uitgebreid met een ververij en een drukkerij. Enkele jaren daarna breidde de firma Muller verder uit met een stoomweverij.
Het benodigde water onttrok men aan de nabijgelegen beek. Drie broers van deze familie hebben nog geprobeerd de watermolen op de Pol te kopen, nadat deze op 1 mei 1853 was afgebrand. De watermolen met stuw werd echter door de gemeente aangekocht en rond de eeuwwisseling gesloopt.
Na het overlijden van Burchard Diederik Gerhard Muller in 1873 zetten zijn kinderen het familiebedrijf voort.
Brand
Op 6 mei 1902 brandde de fabriek van Muller af en werd niet meer herbouwd of voortgezet.
Aalten, 6 Mei – Hedenmiddag omstreeks 4 uur ontstond er brand in de fabriek van de hh. Gebrs. Muller op ongeveer 10 minuten buiten de kom van ’t dorp gelegen. Van de verschillende gebouwen zijn geheel in de asch gelegd: de drukkerij, stoomdrogerij en het magazijn met vele goederen. De oorzaak is onbekend. Het oude gedeelte is afgebrand. De gebouwen voor de weverij zijn behouden gebleven.
Dinsdagmiddag tegen 4 uur werden we plotseling opgeschrikt door het luiden der brandklok. Het was spoedig een buitengewone drukte op de straat en de brandspuiten trokken achter elkaar in de richting van den Haartschen grintweg, want al spoedig wist men dat de brand woedde in de fabriek van de heer Muller, aan dien grintweg gelegen.
Het hooge gebouw, waar de weverij, drukkerij en drogerij was, is geheel door het vuur vernield en de machines zijn natuurlijk onbruikbaar geworden, terwijl ook het magazijn met vele goederen een prooi der vlammen werd. De weverij heeft niet geleden, terwijl de machinekamer, door het flink optreden der brandweer, die daar ook voldoende water had, eveneens kon behouden blijven. Dat er overigens veel waterschade is aangericht, spreekt van zelf.
De firma H. van Eijck & Zoon werd in 1834 opgericht door Henricus van Eijck (Helmond, 02-04-1780 – Sint-Niklaas (B), 08-04-1846). Het was de eerste textielfabriek in Bredevoort. Aanvankelijk kreeg Van Eijck geen toestemming van de Nederlandse Handel Maatschappij, maar door persoonlijk ingrijpen van koning Willem I kwam die toestemming alsnog.
Henricus kwam uit Sint-Niklaas (België) met zijn familie, omdat daar de textielindustrie stagneerde in verband met de Belgische Opstand die in 1830 was uitgebroken. Doordat die toestand zich bleef voortslepen zagen veel Belgische fabrikanten de oplossing door zich te vestigen in noord-Nederland.
De Bredevoorters waren dankzij de huisnijverheid niet onbekend met weven, desalniettemin liet Van Eijck meesterknechten uit België overkomen. De eersten vertrokken al spoedig naar Doetinchem, Peter Lavinus van den Broek, bleef met vrouw en kinderen tot zijn dood in Bredevoort wonen.
Ontwikkeling
De fabriek stond aan de Misterstraat, ter hoogte van de Bekendijk. H. van Eijck & Zoon was een weverij voor met name katoen. Bij de aanvang werd gewerkt met een stoommachine van 4 pk en een ketel. Het hoogtepunt werd bereikt in 1839 toen hier 225 wevers werkten. Het uitbreken van de Amerikaanse Burgeroorlog veroorzaakte een dip in de activiteiten, omdat de import van Amerikaans katoen praktisch stil kwam te liggen. In 1865 kwam er echter een opleving en twee jaar later werd er een stoommachine aangeschaft. In 1878 kwam het bedrijf stil te liggen, doordat de vrouw van Jean Leander van Eijck overleed.
Mogelijk is er een ruzie over de erfenis ontstaan, want nog datzelfde jaar werd er een nieuwe fabriek geopend. De helft van het oorspronkelijke familiebedrijf werd aangekocht door Josephus Godefridus Henricus (‘Sjef’) van Eijck en met zijn vennoot J.H.J. Müter uit Amsterdam voortgezet onder de firmanaam J. van Eijck & Co.
Stakingen
In januari 1903 brak een staking uit, nadat bekendgemaakt werd dat werknemers niet langer meer op de vloer mochten spugen richtte men een afdeling van de vakbond Unitas op. In Aalten bleken de fabrieksarbeiders van de pijpen- en kammenfabriek solidair te zijn en stortten 30 gulden in de stakingskas. Eind januari was de staking voorbij.
In september 1903 waren er wederom grimmige stakingen rondom de uitbetaling van salaris in Nederlands geld, waar de werknemers gewoonlijk in Duits geld uitbetaald kregen. Vanaf 1 oktober legden de arbeiders het werk neer. Voorzitters van de vakbond Unitas waren onder anderen predikant Johan Henri Ledeboer, pastoor Joannes Mulder en W.W.M. Moll. Het bedrijf negeerde de staking en wierf nieuwe arbeiders. De politie moest ingrijpen om de stakers en de ‘vreemde werknemers’ te scheiden. Burgemeester W.C. Tack liet de politie ingrijpen toen tijdens het Volksfeest van Bredevoort een spotlied ten gehore werd gebracht.
Eind december werden 109 ruiten van de fabriek ingegooid. Op 15 januari 1904 moesten dertien mensen zich in Groenlo voor de kantonrechter verantwoorden voor het zingen. Een week later nog een viertal. De boete bedroeg 5 gulden of twee dagen hechtenis. Twee personen werden vrijgesproken. Na een jaar staken had de helft van de stakers intussen een andere baan gekregen, de rest ontving ondersteuning uit de stakingskas. Het is onbekend of de stakers ooit zijn teruggekeerd. Na 17 maanden was de staking in elk geval voorbij. Na de staking werkten er nog maar 10 mannen en 10 jongens.
Sluiting
In 1905 werkten er bij H. van Eijck & Zoon 29 mannen, 6 jongens en 5 meisjes. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verving Van Eijck de 8 pk machine voor een 45 pk machine, later nog vergroot tot 60 pk. Begin 1924 sloot de fabriek. Dutch Button Works kocht het complex, en maakte er een knopenfabriek van.
J. van Eijck & Co. heeft nog bestaan tot in de Tweede Wereldoorlog.
De firma Ten Dam & Manschot was de eerste en enige fabriek in Nederland die kammen maakte: witte, zwarte, naturel gekleurde sierkammen, Mexicaanse kammen, luizenkammen en snorrenkammen. De boveneinden of holle gedeelten van horens, hoofdzakelijk buffelhoorn, vormden de grondstof voor het vervaardigen van de kammen. Deze horens werden ingevoerd uit onder andere Brazilië, India en het toen nog Siam geheten Thailand.
Oprichters waren Abraham (Bram) ten Dam en zijn zwager Barend Johannes (Bernard) Manschot. Ten Dam was daarvoor werkzaam geweest bij een hoornverwerkende industrie, ook in Aalten, geleid door B.G. Vaags. Daar werden voornamelijk Duitse pijpen gemaakt, waarvoor de massieve punten van Indische runderhoorns als grondstof dienden.
Naarmate dit soort pijpen geleidelijk aan verdrongen werd door houten pijpen en er bovendien in bepaalde kringen al sigaren werden gerookt, zochten Ten Dam en Manschot (de heer Vaags was inmiddels overleden) naar een andere activiteit. Ten Dam geloofde dat er goede kansen lagen voor een haarkammenfabriek in Nederland.
D’n Kamstoom
In 1868 begon Ten Dam met een werkplaats in zijn huis aan de Kerkstraat. Al snel bleek deze werkplaats ontoereikend. In 1871 richtten Ten Dam en zijn zwager Manschot een nieuwe fabriek op aan de Damstraat in Aalten, uitgerust met een stoommachine, waardoor de productie kon worden opgeschaald.
De zaken werden meteen flink aangepakt. Er werd een Duitse werkmeester aangesteld, machines werden aangeschaft en weldra was er sprake van grootschalige productie van een artikel dat vrijwel ieder mens dagelijks gebruikte. In de beginjaren werkten er ook veel Duitse meisjes en mannen.
Onder de bekwame ‘kaufmannische’ leiding van Ten Dam en de hoogstaande technische leiding van Manschot ontwikkelde de fabriek zich tot een grootbedrijf, waar talloze arbeiders hun brood verdienden. Er waren jaren waarin wel tweehonderd mensen werkten in het bedrijf. Het bedrijf werd in de volksmond d’n Kamstoom genoemd.
De gezinnen Ten Dam en Manschot woonden tegenover elkaar aan de Bredevoortsestraatweg, Bram in het huis waar nu Fysiotherapie van Panhuis is gevestigd en Bernard in de witte villa er tegenover. De zoon (en opvolger) van Bram, Herman, heeft rond 1900 de woning aan de Bredevoortsestraatweg 52 laten bouwen.
Wereldspeler
Er werden in hoofdzaak (althans tot aan de Eerste Wereldoorlog) Braziliaanse buffelhoorns verwerkt. Die kwamen met de trein in Bocholt aan en werden dan met paard en wagen afgehaald. Zo ging het ook met de vervaardigde producten. Die werden met paard en wagen naar het station in Bocholt vervoerd om daarna per trein verder te worden vervoerd. Later werd aanvoer en afvoer gemakkelijker doordat de spoorlijn Winterswijk–Zutphen en Winterswijk–Zevenaar in gebruik werden genomen.
Naar alle delen van de wereld werden de kammen verzonden: Ned. Indië, Centraal Azië, Rusland, Scandinavië, Noord- en Zuid-Amerika. Ook maakte men veel (heel fijne) stofkammen (ook wel luizenkammen genoemd), die vooral aftrek vonden in Polen.
Stof en krul
Een kam onderging dertien behandelingen van hoorn tot eindproduct. Na elke behandeling vond een kwaliteitscontrole plaats, want kwaliteit stond voorop. Niet voor niets had de Aaltense Kammenfabriek zich een plaats op de wereldmarkt veroverd!
Het afval van het hoorn, het zogenaamde ‘stof en krul’, werd gebruikt als meststof voor het aardappelland. De krul werd zelfs geëxporteerd naar België als mest voor de druiventeelt. Het afvalwater van de sliepraderen stroomde via een buis en vervolgens door een goot dwars over de Stegge naar de tuin van de familie Manschot aan de overkant van de straat. Nergens stonden de groente en het fruit er zo goed bij. Op den duur kreeg de grond echter te veel stikstof, zodat men moest stoppen met deze vorm van bemesting.
Arbeidsomstandigheden
De werktijden waren van ’s morgens zes uur tot twaalf uur en ’s middags van half twee tot half zeven. ’s Morgens om acht uur werd er door de vrouwen van de arbeiders pannenkoek gebracht, die staande achter de werkbanken werd opgegeten.
De verwerking van hoorn bracht, behalve veel lawaai, ook veel stof en stank met zich mee. De horens lagen soms weken te wachten op verwerking en vooral in de zomer was de geur die daarmee gepaard ging niet aangenaam. Toch deden de fabrikanten er alles aan om de ongezonde atmosfeer te verbeteren. Zo werd de fabriek in 1904 zelfs een week gesloten om een stofafzuigsysteem te installeren.
Hoge lonen
Er werd in hoofdzaak op stukloon gewerkt, behalve de machinist-stoker en de smid, die beiden een vast loon hadden. De branders verdienden het meeste. De 13-jarige meisjes die na schooltijd in de jaren omstreeks 1900 begonnen, hadden een beginloon van 2 Mark (ca. ƒ 1,30) per week. De jongens kregen 3 Mark. Als ze wat ouder waren, kregen ze ook stukloon en konden ze 6 á 7 Mark per week verdienen. Later werd dit zelfs 10 Mark. Dit was een hoog loon, dat heel wat hoger lag dan de lonen in de textiel. De lonen werden tot vlak voor de Eerste Wereldoorlog in Marken en Grosschen uitbetaald.
Sociale regelingen
In vergelijking met andere bedrijven waren de fabrikanten hun tijd ver vooruit. Voor eventuele ziektekosten werd iedere week 6 cent van het loon ingehouden; in geval van ziekte kreeg de arbeider dan f 3,- per week uitgekeerd. Voor ernstige en langdurige zieken uit het bedrijf werd er door de families Ten Dam en Manschot voor deze mensen gekookt en de zieken werden trouw bezocht.
Bij geboorte kreeg de kraamvrouw, in de periode dat ze het bed moest houden, driemaal een goede maaltijd. De eerste bestond altijd uit de traditionele wijnsoep, waarin ook echte wijn verwerkt was. De andere bestonden o.a. uit soep, kalfsvlees, groenten en aardappelen.
De arbeiders konden van hun loon ook iets laten staan, dus al een spaarregeling. Aan het eind van het jaar kregen ze dit bedrag plus rente weer uitbetaald. Wilden ze graag een eigen huisje bouwen of kopen, dan konden ze op steun van de fabrikanten rekenen.
Er is zelfs een paar maal een winstuitkering geweest! Vermoedelijk tijdens of vlak na de Eerste Wereldoorlog. De gehuwden kregen f 200,- en de ongehuwden wat minder.
Nieuwe grondstof
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kwam de invoer van buitenlandse horens volledig tot stilstand. Bovendien werden ervaren arbeiders van hun posten weggeroepen vanwege de mobilisatie. Deze waren niet zo spoedig te vervangen.
De brandstoftekorten konden door de betrekkelijk grote houtrijkdom van Aalten nog ondervangen worden. De fabrikanten kochten de nog aanwezige hoornvoorraden in Europa op, waardoor ze voorlopig nog konden blijven produceren. Toch moest er op korte termijn een alternatieve grondstof worden gevonden, om de productie van lange kammen te kunnen blijven voortzetten.
Vóór de Eerste Wereldoorlog was in Duitsland galalith (melksteen) uitgevonden, een materiaal gemaakt van caseïne, een bestanddeel van koemelk. Gedurende de oorlog moest de productie hiervan in Duitsland worden gestaakt omdat melk nodig was voor andere doeleinden. De fabriek van Ten Dam ging daarom zelf experimenteren en ontwikkelde een materiaal dat qua sterkte en elasticiteit niet onderdeed voor het origineel. Dit product werd geregistreerd onder de naam ‘Lactiet’ (melkivoor) en de kammenproductie was hiermee weer verzekerd.
Sluiting
De Eerste Wereldoorlog had een zware impact op het bedrijf. Desondanks deden de fabrikanten hun uiterste best om hun arbeiders aan het werk te houden. Echter, de exportmogelijkheden werden ongunstiger en er ontstond sterke concurrentie van fabrieken in Tsjecho-Slowakije. De personeelssterkte daalde tot slechts een derde van wat het ooit was, maar het bedrijf had tenminste kunnen doorwerken.
In 1932 werd besloten om het bedrijf te sluiten, waarmee voorgoed een eind kwam aan een unieke Aaltense industrie. De inventaris werd verkocht en de bedrijfsruimte werd verhuurd aan Elsinghorst Fornuizenfabriek te Bocholt.
In 1945 werden ook de gebouwen verkocht aan de NV van Katwijks Papier- en Cartonverwerkende Industrieën, kortweg ‘Spinkat’, fabrikant van spinhulzen voor de textielindustrie. Spinkat werd later TPT en nog later Sonoco. Nadat Sonoco naar het industrieterrein was verhuisd (Vierde Broekdijk 2), verrezen er op dit voormalige bedrijfsterrein woningen en appartementen (Damstraat en Manschotplein).
Op de splitsing van de Bredevoortsestraatweg en Haartsestraat, waar vroeger bloemenmagazijn ‘Flora’ stond en tegenwoordig ‘Effen Anders bloembinderij’ gevestigd is, bevond zich ooit het ‘Stiemenshuus’. Blijkens een haardplaat dateerde het Stiemenshuus uit het jaar 1687.
Het huis werd niet altijd Stiemenshuus genoemd. Oorspronkelijk stond het bekend als het Manschotshuus, later als Penningshuus en daarna als Stiemenshuus.
De eerste bekende bewoners waren de familie Manschot, smeden en landbouwers van vader op zoon. De laatste Manschot die in het huis woonde was smid Hendrikus Manschot. De in Utrecht geboren vrederechter Joseph Gerard van der Schaaf woonde erbij in. Na het overlijden van Hendrikus Manschot bleef zijn weduwe, Anna Maria Martens, in het huis wonen tot ook zij in 1834 overleed.
Na haar dood verkochten de erfgenamen het huis aan Christiaan Apollos Penning (1794-1873) uit Zutphen. Penning was in 1817 getrouwd met de Aaltense Johanna Berendina van Herwaarden, dochter van koperslager Jacobus van Herwaarden uit de Peperstraat. Penning werd benoemd tot Rijksontvanger der belastingen in Aalten en hij en zijn vrouw vestigden zich in het Manschotshuis.
Na het overlijden van Christiaan Apollos Penning in 1873, en vijf jaar later van zijn vrouw, kreeg het huis, dat inmiddels bekendstond als het Penningshuus, nieuwe bewoners: Hendrik Stiemens (1842-1929) en zijn vrouw Christina Penning (1837-1920), de jongste dochter van Christiaan Apollos Penning. Onder hun bewoning kreeg het huis de naam Stiemenshuus.
Puttegang
Achter het huis liep een gängeske, dat bekend stond als de ‘Puttegang’, waar ook het Smidshuisje en de Oorman als kleine kamertjes waren aangebouwd. In de Oorman gaf juffrouw Penning pianoles.
Verkoop en sloop
Kort voor zijn dood verkocht Hendrik Stiemens het huis, maar hij bleef er wonen tot zijn overlijden in 1929. In 1954 kocht Johan Wikkerink het vervallen Stiemenshuus en liet het afbreken om er zijn bloemenwinkel ‘Flora’ en woonhuis te bouwen. De nieuwe winkel opende in november 1955.
Tijdens de bouwwerkzaamheden werd een mooie Romeinse pot opgegraven, die nog steeds in het bezit is van de familie Wikkerink. De magnoliaboom die in de voortuin van het oude Stiemenshuus stond, werd verplaatst naar het plein voor de Magnoliaschool.
Archieven
Liberale Gifte 1748
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1832
I-1101
wed. Hendrik Manschot, landbouwer
290 m² huis & erf
1837
I-3017
Christiaan Apollos Penning, ontvanger
290 m² huis & erf
1871
I-3017
Derk Willem Koskamp, landbouwer
252 m² huis, erf
1922
I-3017
Hendrik Stiemens, zaakwaarnemer
252 m² huis, erf
1930
I-3017
Gerrit Jan Wevers
252 m² huis, erf
1957
I-8061
Johannes Theodorus Wikkerink, bloemist
233 m² winkelhuis, erf
Bewoners
Eerst bekende bewoners:
Herman Manschot, weduwnaar van Enneken Brussen trouwt op 24-06-1666 in Aalten met Jenneken Navis, d.v. Jan Navis in Lintelo
Volgende bewoners:
Hendrik Manschot (Aalten, ged. 27-05-1667) trouwt op 22-04-1694 in Aalten met Jenneken te Lindert (Aalten, ca. 1670)
Volgende bewoners:
Hendrik Manschot (Aalten, ged. 14-08-1698) trouwt op 16-03-1727 in Aalten met Aaltje Welpshof (Aalten, ged. 04-02-1703)
Volgende bewoners:
Hendrikus Manschot (Aalten, ged. 15-12-1743) trouwt op 11-10-1772 in Aalten met Anna Maria Martens (Aalten, ged. 10-02-1754)
Kadaster 1832Fragment kadastrale kaart, 1871 (perceel I-3017)Stiemenshuus met oormanDe zogenoemde ‘Puttegang’, achter het StiemenshuusHet Stiemenshuus, geschilderd door Piet te Lintum (foto van Ron Kuiperij)
Dorpsomroeper, beter bekend als ‘Jan met de panne’
Arent Jan te Slaa (roepnaam Jan) werd geboren op 22 maart 1870 in Aalten, huisnummer 152 (Varsseveldsestraat 3), zoon van Derk Hendrik te Slaa (nachtwaker) en Janna Willemina te Brake. Op 29 augustus 1895 trouwde hij in Aalten met Dina Geertruida Klein Hesselink (IJzerlo, 13 september 1871). Het echtpaar ging wonen op het adres Hofstraat 3. Ze kregen zes kinderen.
Het laatste nieuws
In de 19e eeuw kwam bij maar weinig Aaltenaren een krant in huis. Wie wel zo rijk was kon bijna iedere avond rekenen op burenvisite om het laatste nieuws te horen. Maar dat hoefde niet voor niets: meestal werd door het bezoek onder de stoel een turf achtergelaten.
Zoals in veel plaatsen werden op handen zijnde verkopingen op zondagmorgen na de kerkdienst buiten de kerk bekend gemaakt. Meestal deed de schoolmeester dat, staande op een bankje of grote steen. Voor officiële bekendmakingen van de gemeente stond aan de Markt in Aalten een groot aanplakbord. Vele jaren werden nieuwe bekendmakingen daarop aangekondigd door het luiden van de kerkklok, maar in 1901 werd dat afgeschaft.
Dorpsomroeper
Intussen ging ook de eerste dorpsomroeper al rond in het dorp. In 1868 was dat D.H. te Slaa, die, samen met B.H. Wieskamp, de functie van nachtwaker vervulde. Dat zij tevens omroeper waren blijkt uit een notitie van B&W van 19 februari 1876, waarbij de heren werden vermaand omdat ze niet ver genoeg gingen. Want Aalten groeide, maar de routes van de omroepers groeiden niet mee.
Toen Te Slaa in 1903 overleed, werd hij door zijn zoon Jan als nachtwaker opgevolgd. De functie van omroeper was toen nog geen officiële betrekking, al trad hij dus al wel als zodanig op. Die benoeming kreeg Jan te Slaa pas met ingang van 1 januari 1915, “zulks op eene jaarwedde van 10 gulden”.
Jan met de Panne
Door zijn wijze van optreden verwierf hij een haast legendarische faam. Om de aandacht van de bevolking te krijgen sloeg hij met een houten klepel enkele malen krachtig op de panne, het koperen bekken dat hem de bijnaam ‘Jan met de Panne’ bezorgde. Als de omwonenden dan naar buiten kwamen om te horen ‘wat er aan de panne was’, dan verkondigde hij fier rechtop staande zijn boodschap.
Op gezette tijden maakte hij zijn ronde door het dorp om lief en leed over Aalten uit te roepen. Ook werd de verkoop van vlees van noodslachtingen aangekondigd, mededelingen van de notaris bekend gemaakt en wat al niet meer. Hij verkondigde ook aanbiedingen van winkeliers, bijvoorbeeld dat een plaatselijke visboer twaalf bokkingen verkocht voor 10 cent. Een soort wandelende Aalten Vooruit dus.
Begin 1918 werd het gemeentebestuur gevraagd om de omroeper “ook in de buitenwijken te laten roepen het nieuws van den dag”. Omroeper Te Slaa verklaart daarop voor zijn schamele vergoeding van 30 cent per omroeping niet in de buitenwijken te kunnen komen, “omdat Aalten zich steeds meer uitbreidt en hij heel gaarne tegen verdubbeling van het tarief alle hoorenden tevreden wil stellen”.
Op 9 november 1924 besloten burgemeester en wethouders van Aalten de functie van dorpsomroeper op te heffen. Met het ontslag van Jan te Slaa – “wegens opheffing der betrekking werd eervol ontslag verleend als omroeper te Aalten” – verdween er een opvallend figuur uit het dorpsbeeld en ging een karakteristiek stukje dorpsleven verloren.
Na zijn ontslag bleef Te Slaa nog wel voor particulieren omroepen en dat is, maar dan door zijn opvolgers, tot na de Tweede Wereldoorlog doorgegaan.
De originele panne heeft een mooie plek gekregen in het Nationaal Onderduikmuseum aan de Markt in Aalten. ‘De Panne’ is tevens de naam van het magazine van het museum dat tweemaal per jaar verschijnt, vernoemd naar de illustere dorpsomroeper.
‘Jan met de panne’ op de Markt in AaltenEveneens op de MarktAaltensche Courant, 25 mei 1928‘Zij, die in 1935 van ons gingen.’ De Graafschapbode, 30 december 1935
Overlijden
Jan te Slaa overleed op 6 augustus 1935 en ligt begraven op Oude Begraafplaats aan de Varsseveldsestraatweg in Aalten.
De Aaltensche Courant schreef naar aanleiding van zijn overlijden:
Jan te Slaa †
Dinsdagmiddag is de heer A.J. te Slaa alhier op 65-jarigen leeftijd overleden. Met Jan te Slaa gaat een bekende figuur van onze plaats heen. Ouderen zullen zich Jan nog wel herinneren als hij gewapend met pan en klepel door het dorp ging het nieuws omroepende. Op de vraag: „Jan wat is er an de panne?” gaf hij steeds welwillend antwoord.
Ook als nachtwaker heeft hij onze gemeente jarenlang z’n diensten bewezen. Met nieuwjaar werd dan de inwoners met de beste heilwenschen een Zutphensche Almanak te koop aangeboden, in den prijs die men hiervoor betalen wilde kon men tevens z’n waardeering voor het werk der nachtwachts tot uitdrukking brengen.
Het terrein van de werkzaamheden van Te Slaa was velerlei. Zoo fungeerde de ontslapene tot voor eenige jaren nog als doodgraver, was hij hulpbesteller bij de posterijen, zijn functie van vischafslager dateerende uit de mobilisatiejaren werd later door hem voortgezet in den vorm van een vischstalletje op de Donderdagmorgenmarkt.
Verschillende vereenigingen ter plaatse maakten van zijn diensten als bode of incasseerder gebruik, terwijl op belangrijke feesten, vooral in de Sociëteit, Jan steeds de geliefdste kellner was. Lange jaren vervulde bij een bestuursfunctie in het Aaltensche Veefonds. Sinds z’n val van het rijwiel, voor enkele jaren terug, is Jan niet weer de oude geweest, en zoo is dan thans met hem een bekend Aaltenaar van ons gegaan.
De Oude Begraafplaats aan de Prins Mauritsstraat in Bredevoort werd rond 1830 aangelegd, gelijktijdig met de naastgelegen Joodse Begraafplaats. Het terrein kwam beschikbaar na de ontmanteling van de vestingwerken aan de oostzijde van het stadje.
De begraafplaats wordt gekenmerkt door een plattegrond met ongelijke zijden, omringd door beukenhagen en hoge bomen. Het oudste gedeelte bevindt zich direct langs de Prins Mauritsstraat. In 1925 werd de meest zuidelijke strook aan de begraafplaats toegevoegd. Tegelijkertijd werd een nieuwe toegangspoort geplaatst, en enkele jaren later werd een baarhuis gebouwd.
De Begraafplaats Kloosterhof aan de Kloosterdijk in Bredevoort werd aangelegd in 1862-1863 en diende oorspronkelijk als rooms-katholieke begraafplaats.
Het oudste, centraal gelegen deel heeft een symmetrische indeling met een karakteristieke toegangspoort, een baarhuis dat tevens dienst doet als werkplaats, en rijen graven die zijn gericht op een Calvariekruis aan de achterzijde van het terrein.
In de jaren 80 van de vorige eeuw werd de begraafplaats uitgebreid met een algemeen gedeelte. In 1989 verrees tevens een mortuarium, waar overledenen kunnen worden opgebaard, families afscheid kunnen nemen en gelegenheid is voor condoleren.
In 2024 kondigde de gemeente Aalten aan dat een deel van de begraafplaats zal worden ingericht als natuurlijke begraafplaats. Deze ontwikkeling sluit aan bij moderne wensen en behoeften rondom begraven.
De Joodse Begraafplaats aan de Prins Mauritsstraat in Bredevoort werd rond 1830 aangelegd, gelijktijdig met de naastgelegen algemene begraafplaats. Het terrein kwam beschikbaar na de ontmanteling van de vestingwerken aan de oostzijde van het stadje.
De laatste Bredevoortse Joden die op deze begraafplaats werden bijgezet zijn broer en zus Levi en Sara Sander. Beiden overleden in 1938, kort na elkaar. De begraafplaats is niet toegankelijk voor het publiek.
Twee Joodse begraafplaatsen
Bredevoort had ooit twee Joodse begraafplaatsen. De oudste was gelegen op het voormalige kasteelterrein achter Hozenstraat 5. In 1953 werd dit terrein verkocht aan de gemeente Aalten ten behoeve van woningbouw. De stoffelijke resten en grafzerken werden toen overgebracht naar de tweede begraafplaats aan de Prins Mauritsstraat.
Locatie voormalige Joodse begraafplaats aan de Hozenstraat
Onderhoud en Restauratie
Aanvankelijk werd de begraafplaats onderhouden door de gemeente. Sinds 2018 verzorgen vrijwilligers van de vereniging Bredevoorts Belang het maaien van het gras en het vrijhouden van de muren en de 12 grafzerken van klimplanten. In 2022 werd gestart met de restauratie van de scheuren in de muren, is het voegwerk vernieuwd en de poort onder handen genomen.
De Joodse begraafplaats van Aalten, gelegen aan de Haartsestraat, heeft een rijke geschiedenis die teruggaat tot het begin van de 19e eeuw. Hoewel het terrein in 1852 officieel eigendom werd van de Joodse gemeenschap, zijn er aanwijzingen dat de begraafplaats al vanaf circa 1820 in gebruik was.
De begraafplaats ligt in een bosrijk gebied en wordt omgeven door een stevig hekwerk. Het oudere gedeelte bestaat uit een lage en rijkbeboste heuvel met verspreide grafmonumenten. Ten oosten daarvan bevindt zich het jongere gedeelte dat wordt gekenmerkt door een orthogonale aanleg.
Op het terrein staan ongeveer zeventig grafstenen, die variëren in ouderdom en ontwerp. Bij de ingang aan de Haartsestraat staat een metaheerhuis (lijkenhuis), een ritueel gebouw dat gebruikt wordt voor de reiniging van overledenen volgens Joodse tradities.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de begraafplaats beschadigd, maar na de oorlog is deze hersteld. Ter nagedachtenis aan de Joodse kinderen uit de gemeente die tijdens de oorlog zijn gedeporteerd en omgebracht, is er een plaquette aangebracht op de gevel van het metaheerhuis.
Begin 20e eeuw raakte de Oude Begraafplaats aan de Varsseveldsestraatweg steeds meer omsloten door de oprukkende bebouwing van het dorp Aalten. Dit maakte de aanleg van een nieuwe algemene begraafplaats noodzakelijk.
In 1920 kocht de gemeente boerderij Oosterman bij ’t Walfort, met het idee om hier een nieuwe algemene begraafplaats te realiseren. Dit plan is uiteindelijk niet doorgegaan. In plaats daarvan werd een geschikt terrein aan de Romienendiek gevonden, waar in 1923 begraafplaats ‘Berkenhove’ in gebruik werd genomen.
Het oorspronkelijke gedeelte van Berkenhove ligt ingesloten tussen de Romienendiek, de Barloseweg en de Koningsweg. Door de jaren heen is de begraafplaats regelmatig uitgebreid. In 1960 werd een katholiek gedeelte toegevoegd, omdat de RK-begraafplaats aan de Piet Heinstraat vol was. De nieuwe RK begraafplaats werd ingewijd door pastoor Kerkhofs. De pastoor vond er in 1964 zelf zijn laatste rustplaats.
Het oudste deel van Berkenhove heeft een orthogonale aanleg, met grafreeksen langs een centraal pad, omgeven door een rijke beplanting van bomen en heesters. Later werd de begraafplaats uitgebreid naar de noordzijde van de Koningsweg.
Uitvaartcentrum en crematorium
Bij Berkenhove bevindt zich een modern uitvaartcentrum en crematorium, beheerd door GUV. Sinds 2015 werd naast de begraafplaats een strooiveld ingericht, genaamd ‘De Akker’, dat ruimte biedt voor de verstrooiing van as, urnengraven en een urnenmuur.
Oorlogsslachtoffers
Een blijvende herinnering aan hun offer voor onze herkregen vrijheid zijn de 18 uniforme grafstenen op deze begraafplaats voor vijf Britse vliegers die in IJzerlo zijn neergestort en 12 Britse militairen van de grondtroepen die sneuvelden bij de bevrijding van Aalten in april 1945. Bij de graven van de Britse oorlogsslachtoffers bevindt zich ook het graf van verzetsstrijder Cornelis (Kees) Ruizendaal.
Daarnaast zijn er op Berkenhove nog tientallen andere graven van oorlogsslachtoffers te vinden. Veel van deze graven zijn als zodanig gemarkeerd.
Aan het Nannielaantje, op het voormalige landgoed ’t Smees, ligt een bijzondere grafheuvel. Het landgoed was ooit eigendom van Christiaan Caspar Stumph en zijn vrouw Jeanne Lesturgeon. Stumph was de eerste burgemeester van Aalten, van 1811 tot 1818. Ook de gemeentesecretarie was gevestigd op het landgoed.
Stumph had als wens hier zijn laatste rustplaats te vinden. Hij ergerde zich aan wantoestanden van het begraven in of bij de kerk. In 1818, de tijd van de romantiek, regelde hij een ‘buitenbegraafplaats’ voor zichzelf en zijn verwanten.
Zijn wilsbeschikking luidde als volgt:
“Na mijn dood wens en begeer ik voor mijne evenmenschen onschadelijk te zijn. Daar ons landelijk gouvernement achterlijk blijft om – zoals in Frankrijk, Duitsland, Italie en elders – begravingen binnen de kerken en op kerkhoven binnen de plaatsen te doen ophouden, en naar ruime begraafplaatsen naar buiten te verwijzen, zo heb ik (…) doen vervaardigen in een der Smeesweiden, en wel die tegen Smees Hoflanden. Dit plekje grond, mijn eigendom, wil en begeer ik, dat na mijn overlijden als een heiligdom wordt gerespecteerd en geerbiedigd.”
Begravenen
Op de buitenbegraafplaats werd op 28 juli 1818, ’s morgens om 5 uur, zoon Abraham Antonij Stumph begraven. Hij was 34 jaar oud en van beroep notaris. Hij was in de Slingebeek verdronken. In de volksmond werd gezegd dat zijn dood met liefdesverdriet te maken had. Een jaar later trouwde Christiaan Caspar Stumph, 74 jaar oud, met Caatje Weversborg, 30 jaar, dochter van de pachtboer op het Smees. Acht maanden na dit huwelijk in januari 1820 werd ook Stumph zelf volgens zijn wilsbeschikking op het Smees begraven.
Vervolgens begroef men op deze plek in het weiland: vriend en VOC-kapitein Johan Christiaan Rost met zijn echtgenote (een Bredevoortse Stumphdochter), hun dochtertje en twee kleinzoons. De laatst bekende eigenaar van de heuvel overleed in 1913. De gemeente Aalten heeft Stichting Vrijwillig Landschapsbeheer Achterhoek bereid gevonden het onderhoud van de grafheuvel te verzorgen.
Voor een overzicht van de personen die in de grafheuvel begraven liggen, kijk op Findagrave.
De Aaltensche Courant schreef op 1 juni 1948:
De geschiedenis van de oude grafheuvel aan het Nannielaantje te Aalten
Wanneer we vanaf de Haartsestraat het „Nannielaantje (bij de oudere ingezetenen van Aalten beter bekend als „Smeeslaantje”) inwandelen en het smalle bruggetje gepasseerd zijn, zien we links, ongeveer tegenover de bank van „Aalten’s Belang” in de weide een vierkante heuvel, begroeid met enige zware eiken en omringd door sloten, welke langzamerhand haast met de omringende grond gelijk gemaakt zijn.
De meeste Aaltenaren zullen niet weten wat het feitelijk voor een vierkante heuvel is en maar weinigen is het bekend, dat het een oude grafheuvel is, zonder er verder bijzonderheden van te kennen.
Toen we toevallig dezer dagen de „Stichtingsakte” van deze begraafplaats onder de ogen kregen, leek het ons wel interessant onze lezers hierover het één en ander mede te delen, want inderdaad is de bekende „bulte” in het Nannielaantje een begraafplaats.
Een vroegere burgemeester van Aalten, C. C. Stumph, was het er n.l. helemaal niet mee eens, dat er nog steeds in en om de kerken begraven werd, en zo maakte hij voor zich zelf in de „Smeesweiden” een eigen begraafplaats. In de „Stichtingsacte”, gedateerd 2 Mei 1818 staat een en ander nauwkeurig omschreven. Het onderhoud van deze begraafplaats werd geregeld en de beloning hiervoor vastgesteld.
Het zou te veel plaatsruimte vragen deze „Stichtingsacte” in haar geheel op te nemen. We laten daarom enkele passages hier volgen :
„Na mijn dood wensch en begeer ik voor mijne evenmenschen onschadelijk te zijn. Dan, daar ons Landelijk Gouvernement agterlijk blijft, om, gelijk in Duitsland, Vrankrijk, Italien en elders de begravingen binnen de Kerken en op Kerkhoven binnen de plaatzen te doen ophouden en naar ruimere begraafplaatsen naar buiten te verwijzen: zo hebbe ik, ten einde mijn stoffelijk overschot ongestoord aan de Aarde kan worden toevertrouwd! en mijne Beenderen in Vrede mogen rusten, voor mij zelve, reeds sinds enige Jaeren, ene Buitenbegraafplaats in een der Smeesweiden en wel in die tegens Smees Hoflanden, doen vervaardigen.
Dit plekje grond, mijn eigendom, wil en begeere ik, dat na mijn overlijden, in zekeren opzigte, door wien ook, ’t zij mijn Erfgenaam of Erfgenamen, of regtverkrijgende, als een Heiligdom zal worden gerespecteert en geëerbiedigt! Verklarende hetzelve bij dezen voor altoos inalienabel en onvervreemdbaar.
En teneinde die Begraafplaats, in die order zo die thans is, of bij mijn overlijden zijn zal in vervolg van tijd voortdurende jaarlijks worde onderhouden, zo atacheer en verbinde ik daaraan (voor en ter goedmaking der kosten van dat onderhoud) dien dach grasmaayens grond, waarin hetzelve gelegen is.
Met welker onderhoud en in orde houding na mijn overlijden, de bewoners of bewoners van ’t op Smees staande woonhuis, zullen zijn en blijven belast ! die ook daarvoor het jaarlijks provenu van dien Dachmaayens-grond of wel het (…), en ’t weiland beiderzijds langs de tot dien dachmaaiens-gehoorende gravens en langs de beek tegen dien grond groeyende weekhout-gewas, onontgeldelijk zal of zullen genieten; tevens met promissie om ’t gras op die Begraafplaats, en ook der daartoe en tot dien dach dachmaayens-gehoorende gravens tweemaal ’s jaars te mogen afsnijden en benuttigen echter met besparing der daar op zijnde
treurwilgen of ander struik- of blomgewassen, als een uitzondering van ’t vorenomschreven weekhout zijnde en bovendien nog het regt om twee koeijen in die weide nadat het gras zal gemaaid zijn, in het Et- of nagras, met de Beesten, door of namens den Eigenaar dier weide daarin gebragt wordende, alsmede onontgeltelijk te mogen inrijven en doen weiden”.
In het verdere deel werd de predikant der Hervormde kerk met het toezicht belast. „Wordende de Predikant of Predikanten der Hervormde Gemeente van Aalten in der tijd uitgenoodigt en dringende verzogt, zig wel met het Oppertoezigt te willen belasten ! Verlenende ten dien einde daaraan de faculteit, om, in val van geen behoorlijk onderhoud en toezigt: zonder enigerhande ruggespraak of kennisgeving, aan temporalen onderhouden of Toezigter die onderhouding met het daaraan en daarvoor geatacheert genot, aan een vlijtiger en meer vigileerend sujet aantevertrouwen !”
Na nog enige verdere bepalingen eindigt deze acte als volgt : „Aldus gedisponeerd en opgemaakt dezen tweden Mei 1800 achttien, cirkende zijne ondertekening, was get.: C. C. Stumph.” Deze burgemeester Stumph, die een paar jaar later overleed, is echter niet de enige, die hier begraven is.
Van een der familieleden, die nog in het bezit is van de oude Bijbel en andere familiepapieren, kregen we hierover de volgende inlichtingen:
Een zuster van burgemeester Stumph, Christina Petronella, geb. in 1786, was gehuwd met een zekere Johan Christiaan Rost, geb. 15-12- 1766. (Deze Rost kwam oorspronkelijk uit Duitsland. Hij woonde op „’t Smees”, dat later verkocht werd aan de heer Slicher van Bath). Deze stierven resp. in 1827 en 1835 en werden ook beiden op „’t Smees” begraven.
Het echtpaar Rost-Stumph had 4 kinderen:
Henriette Willemina Christina Theodora, geb. 21-6-1817 (deze trouwde later met Dr. Servaas van Leuven, de vader van wijlen Dr. Adriaan van Leuven).
Willemina Johanna, geb. 11-6-1819
Louisa Benjamina
Elisa Charlotte, geb. 13.3.1823
Twee van deze kinderen, nl. Willemina Johanna en Elisa Charlotte sterven resp. in 1835 en 1826 en werden ook beiden op ’t „Smees” begraven. Dr. Servaas van Leuven had 10 kinderen. Hij woonde in het pand Bredevoortsestraat, waar nu de Volksslagerij gevestigd is. Van deze 10 kinderen stierven er twee op zeer jeugdige leeftijd en werden ook weer op „’t Smees” begraven. Dit waren:
Johannes Adrianes, geb. 23.3.1839 en overleden 6.4.1840
Karel, geb. 10.1.1861 en overleden 18.8.1862
Dit waren dus twee broertjes van Dr. Adriaan van Leuven.
Met zekerheid is dus bekend, dat op de begraafplaats „’t Smees” 7 personen begraven zijn. Naar we vernemen bestaan er plannen om deze oude grafheuvel, die nu vaak als speelplaats van de jeugd gebruikt wordt, van een omheining te voorzien.
De Landbouw Aalten werd in 1898 opgericht als de Coöperatieve Landbouw Vereniging (CLV). In het jaar van de oprichting ging het de plattelandsbevolking van Aalten slecht. Door zeer zuinig te zijn en sober te leven kon men het hoofd boven water houden. Geld was er bijna niet in omloop zodat de afzet van producten als eieren, boter en varkens plaats had door ruilen tegen kruidenierswaren, veevoer (raapkoeken en lijnzaad) en kunstmest.
De heer A.P. Slicher van Bath werd de voorzitter van de in 1878 opgerichte Onderafdeling van de Gelderse Maatschappij van Landbouw. Het doel van deze vereniging was om alles te doen wat in het belang van de ontwikkeling van de landbouw gedaan kon worden.
Oprichting
Op 22 augustus 1898 werd de Coöperatieve Landbouw Vereniging (CLV) opgericht. H. Navis werd voorzitter, Joh. Obbink secretaris en E. Scheffer penningmeester. Doel was de kracht van onderlinge samenwerking van landbouwers in Aalten en buurtschappen te bevorderen. In de nabijheid van het station Aalten bouwde men vervolgens een loods. In 1900 telde de CLV reeds 123 leden.
De periode 1903-1914 kenmerkte zich door een gestage groei en een toenemende belangstelling van de boeren. Er was sprake van groei en bloei. Er ontstonden filialen in Barlo, Haart, Lintelo (’t Halt), Lintelo (Wisselink), IJzerlo en aan de Molenstraat in Aalten (Klomps). De CLV ging per 1 januari 1964 een bedrijfsmatige samenwerking aan met de Coöperatieve & Verbruiksvereniging Varsseveld in het coöperatieve productiebedrijf AaVaCo.
Fusie
Op 12 december 1967 werd een fusie opgestart met de CLV Dinxperlo-Breedenbroek en de CLV De Volharding te Dinxperlo, waarbij de CLV Varsseveld zich aansloot met ingang van 1968. Daartoe werden de statuten van AaVaCo gewijzigd, waarbij men AaVaCo omdoopte tot de coöperatieve vereniging Verenigde Landbouw Coöperaties ‘Slingeland’. G.A. De ‘Slingeland’ vestiging te Aalten bleef als rayonkantoor.
1993
Opgeblazen
In 1995 kwam er een eind aan het ‘Landbouwtijdperk’ Aalten met het opblazen van de 35 meter hoge, betonnen silo van de Landbouw. Dit gebeurde met een springlading dynamiet. Een spectaculair gebeuren, waar half Aalten voor uitliep. Omdat er woningen in de omgeving van de Landbouw stonden moest men voorzichtig zijn, anders zouden de ruiten van deze woningen sneuvelen.
Het opblazen van de silo verliep niet geheel volgens plan. Het Landbouwcomplex gaf zich niet snel gewonnen. Uiteindelijk werd het met machines gesloopt en verrees hier jaren later de nieuwbouw van Christelijk College Schaersvoorde, locatie Stationsplein.
1995
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1903
I-4948 I-4949
Coöp. Landbouw Vereeniging te Aalten
810 m² bergplaats, pakhuis, bouwland & erf 2.390 m² huis, pakhuis & erf
Aan het begin van de twintigste eeuw groeide de behoefte aan een moderne energievoorziening in Nederland. Tot dan toe waren veel huishoudens en bedrijven afhankelijk van olie- en petroleumlampen voor verlichting en van hout of steenkool voor verwarming en koken. Gasverlichting werd gezien als een grote vooruitgang.
Net als in veel andere plaatsen besloot men in Aalten daarom een gasfabriek te bouwen, waarmee huishoudens, bedrijven en straatverlichting van gas konden worden voorzien. De komst van de fabriek betekende een belangrijke stap in de modernisering van de lokale infrastructuur, maar bracht ook de nodige uitdagingen met zich mee.
Het productieproces
In 1905 werd besloten tot de bouw van een ‘steenkolen-gasfabriek’ in Aalten. Twee jaar later, in 1907, werd deze in gebruik genomen. De fabriek produceerde gas door middel van droge destillatie van steenkool. Dit proces hield in dat steenkool werd verhit in afwezigheid van zuurstof, waardoor gas vrijkwam dat kon worden opgevangen voor distributie.
Het ruwe gas bevatte diverse onzuiverheden, zoals teer, ammoniak en zwavelverbindingen. Deze werden verwijderd via condensatie en chemische zuivering. Het gezuiverde gas werd vervolgens opgeslagen in een grote gashouder en via een netwerk van ondergrondse leidingen naar woningen en bedrijven geleid, waar het werd gebruikt voor verlichting, koken en verwarming.
Aanleg van het gasnet
De aanleg van het gasnet bracht echter de nodige overlast met zich mee. Voor de plaatsing van de leidingen moesten de straten regelmatig worden opengebroken, wat leidde tot veel klachten van inwoners.
Tot eind 1908 klaagde men over de slechte toestand van de wegen en het ongemak dat de werkzaamheden veroorzaakten. Toch werd het gebruik van gas al snel steeds populairder, en groeide de gasfabriek uit tot een belangrijke voorziening binnen de gemeente.
In 1919 nam de gemeente Aalten de gasfabriek over voor een bedrag van ƒ 115.000, plus ƒ 29.602,87 voor de infrastructuur, zoals leidingen en gasmeters.
Gaspenningen
Tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw hadden sommige huishoudens een gasmeter die werkte met speciale gasmuntjes. Dit systeem, bedoeld om betalingsachterstanden te voorkomen, werd ook in Winterswijk gebruikt. De Aaltense gaspenning was een zinken muntje met een waarde van 10 cent. Was het gas op, dan moest men weer een nieuw muntje in de meter stoppen.
Met de komst van de geiser raakte dit systeem in onbruik. De waakvlam van deze apparaten moest continu branden, en dat was niet toegestaan in combinatie met een muntmeter. Rond 1955-1958 verdwenen de gaspenningen volledig, mede door de invoering van het landelijke aardgasnet.
Het einde van de gasfabriek
De ontdekking van de aardgasbel in Slochteren betekende het einde van de lokale gasfabrieken, waaronder die in Aalten. Het gebouw kreeg daarna verschillende tijdelijke functies, zoals een technische school en later een meubelfabriek (Fa. Hervo), tot het pand in 1964 door brand werd verwoest.
Na de sluiting bleek de bodem ernstig vervuild met gevaarlijke stoffen zoals zwavel en cyanide. De sanering van het terrein werd pas tientallen jaren later, in 2009, volledig afgerond.
Gasfabriek Aalten met in het midden de gashouder, ca. 1920Fragment kadastrale kaart, 1908Het Vaderland, 16 augustus 1904Aaltensche Courant, 19 december 1906 (Ormelstraat 382a)Zutphensche Courant, 26 juni 1907Nieuwe Winterswijksche Courant, 7 augustus 1964
Beheer toestemming
Deze website gebruikt cookies voor een optimale ervaring en analyse van bezoekgegevens. Ga je hiermee akkoord? Zonder toestemming werken sommige onderdelen van de site mogelijk minder goed.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door je Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.