AALTEN, 6 mei 1920 – Het was een drukke dag voor de heer G. de Vries, directeur van de plaatselijke boterfabriek. Samen met zijn assistent, de heer Kempink, had hij ƒ 14.094,40 in zakjes afgepast en in de brandkast opgeborgen. Het geld was bedoeld om de melkleveranciers de volgende ochtend te betalen. Aan het eind van de dag verliet De Vries als laatste het kantoor en sloot de deur achter zich. De brandkast stond echter nog open, met de sleutel in het slot.

De volgende ochtend was het geld verdwenen. Alleen aan een touw van een gordijn dat buiten het raam hing was iets van inbraak te merken. De directeur had de deur van het kantoor weliswaar gesloten, maar de ramen, met uitzicht op straat, konden gemakkelijk van buiten opengeschoven worden.

De Nieuwe Aaltensche Courant berichtte op 7 mei over de diefstal: “Uit de brandkast van de Aaltensche Coöp. Zuivelfabriek is den afgeloopen nacht een bedrag van ƒ 14000 gestolen. Op verzoek van de politie deelen we geen nadere bijzonderheden mee.”

Onderzoek

In de maanden die volgden bleef het stil in de media. Op de achtergrond werd echter hard gewerkt aan deze geruchtmakende zaak. De marechaussee te Winterswijk stelde een onderzoek in, en arresteerde enkele verdachten die later weer moesten worden vrijgelaten, wegens gebrek aan bewijs. Daarna werd de zaak nog eens onderzocht door de rijks-, gemeente- en militaire politie, zonder succes. Ook een rijksveldwachter-rechercheur keerde onverrichterzake huiswaarts.

Ten slotte werd de Wachtmeester der Marechaussee Woerts te Zutphen het onderzoek opgedragen. Woerts ging undercover en zwierf in Aalten een tijd als landloper rond, verbleef in een logement en werkte op een fabriek. Na aldus veel informatie te hebben verzameld, ging geheim agent Woerts, Evert Jan Woerts, naar Duitsland en wist het daar zo te schikken, dat hij in een gevangenis werd opgesloten bij een persoon die er meer van wist…

Ook dat leverde veel waardevolle informatie op en dit alles leidde tot de arrestatie van twee verdachten: Gerrit Jan W. (29 jaar, opperman) uit Enschede, voorheen wonende in Aalten, en Hendrikus P. (28 jaar, klompenmaker) uit Aalten.

Gerrit Jan W. uit E.

Verschillende kranten deden verslag van de rechtszaak, die plaatsvond in december 1920 in de rechtbank te Zutphen. Als eerste stond Gerrit Jan W. terecht. Hij verklaarde dat hij en medeverdachte P. door een raam waren binnengeklommen en de zakjes met geld uit de brandkast hadden ontvreemd. Buiten gekomen deden ze de zakjes in een grote juten zak en zijn toen naar W’s huis gegaan, waar ze het geld telden. P. gaf daarvan aan verdachte ƒ 110 en vertrok met de rest van de buit, ongeveer ƒ 14000. P. zou de rest in de “Schaapsche hei” verstoppen (werd hier wellicht de Schaarsheide bedoeld?). De zakjes waarin het geld had gezeten had W. verbrand.

De verdediger mr. C.C. de Jonge wees er op dat verdachte epilepticus is – verdachte kreeg ook een toeval tijdens de verdediging – en verzocht een onderzoek naar diens geestvermogens. Volgens hem was P. in deze zaak de hoofddader en zou W. waarschijnlijk hebben verleid. In elk geval drong hij aan op een lichtere straf.

De Officier van Justitie prees wachtmeester Woerts, door wiens nasporingen en tact van optreden deze verdachte tot bekentenis was gebracht. Volgens hem was gebleken, dat deze beklaagde de minst schuldige was. Daarom kon voor hem de straf lichter zijn en eiste de Officier 1½ jaar gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.

Hendrikus P. uit A.

Hierna stond Hendrikus P. terecht wegens medeplichtigheid in dezelfde zaak. P. ontkende echter alles. Hij verklaarde dat hij die avond niet bij W. is geweest, wel acht dagen tevoren. Voor die bewuste avond had P. een alibi: hij was tussen 10 en 11 thuis geweest en had geslapen. De volgende ochtend was hij naar “Heersen” (?) gefietst. P. hield dan ook vol dat hij niets met de inbraak te maken had en dat W. een heleboel mensen in deze zaak verdacht heeft gemaakt. Ook de vrouw van W. was volgens hem onbetrouwbaar.

Getuige Hendrika Geessink, de vrouw van W. verklaarde dat medeverdachte P. op de avond van 6 mei haar man kwam halen, zeggende: “Gerrit, ga je mee, er is bij de boterfabriek wat te halen”, of iets dergelijks. Haar man had eerst geweigerd, maar nadat P. bleef aandringen is W. uiteindelijk. toch meegegaan. Of het precies kwart over elf was, toen P. kwam en één uur toen ze terugkwamen, dat wist de getuige niet meer precies. Toen ze terugkwamen, lag getuige in bed, doch ze heeft wél geld gezien en ook papieren zakjes. Hoeveel weet zij niet.

Getuige bevestigt dat ze na 6 mei met een auto met de hele familie naar Enschede zijn gegaan. Er is Duits en Nederlands geld bij haar in beslag genomen op 17 september. Zij ontkent dat het 4000 mark zou zijn geweest. Ook schijnt het, dat zij wel voor ƒ 800 allerlei dingen gekocht had na 1 mei. Haar man had haar niet alles verteld, immers: “geen man doet dat!” Op 16 mei had ze 10.000 mark gestort bij een bank in Enschede. Getuige zegt dat dat eerlijk verdiend geld van haar man was.

Het O.M. achtte desondanks bewezen dat P. het meest schuldig was in deze zaak en eiste drie jaar gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. De verdediger echter, bestreed het bewijs; de getuigenverklaringen van de vrouw van W. achtte hij weinig betrouwbaar, maar zelfs al waren zij juist, dan was omtrent de inbraak nog niets bewezen. Voorts wees hij op de grote uitgaven door het gezin W. na 6 mei gedaan. Uit niets zou P.’s schuld zijn gebleken. Aangezien W. voortdurend  op het terrein van de fabriek werkzaam was, lag het meer voor de hand dat W. naar P. zou zijn gegaan om hem te halen. De verdediging vroeg daarom vrijspraak voor P.

Uitspraak

Op 5 januari 1921 veroordeelde de Rechtbank in Zutphen Hendrikus P. tot 2 jaar en Gerrit Jan W. tot 6 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, wegens diefstal door inklimming in de Aaltense boterfabriek.

De verdachten werden opvallend genoeg niet veroordeeld tot terugbetaling van de gestolen geldsom. De boterfabriek draaide dus zelf op voor het verlies. Tweede-Kamerlid Weitkamp vond dat vreemd en heeft daarop de minister van Justitie nog gevraagd of deze bereid was de eigenaars van de boterfabriek “van Rijkwege schadeloos te stellen voor het groot geldelijk nadeel, door hen geleden ten gevolge van eigenaardige opvattingen bij een rechterlijk ambtenaar?

De minister was echter van mening dat “niet gebleken is, dat de eigenaars der gestolen gelden door enig verzuim vanwege de justitiële autoriteiten geldelijk nadeel hebben geleden” en dat er daarom voor hem geen reden was om een schadeloosstelling te overwegen.

Bronnen

  • De Nieuwe Aaltensche Courant, 7 mei 1920 (via delpher.nl)
  • De Telegraaf, 19 november 1920 (via delpher.nl)
  • De Nieuwe Aaltensche Courant, 28 december 1920 (via delpher.nl)
  • Overijsselsch Dagblad, 28 december 1920 (via delpher.nl)
  • Overijsselsch Dagblad, 5 januari 1921 (via delpher.nl)
  • De Nieuwe Aaltensche Courant, 11 februari 1921 (via delpher.nl)
  • Nieuwsblad van het Zuiden, 23 april 1921 (via delpher.nl)
  • wiewaswie.nl

Reacties

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Let op: je reactie wordt openbaar getoond. Vragen, aanvullingen en/of correcties proberen wij zo spoedig mogelijk te verwerken. Daarna worden ze verwijderd, om ‘vervuiling’ te voorkomen. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *