Tjeerd Radsma werd geboren op 20 februari 1772 in Harlingen, als zoon van Hermanus Radsma en Aafke Steffanij. Hij trouwde op 11 augustus 1799 in Meppel met Anna Dina Kniphorst. Na haar overlijden in 1805 hertrouwde Radsma op 6 oktober 1808 in Leeuwarden met Doedtje Nieuwenhuis, die eerder gehuwd was met Heert Jans Kingma.
In 1812 werd Tjeerd Radsma geregistreerd als inwoner van Hempens, bij Leeuwarden. Hij was daar predikant van Hempens en Teerns. Er staat tevens bij vermeld dat hij op dat moment vier kinderen had. Wij wisten er drie te achterhalen, allen uit zijn eerste huwelijk:
Johanna (Hempens, 1800 – Aalten, 1847)
Aafke (Hempens, 1801 – Aalten, 1824)
Anna Dina (Hempens, 1805 – Meppel, 1806)
Naar Aalten
In 1817 kwam Radsma, op 45-jarige leeftijd, als predikant naar Aalten. Vijf jaar later, op 11 augustus 1822, herdacht hij zijn 25-jarig ambtsjubileum. Bij deze gelegenheid hield hij een preek naar aanleiding van 2 Korinthiërs 5:9. De eerste zin van de preek luidde: “Het leven van een ieder levert tijden en dagen op, welke boven andere merkwaardig zijn en aan dezelve feestelijk te gedenken kan – zoo geene menigvuldigheid daarvan den indruk te zeer verslapt – zeer nuttig zijn.”
Tjeerd Radsma overleed op 4 december 1839 in Aalten, op 67-jarige leeftijd. Hij werd begraven op de Oude Begraafplaats aan de Varsseveldsestraatweg. Zijn grafsteen is één van de oudste daar nog aanwezige grafmonumenten. In hetzelfde graf liggen ook zijn weduwe Doedtje, die in 1855 overleed, en haar kleindochter Maria Elizabeth Dodina Bianka Lans, die in 1835 op achtjarige leeftijd stierf. Maria’s moeder was Janke Kingma, een dochter van Doedtje uit haar eerste huwelijk.
Grafsteen Tjeerd Radsma
Tjeerd Radsma & Anna Dina Kniphorst in ondertrouw, 1799Overlijden Ds. Tjeerd Radsma, 4 december 1839
Fouten voorbehouden. Heeft u correcties en/of aanvullende informatie? Reageer dan onderaan deze pagina.
Adriaan Schouten werd op 6 juni 1864 geboren in Raamsdonk. Hij studeerde aan het Chr. Gymnasium te Zetten en vervolgens aan de Vrije Universiteit, waar hij in 1889 kandidaat werd. Op 26 januari 1890 werd hij in Charlois in het ambt bevestigd door Ds. F.P.L.C. van Lingen, rector van het gymnasium in Zetten.
Enkele dagen daarvoor, op 22 januari 1890, was hij in Raamsdonk getrouwd met Johanna Maria Schuurman. Samen zouden zij maar liefst 13 kinderen krijgen, acht jongens en vijf meisjes. Een aantal van hen overleed echter al op jonge leeftijd.
Aanstelling in Aalten
Dominee Schouten verwisselde Charlois in 1892 voor Willemstad, om vervolgens in 1899 naar Rozenburg te vertrekken. Op 13 december 1903 deed hij zijn intrede in Aalten, als opvolger van Ds. A. van Dijken. Hij wist als begaafd prediker in Aalten veel mensen aan zich te binden. Ook speelde hij een belangrijke rol binnen de kerkelijke gemeenschap en daarbuiten.
Het gezin Schouten woonde in de pastorie van de Westerkerk aan de Hogestraat in Aalten. Adriaans vrouw Johanna Maria overleed in 1919, op 52-jarige leeftijd, aan de gevolgen van de Spaanse Griep. Zij werd begraven op de Oude Begraafplaats in Aalten.
Emeritaat
Op 30 april 1930, na zijn veertigjarig ambtsjubileum te hebben gevierd, ging dominee Schouten met pensioen. Hij verhuisde toen naar de Ormelstraat 23, op de hoek met de Hofstraat.
Als emeritus predikant bleef Schouten zeer actief. Zo preekte hij enkele jaren regelmatig in de kleine Gereformeerde kerk in Dinxperlo. En toen deze gemeente voldoende middelen had om een eigen predikant aan te stellen, mocht hij het genoegen smaken dat zijn zoon Johannes Pieter Schouten daar zijn opvolger werd.
Ook in de gereformeerde kerk in Halle heeft Schouten vaak de dienst waargenomen. Hij deed dit met een jeugdig enthousiasme en passie. In Halle werd hij, net als voorheen in Dinxperlo, liefkozend “onze dominee” genoemd.
Maatschappelijk betrokken
In zijn oude gemeente, de kerk van Aalten, bleef Schouten altijd een trouw kerkenraadslid. Hij miste nooit een vergadering en werd als scriba aangesteld, een rol die hij zeer nauwgezet vervulde. Ook als hoofd van het kerkelijk bureau maakte hij zich zeer verdienstelijk. Hij verrichtte al zijn taken met een vitaliteit die zijn inmiddels gevorderde leeftijd niet deed vermoeden.
Toen in 1933 een Geref. Mannenvereniging werd opgericht, wees men hem aan als voorzitter en ook deze arbeid verrichtte hij met grote opgewektheid. Ook interesseerde de “jeugdige grijsaard” zich nog met hart en ziel voor allerlei verenigingswerk, vooral de activiteiten van jeugdverenigingen. Voor hen trad Schouten nog regelmatig op als spreker.
Beth San
Zijn huis aan de Ormelstraat gaf hij de naam ‘Beth San’, wat in het Hebreeuws Huis van Rust, Huis van Vrede betekent. Vanwege zijn inzet voor de ouderenzorg in Aalten, werd later het verzorgingshuis aan de Ludgerstraat ook Beth San genoemd. Sindsdien heet het huis aan de Ormelstraat ‘Klein Beth San’.
Adriaan Schouten verhuisde later naar Culemborg, waar hij in 1954 overleed, 89 jaar oud. Hij werd begraven bij zijn vrouw op de Oude Begraafplaats aan de Varsseveldsestraatweg in Aalten.
Ds. Adriaan Schouten, 1934
Fouten voorbehouden. Heeft u correcties en/of aanvullende informatie? Reageer dan onderaan deze pagina.
Derk Breukelaar werd op 28 december 1814 geboren in Varsseveld als zoon van ‘stoelendraaier’ Wessel Breukelaar en Grada Johanna te Rietstap. Hij trouwde in 1847 in Aalten met Janna Hendrika Pennings (Aalten, 12 november 1825). Uit dit huwelijk werden negen kinderen geboren.
Na de oprichting van de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Aalten in juli 1843, wilde de jonge kerkgemeente een predikant beroepen. Op advies van dominee Brummelkamp werd de jonge Derk Breukelaar uit Varsseveld gevraagd. Hij stemde toe en vertrok naar Ommen om bij ds. A.C. van Raalte (1811-1876) – een van de eerste Afgescheiden predikanten in ons land – zijn studie te volgen.
Predikant in Aalten
Nadat Breukelaar zijn studie achter de rug had, werd hij op 24 september 1846 bevestigd als predikant van de gemeente in Aalten. Dit zou zijn enige gemeente blijven; hij diende er 44 jaar tot zijn emeritaat in 1888. Toen in 1852 ds. Wildenbeest van Varsseveld plotseling was overleden, bracht die gemeente een beroep op hem uit. Aanvankelijk nam hij het aan, maar – zich realiserend dat hij nu de enige Afgescheiden predikant in de Achterhoek was – bedankte hij alsnog en bleef aan de kerk van Aalten verbonden, al werkte hij ook veel in de omgeving.
’t Grotenhuis
Breukelaar woonde met zijn gezin in het boerderijtje ’t Grotenhuis, aan de huidige Hessenweg net buiten het dorp. Hier verbouwde hij zelf voedsel om zijn bescheiden traktement van ƒ 225 aan te vullen, dat later opliep tot ƒ 600 per jaar. Gemeenteleden droegen ook bij in natura door voedsel, zoals vlees en aardappelen, aan huis te brengen. In ’t Grotenhuis werden ook catechisaties gehouden, omdat daarvoor in de kerk geen ruimte was. In drukke tijden, zoals tijdens de oogst, nam zijn vrouw de catechisaties over.
Evangelisatie en jongerenwerk
Het evangelisatiewerk lag de predikant na aan het hart. Dat was de reden dat Derk Breukelaar het initiatief nam tot het oprichten van verschillende zondagsscholen, waarmee hij niet alleen de kinderen, maar ook hun ouders bereikte. Voor kinderen in de omliggende buurtschappen werd de zondagsschool bij iemand thuis op een boerderij gehouden, zodat de kinderen niet helemaal naar het dorp hoefden te gaan. Later, ruim na Breukelaars dood, zouden in de buurtschappen van Aalten diverse zondagsschoolgebouwtjes worden opgericht.
In 1868 richtte Breukelaar de Gereformeerde Jongelingsvereeniging „Uw Koninkrijk kome” op.
Moeilijke jaren en waardering
Eind jaren ’70 van de negentiende eeuw waren voor de predikant niet de makkelijkste jaren. In 1876 overleed zijn vrouw, en enkele jaren later raakte hij betrokken bij de schoolstrijd in Aalten als voorzitter van het schoolbestuur.
Toch ontving Breukelaar veel waardering. Bij zijn veertigjarig ambtsjubileum in 1886 kreeg hij van zijn gemeente een Statenbijbel op een mooi bewerkte houten lessenaar cadeau. Op de classis kreeg hij ter gelegenheid van hetzelfde heuglijke feit een gravure aangeboden, ‘Golgotha voorstellende’. En toen hij in 1888 met emeritaat ging, gaven zijn catechisanten hem een theeservies en een gebakstel cadeau.
Overlijden en nalatenschap
Dominee Breukelaar overleed op 10 januari 1891 op 76-jarige leeftijd in Aalten. Hij werd begraven op de Oude Begraafplaats aan de Varsseveldsestraatweg. De kerkenraad eerde hem met een grafmonument. Het tegenwoordig nog nauwelijks leesbare opschrift op de grafsteen is opmerkelijk vanwege het merkwaardige gebruik van de kerknaam ‘Christelijke Afgescheidene Gemeente’ (in plaats van ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente’).
Drie van zijn zonen traden in zijn voetsporen en werden ook predikant: Gerrit Jan, Willem en Johannes. De laatste wordt wel beschouwd als de grondlegger van het christelijk onderwijs in Aalten. In juni 1918 opent hij zelf de naar hem vernoemde Breukelaarschool aan de Piet Heinstraat.
Fouten voorbehouden. Heeft u correcties en/of aanvullende informatie? Reageer dan onderaan deze pagina.
Johannes Hendrik Frederik Gangel werd geboren op 7 december 1839 in Appeltern als zoon van Bernardus Gangel, schoolonderwijzer van beroep en Christina Leemhorst. Hij studeerde theologie aan de Universiteit van Utrecht. In 1879 werd Gangel beroepen als predikant van de Nederlands Hervormde kerk in Aalten.
Hij volgde de vrijzinnige ds. Klinkenberg op. De verhoudingen tussen de beide predikanten van Aalten, ds. Gangel en de vrijzinnige ds. C.F.S. Pape, werden al spoedig beschadigd. Pape had een waarnemer benoemd om zijn catechisaties te geven omdat hij zelf ziek was. De regels gaven echter de kerkenraad die bevoegdheid. Ds. Gangel en de kerkenraad hadden ongetwijfeld een rechtzinnige waarnemer willen benoemen.
In Aalten werd Gangel al snel een geliefd figuur. Hij was zeer betrokken bij zijn gemeente en wist op een heldere en inspirerende manier te preken. Gangel was in zijn tijd een progressieve predikant die streefde naar vernieuwing binnen de kerk. Hij was voorstander van moderne bijbelkritiek en wilde dat de kerk zich meer zou richten op het dagelijks leven van de gelovigen. Ook was hij een groot voorstander van het gebruik van het Nederlands in de kerk, in plaats van het Latijn of het dialect dat in sommige gemeenten nog werd gebruikt.
In Aalten was Gangel zeer actief in het verenigingsleven. Zo was hij oprichter van een zangvereniging en een toneelvereniging. Ook was hij betrokken bij het onderwijs en zette hij zich in voor de oprichting van een christelijke school.
Gangel was niet alleen actief binnen de kerkelijke gemeenschap, maar ook daarbuiten. Zo was hij betrokken bij de oprichting van een ziekenfonds en de oprichting van een afdeling van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. Hij was daarnaast lid van de gemeenteraad en vervulde diverse andere maatschappelijke functies.
Hoewel Gangel een geliefd predikant was in Aalten, kreeg hij in de loop der jaren te maken met diverse conflicten. Zo had hij aanvankelijk moeite om zich aan te passen aan de conservatieve en orthodoxe gemeente van Aalten. Het duurde dan ook even voordat hij hier zijn draai kon vinden.
Fouten voorbehouden. Heeft u correcties en/of aanvullende informatie? Reageer dan onderaan deze pagina.
De schoolkwestie
Een volgend conflict ontstond toen (de overigens niet altijd even tactische) ds. Gangel een vertegenwoordiger van de Unie School en Evangelie in de hervormde kerk een lezing wilde laten houden over het belang van het christelijk onderwijs. De kerkvoogden weigerden echter daarvoor toestemming te geven. Ruim zestig gemeenteleden, onder wie ds. Pape, waren het met de kerkvoogden roerend eens en lieten dat ook in een schrijven duidelijk blijken: ze hadden ‘met verontwaardiging’ gehoord van het plan van ds. Gangel en gaven blijk van hun ‘volle sympathie’ voor het besluit van de kerkvoogden, ‘het gedrag van genoemden predikant ten hoogste afkeurend’. De Christelijke Gereformeerde (c.q. Afgescheiden) Gemeente gaf echter wél toestemming om de lezing in haar kerkgebouw te houden. Gangels houding t.o.v. de christelijke school zorgde er overigens voor dat de School met den Bijbel in Aalten er veel leerlingen bij kreeg.
Het schoolbestuur nodigde de hervormde leden echter niet uit wanneer er een bestuursverkiezing gehouden werd. Het bestuur wilde namelijk ‘de beginselen zuiver houden’, en wilde voorkomen dat er teveel hervormde invloed zou komen. Ds. Gangel was het daarmee natuurlijk niet eens en protesteerde, niet zonder enige drift. Ook een tweede vergadering was voor hen niet toegankelijk. Dat leidde tot een stevig conflict, zowel met ds. Breukelaar, voorzitter van het schoolbestuur, als met de Christelijke ‘Afgescheidene’ Gemeente, zoals de Christelijke Gereformeerden zich nog steeds noemden. Ook schoolhoofd Siebel vertrok naar de opgerichte hervormde lagere school.
De Doleantie
Intussen was de strijd tegen de vrijzinnigheid en tegen de macht van de kerkelijke besturen in hervormd Amsterdam tot een uitbarsting gekomen. De meerderheid van de kerkenraad was namelijk door de kerkelijke besturen geschorst, waarop dezen op 16 december 1886 de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) oprichtten, onder leiding van vooral (onder meer) dr. A. Kuyper (1837-1920), zelf een van de geschorste ouderlingen.
In de hervormde gemeente te Aalten was ook de sfeer tussen ds. Gangel en zijn vrijzinnige collega ds. Van Oostrom-Soede, te snijden. Van Oostrom Soede kwam al enige tijd niet meer op de kerkenraad, en zijn vrouw wilde de beschuldiging die zij tegen ds. Gangel had uitgesproken niet terugnemen (ds. Gangel was volgens haar ‘het gemeenste sujet van de wereld’). Ze mocht daarom niet meer aan het avondmaal deelnemen. Verscheidene conflicten tussen beide predikanten maakten de sfeer er niet beter op. De gemeente merkte dat natuurlijk ook en daar ontstonden twee groepen van aanhangers (de Ganglianen en de Soedenezen). De liberale kranten schreven met welbehagen over de kerkelijke onrust in Aalten.
Op 15 februari 1887 besloot de Aaltense kerkenraad in Doleantie te gaan, door zich te onttrekken aan de hervormde kerkelijke besturen. Drie kerkenraadsleden hadden op die vergadering laten weten dat zij “zich met smart genoodzaakt voelen het ambt neer te leggen”. De kerkenraad hakte toen de knoop door. Het besluit werd in een officiële kerkenraadsacte vastgelegd. In tegenstelling tot ds. Gangel had ds. Van Oostrom-Soede de kerkenraad meegedeeld niet met de Doleantie mee te gaan. De eerste zondag na het Doleantiebesluit verliep rustig en konden de Dolerenden gewoon van het hervormde kerkgebouw gebruik maken.
Een onrustige zondag…
Op zondag 6 maart 1887 verliepen de gebeurtenissen echter minder geruisloos. De hervormde classis had ds. Bergsma opdracht gegeven in de hervormde kerk van Aalten te preken; ds. Gangel was echter ook van plan de kerkdienst in die kerk te leiden. Zodra kerkvoogd G.J. Lammers de kerkdeuren had geopend renden aanhangers van beide predikanten de kerk in om de kansel te veroveren. “Een pootige Soediaan [volgens de Dolerende kerkenraad omgekocht door huisvrienden van ds. Oostrom-Soede] bezet de verheven domineesplaats, en van allerlei posteert zich op of bij de trap, dringt, stompt en krabbelt als soms op de Amsterdamse Beurs”, schreef een krant.
De Dolerende kerkenraad notuleerde: “Treurig was daarbij de houding van den Burgemeester Hora Adema die bij die worsteling juist de kerk voorbij ging en niets deed om het te verhinderen, evenmin toen hij vijf minuten later door kerkvoogden geroepen, het tieren en vloeken bij den kansel aanschouwde en hoorde en weigerde het volk tot rede te brengen, waarop kerkvoogden hem verzochten de kerk te doen ontruimen”.
De kerkenraad besloot de volgende zondag geen dienst te houden omdat E. van Eerden, een medestander van ds. Oostrom-Soede, had gedreigd ds. Gangel te zullen doodschieten zodra hij op de preekstoel zou staan.
Kerkvoogd G.J. Lammers (foto: ‘Een kerk in de lens’).
Ds. Gangel naar de autoriteiten
Terwijl tegenstanders van ds. Gangel met zakken vol stenen zich op het station hadden verzameld toen ze hoorden dat hij ’s avonds zou terugkomen van zijn treinreis naar de commissaris van de koning, reed de predikant echter – samen met ouderling W. te Gussinklo – door naar Den Haag, om daar met de minister van justitie te spreken, Baron Du Tour van Bellinchave.
Toen ds. Gangel ’s avonds dus niet met de trein in Aalten terugkwam liepen de teleurgestelde aspirant-stenengooiers naar de pastorie in de Hoekstraat, waar ze schreeuwden: “Hop, hop, hop, hang Gangel en de Ganglianen op“. Uiteindelijk moest ds. Gangel natuurlijk toch weer naar huis, maar ds. Van Dorsen van Varsseveld waarschuwde hem voor de zekerheid voor het gevaar dat dreigde.
Om half twee ’s nachts kwam de predikant in Aalten aan, maar omdat niemand hem wilde rijden liep hij naar de pastorie, begeleid door een zeventigtal geestverwante boeren uit de Aaltense buurt Lintelo, met stokken gewapend.
De zondag daarna bleef de kerk dicht; ze werd door soldaten bewaakt, evenals de hervormde pastorie. Zaterdag waren namelijk vijftien huzaren en veertig infanteristen in Aalten gearriveerd om de orde te handhaven. Dat verhinderde echter verdere ongeregeldheden niet. De burgemeester had voor de zekerheid de cafés gesloten.
Een noodkerk
Intussen was de kerkenraad aan de slag gegaan met de bouw van een houten noodkerk aan de Varsseveldsestraatweg (de ‘Plankenkerk’). Architect Van de Wilk had de bouwplannen gemaakt voor de ‘loodblauw geverfde keet met een inderdaad sober doleerend voorkomen’. Een avondmaalsstel en een doopstel werden aangeschaft en op 1 mei 1887 kon het gebouw in gebruik genomen worden. De preek ging over 1 Koningen 18 vers 21: “Toen naderde Elía tot het ganse volk en zeide: Hoelang hinkt gij op twee gedachten? Zo de HEERE God is, volgt Hem na, en zo het Baäl is, volgt hem na. Maar het volk antwoordde hem niet één woord“. Vierentwintig jongelui deden toen belijdenis en ’s middags werden zes kinderen gedoopt.
Om de kerkelijke gegevens veilig te stellen schreef ds. Gangel de lidmatenboeken vanaf 1816 tot de Doleantie over, en bovendien kopieerde hij de notulen van de kerkenraad vanaf de vergadering waar besloten werd in Doleantie te gaan. De reden daarvan was dat men bang was dat op bevel van de rechter die boeken te eniger tijd zouden moeten worden teruggegeven. Dat gebeurde uiteindelijk in de zomer van 1888. Ook de hervormde pastorie moest toen worden teruggegeven op bevel van de rechtbank. In de Hogestraat werd in 1888 daarom een nieuwe pastorie gebouwd. De bouw ervan kostte fl. 5.100.
Onenigheid over de kerkbouw en over meer
Allerlei meningsverschillen en conflicten maakten het Dolerende kerkelijk leven er in de eerste jaren niet aangenamer op. Zo wilde ds. Gangel graag van de Plankenkerk af en een stenen kerk bouwen. Dat zou volgens hem kunnen worden gefinancierd door de zitplaatsen in de nieuwe kerk te verhuren, zoals op veel andere plaatsen ook het geval was. Daarmee konden volgens hem rente en aflossing betaald worden. De kerkvoogden vonden echter dat er beter ‘een vrijwillige jaarlijkse inschrijving kon worden gehouden voor de kosten van de eeredienst’. Ds. Gangel vreesde dat dit veel te lang ging duren terwijl de Plankenkerk ongerieflijk was: ’s zomers heet, ’s winters ijskoud. Het bleef wrijven.
Ds. Gangel vond het nodig dat ook de ouderlingen het huisbezoek op zich zouden nemen. Maar dezen vonden dat het veel te veel tijd zou nemen om de intussen 1.700 leden tellende gemeente geestelijk te verzorgen. Men had de gemeente in vier wijken verdeeld: Dale en Barlo, IJzerlo en Heurne, Aalten en Haart en een wijk voor Lintelo, elk met twee ouderlingen.
De classis komt er bij
De verhoudingen in de Dolerende kerkenraad werden er ondertussen niet beter op. Tijdens een weekdienst op een woensdagavond had ouderling De Wijn voor opschudding gezorgd ‘door de ongehoorde openlijke verguizing’ van vermoedelijk de predikant. De Nieuwe Rotterdamsche Courant berichtte er over en ook de classis was uiteraard op de hoogte van de conflicten. Deze stuurde daarom een commissie naar Aalten die onder leiding stond van ds. J.C. van Schelven (1854-1904) te Dieren om een onderzoek in te stellen. Toen bleek dat ook ouderling Lammers het niet erg goed met de predikant kon vinden: “De gerezen onaangenaamheden hadden haar ontstaan de danken aan het drijven van ds. Gangel om in plaats van de houten noodkerk een stenen kerk te bouwen”. Ouderling Wijn bracht nog ter tafel dat ds. Gangel een ernstig ziek gemeentelid willens en wetens niet had bezocht.
Ds. Gangel hield zich uiteraard ook niet stil en wees er op dat hij heel veel extra werk heeft moeten doen. De hele correspondentie met betrekking tot de rechtszaken na de Doleantie moest door hem verzorgd worden. Bovendien had hij te maken met veel werk voor de school, voor het Suppletiefonds (waaruit het schoolgeld voor kinderen van behoeftige gemeenteleden betaald werd), de Jongelingsvereniging en de zondagsscholen, zodat hij veel slaaptekort had opgelopen.
Ds. Van Schelven drong op verzoening aan. Uiteindelijk sloten Gangel en Lammers vrede, maar De Wijn wilde de hele zaak aan de manslidmaten voorleggen, al werd later ook vrede met hem gesloten door bemiddeling van ds. P.C. Koster (1857-1929) van Velp. Ds. Gangel vond zijn werksfeer zo langzamerhand ondraaglijk worden en wilde zich in Velp vestigen, ‘omdat mijn werk afgezien van de verzoening, hier onmogelijk gemaakt is’. Toch trok hij dat besluit in februari 1889 weer in omdat hij ‘na zwaren strijd voor zich zelven, bezweken is voor de aandrang van zoovele leden der gemeente op hem uitgeoefend’. Twee kerkenraadsleden bezochten hem en zeiden blij te zijn met zijn beslissing. De anderen zwegen in alle talen.
Preeklezen en notulen schrijven
Een andere oorzaak van de onenigheid tussen kerkenraad en predikant betrof het ‘preeklezen’ door ouderlingen bij afwezigheid van de predikant. Ouderling Lammers had op zekere dag dienst en kon een keuze maken uit een aantal preken die ds. Gangel aan hem overhandigd had. Hij wilde zich daartoe echter niet lenen en verkoos ‘zelf maar een woordje te spreken’ en verklaarde tussen neus en lippen door tegelijk ook even tegen het ‘preeklezen’ te zijn. De predikant bleef niets anders over dan mee te delen dat als er geen preeklezers waren hij zou moeten zorgen de zondagse dienst bij zijn afwezigheid niet te laten doorgaan.
Ook het opstellen van de notulen bleek oorzaak van verwijdering. Ds. Gangel had tot nog toe de notulen altijd geschreven en deed daarin uitvoerig kond van alle onaangenaamheden die in de kerkenraad voorvielen. Dat wekte wrevel bij anderen in de kerkenraad. Vandaar dat ouderling W. te Gussinklo benoemd werd tot scriba. Deze moest echter zijn functie weer aan de predikant overdragen, omdat hij sommige zaken naar eigen zeggen ‘opzettelijk had weggelaten’.
Ds. J.H.F. Gangel (1839-1908) op iets oudere leeftijd.
De bouw van de Westerkerk (1891)
In maart 1891 werd tijdens de manslidmatenvergadering rondvraag gedaan over de wens om een stenen kerk te bouwen en de Plankenkerk daarmee te kunnen sluiten. De stemming liet zien dat er vierennegentig voorstanders, dertig tegenstanders en twaalf blanco stemmers waren. De bouw ging dus door. De plaats was bepaald naast de nieuwe pastorie aan de Hogestraat. Niet het hele bedrag kon direct op tafel komen, dus werd een lening van fl. 15.000 afgesloten. De bouw verliep zeer voorspoedig, want al in hetzelfde jaar was de kerk gereed. Gemeenteleden hielden een rondgang om geld in te zamelen voor een luidklok. Ook kwam er een gedenksteen ter waarde van fl. 40. Die kon deels betaald worden van het restant van het geld voor de luidklok (fl. 15); ds. Gangel betaalde de resterende fl. 25.
Op ‘een woensdag in februari 1892’ werd de kerk in gebruik genomen. Ook de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Gemeente was uitgenodigd en aanwezig. Intussen waren de huurprijzen bepaald van de zitplaatsen in de nieuwe kerk. De duurste plaatsen kostten fl. 5, de prijs van de ‘middenklasse’ zitplaatsen bedroeg fl. 3,50 en de goedkoopste kostten fl. 2. “Aan de armen en minvermogenden werd een plaats van fl. 5 aangeboden, midden in kerk!”
De kerk was voorzien van een zeshoekige preekstoel die op een centrale pilaar rustte. Aanvankelijk was er geen galerij in de kerk; die werd in latere jaren gebouwd. Wel was er een orgel, dat voorin de kerk stond, maar in 1898 zo slecht geworden was dat een commissie zich bezon op de aanschaf van een nieuw instrument. Toch vond de kerkenraad – de plannen ziende – het niet echt noodzakelijk, maar gaf uiteindelijk toch toestemming fl. 1.500 bij elkaar te halen onder voorwaarde dat de behoeftige gemeenteleden ontzien zouden worden bij de rondgang door de gemeente.
Een jaar sparen leverde het benodigde geld op. De kerkenraad besloot dat het orgel geplaatst zou worden ‘op een plaats waardoor het orgel het minste licht wegneemt’, en dat was boven de preekstoel, waarvan de pilaar iets moest worden ingekort.
Kerk A en Kerk B (17 juni 1892 tot 1 januari 1909)
Zoals al eerder aangegeven was in 1892 de landelijke ‘Vereniging’ tot stand gekomen van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken, respectievelijk afkomstig uit Afscheiding en Doleantie. De beide kerken gingen per 17 juni 1892 samen verder als De Gereformeerde Kerken in Nederland.
De synodes hadden afgesproken dat in plaatsen waar de vereniging tussen de twee kerken niet zomaar voor elkaar was, beide kerken tóch Gereformeerde Kerk zouden heten. De oudste van de twee – meestal de Christelijke Gereformeerde Gemeente – zou een ‘A’ achter de kerknaam plakken; de jongste – meestal de Nederduitsche Gereformeerde Kerk – een ‘B’. Vanaf 17 juni 1892 bestonden in Aalten dus twee (geheel zelfstandige) Gereformeerde Kerken: De Gereformeerde Kerk te Aalten A (de vroegere Christelijke Gereformeerde Gemeente) en De Gereformeerde Kerk te Aalten B (de Dolerende kerk).
Het kerkgebouw van Kerk A gezien van de achterkant met de consistorie.
De samensprekingen in de ijskast
Ook in Aalten zouden beide kerken met elkaar in gesprek moeten gaan om te trachten tot eenheid te komen. Zo nu en dan werden gecombineerde kerkenraadsvergaderingen gehouden. Maar vooral in Kerk A bestond bezwaar tegen de ‘Vereniging’ van beide gemeenten. De meerderheid van de leden van Kerk A was tegen, ook tegen het houden van gecombineerde kerkenraadsvergaderingen. Verder wilde men in Kerk A niet dat ouderlingen van beide kerken samen huisbezoek deden. Besloten werd de zaak van de ineensmelting vooralsnog te laten rusten.
Voor kerkenraad A was een belangrijk punt om met de ineensmelting rustig aan te doen de vrees dat in eigen gelederen een scheuring zou ontstaan. Wat zouden de tegenstanders van ineensmelting doen als beide kerkenraden zouden besluiten samen te gaan? De voorbeelden waren elders in het land te zien. Zo hadden twee christelijke gereformeerde predikanten op hun synode een bezwaarschrift ingediend tegen de ‘Vereniging’ en hadden – toen de ‘Vereniging’ toch doorging – de ‘voortgezette’ Christelijke Gereformeerde Kerk gesticht.
En zo hadden bijvoorbeeld in het Friese Suawoude de kerkenraad en de gemeente zich onder leiding van hun ds. J.W. Draijer (1851-1894) in 1893 zich losgemaakt van de Gereformeerde Kerken ‘om te blijven wat wij waren, namelijk christelijk gereformeerd’. Voor zoiets was men ook in Aalten bang. Dat remde ongetwijfeld het tot stand komen van de eenwording van beide kerken.
Anderhalf jaar nadat kerkenraad A de samensprekingen in de ijskast had gestopt, vroeg kerkenraad B in een brief of kerkenraad A de ineensmelting van beide gemeenten eigenlijk wel wilde. En zo ja, wat deed de kerkenraad dan allemaal om tot samengaan te komen? Of was de kerkenraad misschien bang voor een scheuring in eigen gelederen? Kerkenraad A antwoordde toen dat de meerderheid van de kerkenraad intussen weliswaar voor samengaan was, maar dat wilde niet zeggen dat het dan ook meteen kon doorgaan. Kerkenraad A schreef niets over de houding van veel van de eigen gemeenteleden…
Dat vond kerkenraad B jammer. Hij besloot de weekgodsdienstoefeningen – zo’n beetje het enige dat gezamenlijk gedaan werd – stop te zetten. En dat vond kerkenraad A weer jammer.
Ds. Gangel vertrekt
Ds. Gangel vertrok in 1895 naar de Gereformeerde Kerk te Rijswijk (Z.H.), na op 28 april afscheid genomen te hebben van de gemeente te Aalten. Het jaar daarop al werd hij gereformeerd predikant te Voorst, maar in 1900 ging hij van de Gereformeerde Kerken ‘terug’ naar de Nederlandse Hervormde Kerk. Hij overleed op 27 juli 1908 in Arnhem.
NH predikant, theoloog, bijbelvertaler en hofprediker
Herman Theodorus Obbink werd op 23 januari 1869 geboren op boerderij de Rikkert in de Aaltense buurtschap Heurne. Hij was een tweelingbroer van Johan Obbink, o.a. medeoprichter van de Zuivelfabriek en ‘de Landbouw’ in Aalten.
Op 16-09-1889 vertrok Herman, 20 jaar oud, naar Doetinchem, en woonde daar aan de Burg. van Nispenstraat (link). Daar stond de Latijnse school (later Stedelijk Gymnasium / Gemeentelijk Lyceum).
Op 20 september 1892 vertrok hij uit Doetinchem naar Utrecht, waar hij studeerde aan de Universiteit Utrecht. Vervolgens stond hij als predikant in Hoogersmilde, Kamperveen, Middelburg en Den Haag. Op 2 december 1901 promoveerde hij te Utrecht op “De heilige oorlog volgens den Koran”.
Op 20 april 1897 trouwde hij met Jantine Gérardine ten Cate (1874-1949). Het echtpaar kreeg drie zonen.
Hoogleraar
In 1910 volgde zijn benoeming tot hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam met de leeropdracht “Algemene godsdienstgeschiedenis en de geschiedenis van de israëlietische godsdienst”. Zijn oratie was getiteld “De beteekenis van Egypte en Babylonië in de oude religieuze denkwereld”.
In 1913 werd hij benoemd tot hoogleraar Theologie en Godsdienstgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Zijn oratie was getiteld “Over Oud-Aegyptische voorstellingen aangaande dood en leven”. De onderwerpen van beide oraties reflecteren zijn interesse in de Egyptische en Babylonisch-Assyrische wereld, die hij altijd in connectie met het Oude Testament heeft bestudeerd. Aan de Universiteit Utrecht gaf hij ook taalcolleges Assyrisch en Oudegyptisch.
Bijbelvertaler en hofprediker
In 1924 verscheen Obbinks vertaling van het Oude Testament. Deze werd in 1927 aangevuld met een vertaling van het Nieuwe Testament door zijn collega Annéus Marinus Brouwer (1875-1948). De vertaling, de “Utrechtse vertaling“, wordt meestal “Obbink en Brouwer” genoemd. Hij was rector van de Universiteit Utrecht in 1928/1929. In 1939 ging hij met emeritaat; zijn zoon Hendrik Willem Obbink volgde hem op.
Van 1929 tot 1947 was Obbink hofprediker. In die hoedanigheid ging hij in 1937 voor in de inzegening van het huwelijk van koningin Juliana en prins Bernhard. Ook doopte hij prinses Beatrix, leidde hij de begrafenis van koningin Emma en van prins Hendrik, de man van koningin Wilhelmina (bron).
Jan Derk Stegeman werd op 26 juli 1875 geboren in Dedemsvaart, zoon van godsdienstonderwijzer Frederik Stegeman en Janna Harmina te Winkel. Hij bezocht het gemeentelijk gymnasium te Doetinchem en studeerde vervolgens eerst een jaar aan de Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam en daarna nog enkele jaren aan de Rijksuniversiteit te Utrecht.
Nadat Stegeman in mei 1899 door het provinciaal kerkbestuur van Friesland was toegelaten tot de evangeliebediening in de Nederlandse Hervormde Kerk werd hij op 3 september van datzelfde jaar door ds. J.C. van Hoeve, predikant te Schoonebeek, bevestigd als predikant van de hervormde gemeente van Nieuw Amsterdam.
Aalten
Op 24 augustus 1899 trouwde Jan Derk Stegeman in Den Haag met Hendrika van Dorp (Zoetermeer, 24-10-1873). Samen kregen zij zes kinderen. In 1913 kwam hij als predikant van de hervormde gemeente naar Aalten. Vanaf 1920 zette hij zich in voor de hervormde school, van 1920 tot 1946 als voorzitter van het bestuur. Hij woonde in de hervormde pastorie aan de Whemerstraat.
Dominee Stegeman stond bekend als een zeer geestige en markante persoonlijkheid. De verstandhouding met zijn collega’s, die hem ‘de bisschop’ noemden, was zeer goed. In september 1929 vierde hij zijn 30-jarig, en in 1964 zijn 65-jarig ambtsjubileum, een jaar voordat hij 90 werd! In 1955 werd de hervormde school aan de Varsseveldsestraatweg naar hem vernoemd, de ‘Ds. Stegemanschool‘.
Emeritaat
Na zijn emeritaat bleef Stegeman op vele terreinen actief, bijvoorbeeld in de vorm van huisbezoek bij oudere mensen, drankbestrijding en ziekenverpleging. Ook vervulde hij tal van preekbeurten. Hij was vele jaren penningmeester van de classicale zendingsvereniging in de classis Zutphen, secretaris van het bestuur van de Julianaschool, bestuurslid van de Breukelaarschool en ook bestuurslid van de Aaltense afdeling van het Nederlands Bijbelgenootschap.
Stegeman was bovendien een zeer actief lid van de redactie van weekblad ‘De Wachter’ en van zijn hand verschenen de boeken ‘Aan mijne gemeente’ (uitgeverij Gebr. De Boer, 1938) en ‘Van rijke dingen’ (uitgeverij De Graafschap, 1941).
Cornelis (Cor) Gros werd op 28 april 1933 geboren in Den Haag, als zoon van politieagent Jacob Gros en Nieske Poortinga. Na de ULO-school te hebben doorlopen, begon hij zijn loopbaan bij het ministerie van Financiën. In de avonduren studeerde hij voor het diploma gymnasium A. Zijn verdere opleiding genoot hij aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Op 10 december 1961 deed ds. Gros zijn intrede als predikant in Woudsend.
Vanaf 8 mei 1966 was Gros verbonden aan de Gereformeerde Kerk van Aalten. Hier diende hij 32 jaar lang tot zijn emeritaat (pensioen) in 1998. Eind april van dat jaar ontving hij een Koninklijke onderscheiding van burgemeester Bouwers van Aalten.
In een interview met regionaal weekblad Achterhoek Nieuws, gepubliceerd op 22 april 1998, deelde Gros zijn ervaringen: „Ik heb beslist bepaalde verwachtingen gehad. Maar wat het werkelijk betekent om predikant te zijn, weet je pas wanneer je het bent. Het kan tegenvallen. Het kan echter ook, zoals in mijn geval, nog mooier zijn dan je had verwacht.”
Dat Gros predikant werd, is min of meer te danken aan de boeiende manier waarop Cor Bruijn in het boek Sil de Strandjutter het leven op een eiland beschrijft. „Als jongetje van een jaar of tien las ik Sil de Strandjutter en ik dacht bij mezelf: hoe kom ik op zo’n eiland”, vertelde Gros. „Er waren drie mogelijkheden: als predikant, als arts of als onderwijzer. Ik wist al snel, dat het predikant zou worden.”
In 1966 verhuisde hij met zijn gezin naar Aalten, waar hij predikant werd van de wijk noord-west en dat altijd is gebleven. „Ik ben geen man die als een vlo door de kerken springt”, vertelt Gros. „En in Aalten beviel het mij en mijn gezin zo goed, dat ik er niet meer weg wilde. De Aaltenaren zijn een goed volk. Ik ervaar ze als onvoorstelbaar hartelijk. En ze weten ook afstand te bewaren, zodat ik nooit het gevoel heb gehad dat ik werd geleefd.”
Gros genoot het meest van de omgang met de mensen in zijn wijk. „Mijn leven stond in het teken daarvan”, vertelde hij. „Ik wilde er voor ze zijn wanneer ze me nodig hadden en in die situaties in alle bescheidenheid iets voor ze mogen betekenen. De ervaring heeft geleerd, dat mijn aanwezigheid vooral in verdrietige situaties gewenst was. Ik probeerde met de mensen mee te leven, veel te luisteren en soms te spreken. Het pastoraat is voor het grootste deel luisteren. Ik heb mijn werk altijd met voldoening gedaan. Het vertrouwen en de dankbaarheid die de mensen mij gaven, waren onvoorstelbaar groot.”
Gros bekleedde tal van kerkelijke functies op classicaal, provinciaal en landelijk niveau. Zo was hij onder andere voorzitter van de Synode van Gelderland en van de Deputaten Geestelijke Verzorging Buitenland. Na zijn emeritaat was hij vele jaren bestuurslid van de lokale omroep De Lindeboom, waar hij ook enkele programma’s presenteerde.
De laatste maanden van zijn leven woonde Gros aan de Geurdenstraat in Aalten. Op 21 augustus 2011 overleed hij op 78-jarige leeftijd. De dienst van Woord en gebed, voorafgaand aan zijn begrafenis, vond plaats in de Oosterkerk. Cor Gros werd begraven op begraafplaats Berkenhove.
Fouten voorbehouden. Heeft u correcties en/of aanvullende informatie? Reageer dan onderaan deze pagina.
Pastoor Christianus Franciscus Bonifatius van Rooijen (1876-1945) was een geliefd persoon. Niet alleen bij zijn parochianen, maar ook bij de Joodse inwoners dwong hij veel respect af. Als hij tijdens zijn wandelingen met zijn trouwe herdershond Frits Joodse medeburgers tegenkwam nam hij zijn hoed af en bracht met een lichte buiging zijn groet.
Bombardement
Op zondagmiddag 28 januari 1945 zijn er veel mensen in de R.K. kerk aanwezig tijdens het Lof. Plotseling breken er een aantal Jabo’s (geallieerde jachtbommenwerpers) door het wolkendek en laten hun bommenlast vallen. Op de Kemena, de Admiraal de Ruijterstraat en Stationsstraat blijft het bij materiële schade.
Bij de R.K. kerk zijn de gevolgen groter. Er valt een bom voor de kerk en één op de pastorie. De paniek slaat toe en door de luchtdruk storten beelden uit de nissen en storten muren in.
Maar de kerkgangers komen, zij het onder de stof en menigeen onder blauwe plekken en schaafwonden, met de schrik vrij. Voor de hoofdingang van de kerk is een enorme bomkrater. Doch de bom die is ingeslagen op de pastorie heeft ernstiger gevolgen.
De huishoudster van de pastoor, de 57 jarige Johanna Maria Klein Rouweler, is zwaargewond en overlijdt enkele dagen later in het noodziekenhuis te Harreveld. Ook pastoor Van Rooijen vindt de dood en wordt pas uren later in de nacht gevonden. Zijn dood beroerde ook bewoners van andere gezindten en de begrafenis op de R.K. begraafplaats aan de Piet Heinstraat vond onder grote belangstelling plaats.
20-jarig priesterjubileum
In 1936 was pastoor Van Rooyen 20 jaar priester en de Graafschapbode besteedde aandacht aan dit jubileum met een artikel:
“Dinsdag 8 december a.s. zal het 20 jaar geleden zijn, dat de Zeereerw. Heer Pastoor van Rooijen hier geïnstalleerd werd als opvolger van Pastoor Wubbels die naar Dalfsen vertrok. We hebben bij dezen mijlpaal in het herderlijk leven Pastoor van Rooijen verzocht ons het een en ander te vertellen uit deze afgeloopen twee decennia, en hoewel Zijne Eerwaarde 20 jaren nu feitelijk geen officieele mijlpaal vond, die in het algemeen gevierd wordt, vonden we hem gaarne bereid ons eenige inlichtingen te geven en even voor onzen teekenaar te poseeren.
Pastoor van Rooijen dan werd 13 Februari 1876 in Utrecht geboren. Na aldaar de school bezocht te hebben, voltooide hij zijn studiën aan de Seminaria te Culemborg en Rijssenburg. Als kapelaan was zijn eerste standplaats Oosterhout (Geld.), welke plaats hij later verwisselde voor het Twentsche industriecentrum Enschede. Van daar werd dan Kap. van Rooijen op 8 Dec. 1916 alhier als Pastoor geïnstalleerd.
In de vervlogen 20 jaren heeft de jubilaris al het wel en wee, de laatste jaren vooral veel „wee”, meegemaakt. Tot 23 Augustus 1935 werkte hij hier alleen. Op deze datum kreeg hij hulp van Kapelaan J. Snoeren.
Wanneer we over het „wee” praten, weten we Zijn Eerwaarde op een terrein gebracht te hebben, dat hem buitengewoon ter harte gaat. Het is ook bij andersdenkenden algemeen bekend, dat Pastoor van Rooijen ook persoonlijk heel veel doet om het leed bij zijn parochianen zoo veel mogelijk te verzachten, maar ook hoe verontwaardigd hij vaak is, wanneer jongelui, die behoorlijk verdienen, zoo bitter weinig hier voor over hebben.
Bekend is bv. het gratis verstrekken van iederen morgen een glas melk aan de kinderen der R.K. school, die hieraan behoefte hebben. Deze melkverstrekking werkt nu al 2 jaren en komt ongetwijfeld den algemeenen gezondheidstoestand van het opgroeiende geslacht zeer ten goede. Het fonds „Hulp in Nood” van de R.K. Arbeidersvereeniging, waarvoor wekelijks de leden een klein bedrag storten om in noodgevallen (bij bevallingen, ziekten, enz.) elkaar te kunnen helpen, is ook een instelling van den jubilaris. Het vorige boekjaar werd op deze wijze f 385.— bijeengebracht.
Bijzonder voldaan was Pastoor v. Rooijen over den rondgang, die de kapelaan en hij in de laatste 14 dagen gemaakt heeft met het tweeledig doel: den toestand in diverse gezinnen eens op te nemen en tevens giften te verzamelen voor het verstrekken van kleeding, dekens en zoo mogelijk een kerstgave aan behoeftige gezinnen. Tot heden heeft deze rondgang reeds een bedrag van ruim f 800 opgebracht. Meer dan Zijn Eerwaarde had durven hopen. Dat dit juist nu in dit 20e jaar zoo bijzonder meevalt, zal ongetwijfeld den jubilaris bijzonder goed doen.
Volstaan we met te vermelden, dat in deze 20 jaar de R.K. Kerk een heetelucht-verwarming kreeg, in dezen tijd de modevakschool en diverse sportvereen. tot bloei kwamen.”
Fouten voorbehouden. Heeft u correcties en/of aanvullende informatie? Reageer dan onderaan deze pagina.