Categorie: Tweede Wereldoorlog

  • Gevallen in het georganiseerde verzet

    Gevallen in het georganiseerde verzet

    Köstersbulte, Aalten

    Op het gazon van de Oude Helenakerk aan de Markt in Aalten staat een bijzondere gedenksteen. De bronzen plaat op de steen vermeldt de namen van zeven verzetsstrijders binnen het georganiseerde verzet in Aalten.

    Het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) ontwikkelde zich pas in de loop van de oorlog. Naarmate de maatregelen van de Duitse bezetter strenger werden, ontstonden er kleine groepjes die zich, aanvankelijk met beperkte middelen, tegen de bezetting verzetten. Naarmate de oorlog vorderde, kwamen steeds meer mensen in moeilijkheden. De kleine verzetsgroepen groeiden in kracht door de toename van het aantal leden, maar ook door de netwerken die ontstonden tussen de verschillende verzetsgroepen.

    Binnen het verzet waren er twee belangrijke stromingen te onderscheiden. De eerste groep was de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO). Deze groep organiseerde onder andere onderduikadressen voor joden, voor mannen die weigerden in Duitsland voor de vijand te werken, en voor verzetsmensen die zich schuil moesten houden. De LO was voor de voedselvoorziening aan de onderduikers afhankelijk van voldoende distributiebonnen. Daarvoor zorgde de tweede groep, de Knokploegen (KP). Deze bewapende groep verrichtte overvallen op distributiekantoren, probeerde de vijand op vitale punten te saboteren en bereidde zich in de laatste fase van de oorlog voor op de assistentie van de geallieerde troepen bij de bevrijding van Nederland.

    In de Achterhoek, met name in de regio Aalten, Lichtenvoorde en Winterswijk, was het verzet bijzonder actief. Een deel van de verzetsmensen verloor tijdens de oorlog het leven. Zij die de barre tijd overleefden, voelden zich geen helden. Velen getuigden van de angst die ze hun leven lang mee zouden dragen. De moedige daden van het verzet staan opgetekend in verschillende boeken.

    De namen van de gevallenen (klik op de links voor meer informatie):

  • Onderduikers

    Onderduikers

    ‘Verbergt de verdrevenen en meldt den omzwervende niet’. Deze tekst (Jesaja 16:3) gebruikten verschillende dominees aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Hiermee werden de gemeenteleden opgeroepen een bijdrage te leveren aan het helpen van mensen op de vlucht voor het Naziregime. En met succes: op een gegeven moment was één op de vijf inwoners van Aalten een onderduiker, relatief meer dan waar ook in Nederland.

    De inwoners van Aalten speelden een belangrijke rol bij het beschermen van onderduikers tijdens de oorlog. Hun moed en vastberadenheid hebben het leven van velen gered. De kerkelijke betrokkenheid, hechte familiebanden en de landelijke ligging worden wel gezien als redenen voor de grote bereidheid hulp te bieden. Op een afgelegen boerenerf is het relatief eenvoudiger mensen te verstoppen dan in een stad. Maar ondanks dat heeft het helpen van onderduikers en andere vluchtelingen veel moed gevraagd en soms levens gekost.

    Onderduik en Verzet

    Gedurende de oorlogsjaren waren er verschillende redenen waarom mensen ervoor kozen om onder te duiken. Joden probeerden bijvoorbeeld te ontsnappen aan deportatie naar concentratiekampen. Daarnaast waren er mensen die de Arbeitseinsatz wilden ontlopen of die zich wilden verzetten tegen de Duitse bezetter.

    Heleen Kuipers-Rietberg uit Winterswijk, beter bekend als tante Riek, zorgde voor schuilplaatsen voor veel werkweigeraars en Joden. Samen met Ome Jan Wikkerink, een aannemer uit Aalten en leider van de plaatselijke verzetsorganisatie, en met dominee Slomp stond zij aan de wieg van de Landelijke Onderduikorganisatie (LO).

    Onderduikers werden vaak verstopt op zolders, in schuren, in geheime kamers of op afgelegen plekken in het landschap. Hoewel er altijd een risico bestond op verraad en arrestatie, zijn er relatief weinig onderduikers in Aalten ontdekt door de Duitse bezetters. De lokale bevolking had een sterke onderlinge solidariteit en het verzet was goed georganiseerd. Bovendien was er een actief netwerk dat onderduikers hielp om de grens over te steken naar veiliger gebieden in het buitenland.

    In 1947 schonken oud-onderduikers de Aaltense bevolking een monument als dankbetuiging voor hun gastvrijheid en aan de verzetsmensen die de stuwende kracht waren bij het onderbrengen van de onderduikers. Het monument bevindt zich in de Stationsstraat, tegenover het treinstation.

    Op 9 juni 1945 schreef Dagblad Trouw:

    Aalten een record?

    Zeer vermoedelijk is het mooie dorp in den Gelderschen Achterhoek Aalten het plaatsje geweest dat verhoudingsgewijze de meeste onderduikers heeft geherbergd in den oorlogstijd. Het dorp heeft slechts 11.000 inwoners en er waren niet minder dan 2500 onderduikers geplaatst. Voorloopig zullen wij wel mogen aannemen dat dit een record is in Nederland.

    Aalten’s taak is hiermede niet af geweest. Boven dit getal zijn er nog honderden kinderen, vooral uit Rotterdam en omgeving, geweest die daar hun zomervacantie hebben doorgebracht. We overdrijven verder niet dat duizenden in den lande in den voedselnood geprofiteerd hebben van de honderdduizenden roggebrooden, zakjes meel en havermout, spek en eieren, die vanuit dit dorp het land zijn ingezonden. De directeur van het Aaltensche postkantoor droeg den naam onder zijn collega’s van roggebrood-directeur.

    Wij zullen Aalten voor deze oorlogsactiviteit dankbaar blijven. De 2500 onderduikers zijn dat ook. Ze hebben een request aan H.M. de Koningin gezonden en Haar verzocht bij een tocht door bevrijd Nederland ook Aalten te bezoeken. Wij hopen van harte dat het geschiedt. Aalten verdient het.

    Bijna een kwart eeuw na de bevrijding, op 14 maart 1970, schreef Dagblad Trouw in een artikel over een geplande reünie van voormalig onderduikers en oud-strijders:

    Er was in de jaren, dat de Duitsers Nederland bezet hadden, in het kleine, agrarische Aalten, bijna geen huis waarin zich geen onderduikers bevonden. Het volk, dat daar woont, is van nature gesloten. De Hagenaar en de Amsterdammer, die er onder water gingen, moesten er wel aan wennen. De Duitsers trouwens ook, en eens sprak een SD-officier in woede van ‘abscheuliche Leute’ en hij voegde er aan toe: ‘Wir sind Luft, Luft!’ De zwijgzaamheid van de Aaltenaar is echter menige onderduiker ten goede gekomen.

    In de oorlogsjaren stonden in Aalten ds. J. Klijn (van De Open Deur), ds. P. Kuyper en ds. J. van Dijken resp. als hervormd, gereformeerd en christelijk-gereformeerd predikant. Op een avond kwamen twee boeren, die er een verre fietstocht voor hadden gemaakt, bij een van de drie pastorieën aan. Het doet er weinig toe welke. Zij vertelden de predikant over een naober, die onwillig was onderduikers op te nemen. In sommige huizen zitten er acht, waarom wil hij er niet één herbergen? Kan dominee niet eens met die man gaan praten en hem op zijn verantwoordelijkheid wijzen? Ze krijgen de toezegging van de predikant dat hij met de bewuste broeder een hartig woordje zal wisselen. Het bleek niet nodig. Op de dag dat de geallieerde tanks Aalten binnen dreunen, staat de boer, waarover geklaagd is, lachend en wuivend voor zijn stee. Hij staat er met zijn vrouw en zijn gezin, maar ook met een stel joden. Hij herbergde hen, zonder dat ook de naaste buren er enig vermoeden van hadden.

    Niet alle joden, die in Aalten onderdak kregen, hebben de bezettingsjaren overleefd. Een aantal van hen werd ontdekt, naar Polen gestuurd en daar geliquideerd.

    Kerkdiensten

    Aalten zou Aalten niet zijn als het de onderduikers alleen maar materieel had verzorgd. De kerken hielden speciale onderduikers-kerkdiensten, meestal op afgelegen boerderijen, waar men in kleinere groepen bijeenkwam. De gemeente Gods ging hier als schuilkerk functioneren, ’s Zomers werden de diensten gehouden op de deel, ’s winters in de grote Achterhoekse keuken. Men ‘ging’ niet in grote aantallen ‘op’, maar kwam met twee of drie personen tegelijk. Er werden vaak wachtposten uitgezet om attent te zijn op onraad. Speciale onderduikers-catechisaties waren er ook. Zelfs aparte joden-catechisaties. Een aantal joden kwam tot het geloof in de Messias.

    Begin ’44, tijdens een gewone dienst in de gereformeerde Westerkerk, omsingelden de Duitsers de kerk. Eén jongeman die in Scheveningse vrouwenkleren de kerk verliet, ontkwam. Hoe die knaap aan dat Scheveningse gewaad kwam? Tussen neus en lippen door had Aalten ook nog een flinke groep Scheveningers, die uit de kuststreek weg moesten, gastvrij opgenomen. 48 Onderduikers werden in een vrachtauto geladen en naar Amersfoort getransporteerd, en van daaruit voor een groot deel naar Duitsland. Ook werd de christelijke gereformeerde kerk op een zondag overvallen. Hierbij werd een dozijn onderduikers gepakt.

    Sommige jongens keerden niet terug. ln een nummer van De Open Deur, dat het jaar daarop verscheen, vertelt ds. Klijn van een dienst die op kerstavond ’44 gehouden werd op een Aaltense boerderij. Wij citeren enkele passages: „Het Kerst-Evangelie is op vele wonderlijke plaatsen gelezen verleden jaar, in dien tijd van nood en ellende, van schuilplaatsen en onderkomens. Maar het was overval op zijn plaats. Ook hier in deze eenvoudige boerenkeuken met zijn internationale kring van verzetsstrijders, uit de hele wereld bijeengedreven; Achterhoeksche boerenjongens, zwaar gezochte illegalen, ondergedoken marinemensen en secretarie-personeel, en geallieerde piloten uit San Francisco en Florida. Brighton en Plato Sask, Canada. Het was stil als in een kerk, toen de vertrouwde woorden van Lukas 2 gelezen werden, eerst in het Nederlands en toen uit de Moffat-vertaling in het Engels. En er ging over sommige van die stoere koppen een schemer van ontroering, toen in hun eigen taal de oude Kerstboodschap tot hen kwam, hier, zo ver van huis, toch Kerstfeest, toch de Kerstboodschap: Today you have a Saviour born in the town of David, the Lord Messiah. En aan hun harten, vervuld van oorlogsgedachten bij dag en bij nacht, klopte in de stilte van de Kerstnacht een andere vrede aan, dan waarvoor zij streden, den vrede, waarvan de Engelsen zongen: Glory to God in high heaven, and peace on earth for men whom the favours! Bij raadselachtige prestatie had de ondergrondse uit den Achterhoek ook nog een paar Engelse kerkboeken bijeen gesnord en zo werden daar de Kerstliederen tweetalig gezongen: Eere zij God, Nu sijt wellecome en het over de ganse wereld bekende Stille Nacht, Heilige Nacht…”

    Nationaal Onderduikmuseum

    Om de herinnering aan dit deel van de geschiedenis vast te leggen en levend te houden is in Aalten het Nationaal Onderduikmuseum opgericht. Het museum richt zich op het tonen en documenteren van de verhalen van onderduikers en de mensen die hen hielpen. Het laat zien hoe gewone mensen in buitengewone omstandigheden moed en medemenselijkheid kunnen tonen.

    Het museum is deels gevestigd in een pand met een bijzondere onderduikgeschiedenis: Markt 12. Dit was indertijd het woonhuis van een gezin met kinderen, maar op zolder werden onderduikers (tijdelijk) verstopt en de kelder was de schuilplaats voor buurtbewoners tijdens bombardementen. Extra opmerkelijk: de grote woonkamer was door de bezetter gevorderd en in gebruik als ‘Ortskommandatur’.

    Meer informatie over (een bezoek aan) het Nationaal Onderduikmuseum: nationaalonderduikmuseum.nl

    Escape Room

    Het Nationaal Onderduikmuseum heeft ook een escape room. Spelers worden geconfronteerd met vraagstukken en dilemma’s die iedereen zal tegenkomen wanneer men moet vluchten. Als je kiest om te vluchten uit jouw wereld moet je afstand doen van wat je kent en weet. Je zult alles op alles moeten zetten om je staande te houden in je nieuwe situatie.

    Het komt er nu op aan dat je inzicht hebt in die nieuwe situatie, een scherp zicht hebt, zodat je tekens kan herkennen, besluiten durft te nemen en afstand neemt van wat je tot op heden wist. “Krijg je het voor elkaar om onder de radar te duiken, onzichtbaar te worden, onhoorbaar te worden voor de vijand?”

    Meer informatie: escaperoom-aalten.nl

  • Verscholen in Aalten

    Verscholen in Aalten

    Tekst: Ad Ermstrang

    Tijdens de laatste jaren van de Tweede Wereldoorlog vonden veel onderduikers een schuilplaats in de Achterhoek. Aalten spande de kroon met naar schatting 2400 door de Duitsers opgejaagde mensen. „De inwoners waren niet alleen gelovig, maar koppelden dat ook aan het verlenen van onderdak aan verdrevenen.’”

    Hij woont nu in een keurig appartement, midden in Aalten. Pieter Schaap (84) en zijn bijna 80-jarige echtgenote kochten het pand een aantal jaren geleden. „We woonden iets verderop, maar het huis was te groot en we konden de tuin niet meer bijhouden.”

    Dat wil niet zeggen dat de Aaltenaar en zijn vrouw niet kras zijn. Regelmatig bezoekt het stel zijn kinderen in het westen en gaat het per vliegtuig naar een zoon in Noorwegen. Pieters vrouw vindt het jammer dat dat niet meer met de auto en de boot kan. „Dan zie je veel meer.”

    De met een forse grijze haardos getooide Aaltenaar rijdt in Nederland wel met de auto. Hij bezorgt onder meer maaltijden voor Tafeltje Dekje. „Maar de gebreken komen wel. Ik ben pas aan staar aan mijn ene oog geopereerd. En m’n handen trillen een beetje, ik kan niet meer fatsoenlijk schrijven. Ik denk erover om dit jaar met die maaltijden te stoppen.”

    Bedorven boter

    Vijfenzestig jaar geleden kwam Pieter Schaap voor de eerste maal naar de Achterhoek. De geboren en getogen Hagenaar moest zich eind 1942 in Winterswijk melden na een oproep van de Duitsers, die jongemannen dwongen om voor hen arbeid te verrichten. „Ik heb me netjes bij kamp Vosseveld gemeld. Het was er erg Duits, heel streng. Wel mochten we op zondag naar de kerk.”

    Schaap groeide op in een hervormd gezin, maar ging later over naar de gereformeerde kerk. „Na de dienst werden we door de dominee uitgenodigd op de koffie. We mochten regelmatig blijven eten. Ze dachten daar dat we in dat kamp verhongerden. Dat was niet zo, maar als jonge kerel lustte je wel wat extra.”

    Het beviel hem slecht. „We repareerden binnenwegen en vervingen stukken spoorlijn. Alles ging met de hand. Je had alleen een spa en een kruiwagen. Ondertussen werd je gedrild. We moesten allerlei nare liederen zingen. Het regiem beviel me niet. Ik had het daarover en toen zei de dominee: Waarom duik je niet onder? Hij kon wel een adres regelen. We werden echter goed in de gaten gehouden, er was voortdurend appèl, zodat je niet weg kon komen. Tot het moment aanbrak dat we bedorven boter te eten kregen. Dat was begin 1943, de datum weet ik niet meer. Bijna iedereen had diarree en er was geen appèl. Toen ben ik ertussenuit geglipt. Samen met Henk Bossemeijer, een jongen uit de omgeving van Alphen aan den Rijn.”

    Pieter en Henk verwisselden hun uniformen bij een familie in Winterswijk, trokken burgerkleren aan die voor hen waren klaargelegd en stapten op de trein naar Aalten. „De dominee had gezegd dat we zouden worden opgevangen. En inderdaad, we werden opgewacht door leden van het verzet. Via ome Jan, de leider in Aalten, kregen we ’s nachts onderdak. De volgende dag gingen we naar boerderij ’t Paske in de buurtschap Dale.”

    Al direct vond Schaap de aanwezigheid van hem en Bossemeijer te belastend voor de boerenfamilie. „De verantwoordelijkheid voor twee onderduikers was te groot. Weet je voor één van ons geen andere plek, heb ik gevraagd. Na een paar weken kon ik terecht op boerderij ’t Heegt in Lintelo, eveneens een buurtschap. Daar, bij de familie Rensink, ben ik tot het einde van de oorlog geweest.”

    Hol boven de paardenstal

    De westerling met een technische achtergrond werd er in korte tijd omgeschoold tot boer. Hij ploegde en egde het land met behulp van de paarden, maakte stallen schoon en voerde de koeien. „Ik leerde zelfs melken. Dankzij de oudste dochter van de familie, die net een cursus daarvoor had gevolgd.”

    In het begin sliep Schaap in de opkamer van de boerderij. Later arriveerde in Aalten een groep van 500 Scheveningers, door de Duitsers uit hun dorp verdreven in verband met de bouw van de Atlantikwall. Schaap herinnert het zich nog goed. „De gereformeerden gingen naar Aalten, de hervormde Scheveningers evacueerden naar Winterswijk. Dat was zo afgesproken met de plaatselijke kerken. Ook op ’t Heegt werd aan enkele Scheveningers onderdak geboden.”

    Hij sliep de rest van de oorlog in een hol boven de paardenstal. „Boven de zomp, waar de paarden uit aten. Als ik daarop ging staan kon ik precies bij een luikje dat je van beneden af niet kon zien. Ik had er een bed. Er viel door een glazen dakpan wat licht naar binnen.”

    Hij verbleef er niet vaak. Het grootste deel was Pieter op het land te vinden. Echt gevaarlijk vond de onderduiker het niet. „Van de Duitsers hadden we weinig last. Wel van landwachters, maar die werden in deze omgeving altijd ruim tevoren gesignaleerd. Ik ging dan meestal naar een stuk land verderop, enigszins verscholen achter de bomen. Of ik kroop weg. Ik bleef nooit op de boerderij als er problemen waren.”

    Wagen vol knäckebröd

    Hij bleef twee en een half jaar op ’t Heegt. Te midden van vele andere onderduikers. Aalten wemelde ervan. „Er kwamen er steeds meer. Ook de Duitsers kregen dat in de gaten en op 30 januari 1944 werd de Westerkerk tijdens een dienst omsingeld door SS-ers. Tevergeefs probeerde een aantal onderduikers langs het orgel te ontsnappen. De kerkgangers werden gecontroleerd, ze kregen een boete wanneer ze hun persoonsbewijs thuis hadden laten liggen.”

    Bekend is het verhaal van onderduiker Gerrit Hoopman (19), die van een Scheveningse in het gedrang werd voorzien van haar overrok, schouderdoek en hoofdijzer en op die manier uit het Godshuis wist te ontsnappen. Dat gold niet voor een grote groep andere onderduikers. Meer dan veertig mannen werden opgepakt.

    Schaap, een trouwe bezoeker van de Westerkerk, was er die dag niet. „We vonden het toch wel gevaarlijk worden en organiseerden die zondag voor een van de eerste keren een dienst op een geheime plek. We noemden dat de onderduikerskerk. We deden dat bij boeren, steeds weer op andere adressen. Vaak ging een van de jongens voor, soms hadden we een predikant.”

    Later werden op de boerderij Duitsers ingekwartierd. „Het waren jonge jongens, valschermjagers die geen vliegtuigen meer hadden en daarom bij de infanterie dienst moesten doen.” Hij had er weinig last van. „Voor hen behoorde ik bij de familie. Toen ze op een gegeven moment van de boer een paard en wagen vorderden en het commando Bauer mit gaven, ben ik op de bok gesprongen. We gingen richting Bocholt, maar tijdens een bombardement verdwenen mijn passagiers snel. Ze zochten op een andere plek dekking. Ik heb een tijdje gewacht totdat ik uit een grote loods in de omgeving boeren met paarden en wagens af en aan zag rijden. Ik ging er naar toe en zei dat ik was gestuurd om wat op te halen. Ik kreeg een wagen vol knäckebröd mee, ha, ha. Daar ben ik mee teruggereden.”

    Ook voor anderen was hij onderdeel van het boerengezin. „Al die jaren was ik Piet van ’t Heegt. Sommigen kennen me nu nog zo. Pas waren we op een bijeenkomst waar we een kennis uit die tijd ontmoetten. Die woont nu in Zeeland. Hé, daar heb je Piet van ’t Heegt, zei ze.”

    Honger heeft hij in de Achterhoek niet geleden. „Om de veertien dagen stuurde ik zelfs een groot roggebrood naar mijn ouders. De postbode werd bij hen de bakker genoemd. Hij deelde mee bij het verdelen van het brood.”

    Tot zijn pensionering werkte Schaap als technicus bij de Landmacht. Zijn vooroorlogse ideaal om scheepsmachinist te worden, ging als gevolg van de oorlog niet in vervulling. In de buurtschap ontmoette Pieter zijn latere vrouw. „Ze woonde enkele boerderijen verderop.” De verkering ging niet van een leien dakje, want haar vader vond haar te jong en na de bevrijding meldde Pieter zich aan als vrijwilliger voor Nederlands-Indië. Pas jaren later keerde hij terug naar Aalten, waar de boerendochter nog steeds op hem wachtte. „Nu zijn we al 56 jaar getrouwd. We waren echt voor elkaar bestemd.”

    Pieter Schaap overleed op 11 oktober 2013.

    Meer informatie over de onderduik: Nationaal Onderduikmuseum, Aalten

  • Kerkstraat 17

    Kerkstraat 17

    Aalten

    Dit pand stond op de hoek met de huidige uitrit vanaf het Lage Blik bij de Action. Hier zaten vroeger onder andere een smederij en later kruidenierswinkel van Manschot, een slagerij en een rijwielhandel.

    Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hier het plaatselijke distributiekantoor gevestigd, een overheidsinstantie die verantwoordelijk was voor de distributie van schaarse goederen, zoals voedsel, kleding, brandstof en andere levensmiddelen. Dit gebeurde via bonkaarten en distributiestamkaarten die burgers moesten gebruiken om bepaalde producten te kunnen kopen.

    De panden Kerkstraat 17 t/m 23 werden rond 1975 gesloopt, om plaats te maken voor supermarkt Albert Heijn. Tegenwoordig zit hier de Action.


    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving
    1832I-1190Hendrik Jan Manschot450 m² huis & erf
    1841I-1190Willem Rudolph Manschot, smid450 m² huis & erf
    1908I-1190Hendrik Jan Manschot, winkelier450 m² huis & erf
    1929I-1190Hendrik Smits, minderj.450 m² huis & erf
    1952I-7581de Gereformeerde Kerk te Aalten3.530 m² huis, garage & tuin
    1961I-8532de Hervormde Gemeente van Aalten3.538 m² huis, erf & weiland
    1977I-9398Dura Aannemingsmij. B.V. te Rotterdam3.670 m² bouwterrein

    Bewoners

    1813

    Aalten 21

    Hendrik Jan Manschot (Aalten, 24-06-1766), smit
    Willem Rudolph Manschot (Aalten, 20-12-1796), zoon
    Jan Kremer (Rasveld, 1787), knegt

    1 man
    2 zoons
    4 meisjes
    1 knegt

    Bevolkingsregister 1823-1838

    Aalten 21

    Hendrik Jan Manschot (Aalten, 29-06-1766), grofsmit
    wedr. van Catrina Elisabeth Evers

    Volgende bewoners, zoon en schoondochter:

    Willem Rudolph Manschot (Aalten, 20-12-1796), smid
    trouwt op 18-07-1823 in Aalten met
    Johanna Radsma (Hempens, 17-08-1800), d.v. predikant Tjeerd Radsma

    Bevolkingsregister 1838-1850

    Aalten 19

    Willem Rudolph Manschot (Aalten, 20-12-1796), grofsmit
    Johanna Radsma (Hempens, 17-08-1800)

    Bevolkingsregister 1850-1860

    Aalten 19

    Willem Rudolph Manschot (Aalten, 20-12-1796), grofsmit

    Bevolkingsregister 1860-1870

    Aalten 19

    Willem Rudolph Manschot (Aalten, 20-12-1796), grofsmit

    Bevolkingsregister 1870-1880

    Aalten 20

    Willem Rudolph Manschot (Aalten, 20-12-1796), winkelier
    Carolina Gerharda Wechelaar (Aalten, 13-08-1819)

    Volgende (hoofd)bewoner, zoon:

    Bevolkingsregister 1880-1890

    Aalten 22

    Hendrik Jan Manschot (Aalten, 21-10-1823), winkelier

    Bevolkingsregister 1890-1900

    Aalten 23

    Hendrik Jan Manschot (Aalten, 21-10-1823), winkelier

    Bevolkingsregister 1900-1910

    Aalten 26

    Hendrik Jan Manschot (Aalten, 21-10-1823), kruidenier

    Volgende bewoners:

    Jacob Spier (Gendringen, 16-07-1872), slager
    Jetje Levij (Doetinchem, 15-05-1868)

    Volgende bewoners:

    Bevolkingsregister 1910-1920

    Aalten C587 > D694

    Izaäk ten Bosch (Aalten, 09-07-1876), slager
    Bertha Cohen (Doesburg, 24-11-1871)

    Adresboek 1934

    Aalten D694 > Kerkstraat 17

    L.J.H. Overmaat

    Hij verhuist ca. 1937 naar Plein Zuid.

    Adresboek 1967

    Kerkstraat 17

    Geen bewoners vermeld.

    Kenmerken


    Kadastraal nr.I-11214
    FunctieWoonhuis,
    Winkel
    Bouwjaaronbekend
    Sloop1970
  • Izaak Antonie de Moor

    Izaak Antonie de Moor

    Waarnemend (NSB-)burgemeester (1944-1945)

    Izaak Antonie de Moor, geboren op 31 mei 1905 te Goedereede, werd in 1939 tot burgemeester van Breskens benoemd. In 1941 sloot hij zich daar aan bij de N.S.B. Na ‘Dolle Dinsdag‘ vluchtte hij naar Aalten, waar hij vanaf 18 september 1944 het burgemeestersambt waarnam, tijdens de onderduikperiode van burgemeester Monnik. Toen hem een paar dagen voor de bevrijding de grond te warm onder de voeten werd, nam hij de wijk naar Grijpskerk, waar hij bij de bevrijding werd gearresteerd. Na 1½ jaar internering werd hij voorlopig in vrijheid gesteld.

    Op 10 maart 1947 stond De Moor terecht voor het oorlogstribunaal te Groenlo. De punten der tenlastelegging waren als volgt: groepsleider en onderkringleider der N.S.B., buurtschapshoofd N.V.D., lid N.A.F. ambtsperiode te Breskens; de eed van trouw aan Mussert af te leggen; scholingsmiddagen N.V.D. uit te schrijven; de gemeentebode J.J. Bliek te bedreigen; een wapenvergunning bij de Beauftragte van de Rijkscommissaris aan te vragen; door bij het terugvoeren van Ned. Militairen als krijgsgevangenen naar Duitsland te zeggen: „Ze verdienen niet anders, ze hebben niet anders gedaan dan saboteeren”; te colporteeren met Volk en Vaderland en de Zeeuwsche Stroom; medewerking te verlenen aan de arbeidsinzet voor de kustverdedigingswerken; te Goes een opleidingscursus voor burgemeesters te geven.

    De ambtsperiode te Aalten

    De dagvaarding betreffende zijn ambtsperiode te Aalten omvatte de volgende tenlasteleggingen: medewerking verlenen aan arbeidsinzet O.T. te Zevenaar en Bocholt; hulp van de Landwacht in te roepen voor controle op onderduikers, voor vordering van rijwielen en voor arrestatie onderduiker bij Te Giffel. Voorts heeft beschuldigde alle ondergedoken gemeente-ambtenaren ontslagen en de Sicherheitspolizei te Doetinchem in kennis gesteld van de arrestatie van drie personen, waaronder B.H. Wikkerink, wegens het voeren van illegale activiteit. Tenslotte heeft hij de hulp ingeroepen van de te Aalten gestationeerde Grüne Polizei in verband met de arrestatie van de ondergedoken joodse familie Baruch.

    Beschuldigde zette uiteen, dat hij door het aanvaarden van het burgemeesterambt te Aalten de bevolking zoveel mogelijk ter wille had willen zijn. De president: „U hebt al uw krachten gegeven aan de Duitse, dus vijandelijke zaak ter vernietiging van het Nederlandsche materiële zowel als geestelijke verzet. Toen U in Breskens zag, wie en wat de Duitsers waren, had u in Aalten niet meer als burgemeester moeten optreden.” Beschuldigde: „Ik had te kiezen tussen landwachter of burgemeester. Voor de landwacht voelde ik niets”. De president: „U had ook nog een andere weg kunnen kiezen: geen van beide.”

    Daarop kwam ter sprake, waarom beschuldigde op 10 oktober 1944, toen de S.S. in Aalten razzia had gehouden en de aangehouden personen in het feestgebouw werden gebracht, daarbij tegenwoordig was geweest. Beschuldigde: „De S.S. was voornemens de kerken af te zetten. Ik wist dat dit in Aalten veel beroering zou geven, daarom trachtte ik goed te maken wat er nog goed te maken was. In enkele gevallen heb ik nog iets ten gunste van de aangehoudenen kunnen doen.” Beschuldigde ontkende de zes gijzelaars te hebben laten arresteren. „In het rapport aan Doetinchem”, aldus beschuldigde, „heb ik het wel verklaard. Wijlen v.d. Glas, de landwachtcommandant gaf de opdracht tot arrestatie van gijzelaars. Als burgemeester moest ik het rapporteren.”

    De president: „Waarom poogde u een nieuw bevolkingsregister samen te stellen, u wist toch, dat het oude bewust was verdwenen. U was in alle opzichten een willoos werktuig in de handen van de Duitsers.” Voorts wees spreker er op, hoe gevaarlijk het was aan Vossers mede te delen, dat de secretaris der gemeente, Bijlsma, er met de gemeentepapieren en bescheiden vandoor was gegaan en genoemde Vossers te zeggen, waar B. zich waarschijnlijk bevond. President: „U was een overtuigd en fel N.S.B.-er.” Beschuldigde: „Fel niet, ik was idealist. Ik had het als roeping en taak beschouwd iets voor het Nederlandse volk te doen.”

    Nadat de verschillende punten der tenlastelegging tijdens de ambtsperiode in Breskens waren behandeld, kwam tenslotte de arrestatie van de te Aalten ondergedoken familie Baruch ter sprake. Beschuldigde gaf toe, onvoorzichtig te hebben gehandeld. Hij had het in een gesprek met de Grüne Polizei gezegd. De president: „U wist zelf, welke beestmensen de G.P. waren.” Beschuldigde: „Het is op dat moment niet tot me doorgedrongen. Ik heb kunnen verhinderen, dat de Oberleutnant de drie bedoelde Joden liet doodschieten. Op mijn aandringen zouden ze op transport naar Doetinchem worden gesteld. Daar de bevrijding naderde, konden ze in Aalten blijven. En bij mijn vertrek heb ik Tilbusscher gezegd, dat de Joden direct vrijgelaten konden worden, hetgeen ook is geschied.”

    Uitspraak

    Beschuldigde, die geen verdediger had, zei in zijn slotwoord dat hij thans weer in het arbeidsproces ingeschakeld is. Hij riep de clementie van het Tribunaal in. „Ik heb een les voor mijn leven gehad. Bovendien werd mijn huis in Breskens weggebombardeerd, mijn 17 pensioenjaren zijn weg. Ik was ambtenaar in hart en ziel; ik erken totaal fout te zijn geweest. Geef mij de gelegenheid thans weer voor mijn gezin te zorgen”, zo riep hij uit.

    Na Raadkamer zei de president, dat het billijk zou zijn, beschuldigde een internering op te leggen langer dan de voor-interneering. Het Tribunaal wenste echter rekening te houden met de omstandigheden, waarin beschuldigde zich thans bevindt. Aan hem werden de volgende maatregelen opgelegd: Internering gelijk aan de voor-internering; ontzetting uit het recht een overheids- of semi-overheidsfunctie te bekleden; ontzetting uit de beide kiesrechten en verbeurdverklaring radio.

    De Moor overleed op 17 februari 1984, op 78-jarige leeftijd, in Warnsveld.

  • Aron Jedwab (Willem Herfstink)

    Aron Jedwab (Willem Herfstink)

    Joodse ‘vondeling’, geboren in de onderduik

    In de vroege ochtend van 21 september 1943 legt Piet Hoogenkamp, de assistent van de Aaltense huisarts tevens verzetsman Joop der Weduwen, voor het huis met adres Patrimoniumstraat 12 in Aalten een pakket neer. Op dat adres woont verzetsleider Hendrik Jan Wikkerink alias Ome Jan met zijn gezin. Er wordt aangebeld.

    Het pakket blijkt een pasgeboren baby te zijn. Het is de zoon van Lena Jedwab-Kropveld en Yitzack Jedwab, rabbi (voorganger) van de Joodse gemeente in Aalten. Het echtpaar zat vanaf medio 1942 ondergedoken op boerderij De Ronde van de familie Veldboom in Lintelo. Verzetsleider Ome Jan en dokter Der Weduwen hebben het te vondeling leggen van tevoren zo afgesproken.

    Vondeling

    Dochter Jo Wikkerink vertelde daar later over:

    “We wisten dat de bevalling op komst was en het baby’tje zou bij ons gebracht worden. Vader en moeder hebben het alleen aan de oudste drie verteld. De jongsten wisten niets. Ze konden dan ook niet hun mond voorbij praten. Vader en moeder hebben ‘s avonds in de donkere kamer gewacht. Het leek voor de buurt dan net of ze naar bed waren. Toen er werd aangebeld wisten ze dat het kindje er was. Ze hebben de jongsten uit bed gehaald en verbaasd geroepen: “Kom ‘ns kieken wat d’r now is!”

    Het joodse kindje was dus in de onderduik geboren en werd drie dagen later door mevrouw Dela Wikkerink-Eppink met de naam ‘Willem Herfstink’ aangegeven en als zodanig in het geboorteregister van de gemeente Aalten ingeschreven. De naam was symbolisch gekozen. Willem verwijst naar Koningin Wilhelmina, Herfstink naar de eerste dag van de herfst (21 september) en het Saksische achtervoegsel ‘ink‘ betekent ‘behorend tot het erf of de familie van’.

    Omdat zich om één uur ’s nachts slechts enkele personen – zoals artsen – op straat mochten bevinden, werd vier uur ’s ochtends opgegeven als tijdstip waarop de baby gevonden was. Hierdoor werd het onderzoek naar de herkomst van het kind aanzienlijk bemoeilijkt. ”Ik kwam wel eens ’s avonds laat met een dikke buik thuis met de trein. Dan had ik ‘contrabande’ bij me alsof ik hoogzwanger was. Toen Wimke op de stoep gelegd werd, zeiden ze dan ook: “Dat zeggen ze nou wel, maar het zal d’r wel ene van één van de meisjes zijn.”

    Arisch verklaard

    De volgende dag moest de dienstdoende gemeente-arts, dokter Knol, de vondeling onderzoeken. De baby was niet besneden en daarom gaf hij de verklaring af dat het kind 100% Arisch was. “De volgende dag is vader meteen naar Schepers gegaan, die schuin tegenover ons woonde (hij werkte bij te Paske). Vader wist: als ik het daar vertel, dan weet meteen iedereen in Aalten het. Achter ons, naast Vossers, woonde een NSB-vrouw. Die lag op haar knieën voor het wiegje van Wimke te kijken of hij wel Arische trekken had.”

    Lennie en Yitzchak waren inmiddels verhuisd naar een andere schuilplaats in Lintelo. In juni 1944 verplaatste het verzet hen in een met hooi bedekte wagen naar het huis van Bernard en Gesina Wevers in de buurtschap Dale, achter de Ringweg, net buiten het dorp Aalten.

    Aanvankelijk wilden zij het echtpaar Jedwab niet in huis opnemen omdat zij al onderdak boden aan evacués. Een dominee van de gereformeerde kerk bracht de vrome calvinisten op andere gedachten: hij predikte dat de vervolgden geholpen moesten worden.

    Bernard, een timmerman, bouwde voor hen een kamer achter de kast waar ze al hun tijd doorbrachten. Mevrouw Wevers kookte voor haar Joodse gasten zoveel mogelijk volgens koosjere regels.

    Willem was ondertussen liefdevol in het gezin van de familie Wikkerink opgenomen. Vooral moeder Dela en oudste dochter Lien Wikkerink zorgden voor ‘Wimke’ zoals zij hem noemden. Dela Wikkerink liep met de baby in de kinderwagen regelmatig naar het onderduikadres van de Joodse ouders in Dale. Ze nam vaak wat fruit uit de moestuin mee in haar tas. Er waren mensen in Aalten die zeiden: “Wat vrouw Wikker toch altied bi-j Wevers mot?”

    Tegen het einde van de oorlog werden twee Duitse soldaten ingekwartierd in huize Wevers. Terwijl de soldaten in het huis waren, zaten Lena en Yitzack in stoelen in hun verborgen kamer en mochten ze niet bewegen of geluid maken, soms dagenlang.

    Na de oorlog

    Na de bevrijding in maart 1945 werd het gezin herenigd en kreeg de kleine zijn echte naam: Aron Jan Willem Jedwab. De naam Willem bleef bestaan en de tweede voornaam Jan verwijst naar zijn redder Jan Wikkerink. Koningin Wilhelmina kwam vrij snel na de oorlog naar Aalten en bezocht de familie Wikkerink om deze te eren voor hun daden in het verzet. Jo Bulsink-Wikkerink: “Ik zie Wilhelmina nog staan. Ze sloeg mijn opa op zijn schouder en zei: Wikkerink, u heeft een dappere zoon”.

    Het jonge kind Willem kende zijn eigen ouders niet of nauwelijks. Jo Wikkerink – de tweede dochter in het gezin – trok toen een jaar lang in bij de familie Jedwab, zodat Willem iets makkelijker kon wennen aan zijn eigen ouders en nieuwe omgeving. Het gezin Jedwab emigreerde in 1947 naar de VS en daar veranderden zij hun achternaam in Jade.

    Patrimoniumstraat 12, Aalten
    Patrimoniumstraat 12, Aalten
  • Patrimoniumstraat 12

    Patrimoniumstraat 12

    Aalten

    Het huis is mede bijzonder vanwege de bewoningsgeschiedenis. Het werd in WO2 namelijk bewoond door verzetsleider ‘Ome Jan’ Wikkerink en zijn gezin. Vanuit zijn godsdienstige achtergrond hield hij zich bezig met de hulp aan onderduikers. Hij werd de leider van de Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers (LO) en van de Landelijke Knokploegen (KP) in Aalten.

    Op zondag 15 september 1944 werd het huis omsingeld en werd hij met anderen gearresteerd. Hij werd echter dezelfde dag nog bevrijd. Als wraak voor de bevrijdingsactie gooiden de Duitsers handgranaten in de woning aan de Patrimoniumstraat, waardoor het interieur in vlammen opging.

    Het huis is opgetrokken in de voor het Interbellum bekende traditionele baksteenarchitectuur met fors overstek en sterke horizontale elementen, zoals bij de erker aan de voorzijde van het pand.


    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving
    1832I-167de Hervormde Armen van Bredevoort57.570 m² bouwland

    Bewoners

    Bevolkingsregister 1930-1940

    Hendrik Jan Wikkerink (Aalten, 30-06-1896), metselaar
    Dela Gesina Eppink (Dale, 28-02-1898)

    Adresboek 1934

    Aalten C439/2 > Patrimoniumstraat 12

    H.J. Wikkerink

    Adresboek 1967

    Patrimoniumstraat 12

    G.C. Wikkerink

    Kenmerken


    Kadastraal nr.I-12553
    FunctieWoonhuis
    Bouwjaar1932
    Monumentnee
  • Nieuw Nonhof

    Nieuw Nonhof

    Pasopweg, Dale (verdwenen)

    Deze boerderij werd rond 1910 gebouwd in opdracht van de eerste bewoners, Herman Bulsink, afkomstig van Nonhof, en zijn echtgenote Everdina Hendrina Blekkink. Hun pleegzoon, Adolf Melitz, werd later de volgende hoofdbewoner.

    Melitz was Duitser van geboorte, maar liet zich in 1938 naturaliseren tot Nederlander. Kort na de Duitse inval sloot hij zich aan bij de N.S.B. en trad in 1941 toe tot de Waffen SS, in de rang van Obergefreiter. In september van dat jaar nam hij deel aan gevechten aan het Duits-Russische front bij Dnjepropetrovsk en Rostov. Hierbij liep hij blijvend letsel op aan zijn neus en arm.

    In 1942 werd de boerderij in de telefoongids vermeld als ‘Streekboerderij’ van de N.J.S. (Nationale Jeugdstorm). Naar verluid werd de boerderij na de Bevrijding door mensen uit de omgeving (?) in brand gestoken als vergelding en werd daarna niet meer herbouwd.

    In 1947 werd Melitz veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf, 2000 gulden boete en ontzegging van het kiesrecht.


    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving
    1915C-4316Herman Bulsink, landbouwer9.290 m² huis, schuur & weiland

    Bewoners

    Bevolkingsregister 1900-1910

    Dale 33

    Na hun huwelijk komen op deze nieuw gebouwde boerderij wonen:

    Herman Bulsink (Dale, 04-02-1867), afkomstig van Nonhof
    trouwt op 04-05-1910 in Aalten met
    Everdina Hendrina Blekkink (Woold, 01-05-1872)

    Bevolkingsregister 1910-1920

    Dale 33 > 36

    Herman Bulsink (Dale, 04-02-1867)
    Everdina Hendrina Blekkink (Woold, 01-05-1872)

    Bevolkingsregister 1920-1930

    Dale 36

    Herman Bulsink (Dale, 04-02-1867)
    Everdina Hendrina Blekkink (Woold, 01-05-1872)

    Adolf Melitz (Alstaden (D), 12-08-1914), pleegzoon

    Adresboek 1934

    Dale 36 > 28

    H. Bulsink

    Kenmerken


    Kadastraal nr.onbekend
    FunctieBoerderij
    Bouwjaarca. 1910
    Verwoest1945

    Verwante boerderijen


  • Bernard Huinink

    Bernard Huinink

    Raadslid en wethouder

    Bernard Huinink was jarenlang wethouder van de PvdA in Aalten. Zijn bijnaam luidde daarom ‘Rooien Huunink’. Legendarisch waren de roerige raadsvergaderingen met Willem te Gussinklo (alias ‘Piepkes Willem’) van de AR.

    Bernard Huinink werd op 11 februari 1886 geboren in Aalten (Hogestraat 64), zoon van Herman Huinink en Janna Geertruid Obrink. Op 8 februari 1912 trouwde hij in Aalten met Grada Wilhelmina Schepers. Zij gingen wonen in de Ormelstraat.

    Huinink overleed op 5 juni 1970 en werd begraven op begraafplaats Berkenhove.

    Koninklijke onderscheiding

    Bernard Huinink nam in 1919, op 33-jarige leeftijd, plaats in de gemeenteraad van Aalten. Hij zou die zetel bijna 45 jaar behouden, eerst voor de SDAP en later voor de PvdA. In september 1959 vierde hij zijn 40-jarig jubileum als zodanig en ontving hij een koninklijke onderscheiding. In 1964 nam Huinink, de ‘nestor van de gemeenteraad’, afscheid als raadslid ‘in verband met zijn vergevorderde leeftijd’ (77). Hij werd opgevolgd door zijn 37-jarige zoon, Jan Huinink, Admiraal de Ruyterstraat 21, chef van het plaatselijk PTT-bedrijf.

    Bernard Huinink krijgt koninklijke onderscheiding opgespeld door burgemeester E.S. van Veen
    Bernard Huinink krijgt koninklijke onderscheiding opgespeld door burgemeester E.S. van Veen

    Bronnen


  • Aalten in Oorlogstijd

    Aalten in Oorlogstijd

    In april 1939 wordt in Aalten een grenswachtdetachement gelegerd van 36 man, ondergebracht in boerderijen. Met zand gevulde buizen worden her en der als obstakels geplaatst. Rond 1 september, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, vertrekken enige honderden Aaltenaren per trein naar de diverse garnizoensplaatsen. Op 9 mei 1940 is de gemeentearchitect opgedragen op meerdere wegen versperringen aan te brengen.

    10 mei denderden Duitse legereenheden Aalten binnen. De rond boerderijen opgestelde soldaten bieden geen weerstand. Enkele dagen later ziet men Nederlandse krijgsgevangenen in open vrachtwagens naar Duitsland afgevoerd worden. Vier Aaltenaren sneuvelen bij de Grebbeberg. Een groep van vijfhonderd teruggekeerde krijgsgevangenen wordt enthousiast in het feestgebouw onthaald en reist dan weer verder met de trein.

    Tweehonderdvijftig Rotterdamse kinderen hebben hier in de zomermaanden gelogeerd. Zo ook in 1941. Heel wat (jonge) mensen gaan in Duitsland werken want dat verdient goed. Er is al heel wat op de bon. De voedselproductie komt onder controle, waarvoor Aalten in drie districten wordt ingedeeld, elk onder een plaatselijke bureauhouder.

    Onderduikers

    In de zomer van 1942 komen in Aalten de eerste onderduikers om zich te onttrekken aan de Arbeidseinsatz. Nog kort tevoren laat de eerste groep werknemers van Dutch Button Works te Bredevoort zich keurig in het pak fotograferen met het oog op de tewerkstelling in Duitsland. Van textielfabriek Driessen wordt ook een groep ingezet.

    Omstreeks vijfhonderd Scheveningse evacués vinden hier in januari 1943 onderdak. Zij behoren bijna allemaal tot de gereformeerde kerk. In Winterswijk zijn dat er achthonderd, allemaal hervormden. Eens in de drie weken vertoeft hier een Scheveningse predikant die dan ook voorgaat in een kerkdienst.

    Gijzelaars

    De Duitsers voeren de druk steeds meer op om mannen aan het graven te zetten. Het meest intimiderende was op 18 oktober het vastzetten van 12 gijzelaars. De volgende dag vertrekken 550 mannen naar Zevenaar. Tien dagen later worden nog eens zeven mannen gegijzeld en melden zich 250 personen. De predikanten en R.K geestelijken hadden een oproep gedaan ‘barmhartigheid en naastenliefde te betonen ten aanzien van hen die in direct levensgevaar verkeren’.

    Per circulaire dringt een representatieve groep gemeentenaren aan op een regeling van aflossing. Die komt er. Voortdurend zal een predikant in Zevenaar erbij zijn tot steun en geestelijke verzorging. Maar er gaat ook een clandestien stencil rond met de oproep zich af te vragen ‘of het verantwoord is mede te werken aan verdedigingswerken van de vijand, waardoor straks veel meer dan elf mensenlevens (….) zullen sneuvelen.’

    De laatste maanden

    Enkele momenten uit de laatste drie donkere maanden: Individuele etenhalers blijven komen maar ook weet een comité ‘Hulp aan het Westen’ een paar karrevrachten vooral graan bijeen te brengen. Het lukt dokter Der Weduwen zieke mensen uit kamp Rees naar het noodziekenhuis in Avondvrede aan de Hogestraat over te brengen. Zware gevallen gaan naar het in het jongensinternaat in Harreveld ingerichte ziekenhuis. Der Weduwen komt om als zijn auto vanuit de lucht beschoten wordt.

    Er vallen doden bij bombardementen op de R.K. kerk en pastorie, op boerderijen tussen Grevinkweg en Elshoekweg, op de hoek Prinsenstraat/Bredevoortsestraatweg en op 24 maart het hevigst bij een bombardement gericht op de textielfabriek Gebr. Driessen en de Aaltense Tricotagefabriek, achttien doden. De materiële schade is elke keer groot.

    Er speelt zich een drama af rond een verzetsgroep dat zich schuilhoudt in de verlaten boerderij ‘De Bark‘. Dicht daarbij in ‘Somsenhuus‘ worden Duitsers ingekwartierd terwijl daar zeven geallieerde piloten zijn ondergedoken. Het totale aantal militairen in deze tijd in Aalten schat men op ca. vierduizend.

    Bevrijding

    In de laatste dagen van maart is duidelijk dat de ontknoping nabij is. Hoe hard zal er worden gevochten? Velen verlaten het dorp, anderen zoeken bescherming in hun schuilkelder. Er zwerven nog Duitse soldaten rond. Dan rollen op Goede Vrijdag 30 maart ’s morgens vroeg nota bene vanuit Duitsland de Engelse tanks Aalten binnen. Hier en daar bieden Duitsers nog hevige tegenstand. Tien Britten sneuvelen op die dag, in Barlo komen zeven personen om bij een granaatinslag in een schuilkelder. Droefenis en blijdschap, Aalten is bevrijd.

    Meer informatie


    Bronnen


    • ‘Aalten in Oorlogstijd’, J.G. ter Horst – Messink & Prinsen, 1985, ISBN: 9090008802
  • Gedenkzuil Grebbeberg

    Gedenkzuil Grebbeberg

    In het kader van 70 jaar bevrijding werd in 2015 op de Oude Algemene Begraafplaats in Aalten een gedenkzuil geplaatst ter herdenking aan alle Aaltense soldaten die in mei 1940 op en rond de Grebbeberg hebben gevochten. Zeven Aaltense militairen verloren daarbij het leven. Hun namen en foto’s zijn op de gedenkzuil vereeuwigd.

    De tekst op de zuil luidt:

    Aaltense militairen in mei 1940

    In de vroege ochtend van 10 mei 1940 vallen Duitse troepen het neutrale Nederland binnen. Voor ons land begint hiermee de Tweede Wereldoorlog. De gemobiliseerde Nederlandse soldaten nemen stelling in een aantal verdedigingslinies, waaronder de Grebbelinie. In de hoofdweerstandsstrook op en rond de Grebbeberg bij Rhenen wordt fel gevochten.

    De meeste militairen overleven de strijd en kunnen, vaak na kort krijgsgevangenschap, terugkeren naar Aalten. Zeven families verkeren enige tijd in onzekerheid. Zij ontvangen uiteindelijk het droevige bericht dat hun zonen niet zullen terugkeren; ze zijn gesneuveld. Hun leven is ontwricht door dit grote verlies. Op deze plek worden alle Aaltense soldaten die in mei 1940 hebben gevochten herinnerd.

    Veel Achterhoekers, waaronder een flink aantal jongemannen uit Aalten, zijn ingedeeld bij het 8ste Regiment Infanterie (8 R.I.). Deze eenheid speelt een belangrijke rol bij de verdediging van de Grebbeberg. De slecht geoefende en uitgeruste soldaten voeren een ongelijke strijd tegen een oppermachtige vijand. Op dappere wijze proberen zij zo lang mogelijk stand te houden. De Duitsers noemen de berg met ontzag ‘Der Teufelsberg’. Toch moet ons land al op 14 mei 1940 capituleren.

    Voor het vaderland zijn op 12 en 13 mei 1940 gevallen:

    Meer informatie: Nationaal Onderduikmuseum

  • Stolpersteine

    Stolpersteine

    In Aalten liggen 34 Stolpersteine voor twaalf adressen. Een Stolperstein (struikelsteen) is een gedenksteen die geplaatst wordt in het trottoir voor het huis van waaruit in de Tweede Wereldoorlog mensen door de nazi’s zijn weggevoerd naar een vernietigingskamp. Als je, meestal onverwacht, voor je voeten zo’n steen ziet met de naam van een slachtoffer, word je er weer even aan herinnerd hoe tijdens die oorlog vele miljoenen het slachtoffer zijn geworden van systematische moord.

    De stenen hebben een oppervlakte van 10 bij 10 cm. Op de bovenkant is een messing plaatje aangebracht. Daarin zijn de naam, het geboortejaar, de datum van wegvoering en de plaats en datum van overlijden gestanst. Zo herinnert elk van die stenen aan één van die slachtoffers. Een mens die op déze plek heeft gewoond en hiervandaan is gedeporteerd, om nooit meer terug te keren.

    Bedenker

    Het Stolpersteineproject is bedacht door de Duitse kunstenaar Gunter Demnig. Hij maakte het formaat van deze ‘stenen des aanstoots’ bewust niet te groot, zodat men een buiging moet maken om de opschriften te kunnen lezen.

    Demnig begon in 1997 met het leggen van de eerste Stolperstein in de Berlijnse wijk Kreuzberg. Inmiddels liggen er in vele landen al Stolpersteine. Gunter Demnig geeft ieder slachtoffer zo een eigen monument. Zijn motto luidt: “Een mens is pas vergeten als zijn of haar naam vergeten is“.

    Aanvankelijk maakte hij alle stenen één voor één zelf, want massaproductie vindt hij in strijd met de gedachte achter het project. Maar gedwongen door de stormachtige ontwikkeling van het project, laat hij zich tegenwoordig ondersteunen door een bevriende kunstenaar. Hij staat erop om de eerste stenen in een bepaalde plaats persoonlijk te leggen. De overige stenen worden tegenwoordig meestal door gemeentelijke stratenmakers geplaatst.

    Stolpersteine in Aalten

    In Aalten zijn er 34 Stolpersteine gelegd voor de volgende adressen:

    • ’t Dal 1: Levi Salomon Schaap, Ella Schaap-Philips, Eliazar Hars Schaap, Frits Landau, Amalia Landau-Lorch
    • Dijkstraat 10a: Levie van Gelder, Jula van Gelder-Landau, Arnold van Gelder
    • Eerste Broekdijk 51: Roberth Fuldauer, Rozetta Fuldauer-van Gelder, Lina Sara Fuldauer, Sara Fuldauer, Meijer David Fuldauer, Cato Konijn
    • Grevinkweg 5: Sally Fuldauer, Regina Fuldauer-de Jong
    • Haartsestraat 64: Wijnand Andriesse
    • Hogestraat 3: Jacob ten Bosch en Jansje ten Bosch-Bouwman
    • Hogestraat 13: Moritz Cohen, Bernhard Cohen, Karoline Japhet-Eppstein
    • Hogestraat 55/1: Albert Lewy, Friederika Lewy-ten Bosch, Berta Mathilde Lewy
    • Hogestraat 94: Salomon Goedhart, Philippina Lea Goedhart-Rosenburg
    • Landstraat 41: Johannes der Weduwen
    • Lichtenvoordsestraatweg 17: Philip van Gelder, Elise van Gelder-Cohen, Jozef Backs
    • Stationsstraat 24: Abraham van Gelder, Reintjen van Gelder-de Jong
    • Vellegendijk 17: Hendrik Wiggers

    In één geval kon de steen niet voor de woning van het slachtoffer worden gelegd omdat deze woning (Industriestraat 4) niet meer bestaat. Ook is er geen trottoir om de steen in te leggen. Daarom is deze steen voor de synagoge gelegd:

  • Vliegermonument IJzerlo

    Vliegermonument IJzerlo

    Huisstededijk, IJzerlo (net voor bruggetje Keizersbeek)

    Het monument ‘Vliegen voor de Vrede’ is een herdenkingsmonument gelegen aan de Huisstededijk in de Aaltense buurtschap IJzerlo. Het monument is opgericht ter nagedachtenis aan de crash van een Engelse bommenwerper tijdens de Tweede Wereldoorlog, die in de nacht van 26 juni 1943 neerstortte in een nabijgelegen aardappelveld.

    In de bewuste nacht van 26 juni 1943 vlogen ruim 400 Britse bommenwerpers over de Achterhoek, op weg naar de petrochemische industrie van Gelsenkirchen voor een bombardementsmissie. Een van deze toestellen, een Short Stirling BK767 van het 214 Squadron van de Royal Air Force, met zeven bemanningsleden aan boord, was net voor middernacht op 25 juni opgestegen.

    Omstreeks 01:20 uur werd het toestel in brand geschoten door nachtjachtpiloot Oberleutnant Ludwig Meister, die vloog in een Messerschmitt Bf 110 G-4, kort daarvoor opgestegen vanaf vliegveld Venlo. De Stirling stortte neer in een aardappelveld tussen de boerderijen van de families Van Lochem aan de Huisstededijk en Ter Horst aan de Veldweg.

    Van de zeven bemanningsleden overleefden slechts twee de crash. Zij werden later bij Hemden gevangen genomen en brachten de rest van de oorlog door in Duitse krijgsgevangenschap. De overige vijf bemanningsleden kwamen om en werden op 29 juni 1943 met een korte plechtigheid begraven op begraafplaats Berkenhove in Aalten.

    De volgende dag trokken veel Aaltenaren naar de begraafplaats. Op het middelste graf legden ondergrondse strijders een krans met linten neer met de tekst: ‘Gebroken vleugels, onsterfelijke roem’. Op last van de bezetter moest deze woorden verwijderd worden, maar ze leven voort op het monument.

    De omgekomen bemanningsleden zijn:
    F/O. B.H. Church, 21 jaar
    Sgt. W. Th. Davis, 21 jaar
    Sgt. F. Mills, 20 jaar
    Sgt. W.H. Thompson, 21 jaar
    F/O. J.F. Tritton, 28 jaar

    Overlevenden, maar gevangen genomen:
    • F/O. K.A. Nielson
    • Sgt. E.G. Taylor

    Het monument

    In 2003 werd een monument onthuld op de plek waar een van de lichamen van de bemanningsleden werd gevonden, nabij de fietsbrug over de beek aan de Huisstededijk. De maker, Wim Westerveld, gaf het de naam ‘Vliegen voor de vrede’ en creëerde een kunstwerk dat meerdere lagen van symboliek bevat.

    Het monument bestaat uit een witte stenen bol met daarop een metalen sculptuur dat vanuit bepaalde gezichtshoeken een duif voorstelt en vanuit andere hoeken vlammen. De bol rust op een schuin de grond in stekende metalen buis, waarop een plaquette is bevestigd. Bij de onthulling van het monument  was één van de twee overlevenden, navigator Edwin Taylor (1922) aanwezig.

    Betekenis

    Het beeld stelt de aarde voor met daarop een vredesduif, die het verlangen naar vrede symboliseert. Vanuit bepaalde gezichtshoeken verandert de duif echter in vlammen, die de tragische gebeurtenis van de crash en de vurige toewijding van de bemanning aan hun missie symboliseren. De vlammen verwijzen ook naar het vuur dat het vliegtuig aan bommenlast met zich meebracht. De gebroken vleugels op het monument staan symbool voor de abrupt geëindigde missie van de bemanning.

    Het monument dient niet alleen ter herinnering aan de bemanning van de Stirling BK 767, maar draagt ook een bredere boodschap uit. Het fungeert als een waarschuwing tegen oorlog en herinnert ons aan de vrijheid die we vandaag de dag genieten. Het roept op om zuinig te zijn op deze vrijheid en om die ook anderen te gunnen.

  • Bernard Leezer

    Bernard Leezer

    Nieuw Israëlitisch Weekblad, 26 maart 1993

    door Loeki Abram

    Bernard Leezer (57) woont in Aalten in de Achterhoek. Hoewel hij zesentwintig jaar een slagerij heeft gehad, vindt hij zichzelf eigenlijk geen slager. Hij is vader van drie zoons en een dochter en grootvader van twee kleinkinderen. Een gesprek over vlees, onderduiken en voetballen.

    „Mijn ouders zijn allebei overleden. Mijn vader was veehandelaar en mijn moeder kwam uit een welgestelde familie in Wilhelmshaven in Noord-Duitsland. Eigenlijk paste ze helemaal niet bij mijn vader. Hij was een Groninger stijfkop die het nieuw zo nauw nam met de etiquette. Dat botste. Als mijn vader thuis kwam en voor het eten zijn handen vergat te wassen, was het huis te klein. Hij wilde zich natuurlijk ook niet zomaar onder de zoden laten schoffelen dus ging hij daar tegen in. En dan zei mijn moeder: ‘Na und wie bist du denn, wie bist du denn überhaupt’? Moeder sprak thuis Duits. Ook vloeiend Nederlands, maar dat sprak ze bijna nooit. Ik ben tweetalig opgevoed.”

    „De vader van mijn moeder was paardenhandelaar. Zij ging altijd met een sjeesje naar de tennisbaan. Wie dat in die tijd deed, behoorde tot de betere klasse. Daarom zeg ik ook dat mijn ouders elkaar uit nood hebben leren kennen. Zij is in 1932 met haar twee kinderen – mijn vader en moeder zijn beide eerder getrouwd geweest – naar Nederland gevlucht. Mijn vader had uit zijn eerste huwelijk zes kinderen. Twee van zijn kinderen, waarvan een met man en kind, zijn vergast. Ik ben het enige kind uit het tweede huwelijk.”

    „Mijn moeder was een dominante vrouw. Zij hield haar eigen kinderen de hand boven het hoofd. De kinderen van mijn vader moesten wijken. Zij moesten zich al vroeg zelf bedruipen. Het was voor hen natuurlijk ook niet eenvoudig een vrouw te accepteren die hun moeder niet was. Vader was een man die terwille van de sfeer iets had van: Laat maar. Toe maar.”

    „Ik ben erg door mijn moeder beïnvloed. Als ik op vakantie wilde zei ze: ‘Du brauchst nicht so weit weg, wenn etwas passiert. Als je oud genoeg bent zul je een vrouw zoeken en gaan werken.’ Ik ben tegen mijn zin in slager geworden. Ik wilde eigenlijk vlieger worden. Moeder wou dat niet hebben. Dus werd het slager, maar eigenlijk ben ik geen slager. Ik ben te emotioneel. Ik ben tegen ritueel slachten, want ik vind dat een dier recht heeft op bedwelming. God heeft ons de dieren gegeven. Prima, maar moet een beest zoveel pijn lijden voordat wij het opvreten?”

    „De eerste joden die werden opgehaald waren de Fuldauers. Zij woonden vlak bij ons in de buurt. Ze werden weggehaald door politieagent Dijke uit Aalten. Het was een klein fanatiek mannetje. De familie Fuldauer liep bepakt en bezakt en hij liep voorop met zijn fiets losjes aan de hand en bracht die mensen naar het Feestgebouw. Daar werden de joden bijeengebracht om vandaar naar Westerbork te worden getransporteerd. Voor het slachthuis stonden mensen en die zeiden: ‘Zo Dijke, dat kun je zo wel volhouden hè?’ Toen zei mijn moeder: ‘Het wordt tijd. We moeten weg.’ Na de oorlog kwam die Dijke een keer bij ons in de winkel. Ik liep om de toonbank heen en zei: ‘Dijke eruit en kom hier nooit weer anders klieven we je. Het was de man die de eerste jidden uit Aalten heeft weggehaald en die kwam binnen alsof er niets was gebeurd.”

    „Kees Ruizendaal bijgenaamd Zwarte Kees – ook een politieagent, maar een goede – heeft ons aan een onderduikadres geholpen. Hij is later in Doesburg gefusilleerd. Ik heb eerst met mijn halfzusje Helga bij Klein-Entink gezeten en later met mijn ouders bij Hendrik Groot-Nibbelink in de Stroete in Lintelo. We zaten bij drie wezen ondergedoken. Het waren eigenlijk nog kinderen. Drika, de oudste was 26, Hendrik en Bernard waren even in de twintig. Voor mij zijn dat helden. Je weet wat er met ze was gebeurd als we gepakt waren. Het waren christelijke mensen. Ze deden wat ze deden uit liefde en niet voor de poen. Ik denk daar vaak over na. Ik vind het ongelooflijk wat zij hebben gedaan. Hendrik is vorig jaar overleden. De dominee hield een mooie preek. Ik ben in de koffiekamer gaan zitten. Ik had zoiets van als ik de dominee aankijk, krijg ik zo’n joekel van een krop in mijn keel. Ik kan me als kerel toch niet laten gaan?”

    „Tijdens mijn onderduik ging ik ’s avonds als het donker was met Hendrik naar buiten. Naast de boerderij stond een oude appelboom. Hij stond vreselijk schuin en moest gestut worden. Daartussen was een klein stukje grond. Als Hendrik die dag bijvoorbeeld rogge had gezaaid dan ging ik ’s avonds ook rogge zaaien op dat stukje grond. Hij was mijn grote voorbeeld, daarom was ik ook zo kapot toen die man stierf. Hij was als een vader voor me.”

    „Ik bracht veel tijd door bij de koeien of bij het paard. De Duitsers hebben Lies – zo heette ze – een keer gevorderd. Het was een sodemieter. Ze beet en trapte iedereen behalve mij. Ik kon bij wijze van spreken bij haar slapen. Hendrik kon Lies weer ophalen omdat de Duitsers haar niet in bedwang konden houden. Ik was zo blij dat ze terug was. Ik kon tenminste weer met haar knuffelen. Drika deed wel spelletjes met me. Mijn vader was te oud om met mij te spelen. Hij was doodsbenauwd dat mij iets zou overkomen. Ik weet niet of hij dat zou hebben overleefd. Hij was stapelgek op me. Toen ik later uit ging en laat thuis kwam kon hij nooit gaan slapen. Hij bleef altijd wakker en zei: ‘Waar is die jonger, nou toch.’ Mijn moeder was nuchterder.”

    „We hebben ook een tijd – toen het bij Groot-Nibbelink te gevaarlijk werd – bij Pennings in Varsseveld gezeten. Het was een hele christelijke familie. In de oorlog ging hij met paard en wagen naar Delft om glas te halen. Hij zat op de bok met in de ene hand de leidsels en in zijn andere hand een bijbel. Pennings had negen kinderen. Ik zit vaak aan de beek en dan denk ik: wat moet er allemaal in die man zijn omgegaan. Hij moest de rust in zijn gezin houden, de rust bij ons houden en zelf koelbloedig blijven. Er is een keer een huiszoeking geweest bij Pennings. Wij werden met zestien andere joden en mensen uit de ondergrondse onder het stro verstopt. Een van die ‘zwarten’ stond met zijn grote laarzen op de hand van mijn moeder. Hij heeft haar hele hand kapot getrapt. Pennings speelde beneden op het orgel: Blijf bij mijn Heer. Elke keer als ik dat hoor moet ik daar weer aan denken.”

    „Wij hebben bij echte christenen ondergedoken gezeten en later heb ik op een christelijke school gezeten. Maar ik heb nooit iets gehad van ik word christen. Mijn halfzusje Helga is gereformeerd geworden. Nou, dat heeft een paar druppels water gekost, maar daar is het ook mee gezegd. Heus, je kunt een paardenstal vol met Trakehners en Hannoveranen hebben, maar als je er een Arabier tussen zet, zie je dat. Je kunt jezelf niet verloochenen. Het eerste dat ze zeggen is: ‘Dat is toch een jodenstreek.’ Thuis hielden mijn vader en moeder mij het joodse leven voor. Mijn moeder was niet echt vroom. Mijn vader was orthodox. Hij heeft zijn hele leven, ook in de oorlog, geen gasser gegeten. Je bent een jid en daar ontkom je niet aan. Ik heb altijd gezegd: ‘Ik ben als jid geboren en ik sterf als jid’.”

    „Ik zou niet in Israël kunnen wonen vanwege de warmte, maar als ik in Erets ben vind ik het heerlijk. We gaan er geregeld heen, want onze dochter woont er. Als ik hier naar sjoel ga dan denk pff, maar daar vind ik het heerlijk. Na afloop sta je lekker met een groepje te sjmoezen. Dat kan hier niet meer. Vroeger wel. Voor de oorlog woonden er zo’n honderd joden in Aalten. Na de oorlog hadden we moeite minje te maken. Het is gewoon een andere sfeer. Je kunt je toch niet voorstellen dat je in Aalten met een keppeltje over straat loopt.”

    „Ik kan niet zeggen dat ik bang ben geweest. Ik kan me alleen herinneren dat ik na de oorlog op school als de dood was voor de postbode. Ik zat op de Groen van Prinsterer. Het was een ouderwetse school met een hele lange gang waar aan het einde de toiletten waren. Als ik de wc uitkwam en meneer Terbrake stond in zijn postbode-uniform aan het andere einde van de gang dan stond ik aan de grond genageld want ik had een ‘zwarte’ gezien. Dat krijg je als je jarenlang te horen hebt gekregen: ‘Die maken je dood.’ Terbrake ging dan gauw naar juffrouw Jonker en zei: ‘Bennie staat aan het eind van de gang.’ Zij kwam mij halen. Ze sloeg een arm om me heen en nam me mee naar de klas.”

    „De Groen van Prinsterer was een fantastische school. Het was een christelijke school. Het scheldwoord jood heb ik er nooit gehoord. Dat was op de openbare school wel anders. Ik kreeg bijles omdat ik op mijn elfde nog niet eens kon lezen en schrijven. Tijdens de onderduik lazen we wel boekjes en toen de oorlog was afgelopen zei mijn vader: ‘Hij leest dat hij barst.’ Maar je moet niet vergeten dat als je mij duizend keer zon boekje voorleest, dat ik het op een gegeven moment wel uit mijn hoofd ken. Eerst trapte ze erin, maar toen ik een ander boekje voor mijn neus kreeg, begreep ik er geen bal meer van.”

    „Tijdens de oorlog was ik mij er niet van bewust dat het om een kwestie van leven of dood ging. Geen mens kan mij vertellen dat een jongetje van een jaar of acht dat begrijpt. Er werd gezegd: ‘Je mag niet naar buiten want daar lopen mensen en die maken je dood.’ Dat dringt toch niet echt tot een kind door. Je kan duizend keer tegen een hond zeggen: ‘Daar mag je niet aankomen.’ En op een gegeven moment komt hij daar ook niet meer aan. Maar waarom dat niet mag, dat begrijpt hij niet.”

    „De laatste periode van de oorlog zaten we weer bij Hendrik in de Stroete. Daar hebben we ook de eerste tijd na de bevrijding gewoond omdat we geen huis meer hadden. Mijn moeder ging op zoek naar haar meubels. Ze heeft een heleboel teruggekregen. Mijn vader heeft bij een christelijke kerk een lening gesloten. Hij was een beetje nonchalant met terugbetalen, want jaren later kregen we nog een aanmaning. Direct na de oorlog heeft hij een advertentie gezet in de krant: ‘Na tweeënhalf jaar ondergedoken te zijn geweest, heropen ik mijn slagerij‘. Mijn vader was geen goede slager. Hij was een veekoopman. Een echte handelaar. Zo van: één twee hup, teken dat beest even af.”

    „Na de lagere school ben ik naar de technische school gegaan. Dat wilde ik helemaal niet, maar mijn moeder zei: ‘Du sollst ein Handwerk lernen.’ Verder heb ik een zooitje diploma’s gehaald. Daarnaast heb ik altijd veel aan sport gedaan: tennis, hockey en voetbal. Ik kreeg van mijn vader geen geld voor voetbalschoenen. ‘Dat moet je maar verdienen’, zei hij. Ik moest mijn vader altijd helpen, maar ik kreeg er geen geld voor. Mijn zwager had een noodslachterij. Als er ’s nachts een noodslachting was belde hij mij uit bed en ging ik hem helpen. Daar kreeg ik ook geen geld voor, maar wel: de kop, de tong, de uier en de lever en dat verkocht ik. Daarvan kon ik mijn voetbalschoenen kopen.”

    „Ik heb als semi-prof bij De Graafschap gespeeld. Van voetbalclub Aalten ben ik naar de Winterswijkse Voetbal Club gegaan. WVC was een elitaire club. Doordat ik in Winterswijk naar school ging en daar in het schoolelftal zat, speelde ik mij in de kijker. Toen ik van Aalten naar Winterswijk ging was ik wel een rotjood. Waarom? Ik verloochende Aalten. WVC was een elite club, die haatten ze. Ik was een echte snelle rechtsbuiten. Maar ik was heel tenger gebouwd. Ze hoefden mij maar tegen de enkel te tikken en dan rolde ik 34 keer over de kop. Later heb ik ook op de midvoorplaats gespeeld. Eigenlijk was ik daar te klein voor, maar ik donderde altijd op de grond en dan hadden we de scheidsrechter op ons hand. Ik heb twee seizoenen bij De Graafschap gespeeld tot ik op een dag door Dick Tol bijgenaamd ‘de knoest’ uit de wedstrijd werd geschopt.”

    „Uiteindelijk heb ik 26 jaar een slagerij gehad. Nu zeg ik: ‘Ik zou het nooit meer willen doen.’ Een onsje van dit, een onsje van dat. Nooit meer, maar ik heb wel plezier gehad. Vooral in het begin van de jaren zestig kregen we veel Duitse klanten. Het vlees was in Nederland goedkoper dan in Duitsland. Je moest oppassen dat je de Duitsers niet voortrok, dan kreeg je trammelant met de Nederlanders. Nederlanders werden bij mij altijd direct geholpen door mijn knecht of door mijn vrouw. Ook al waren er drie Duitsers voor, een Nederlander werd eerst geholpen. Ik maakte een pieskapee en zei: ‘Kurt, ich hilf dir’.”

    „’s Avonds kwamen de restauranthouders uit Bocholt en die bestelden tien, vijftien strengen karbonades Er waren een paar douanebeambten die altijd vlees kwamen halen. Zij hoefden nooit te betalen. Als ze kwamen, zeiden ze: ‘Mann, heute abend habe ich wieder dienst.’ En dan ging ik ’s avonds in mijn Opeltje, het reservewiel eruit, de strengen karbonades erin, hup zo de grens over. Ik kon altijd doorrijden. Mijn vrouw wist van niets en ik dacht wat niet weet wat niet deert. Het was een tijd van avontuur en scharrelen.”

    Bron


  • Oorlogsmonument

    Oorlogsmonument

    Whemerstraat, Aalten

    Het oorlogsmonument op de Wheme is opgericht ter nagedachtenis aan alle medeburgers die tijdens de bezettingsjaren door oorlogshandelingen zijn omgekomen. Met het gedenkteken wordt tevens de bevrijding in herinnering gebracht.

    De oprichting van het gedenkteken was een initiatief van het comité Stichting Monument 1940-1945. Onder de Aaltense bevolking heerste er direct na de bevrijding de behoefte om met een monument de oorlogsslachtoffers te eren.

    Het monument bestaat uit een beeld van een mannenfiguur met vrouw en kind. Het beeld van Franse kalksteen is geplaatst op een terras. Het voetstuk bestaat uit metselwerk, beton en natuursteen. Het gedenkteken is 1 meter 31 hoog, 1 meter 43 breed en 90 centimeter diep.

    Het monument is onthuld op 16 juni 1956 door Hendrik Jan (Ome Jan) Wikkerink, leider van de voormalige verzetsbeweging in Aalten.

    De tekst op het voetstuk luidt:

    OM TE DOEN
    GEDENKEN
    1940 1945

    De groep is met het gelaat naar het zuiden gericht van waar de verdrukking, maar ook de bevrijding kwam. Kunstenares Bé Thoden van Velzen omschreef het beeldhouwwerk als volgt: “… voorstellende man, vrouw en kind, als symbool van het gehele Nederlandse volk, verwachtingsvol uitziende naar de bevrijding, ongebogen en onverzwakt.”

    Kenmerken


    FunctieMonument
    Onthulling1956

    Bronnen


  • Eigendommen uit kampen na zes jaar terug

    Eigendommen uit kampen na zes jaar terug

    Dagblad Tubantia, 5 augustus 1950

    Vooral in de laatste jaren van de oorlog werden verschillende Aaltense ingezetenen door de Duitsers gearresteerd en overgebracht naar een kamp. Bij aankomst in het kamp werden hun alle bezittingen afgenomen. Het schijnt dat men thans bezig is met het terug zenden van de indertijd in beslag genomen voorwerpen, voor zover ze nog aanwezig zijn in de voormalige kampen. Een opmerkelijk voorval hiervan delen wij thans mede:

    In Januari 1944 werden ’s morgens bij de Geref. Westerkerk tal van jongemannen gevangen genomen. Zij werden eerst overgebracht naar Amersfoort. Onder hen bevond zich ook de heer H. Stronks uit Dale. Hij moest al zijn bezittingen afgeven, o.a. zijn polshorloge. Stronks is nadien bij een bombardement op het vliegveld Soesterberg gewond geraakt, werd in een ziekenhuis opgenomen en zag kans vandaar te ontvluchten.

    De heer J. Tolkamp uit Barlo, die op dezelfde morgen werd gearresteerd en eveneens naar Amersfoort werd overgebracht, werd in September op transport gesteld naar Neuengamme. Bij het verlaten van het kamp kreeg hij verschillende bezittingen terug, o.a. ook een polshorloge. Tolkamp beweerde, dat dit horloge niet zijn eigendom was doch aan Stronks behoorde. De bewaarders van het kamp wilden evenwel dat Tolkamp dit horloge toch mee nam. Dit heeft hij toen ook gedaan.

    Bij aankomst in Neuengamme moesten alle bezittingen weer afgegeven worden. Ieders bezittingen werden in een zakje gedaan, waarop het gevangennummer werd vermeld, waarna het zakje in een grote lade werd geworpen. Men zou er, zo dacht men, wel nooit wat van terug zien.

    Inmiddels heeft de heer Tolkamp in vier verschillende Duitse kampen vertoefd en kwam na de bevrijding weer naar Aalten. Zaterdag heeft de heer Tolkamp bericht ontvangen dat hij op het Bureau Sociale Zaken te Aalten een pakje in ontvangst zou kunnen nemen. Het bleek dat dit pakje kwam uit Neuengamme. Het was hetzelfde zakje, waarin men in het kamp zijn bezittingen had gedaan. Zelfs het kampnummer — 48769 — stond er nog op.

    In het zakje zaten twee, door de heer Tolkamp in Amersfoort gemaakte ringen en een polshorloge. Het bleek het horloge te zijn van de heer Stronks, die hoogst verbaasd was, toen hij na zes jaar zijn eigendom, dat hij reeds lang had afgeschreven, weer terug ontving. Zijn klederen heeft de heer Tolkamp echter niet terug ontvangen en evenmin het in beslag genomen geld.

    Eigendommen uit kampen na zes jaar terug - Twentsch Dagblad Tubantia, 05-08-1950

    Bron


  • Teruggekeerd uit Nederlands Indië

    Teruggekeerd uit Nederlands Indië

    Aaltensche Courant, 21 mei 1948

    Twee neven ontmoeten elkaar op de boot, na elkaar 13 jaar niet gezien te hebben

    Grote vreugde heerste Woensdag in de gezinnen Neerhof en Lievers, toen hun zoons na respectievelijk 13 en 2½ jaar diensttijd in het Verre Oosten weer behouden en gezond huiswaarts keerden. Meibomen en groen, wapperende vlaggen, alles duidde op een blijde terugkomst. Wij smaakten het genoegen van beide jongens enige bijzonderheden te mogen vernemen.

    Henk Neerhof

    Als eerste laten we aan het woord soldaat H. Neerhof, K.N.I.L. We troffen Henk temidden van familieleden en vrienden, en op ons verzoek om iets over zijn belevenissen te willen vertellen, kregen we het volgende te horen:

    „Na mijn opleiding in Nijmegen vertrok ik in augustus 1935 naar Indië, met bestemming Bandoeng. Tot de Japanse invasie heb ik hier steeds in garnizoen gelegen. Na een harde strijd werd ik met vele anderen krijgsgevangen gemaakt en overgebracht naar het bekende strafkamp te Tjilatjap. Hier leerden we de Japanners kennen als een kruiperig, onderdanig volk, bruut en sadistisch in hun optreden, doch ook dodelijk beangst voor hun meerderen.

    Na deze kamptijd werden we overgebracht naar Thailand en hier begon de lijdensweg, het werken aan de „dodenlijn”, de Burma-spoorweg, dat 1½ jaar duurde. Van hier werd ik naar Japan gebracht, waar ik op het eiland Kioesjoe twee jaar als mijnwerker in de steenkolenmijnen doorbracht. Dat ook deze tijd verre van rooskleurig was, valt licht te begrijpen.

    Daar maakte ik tenslotte in 1945 de bevrijding mee, een bevrijding, die ik nooit meer vergeet. Het waren de Amerikanen, die ons uit alle ellende verlosten. Met onze uitgeputte lichamen hebben we gesprongen en gedanst. Amerikanen, toffe jongens! Het was gewoon enerverend.

    Met een Amerikaans vliegtuigmoederschip werd iedereen overgebracht naar Nagasaki, de stad die enige tijd tevoren door de atoombom was getroffen. De uitwerking hiervan is vreselijk geweest, alles was nagenoeg verdwenen, het was een verschroeid overblijfsel van een stad, bedekt met een dikke laag as. Van hieruit werd ik tenslotte naar Balikpapan geëxpedieerd, waar ik een goede tijd heb gehad. Hier werd ik weer bij een normale compagnie ingelijfd.

    En nu ben ik weer thuis, met een verlof van een half jaar. Ik stond werkelijk vreemd tegenover alles hier, het is zo klein en bekrompen, je moet eerst weer echt wennen. Ik ben blij weer thuis te zijn. De feestelijke ontvangst, alles versierd en een serenade van de A.O.V., het was prachtig.”

    Henk vertelde tenslotte nog, dat hij wederom naar Indië terugkeert. We wensen hem dan ook een heel prettige verloftijd toe en voor straks een goede vaart en een behouden aankomst in Indië.

    Jan Lievers

    Als tweede uit Indië terugkerende mochten we begroeten soldaat 1e klas Jan Lievers. Jan vertrok in October 1945 als vrijwilliger naar Indië, en was ingedeeld bij I-8-R.I. Na een opleiding in Ermelo kwam Jan via Engeland op Malakka terecht, daar de eerste Nederlandse troepen toen Indische bodem nog niet mochten betreden. Gelegerd in een oude rubberplantage te Lubok Kiab werd hier een zware jungle-training doorgemaakt.

    Eind Februari 1946 werd te Batavia voet aan wal gezet, de eerste Nederlandse brigade die in Indië aankwam. Na dienst te hebben verricht in en om Batavia werd vanuit Padang deelgenomen aan de politionele actie.

    Jan wist ons veel te vertellen over de schoonheid en pracht van ons Indië, hiermee alleen al zou een boekwerk te vullen zijn. Hij kwam veel in contact met de inlandse bevolking, die onze jongens over het algemeen zeer goed gezind was. „Ik vind het een voorrecht dat ik dit alles mocht meemaken”, zeide Jan, „aan mijn diensttijd zal ik altijd een prettige herinnering bewaren”.

    Buiten de blijde intocht in Aalten, was Jan vooral getroffen door de bijzondere ontvangst die de terugkerende soldaten in IJmuiden en Amsterdam ten deel viel. Duizenden mensen waren hier op de been, het was groots. „Ik ben natuurlijk erg blij weer thuis te zijn het wordt nu zaak weer zo gauw mogelijk aan de slag te komen”. Ook Jan wensen wij het allerbeste toe en veel geluk in de toekomst.

    Terugkeer uit de Oost

    De Graafschapper, 5 juli 1948

    Zaterdag kwamen onze plaatsgenoten de OVW-ers Stronks, Haart 10 en Weevers, 1ste Broekdijk terug uit Indië Ook kwam terug de heer Neerhof, Trompstraat. Hij verbleef 13 jaar in de tropen. Bij zijn terugkeer bracht de A.O.V. een serenade. In ons blad van morgen hopen wij hier nader op terug te komen.

    Na 13 jaar weer thuis

    De Graafschapper, 6 juli 1948

    In 1935 vertrokken de gebroeders H. en J.H. Neerhof als leden van het KNIL naar Indië. Thans na 13 jaar zijn beiden weer behouden thuisgekeerd. Vanwege deze bijzondere gebeurtenis hebben wij hen een bezoek gebracht om hen geluk te wensen met hun behouden terugkeer. Het bleek dat beiden tot 1942 een rustig en goed leven hadden geleid.

    Toen de oorlog uitbrak kwamen beiden in krijgsgevangenschap. Beiden kwamen terecht aan de zg. Dodenbaan, de spoorlijn van Thailand naar Indo-China. De een aan de ene kant en de andere aan de andere kant. Zij waren echter nooit in de gelegenheid geweest elkaar daar te spreken. J.H. Neerhof ging hierna naar Indo-China waar hij tot het eind van de oorlog bleef. Hij was vol lof over de behandeling, die hij daar van de Fransen had ondervonden.

    H. Neerhof werd van Thailand overgebracht naar Japan, waar hij aan het werk kwam in de steenkoolmijnen van Kiusju. Na de capitulatie werd hij over Nagasaki, waar hij de verwoesting zag, die door de atoombom was aangericht, naar de Philippijnen overgebracht. In Manilla verbleef hij 2 maanden in quarantaine bij de Amerikanen. Daarna ging het weer naar Indië terug, waar ook zijn broer inmiddels was teruggekeerd.

    Op 23 April ontmoetten zij elkaar weer in Batavia voor het eerst na 13 jaar. Ongeveer 6 weken geleden kwam H. Neerhof thuis en Zaterdag J.H. Neerhof. Beiden verklaarden zeer getroffen te zijn door de thuiskomst die men hun hier had bereid. Een reuze thuiskomst, zoals ze meermalen verklaarden.

    Bronnen


  • Onderduikersmonument

    Onderduikersmonument

    Stationsstraat, Aalten

    Het onderduikersmonument aan de Stationsstraat is een dankbetuiging van oud-onderduikers aan de Aaltense bevolking voor hun gastvrijheid en aan de verzetsmensen die de stuwende kracht waren bij het onderbrengen van de onderduikers.

    Het monument bestaat uit een bakstenen gedenkmuur met fontein. In de gedenkmuur zijn een bronzen plaquette en twee gebeeldhouwde fragmenten van natuursteen aangebracht.

    Het monument is onthuld op 4 oktober 1947 door mevrouw D.G. Wikkerink-Eppink, de echtgenote van verzetsleider Hendrik Jan (Ome Jan) Wikkerink.

    De tekst op de plaquette luidt:

    AANGEBODEN AAN DE GEMEENTE AALTEN DOOR ONDERDUIKERS
    WELKE IN DE BEZETTINGSJAREN 1940-1945
    HIER EEN VEILIG TOEVLUCHTSOORD GEVONDEN HEBBEN.

    Op de gebeeldhouwde fragmenten staat als tekst psalm 91:5 en 6.

    De tekst van het linker fragment luidt:

    GIJ ZULT NIET VREZEN VOOR DE SCHRIK DES NACHTS,
    VOOR DE PIJL DIE DES DAAGS VLIEGT;
    VOOR DE PESTILENTIE DIE IN DE DONKERHEID WANDELT,
    VOOR HET VERDERF DAT OP DE MIDDAG VERWOEST.

    De tekst van het rechter fragment luidt:

    WANT HIJ ZAL U DEKKEN MET ZIJN VLERKEN EN
    ONDER ZIJN VLEUGELEN ZULT GIJ BEROUWEN.

    Het linker beeldhouwwerk is een voorstelling van drie bespijkerde laarzen van de horde der barbaren die een jong ontkiemende vrucht dreigen te vertrappen. Dit symboliseert de overweldiging en bezetting en beeldt het bedreigde jonge leven uit dat toch ontkiemt, ondanks het gevaar. Het rechter fragment is een pelikaan die met uitgespreide vleugels het nest met jongen beschermt. De pelikaan is een christelijk symbool voor totale zelfopoffering. Volgens de legende voedt de vogel haar jongen met haar eigen bloed. De vogel staat symbool voor de inbreng van het verzet in de strijd tegen de bezetter. Het tanende hakenkruis op de achtergrond verbeeldt de vergankelijkheid van de bedreiging.

    Bronnen


  • Gedenkraam in de Oosterkerk

    Gedenkraam in de Oosterkerk

    Gedenkraam Oosterkerk, Aalten

    In de Oosterkerk in Aalten bevindt zich een monumentaal glas-in-loodraam uit 1946. Het raam werd geschonken door een comité uit de Gereformeerde Kerk van Rotterdam-Kralingen, namens de kerken en de Joodse gemeenschap, als dank voor de hulp die de bevolking van Aalten tijdens de Tweede Wereldoorlog bood aan onderduikers, Joodse medeburgers, hongerlijders en honderden kinderen uit Rotterdam.

    Thomas Delleman (1898–1977) was van 1930 tot 1938 predikant in Aalten en daarna in Rotterdam-Kralingen. Na het bombardement op Rotterdam in mei 1940 nam hij het initiatief om kinderen uit zijn nieuwe gemeente voor een vakantie onder te brengen in Aalten. In de oorlogsjaren werden er in totaal circa 800 kinderen uit Rotterdam opgevangen door Aaltense gastgezinnen.

    Delleman zette zich ook op andere manieren in. Hij zorgde ervoor dat jongeren die de Arbeitseinsatz wilden ontlopen konden onderduiken in Aalten. In 1943 werden bovendien zo’n 500 geëvacueerden uit Scheveningen in Aalten ondergebracht. Tijdens de Hongerwinter vertrokken vanuit Aalten regelmatig treinen met voedsel naar het westen.

    Deze inzet maakte diepe indruk in Rotterdam en leidde er na de bevrijding toe dat een comité werd gevormd om de bevolking van Aalten te bedanken.

    Ontstaan van het gedenkraam

    Aanvankelijk was het de bedoeling om het raam in de Westerkerk te plaatsen, omdat daar tijdens een razzia in 1944 meer dan veertig jongemannen waren opgepakt. In de Oosterkerk waren echter alle ramen gesneuveld, nadat in januari 1945 in de buurt een V1 was neergekomen. Daarom werd besloten het raam in de Oosterkerk te plaatsen.

    Het raam werd ontworpen door de Rotterdamse kunstenaar Marius Richters (1878–1955) en uitgevoerd door glazenier Henri van Lamoen (1900-1949). Met een hoogte van acht meter en een breedte van ruim drie meter behoort het tot de grootste glas-in-loodramen in de Achterhoek. Richters maakte gebruik van krachtige kleuren en duidelijke, bijna verhalende scènes, waarin zowel de dreiging van de oorlog als de warmte van de hulpverlening tot uitdrukking komt.

    Het raam werd geplaatst in de voorgevel van de Oosterkerk en op 13 juli 1946 officieel onthuld door ds. Delleman. De plechtigheid werd rechtstreeks op de radio uitgezonden door de NCRV.

    Ontwerp

    Het raam is ruim acht meter hoog en drie meter breed en geplaatst in een trifora.

    • Bovenaan: het wapen van Nederland met het devies “Je maintiendrai”. Daaronder de Nederlandse maagd, met de vlag in de rechterhand en een brandende fakkel in de linkerhand. Aan weerszijden staan een boer en een metselaar, verwijzend naar de wederopbouw.
    • Centraal: een boer en boerin, symbool voor de bevolking van Aalten, omringd door kinderen en een onderduiker. Vanuit beide zijden marcheren Duitse soldaten met bajonet het raam binnen.
    • Linksonder: uitgemergelde vrouwen en kinderen die om hulp smeken.
    • Rechtsonder: een groep mensen die geholpen is en met levensmiddelen bevoorraad naar huis terugkeert.
    • Midden onderin: het wapen van Aalten met de lindeboom en het wapen van Oranje, met een banderol met de tekst: “Uit dankbaarheid voor hulp in oorlogstijd, soli Deo gloria”. Elders in het raam zijn bijbelteksten verwerkt.

    In 1947 werden aan weerszijden van het hoofdraam nog twee zijramen toegevoegd. Hierin staan de symbolen van de vier evangelisten, beeltenissen van Mozes en Jesaja en onderaan de wapens van Rotterdam, Scheveningen, Utrecht, Amsterdam, Kralingen en een Davidsster.

    Onderaan de zijramen staan dichtregels van Muus Jacobse (pseudoniem van dichter Klaas Heeroma):

    Maar als ik leven mag tot de bevrijding
    en juichen op het overwinningsfeest,
    God, doe mij dan dit weten, wat voorbijging
    aan nood en leed is niet vergeefs geweest.

    Huidige status

    Het gedenkraam is nog steeds te zien in de Oosterkerk. Toen de kerk in 2021 een nieuwe bestemming kreeg als woonzorglocatie, werd vastgelegd dat het raam behouden blijft. Daarmee is het gedenkraam niet alleen een kunstwerk van bijzondere omvang, maar ook een blijvend oorlogsmonument en een tastbare herinnering aan de hulp en gastvrijheid die Aalten tijdens de Tweede Wereldoorlog bood.

  • H. M. de Koningin bezoekt onverwachts de Achterhoek

    H. M. de Koningin bezoekt onverwachts de Achterhoek

    Aaltensche Courant, 26 oktober 1945

    Geheel onverwachts bracht H. M. de Koningin een bezoek aan onze gemeente. Woensdagmiddag kwamen de auto’s, waarin gezeten waren H. M. de Koningin, haar secretaresse, Mej. Geldern en haar secretaris, den heer Kohnstam, van de richting Dinxperlo en stopten voor de woning van den wethouder van Aalten, de heer H. J. Wikkerink, in illegale kringen beter bekend onder de naam van „Oome Jan”.

    „Oome Jan” heeft een respectabele staat van dienst in de ondergrondsche beweging tijdens de bezettingsjaren en woont thans in zijn werkplaats „Nooit Gedacht”, daar de Duitschers uit woede, dat ze „Oome Jan” niet te pakken konden krijgen, zijn huis daarnaast in brand staken. De familie Wikkerink was slechts enkele oogenblikken tevoren op de hoogte gebracht van het hoog bezoek.

    Hare Majesteit, die tegen één uur arriveerde, bleef meer dan een half uur in de woning van „Oome Jan” en gebruikte er met smaak een kopje thee. Ondertusschen hadden zich in de woonkamer verschillende vooraanstaande werkers uit de illegale beweging verzameld die weldra met Hare Majesteit in druk gesprek gewikkeld waren.

    Uit de gesprekken bleek dat Zij reeds op de hoogte was met het belangrijke werk dat hier in de Achterhoek tijdens de oorlogsjaren verricht was en Zij informeerde belangstellend naar verschillende bijzonderheden. Zoowel „Oome Jan” als de heeren Lichtenberg van het L.O. en Allersma van de K.P. vertelden van het ondergrondsche werk en de gevaarlijke karweitjes die opgeknapt moesten worden. Ook memoreerden ze nog de spontane medewerking van de bevolking en de hulp aan het Westen in de vorm van wagonladingen roggebrood, die verzonden werden tegen zeer geringen prijs.

    Een aardige bijzonderheid was ook de aanwezigheid van Mevr. Jedwab met haar zoontje, dat indertijd op de stoep van de woning van „Oome Jan” te vondeling gelegd werd, in den tijd toen de ouders ondergedoken waren. Dit Joodsche jongetje werd toen liefderijk opgenomen en kreeg naam van Willem Herfstink, daar juist dien dag de herfst zijn intrede deed. Ds. Kuijper vertelde nog van de razzia, welke op 29 Januari 1944 in de Geref. Kerk werd gehouden, waarbij 42 onderduikers opgepakt werden en slechts enkelen konden ontsnappen. De burgemeester, die ook bij „Oome Jan” aanwezig was vertelde ook het een en ander over de gebeurtenissen in de afgeloopen jaren.

    Oorspronkelijk had het in de bedoeling van H. M. gelegen bij haar tocht door deze streken het „Somsenhuus” te bezoeken, de boerderij van den heer Prinsen in IJzerlo, waar in de afgeloopen jaren zooveel ondergrondsch werk verricht is. Leden van de K.P. hebben hier langen tijd een onderkomen gevonden, alsmede een aantal Engelsche piloten, die hier de bevrijding afgewacht hebben. Deze boerderij is na de bevrijding tengevolge van blikseminslag afgebrand. Hiertoe is men niet gekomen. De auto’s zijn tusschen Dinxperlo en Aalten een zijweg ingereden nabij het Prinsenboschje waar het gezelschap in de auto het een en ander gebruikte.

    Voor de woning van „Oome Jan” had zich een geweldige menschenmenigte verzameld, waardoor de vorstin hartelijk toegejuicht werd. Bij het afscheid werd geestdriftig het Wilhelmus gezongen. Deze dag zal voor „Oome Jan” en zijn makkers die hun leven in den strijd tegen den overweldiger zoo vaak ingezet hebben en zooveel hebben gedaan voor ons volk en vaderland, wel steeds in herinnering blijven.

    Bronnen