
Bernardus Hendrikus Bloemers werd op 12 maart 1845 geboren in Bredevoort, huisnummer 7a, in de omgeving van de Misterstraat en Bekendijk. Hij was een zoon van Johannes Arnoldus Hendrikus Bloemers en Theodora Sessink. Het gezin woonde korte tijd aan de Ambthuiswal, maar vertrok in december 1847 naar Terborg.
Bernards leven ging niet over rozen. In 1896 werd hij opgepakt wegens landloperij en als straf opgenomen in de Rijkswerkinrichting Veenhuizen I in Drenthe.
Zwervend bestaan
Uit het bevolkingsregister blijkt dat Bernard bepaald geen honkvast leven leidde. Vanaf zijn zestiende verbleef hij op tal van plekken, in zijn jongere jaren afgewisseld met tijdelijke terugkeer naar het ouderlijk huis in Terborg:
- 1861–1862: ‘Esheren in Pruissen’ (Esserden bij Rees?)
- 1862–1864: Vethuizen, gemeente Bergh, als knecht op een boerderij
- 1867: Tegelen, Limburg
- 1867–1868: Beek bij Sterkrade in Pruissen (tegenwoordig Duisburg-Beeck)
- 1869: opnieuw naar Sterkrade
- 1870: werkzaam als ijzervormer in de buurt van Ulft, daarna vertrok hij naar Isselburg
- 1872: Luik, België.
Rond 1873 trouwde Bernard, vermoedelijk in Dinslaken, met Johanna Francina Kok, geboren op 21 januari 1848 in Oer bij Ulft. In 1877 werd hij als “Bernardus Hendrikus Blummer” vermeld in het bevolkingsregister van Oosterhout bij Tilburg, waar hij met zijn gezin woonde, met als beroep zandvormer. Enkele jaren later woonden ze in Nijmegen, aan de Steenstraat.
Het echtpaar kreeg voor zover bekend vier zonen:
- Johannes Hermanus (Dinslaken, 1874 – 1876)
- Johannes Arnoldus (Dinslaken, 1875)
- Johannes Hermanus (Oosterhout, 1877 – Rotterdam, 1962)
- Bernardus (Nijmegen, 1880 – Rotterdam, 1949).
In december 1883 vertrekt het gezin naar Breda, en slechts een maand later alweer naar ’s-Hertogenbosch. In het bevolkingsregister staat achter Bernards naam een moeilijk leesbare aantekening, mogelijk: “berecht van 9 oktober 1884 van Utrecht”. Later duikt het gezin op in Rotterdam, waar het zich definitief lijkt te vestigen. Johanna overlijdt daar in 1909.
Opvallend is dat Bernard in 1895 opnieuw in Nijmegen opduikt — zonder zijn gezin, afkomstig uit Zwolle. Waarom hij zijn gezin verliet, blijft gissen. Vermoedelijk speelde armoede een belangrijke rol. De frequente verhuizingen wijzen mogelijk op een onzeker bestaan, waarbij men steeds zocht naar betere vooruitzichten — of juist vluchtte voor schulden en problemen.
Hoe dan ook, Bernards leven ging niet over rozen, en dat hij aan lager wal was geraakt wordt snel daarna bevestigd.

Opname in Veenhuizen
Op 22 juni 1896 werd Bernard opgenomen in Rijkswerkinrichting Veenhuizen I wegens landloperij. Bij binnenkomst werd een signalementskaart opgemaakt, voorzien van foto’s, vingerafdrukken en een nauwkeurige beschrijving van zijn uiterlijk.
Ook wordt vermeld dat hij op dat moment geen vaste woon- of verblijfplaats had (als laatste woonplaats stond Nijmegen genoteerd). Zijn beroep was ‘ijzervormer’, hij had geen identiteitspapieren en was ongehuwd (!). Hij was veroordeeld wegens landloperij in ‘s-Hertogenbosch. Hij was toen al tweemaal eerder veroordeeld voor hetzelfde feit.
De signalementskaart bevat een gedetailleerde omschrijving van zijn uiterlijke kenmerken, waaronder zijn lengte (1 meter 51,9). Zijn neus was breed, vooruitstekend, ‘van onder veel bloeddoorschijnend’ en met een litteken op de rechtervleugel.
Wat er daarna met Bernard is gebeurd, blijft onbekend. We weten niet of hij Veenhuizen ooit heeft verlaten, noch waar en wanneer hij is overleden.
Verblijf in de Rijkswerkinrichting in Veenhuizen

Rijkswerkinrichting Veenhuizen 1 (het Eerste Gesticht) was een gesloten strafinrichting voor mannen die waren veroordeeld wegens bedelarij of landloperij. In dit grootschalige complex stonden tucht en arbeid centraal.
Het doel van de inrichting was niet alleen vergelding, maar ook het effectief “landlooperij en bedelarij tegengaan” door de samenleving te zuiveren van personen die als overlastgevend werden beschouwd en hen via dwangarbeid discipline bij te brengen.
Het dagelijks leven was strikt en sober onder een militair regime. Overtredingen van de interne regels werden bestraft met een verblijf in de strafcel of een beperking van het rantsoen. De bewoners, aangeduid als verpleegden, droegen verplichte gestichtskleding, sliepen in grote gemeenschappelijke zalen en werden zes dagen per week tewerkgesteld. De arbeid bestond uit zware landontginning op de heide of binnenarbeid in werkplaatsen, zoals het vlechten van matten en het herstellen van postzakken.

