Op vrijdag 24 april 1931 werd de 24-jarige Anton Prinsen dood gevonden op de deel van zijn ouderlijk huis in ’t Dal. De gewaarschuwde arts vermoedde al spoedig dat er mogelijk een misdrijf in het spel was. Het gebeuren veroorzaakte grote opschudding in het dorp en kwam landelijk in de pers.

Anton Prinsen woonde samen met zijn broer Derk Jan (1908) en hun moeder, de weduwe Mina Prinsen-te Kiefte (1873), in een boerenhuis met het toenmalige adres Aalten A160. Bij de adreswijziging in 1934 werd dit ’t Dal 14. Het schijnt, dat bij de familie Prinsen herhaaldelijk heftige onenigheden voorkwamen. Beide broers stonden als zeer ruw bekend.

Die betreffende vrijdagmorgen om ongeveer half acht werd dokter Hartman door een buurjongen gewaarschuwd dat Anton Prinsen op de deel was gevallen. Prinsen zou die bewuste ochtend een partijtje kunstmest naar het land brengen en daarvoor van ene V. een paard lenen. Toen dit niet gehaald werd ging men kijken en vond het lichaam op de deel liggen. Toen de dokter ter plaatse kwam, bleek Anton reeds te zijn overleden.

Als tragische bijkomstigheid werd ook nog vermeld, dat het slachtoffer de woensdag voor zijn overlijden in ondertrouw was gegaan.

Mogelijk misdrijf

Door de ligging van het lijk en de zichtbare uitwendige verwondingen, constateerde dokter Hartman dat er mogelijk sprake was van een misdrijf. De burgemeester en de chef-veldwachter werden gewaarschuwd en verschenen ter plaatse. Zij stelden onmiddellijk een onderzoek in en namen de huisgenoten, moeder en zoon, alsmede de personen, die na het ongeval ter plaatse waren geweest, een verhoor af. Moeder en zoon verklaarden dat Anton was gevallen en zodanig met zijn hoofd op een trekwagen terechtgekomen, dat hij hieraan was bezweken. Het onderzoek versterkte echter het gerezen vermoeden van een misdrijf en telefonisch werd het parket te Zutphen gewaarschuwd.

Het lijk werd voorlopig in beslag genomen en door de politie bewaakt. Omstreeks half drie in de middag verscheen de officier van justitie, mr. Baron Speyaart van Woerden, de rechter-commissaris, mr. Mees, de griffier, mr. Meindersma en twee artsen voor sectie-onderzoek. Later arriveerde ook een politie-deskundige, dr. Hesselink uit Arnhem.

De broer van de verongelukte werd door de rechter-commissaris aan een verhoor onderworpen, doch hij ontkende alle schuld. Nadat dr. Hesselink enige foto’s van de ligging van het lijk had gemaakt, werd het lijk per politie-brancard naar het Rusthuis overgebracht. Ondertussen zochten de deskundigen en de chef-veldwachter naar bloed- en andere sporen. Men ontdekte deze onder andere op de muren, de buitendeur van de deel en op enkele zakken graan.

Arrestatie

Sectie op het lichaam van het slachtoffer duidde erop dat deze door wurging om het leven was gekomen. De broer van de verongelukte werd gearresteerd en in verzekerde bewaring gesteld. De arrestant werd te voet naar het politiebureau overgebracht, onder belangstelling van een grote menigte, die druk het geval besprak. Daar werden overigens nog kamervragen over gesteld door Tweede Kamerlid mevr. Bakker-Nort. De Minister van Justitie antwoordde dat “uit een onderzoek is hem gebleken, dat de betrokken verdachte in den avond van Vrijdag 24 April 1931 omstreeks negen uur ongeboeid van zijn woonhuis naar het politiebureau te Aalten en zeer spoedig daarop van dat bureau naar de arrestantenlokalen, het geheel over een afstand van ongeveer 750 m, is overgebracht geworden. Daar geen ontvluchting werd gevreesd, de houding van het publiek rustig was en de verdachte in stede van eenige bedenking tegen de overbrenging te voet te uiten, zich zeer onverschillig toonde, hebben de met de overbrenging belaste politiebeambten blijkbaar geen reden gevonden om voor die overbrenging bij avond over den betrekkelijk korten afstand naar een vervoermiddel uit te zien. De minister meent, dat onder de gegeven omstandigheden, en daar het gebruik van een celwagen uiteraard was buitengesloten, op de wijze, waarop de verdachte werd overgebracht, bezwaarlijk gegronde bedenking kan vallen“.

Zaterdagmorgen om 8 uur is de verdachte naar Zutphen overgebracht en daar ter beschikking van de Officier van Justitie gesteld. Bij het tramstation riep hij alle bekenden een “Mòjn” toe.

Bekentenis

Enkele dagen later legden moeder en broer alsnog een volledige bekentenis af. Volgens hen ging het als volgt:

Vrijdagmorgen vroeg riep de weduwe Prinsen haar zoon Anton om de koeien te melken. Deze jongeman heeft toen eenige zeer onbehoorlijke uitdrukkingen tegen zijn moeder gebezigd en is toen begonnen te melken. Toen zijn moeder hem tijdens het melken van de tweede koe riep te komen eten, antwoordde hij: “Och olde, ik snie oe leever in reepen“. Daarop is de andere zoon Derk zijn broer aangevallen en er ontstond een hevige worsteling. Plotseling bemerkte Derk Jan, dat hij zijn broer Anton te hard de hals dichtgedrukt had. Hij riep: “Mooder, mooder, ik heb ‘em dood emaakt! Zeg toch niks, maak mien niet ongelukkig!

Beiden hebben toen afgesproken niet de waarheid te vertellen maar bedacht een . Het zou voorgesteld worden, dat Anton gevallen was met het hoofd op een wiel van een trekwagen en dat dit de dood ten gevolge had gehad. Dit hebben zij dan ook vrijdagmorgen aan dokter Hartman en aan de burgemeester en de chef-veldwachter verteld.

Het Limburgsch Dagblad meldt op 4 mei nog dat ook de moeder is aangehouden, wegens medeplichtigheid en zelfs het wurgen van het bewusteloze slachtoffer. Deze aanklacht is vermoedelijk later weer ingetrokken, want de rechtbankverslagen melden hierover niets.

Rechtszaak

De Rechtbank in Zutphen veroordeelde Derk Jan Prinsen bij vonnis van 23 oktober 1931 tot 10 jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Zowel de verdachte als de officier van justitie gingen tegen deze uitspraak in beroep. Verdediger was Mr. H. Maten, advocaat te Arnhem.

In de hoger beroepzaak verklaart een getuige over de verdachte: “Hij heeft een beperkt intellect, is achterlijk en schuw“. Ook vermeldt het rechtbankverslag dat verdachte “uit een moeilijk milieu komt, dat het gezin niet gunstig bekend stond en dat herhaaldelijk diefstallen enz. voorkwamen“. De Arnhemsche Courant had kort na het misdrijf gemeld dat de aangeklaagde ook verdacht werd van aanranding van een 14-jarig meisje in Lintelo. Daarover wordt in het rechtbankverslag overigens niets gemeld.

Donderdag 4 februari 1932 oordeelde het Gerechtshof te Arnhem dat de dader niet de opzet had zijn broer te doden, zodat men hier ‘slechts’ te doen had met het misdrijf van mishandeling den dood tengevolge hebbende. De maximumstraf op dat misdrijf was zes jaar, en die maximumstraf werd hem dan ook door het Hof opgelegd, zonder aftrek van voorarrest. Prinsen heeft hier vier jaar van uitgezeten, waarna de straf werd omgezet in een voorwaardelijke.

Anton Prinsen werd begraven op de Oude Begraafplaats aan de Varsseveldsestraatweg.

Dader gaat voort op het slechte pad

Ruim tien jaar later, op 3 maart 1943, schrijft dagblad Het Volk:

“De dader van de moord op den zevenjarigen Guusje Zadelhof, die Zondag jl. te Hummelo werd gepleegd, de 34-jarige D.J. Prinsen uit Aalten, heeft zich ongeveer tien jaar geleden ook schuldig gemaakt aan moord op zijn broer, dien hij bij een vechtpartij door worging om het leven gebracht.

Dit is niet het enige misdrijf dat op zijn straflijst prijkt. Op 5 februari j.l. was hij juist uit de gevangenis ontslagen, waar hij een jaar had doorgebracht wegens kippendiefstal.

Naar wij vernemen, heeft dr. Hulst uit Leiden sectie verricht op het lijk van het jeugdige slachtoffer. Het is niet uitgesloten, dat de moordenaar den jongen eerst stokslagen gaf. Daarna is hij met een bijl geslagen.”

De Arnhemse rechtbank veroordeelde de inmiddels 34-jarige landbouwersknecht voor dit misdrijf tot 15 jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en daarna tbs.

Het jongetje werd vermoord nadat hij die zondagochtend de schuur bij zijn ouderlijk huis betrad om zijn konijnen te voeren. Vermoedelijk had hij daarmee Prinsen gestoord, die daar de nacht had doorgebracht.


Reacties

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Let op: je reactie wordt openbaar getoond. Vragen, aanvullingen en/of correcties proberen wij zo spoedig mogelijk te verwerken. Daarna worden ze verwijderd, om ‘vervuiling’ te voorkomen. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *