Menu Sluiten

Brandweer

Tramstraat 1, Aalten

Brandweer, Aalten

In 1889 werd de ‘Verordening op den Brandspuitdienst en het blusschen van brand in de gemeente Aalten’ door de desbetreffende gemeenteraad vastgesteld. Artikel 1 van die verordening luidt: ‘Ieder mannelijk ingezetene van het 18e tot en met het 59e levensjaar is, behoudens na te melden uitzonderingen, desgeroepen, dienstplichtig bij de brandspuiten’. Het brandweerkorps bestond dus geheel uit vrijwilligers, aangesteld en ontslagen door het college van Burgemeester en Wethouders.

Op 19 juni 1925 vond de eerste vergadering van het nieuw benoemde korps Brandmeesters plaats. In de loop van de tijd werd het beschikbare materieel gemoderniseerd. Zo werd in 1930 een motorspuit aangeschaft, gevolgd door een ‘auto-tractor’ in 1933, die de mogelijkheid gaf deze spuit naar de brand te transporteren.

In de loop van de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw ontstond een steeds nauwere samenwerking tussen de brandweerkorpsen in de Achterhoek en het Samenwerkingverband Oost Gelderland, vanaf 1995 de Regio Achterhoek.

In 1987 werd de blusgroep Bredevoort, tot dan toe deel uitmakend van het korps, opgeheven. Er kwam een centralisering van de commandostructuren in Doetinchem tot stand, zodat de vrijwillige brandweer Aalten zijn feitelijke zelfstandigheid verloor.

De brandweer in de 19e eeuw

Aaltensche Courant, 10-12-1937
Tekening: Piet te Lintum

In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Zo schreef hij over de Brandweer:

“De prestatie van de tegenwoordige brandweer, zooals die weer gebleken is bij den grooten fabrieksbrand te Winterswijk, doet onze gedachten teruggaan naar de primitieve brandbluschmiddelen in vroeger dagen. Een brandweer was er in ’t midden der vorige eeuw ook wel, en op hun wijze deden ze ernstige pogingen om een brand te bestrijden of uitbreiding te voorkomen, maar ze moesten roeien met de riemen die ze hadden.

De eerste vorm van brandblusschen was om emmers water op het vuur te gooien. Vanaf aanwezige putten en pompen werd het water in emmers hand over hand gegeven. Als de put ledig was, moest men wachten tot er weer voorraad was. Was de brand uitgebroken in de nabijheid der beek, dan kon men natuurlijk aan ’t scheppen blijven. Men had wel reserveputten, waar altijd een kwantum water bewaard werd, en op de Markt stond een rij groote tonnen met water gevuld op berijdbare onderstellen, en werden deze onmiddellijk naar de plaats des onheils gereden door een voerman die daarvoor was aangewezen.

De ingebruikneming der handspuiten gaf eenige verbetering. Het water kon nu tenminste een tiental meters opgespoten worden, om daken en huizen nat te houden. Weer later kwam er nog een verbetering, toen de z.g.n. aanjager er bij kwam, een zuig- en perspomp, die bij de watervoorziening geplaatst werd en het water door slangen naar de pompspuiten werd geperst. Achter het gemeentehuis waren de gebouwtjes tot berging dezer brandbluschmiddelen.

De brandmeesters (want er bestond reeds lange jaren een georganiseerde brandweer) hadden als teeken hunner waardigheid een koperen staaf, een soort scepter of ovaal koperen plaat, die bij eventueelen brand de borst sierde van den brandmeester.

De vele branden die Aalten teisterden, deed de vroedschap uitzien naar middelen om brand te voorkomen, want de nieuwe lampen die met petroleum gevoed werden en ’s avonds op de deel in de nabijheid van hooi en stroo dienst moesten doen voor verlichting, waren gevaarlijk. Er kwam een artikel in de politieverordening, waarbij geboden werd in de nabijheid van hooi of stroo, op deelen en stallen, werkplaatsen enz., waar licht ontbrandbaar materiaal aanwezig was, de verlichting met dichte lantarens moest geschieden. Of het veel geholpen heeft? Het heeft nadien nog geregeld gebrand, en telkens hoorde men het naargeestig geluid van de brandklok.”

Bronnen

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Gerelateerde artikelen