Categorie: Joodse gemeente

  • De Joodse gemeente Aalten in 1813

    De Joodse gemeente Aalten in 1813

    De Israelitische Gemeente te Aalten bevat in 1813 de volgende leden:

    1. Jacob Gompers Vles(+) (1753), kerkbestuurder (1810)
      Sara Isaac (Stadtlohn/D, 1763 – 1825)
      met 4 kinderen:
      • Gompert Jacob Vles, 17 jaar, ovl. 1854; ⚭ Brandje Simon
      • Isac Jacob Vles, 14 jaar
      • Gumken Jacob Vles, 25 jaar, ⚭ 1815: Simon Jacob Schaap
      • Fijken Jacob Vles, 21 jaar
    2. David Isak Franken (Aalten, 1753 – Aalten, 1823)
      met 1 kind:
      • Aleida David Franken (Aalten, 1799 – Aalten, 1865), ⚭ Benjamin van Beek
    3. David Jacob Schaap,
      ⚭ (1) 1789: Duifken Levie, *Elten, 1771, ovl. 1811;
      ⚭ (2) 1815: Hanna Gompert, *Groenlo, 1767, ovl. 1844;
      met 1 kind:
      • Levi David Schaap, 6 jaar, ovl. 1840, ongehuwd
    4. David Isac de Haas(+) (Aalten, 1767 – Aalten, 1855); adres 1823: Landstraat 31
      Sophia Gompers (Groenlo, 1772 – Aalten, 1853)
      met 4 kinderen:
      Isac David de Haas (Aalten, 1803 – 1883)
      • Gompert David de Haas (Aalten, 1809 – 1877)
      • Eva David de Haas (Aalten, 1806 – 1866)
      • Sebilla David de Haas (Aalten, 1812)
    5. Mozes Jacob de Haas
      ⚭ 1802 Sophia Isaac (Jilchen/D)
      met 4 kinderen:
      • Levi Mozes de Haas, 8 jaar
      • Jacob Mozes de Haas, 6 jaar
      • Sara Mozes de Haas, 2 jaar
      • Hendele Mozes de Haas, 4 jaar
    6. Simon Jacob Schaap (Aalten, 25-12-1780 – Aalten, 30-03-1825)
      ⚭ Sara Casper Cohen (Winterswijk, 1787 – Aalten, 11-04-1814)
      met 4 kinderen:
      • Scheune Simon Schaap (Aalten, 08-11-1807 – Aalten, 20-11-1869)
      Klara Simon Schaap (Aalten, 03-10-1809 – Aalten, 18-12-1878)
      • Diena Simon Schaap (Aalten, 04-01-1811 – Zevenaar, 14-08-1872)
      Jacob Simon Schaap (Aalten, 02-02-1813 – Aalten, 28-11-1876)
    7. Sara Joseph, wed. Aron Gompert van Gelder (A.G. van Gelder is ovl. tussen 1798 en 1804)(+);
      met 5 kinderen:
      • Joseph Aron van Gelder (Aalten, 15-03-1778 – Aalten, 20-03-1847)
      David Aron van Gelder (Aalten, 06-06-1784 – Aalten, 19-06-1859)

      • Rachel Aron van Gelder (Aalten, ca. 1785)
      • Gompert Aron van Gelder (Aalten, 11-11-1792 – Aalten, 08-09-1836)
      • Liefman Aron van Gelder (Aalten, 05-01-1800 – Aalten, 07-04-1866)
    8. Bilha Abraham van Gelder (= Sibilla Moses),
      met 1 onechte zoon:
      • Philip van Gelder, 44 jaar
    9. Hindele Ansel van Beek (= Hendele Jacobs, 1772 – Aalten, 1841),
      met 1 onechte zoon:
      • Benjamin Nathan van Beek (Aalten, 1800 – Aalten, 1873)
    10. Eliaser / Lazer Levie de Haas
    11. Isaac Abraham de Haas
    12. Samson Jacob Schaap, *1785; ovl. tussen 1813 en 1823, ongehuwd

    (+) Dit teken verwijst naar het artikel van Peter Lurvink in Misjpoge II / 1, jan. 1989: “David Markus en zijn nakomelingen, een joodse familie in Aalten”.

  • Aron Jedwab (Willem Herfstink)

    Aron Jedwab (Willem Herfstink)

    Joodse ‘vondeling’, geboren in de onderduik

    In de vroege ochtend van 21 september 1943 legt Piet Hoogenkamp, de assistent van de Aaltense huisarts tevens verzetsman Joop der Weduwen, voor het huis met adres Patrimoniumstraat 12 in Aalten een pakket neer. Op dat adres woont verzetsleider Hendrik Jan Wikkerink alias Ome Jan met zijn gezin. Er wordt aangebeld.

    Het pakket blijkt een pasgeboren baby te zijn. Het is de zoon van Lena Jedwab-Kropveld en Yitzack Jedwab, rabbi (voorganger) van de Joodse gemeente in Aalten. Het echtpaar zat vanaf medio 1942 ondergedoken op boerderij De Ronde van de familie Veldboom in Lintelo. Verzetsleider Ome Jan en dokter Der Weduwen hebben het te vondeling leggen van tevoren zo afgesproken.

    Vondeling

    Dochter Jo Wikkerink vertelde daar later over:

    “We wisten dat de bevalling op komst was en het baby’tje zou bij ons gebracht worden. Vader en moeder hebben het alleen aan de oudste drie verteld. De jongsten wisten niets. Ze konden dan ook niet hun mond voorbij praten. Vader en moeder hebben ‘s avonds in de donkere kamer gewacht. Het leek voor de buurt dan net of ze naar bed waren. Toen er werd aangebeld wisten ze dat het kindje er was. Ze hebben de jongsten uit bed gehaald en verbaasd geroepen: “Kom ‘ns kieken wat d’r now is!”

    Het joodse kindje was dus in de onderduik geboren en werd drie dagen later door mevrouw Dela Wikkerink-Eppink met de naam ‘Willem Herfstink’ aangegeven en als zodanig in het geboorteregister van de gemeente Aalten ingeschreven. De naam was symbolisch gekozen. Willem verwijst naar Koningin Wilhelmina, Herfstink naar de eerste dag van de herfst (21 september) en het Saksische achtervoegsel ‘ink‘ betekent ‘behorend tot het erf of de familie van’.

    Omdat zich om één uur ’s nachts slechts enkele personen – zoals artsen – op straat mochten bevinden, werd vier uur ’s ochtends opgegeven als tijdstip waarop de baby gevonden was. Hierdoor werd het onderzoek naar de herkomst van het kind aanzienlijk bemoeilijkt. ”Ik kwam wel eens ’s avonds laat met een dikke buik thuis met de trein. Dan had ik ‘contrabande’ bij me alsof ik hoogzwanger was. Toen Wimke op de stoep gelegd werd, zeiden ze dan ook: “Dat zeggen ze nou wel, maar het zal d’r wel ene van één van de meisjes zijn.”

    Arisch verklaard

    De volgende dag moest de dienstdoende gemeente-arts, dokter Knol, de vondeling onderzoeken. De baby was niet besneden en daarom gaf hij de verklaring af dat het kind 100% Arisch was. “De volgende dag is vader meteen naar Schepers gegaan, die schuin tegenover ons woonde (hij werkte bij te Paske). Vader wist: als ik het daar vertel, dan weet meteen iedereen in Aalten het. Achter ons, naast Vossers, woonde een NSB-vrouw. Die lag op haar knieën voor het wiegje van Wimke te kijken of hij wel Arische trekken had.”

    Lennie en Yitzchak waren inmiddels verhuisd naar een andere schuilplaats in Lintelo. In juni 1944 verplaatste het verzet hen in een met hooi bedekte wagen naar het huis van Bernard en Gesina Wevers in de buurtschap Dale, achter de Ringweg, net buiten het dorp Aalten.

    Aanvankelijk wilden zij het echtpaar Jedwab niet in huis opnemen omdat zij al onderdak boden aan evacués. Een dominee van de gereformeerde kerk bracht de vrome calvinisten op andere gedachten: hij predikte dat de vervolgden geholpen moesten worden.

    Bernard, een timmerman, bouwde voor hen een kamer achter de kast waar ze al hun tijd doorbrachten. Mevrouw Wevers kookte voor haar Joodse gasten zoveel mogelijk volgens koosjere regels.

    Willem was ondertussen liefdevol in het gezin van de familie Wikkerink opgenomen. Vooral moeder Dela en oudste dochter Lien Wikkerink zorgden voor ‘Wimke’ zoals zij hem noemden. Dela Wikkerink liep met de baby in de kinderwagen regelmatig naar het onderduikadres van de Joodse ouders in Dale. Ze nam vaak wat fruit uit de moestuin mee in haar tas. Er waren mensen in Aalten die zeiden: “Wat vrouw Wikker toch altied bi-j Wevers mot?”

    Tegen het einde van de oorlog werden twee Duitse soldaten ingekwartierd in huize Wevers. Terwijl de soldaten in het huis waren, zaten Lena en Yitzack in stoelen in hun verborgen kamer en mochten ze niet bewegen of geluid maken, soms dagenlang.

    Na de oorlog

    Na de bevrijding in maart 1945 werd het gezin herenigd en kreeg de kleine zijn echte naam: Aron Jan Willem Jedwab. De naam Willem bleef bestaan en de tweede voornaam Jan verwijst naar zijn redder Jan Wikkerink. Koningin Wilhelmina kwam vrij snel na de oorlog naar Aalten en bezocht de familie Wikkerink om deze te eren voor hun daden in het verzet. Jo Bulsink-Wikkerink: “Ik zie Wilhelmina nog staan. Ze sloeg mijn opa op zijn schouder en zei: Wikkerink, u heeft een dappere zoon”.

    Het jonge kind Willem kende zijn eigen ouders niet of nauwelijks. Jo Wikkerink – de tweede dochter in het gezin – trok toen een jaar lang in bij de familie Jedwab, zodat Willem iets makkelijker kon wennen aan zijn eigen ouders en nieuwe omgeving. Het gezin Jedwab emigreerde in 1947 naar de VS en daar veranderden zij hun achternaam in Jade.

    Patrimoniumstraat 12, Aalten
    Patrimoniumstraat 12, Aalten
  • Joden in Aalten en Bredevoort

    Joden in Aalten en Bredevoort

    Na de Unie van Utrecht heerste in Nederland vrijheid van godsdienst. Daardoor kwamen in het begin van de 17e eeuw veel Joden naar Nederland. De eerste Joden in Aalten werden gedocumenteerd omstreeks 1630. Aalten was toen een kleine, geïsoleerde en gesloten agrarisch-ambachtelijke dorpsgemeenschap met een arme en nog in hoge mate bijgelovige bevolking.

    Men keek vreemd aan tegen de Joden met hun afwijkende godsdienst, gebruiken en kleding. De bevolking plaatselijke bevolking beschouwde hen nog lang als vreemdelingen. Tot aan de Napoleonitische tijd bleef het aantal joden beperkt tot vier gezinnen, die in de afgelegen straten van het dorp Aalten woonden. Als beroep werd meestal ‘koopman’ vermeld.

    Bredevoort

    Al in 1631 had Bredevoort Joodse inwoners. Deze woonden destijds met name rondom de Hozenstraat, waar zij ook een eigen begraafplaats hadden, in de volksmond ‘De Timp’ geheten. Omstreeks 1700 richtte een Joodse handelaar in manufacturen in Bredevoort een huissynagoge in. In 1714 verhuisde deze huissynagoge naar een ruimere locatie, een grote stenen schuur op de Ganzenmarkt tussen de Hozenstraat en Gasthuisstraat. Deze schuur staat er nog altijd. Ook Joden uit Aalten en Lichtenvoorde bezochten deze synagoge.

    Tot 1821 viel de gemeenschap nog onder Winterswijk, maar in 1830 werd het een zelfstandige gemeente. Omstreeks 1830 werd dan ook een echte synagoge gebouwd aan de Vismarkt.

    Rond 1800 telde de Joodse gemeente in Bredevoort bijna evenveel leden als de Aaltense gemeente, maar ging in de loop van de 19e eeuw gestaag in omvang achteruit. In 1900 waren er onvoldoende leden om regelmatig diensten te houden en werd de Bredevoortse gemeente bij die van Aalten gevoegd.

    Het gebouw aan de Vismarkt diende nog tot aan het begin van de Eerste Wereldoorlog als synagoge. Omstreeks 1920 werd de synagoge verbouwd tot woonhuis. Tegenwoordig is het gebouw een gemeentelijk monument.

    Aalten

    Pas in 1776 wordt voor het eerst melding gemaakt van een ‘Jodenkerk’ in Aalten. Dat moet ook een huissynagoge zijn geweest. Tussen 1800 en 1850 groeide de Joodse gemeenschap in Aalten in aantal van 39 tot 70, voornamelijk door gezinsuitbreiding in de bestaande Joodse families: het aantal huishoudens nam nauwelijks toe.

    In 1857 nam men de synagoge aan de Stationsstraat in gebruik. De Joodse gemeente verkreeg in 1852 de begraafplaats aan de Haartsestraat in eigendom, maar werd al eerder (we weten niet hoe lang) gebruikt om er de doden te begraven.

    In de periode 1870-1900 nam het aantal Joodse inwoners in Aalten af van 80 naar 50. Dit moet uit plaatselijke omstandigheden verklaard worden: het aantal Joden dat met een kleine nering in zijn levensonderhoud moest voorzien, was door de sterke groei in de daaraan voorafgaande jaren te groot geworden voor de nauwelijks gegroeide (door emigratie zelfs enigszins teruggelopen) Aaltense bevolking. Een deel van de Aaltense Joden trok daarom ook weg, vooral naar de wat grotere steden in Oost-Nederland (Arnhem, Zutphen, Deventer).

    Pas toen de totale bevolking van Aalten weer begon toe te nemen, kon ook het aantal mensen dat in de kleine handel werkte weer groeien. En dat gebeurde ook, niet alleen door geboorteoverschot, maar voor het eerst sinds lange tijd ook door vestiging van nieuwe families.

    Omstreeks 1900

    Begin 1900 telde het kerkbestuur drie leden. Er was een godsdienstschool met één onderwijzer en een ritueel bad. Naast een begrafenisvereniging voor mannen kende Aalten een vrouwengenootschap dat hulp bood bij ziekte en overlijden.

    De Joodse gemeente in Aalten was gelovig, al deed de één er misschien wat meer aan dan de ander. De sociale controle speelde daarbij wel een rol. De sabbatsregels werden echter, om economische redenen, niet altijd even strikt nageleefd.

    De Joodse gemeente in Aalten bestond overwegend uit veehandelaars en slagers. Het feit dat binnen de kleine gemeente velen tot dezelfde beroepsgroep behoorden leidde veelvuldig tot ruzies, die nogal eens in of bij de synagoge werden uitgevochten. Deze spanningen en twisten, tussen rituele slachters die moesten bepalen of een koe koosjer was, en tussen slagers die wilden verkopen, waren evenzeer onderdeel van de Joodse cultuur in Aalten als de onderlinge hulp in geval van ziekte en armoede.

    Integratie

    Werden de Joden in de 17e en 18e eeuw nog als vreemdelingen gedoogd, in de 19e eeuw vond geleidelijk een proces van integratie plaats. Dit leidde ertoe dat de Joden in het begin van de 20e eeuw een geaccepteerde minderheid vormden. Ze vervulden bijvoorbeeld bestuursfuncties in verenigingen als Aaltens Belang, de Oudheidkamer en het Feestgebouw.

    Marcus Gans was medeoprichter van pijpenfabriek Peters en Gans aan de toenmalige Gasthuisstraat. Bij de oprichting van de zuivelfabriek waren Joodse veehandelaren als aandeelhouders betrokken. De openbare school kende Joodse onderwijzeressen, de Aaltense Orkestvereniging, toneelvereniging Thalia en Symphonia telden Joodse leden. Joodse leden maakten deel uit van de Aaltense afdeling van het Nationaal Crisis Comité en de vrijwillige brandweer.

    De meeste Joodse kinderen hadden ook niet-Joodse vrienden en vriendinnen en ook de ouderen gingen doorgaans vriendschappelijk met niet-Joden om. Bij officiële gebeurtenissen in Joodse kring was het gemeentebestuur officieel vertegenwoordigd.

    Vluchtelingen uit Duitsland

    In de jaren na 1933 kwam een vluchtelingenstroom op gang vanuit Duitsland. Na de Reichskristallnacht in 1938 nam die stroom nog sterk in omvang toe. Een klein deel van hen die men toeliet tot Nederland mocht zich in Aalten vestigen. De meesten werden doorgestuurd naar speciale vluchtelingenkampen die op verschillende plaatsen in het land waren ingericht.

    Op 1 januari 1942 telde Aalten 17 inwoners met de Duitse nationaliteit (die ze overigens op 25 november 1941 officieel verloren hadden: de Duitse vluchtelingen waren feitelijk staatloze burgers geworden). In de eerste weken en maanden van de Duitse bezetting bleef in Aalten alles nog rustig. Maatregelen die men tegen de Joden nam, raakten de Joodse gemeenschap in Aalten in het eerste jaar nog niet direct. Wat op den duur wel gevolgen zou hebben was de registratie van alle Joodse inwoners in het najaar van 1940. 63 kaarten werden naar Arnhem gestuurd.

    Keuzes

    In 1941 begon de verdrijving van Joden uit het openbare leven. Eerst verschenen er steeds minder advertenties van Joodse middenstanders in de kranten, daarna kwamen de verordeningen die hen de deelname aan openbare bijeenkomsten en de toegang tot de publieke ruimten verboden. Joodse leerlingen werden uit het onderwijs geweerd. In datzelfde jaar 1941 viel het eerste Joodse slachtoffer uit de Aaltense Joodse gemeente als gevolg van een razzia.

    De lijst van speciaal voor Joden geldende verboden en verplichtingen bleef groeien en in de zomer van 1942 begonnen de deportaties. Men moest besluiten om al of niet onder te duiken. Wie niet koos voor het laatste werd ingezet voor wat heette ‘de werkverruiming in het oosten’ en – zo weten we achteraf – in de gaskamers vermoord.

    Onderduik

    Op 13 juli 1942 werd in vijfvoud het overzicht van de Aaltense Joden opgestuurd naar de Zentralstelle für jüdische Auswanderung in Amsterdam. Dat was het begin van het einde.

    Met uitzondering van de NSB-ers gedroeg de niet-Joodse bevolking van Aalten zich over het algemeen behulpzaam. Wel kan men achteraf zeggen, dat zowel Joden als niet-Joden het gevaar hebben onderschat en de zwaarte van de maatregelen niet hebben ingezien.

    Op 4 oktober 1942 werden 10 Aaltense Joden, familieleden van Joden die uit enkele gesloten werkkampen naar Westerbork waren overgebracht, op transport gezet naar het doorgangskamp en vandaar naar Polen. Kort daarna werden zij ‘wegens vertrek naar het buitenland’ uit het bevolkingsregister afgevoerd.

    Binnen een maand daarna waren 37 Aaltense Joden ondergedoken. Zij werden ook uit het bevolkingsregister geschrapt met de toevoeging v.o.w. (vertrokken, onbekend waarheen). Begin 1943 doken nog eens 15 Aaltense Joden onder. De overige 25 zijn via Vught of Westerbork gedeporteerd. Daarmee was Aalten op 10 april 1943 officieel Judenrein.

    Slachtoffers

    De huizen van de weggevoerde families werden leeggehaald (ten behoeve van Duitse Bombengeschädigte) en opnieuw verhuurd. Openstaande rekeningen en vervoerskosten werden betaald door Lippmann en Rosenthal, de bank in Amsterdam waar alle Joodse vermogens waren ondergebracht.

    Dook men in 1941 nog tijdelijk onder, vanaf oktober 1942 kreeg de onderduik een permanent karakter. Lang niet iedereen keerde terug uit de onderduik.

    Van de 52 ondergedoken Joden zijn er uiteindelijk drie tijdens hun onderduikperiode overleden en zes na verraad opgepakt, weggevoerd en vermoord. Er zijn ook Joden geweest die in Aalten geboren werden, er al of niet een groot deel van hun leven doorbrachten, maar die tijdens de bezetting door verhuizing elders in Nederland woonden. Over hun lot zijn de gegevens niet volledig. Tellen we hen mee, dan is het aantal slachtoffers uit Aalten veel groter dan de 34 van wie we het zeker weten.

    Na de oorlog

    De 46 leden van de Joodse gemeente in Aalten die de oorlog overleefd hadden waren ontredderd. Velen hadden een groot deel van hun familie verloren en bezaten ook niets meer. Hun pogingen om iets van hun vroegere bezittingen terug te krijgen ontmoetten niet altijd medewerking en stuitten vaak ook op onwil.

    Het aantal Joden in Aalten liep na de oorlog gestaag terug. Jongeren vertrokken naar Israël of naar het westen van het land, de ouderen stierven. In 1965 bedroeg het aantal nog 28, in 1981 21, en nu is er nog maar een enkeling.

    Tip


    Het Nationaal Onderduikmuseum in Aalten vertelt met ‘kleine’ verhalen de grote geschiedenis van verzet, onderduiken en vrijheid voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Het museum gaat in op de keuzes en dilemma’s van gewone burgers aan de Nederlands-Duitse grens en gebruikt de verhalen van toen om het gesprek over nu te voeren.

    nationaalonderduikmuseum.nl

    Bronnen


  • Joodse Begraafplaats Bredevoort

    Joodse Begraafplaats Bredevoort

    Prins Mauritsstraat, Bredevoort

    De Joodse Begraafplaats aan de Prins Mauritsstraat in Bredevoort werd rond 1830 aangelegd, gelijktijdig met de naastgelegen algemene begraafplaats. Het terrein kwam beschikbaar na de ontmanteling van de vestingwerken aan de oostzijde van het stadje.

    De laatste Bredevoortse Joden die op deze begraafplaats werden bijgezet zijn broer en zus Levi en Sara Sander. Beiden overleden in 1938, kort na elkaar. De begraafplaats is niet toegankelijk voor het publiek.

    Twee Joodse begraafplaatsen

    Bredevoort had ooit twee Joodse begraafplaatsen. De oudste was gelegen op het voormalige kasteelterrein achter Hozenstraat 5. In 1953 werd dit terrein verkocht aan de gemeente Aalten ten behoeve van woningbouw. De stoffelijke resten en grafzerken werden toen overgebracht naar de tweede begraafplaats aan de Prins Mauritsstraat.

    Onderhoud en Restauratie

    Aanvankelijk werd de begraafplaats onderhouden door de gemeente. Sinds 2018 verzorgen vrijwilligers van de vereniging Bredevoorts Belang het maaien van het gras en het vrijhouden van de muren en de 12 grafzerken van klimplanten. In 2022 werd gestart met de restauratie van de scheuren in de muren, is het voegwerk vernieuwd en de poort onder handen genomen.

    Kenmerken


    Kadastraal nr.A-1143
    FunctieBegraafplaats
    Aanlegca. 1830
    MonumentGemeentelijk
    monument

    Bekijk de graven op Findagrave.

  • Joodse Begraafplaats Aalten

    Joodse Begraafplaats Aalten

    Haartsestraat 150, Aalten

    De Joodse begraafplaats van Aalten, gelegen aan de Haartsestraat, heeft een rijke geschiedenis die teruggaat tot het begin van de 19e eeuw. Hoewel het terrein in 1852 officieel eigendom werd van de Joodse gemeenschap, zijn er aanwijzingen dat de begraafplaats al vanaf circa 1820 in gebruik was.

    De begraafplaats ligt in een bosrijk gebied en wordt omgeven door een stevig hekwerk. Het oudere gedeelte bestaat uit een lage en rijkbeboste heuvel met verspreide grafmonumenten. Ten oosten daarvan bevindt zich het jongere gedeelte dat wordt gekenmerkt door een orthogonale aanleg.

    Op het terrein staan ongeveer zeventig grafstenen, die variëren in ouderdom en ontwerp. Bij de ingang aan de Haartsestraat staat een metaheerhuis (lijkenhuis), een ritueel gebouw dat gebruikt wordt voor de reiniging van overledenen volgens Joodse tradities.

    Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de begraafplaats beschadigd, maar na de oorlog is deze hersteld. Ter nagedachtenis aan de Joodse kinderen uit de gemeente die tijdens de oorlog zijn gedeporteerd en omgebracht, is er een plaquette aangebracht op de gevel van het metaheerhuis.

    Kenmerken


    Kadastraal nr.D-4461
    FunctieBegraafplaats
    Aanlegca. 1820
    MonumentGemeentelijk
    monument

    Bekijk de graven op Findagrave.

  • Stolpersteine

    Stolpersteine

    In Aalten liggen 34 Stolpersteine voor twaalf adressen. Een Stolperstein (struikelsteen) is een gedenksteen die geplaatst wordt in het trottoir voor het huis van waaruit in de Tweede Wereldoorlog mensen door de nazi’s zijn weggevoerd naar een vernietigingskamp. Als je, meestal onverwacht, voor je voeten zo’n steen ziet met de naam van een slachtoffer, word je er weer even aan herinnerd hoe tijdens die oorlog vele miljoenen het slachtoffer zijn geworden van systematische moord.

    De stenen hebben een oppervlakte van 10 bij 10 cm. Op de bovenkant is een messing plaatje aangebracht. Daarin zijn de naam, het geboortejaar, de datum van wegvoering en de plaats en datum van overlijden gestanst. Zo herinnert elk van die stenen aan één van die slachtoffers. Een mens die op déze plek heeft gewoond en hiervandaan is gedeporteerd, om nooit meer terug te keren.

    Bedenker

    Het Stolpersteineproject is bedacht door de Duitse kunstenaar Gunter Demnig. Hij maakte het formaat van deze ‘stenen des aanstoots’ bewust niet te groot, zodat men een buiging moet maken om de opschriften te kunnen lezen.

    Demnig begon in 1997 met het leggen van de eerste Stolperstein in de Berlijnse wijk Kreuzberg. Inmiddels liggen er in vele landen al Stolpersteine. Gunter Demnig geeft ieder slachtoffer zo een eigen monument. Zijn motto luidt: “Een mens is pas vergeten als zijn of haar naam vergeten is“.

    Aanvankelijk maakte hij alle stenen één voor één zelf, want massaproductie vindt hij in strijd met de gedachte achter het project. Maar gedwongen door de stormachtige ontwikkeling van het project, laat hij zich tegenwoordig ondersteunen door een bevriende kunstenaar. Hij staat erop om de eerste stenen in een bepaalde plaats persoonlijk te leggen. De overige stenen worden tegenwoordig meestal door gemeentelijke stratenmakers geplaatst.

    Stolpersteine in Aalten

    In Aalten zijn er 34 Stolpersteine gelegd voor de volgende adressen:

    • ’t Dal 1: Levi Salomon Schaap, Ella Schaap-Philips, Eliazar Hars Schaap, Frits Landau, Amalia Landau-Lorch
    • Dijkstraat 10a: Levie van Gelder, Jula van Gelder-Landau, Arnold van Gelder
    • Eerste Broekdijk 51: Roberth Fuldauer, Rozetta Fuldauer-van Gelder, Lina Sara Fuldauer, Sara Fuldauer, Meijer David Fuldauer, Cato Konijn
    • Grevinkweg 5: Sally Fuldauer, Regina Fuldauer-de Jong
    • Haartsestraat 64: Wijnand Andriesse
    • Hogestraat 3: Jacob ten Bosch en Jansje ten Bosch-Bouwman
    • Hogestraat 13: Moritz Cohen, Bernhard Cohen, Karoline Japhet-Eppstein
    • Hogestraat 55/1: Albert Lewy, Friederika Lewy-ten Bosch, Berta Mathilde Lewy
    • Hogestraat 94: Salomon Goedhart, Philippina Lea Goedhart-Rosenburg
    • Landstraat 41: Johannes der Weduwen
    • Lichtenvoordsestraatweg 17: Philip van Gelder, Elise van Gelder-Cohen, Jozef Backs
    • Stationsstraat 24: Abraham van Gelder, Reintjen van Gelder-de Jong
    • Vellegendijk 17: Hendrik Wiggers

    In één geval kon de steen niet voor de woning van het slachtoffer worden gelegd omdat deze woning (Industriestraat 4) niet meer bestaat. Ook is er geen trottoir om de steen in te leggen. Daarom is deze steen voor de synagoge gelegd:

  • Bernard Leezer

    Bernard Leezer

    Nieuw Israëlitisch Weekblad, 26 maart 1993

    door Loeki Abram

    Bernard Leezer (57) woont in Aalten in de Achterhoek. Hoewel hij zesentwintig jaar een slagerij heeft gehad, vindt hij zichzelf eigenlijk geen slager. Hij is vader van drie zoons en een dochter en grootvader van twee kleinkinderen. Een gesprek over vlees, onderduiken en voetballen.

    „Mijn ouders zijn allebei overleden. Mijn vader was veehandelaar en mijn moeder kwam uit een welgestelde familie in Wilhelmshaven in Noord-Duitsland. Eigenlijk paste ze helemaal niet bij mijn vader. Hij was een Groninger stijfkop die het nieuw zo nauw nam met de etiquette. Dat botste. Als mijn vader thuis kwam en voor het eten zijn handen vergat te wassen, was het huis te klein. Hij wilde zich natuurlijk ook niet zomaar onder de zoden laten schoffelen dus ging hij daar tegen in. En dan zei mijn moeder: ‘Na und wie bist du denn, wie bist du denn überhaupt’? Moeder sprak thuis Duits. Ook vloeiend Nederlands, maar dat sprak ze bijna nooit. Ik ben tweetalig opgevoed.”

    „De vader van mijn moeder was paardenhandelaar. Zij ging altijd met een sjeesje naar de tennisbaan. Wie dat in die tijd deed, behoorde tot de betere klasse. Daarom zeg ik ook dat mijn ouders elkaar uit nood hebben leren kennen. Zij is in 1932 met haar twee kinderen – mijn vader en moeder zijn beide eerder getrouwd geweest – naar Nederland gevlucht. Mijn vader had uit zijn eerste huwelijk zes kinderen. Twee van zijn kinderen, waarvan een met man en kind, zijn vergast. Ik ben het enige kind uit het tweede huwelijk.”

    „Mijn moeder was een dominante vrouw. Zij hield haar eigen kinderen de hand boven het hoofd. De kinderen van mijn vader moesten wijken. Zij moesten zich al vroeg zelf bedruipen. Het was voor hen natuurlijk ook niet eenvoudig een vrouw te accepteren die hun moeder niet was. Vader was een man die terwille van de sfeer iets had van: Laat maar. Toe maar.”

    „Ik ben erg door mijn moeder beïnvloed. Als ik op vakantie wilde zei ze: ‘Du brauchst nicht so weit weg, wenn etwas passiert. Als je oud genoeg bent zul je een vrouw zoeken en gaan werken.’ Ik ben tegen mijn zin in slager geworden. Ik wilde eigenlijk vlieger worden. Moeder wou dat niet hebben. Dus werd het slager, maar eigenlijk ben ik geen slager. Ik ben te emotioneel. Ik ben tegen ritueel slachten, want ik vind dat een dier recht heeft op bedwelming. God heeft ons de dieren gegeven. Prima, maar moet een beest zoveel pijn lijden voordat wij het opvreten?”

    „De eerste joden die werden opgehaald waren de Fuldauers. Zij woonden vlak bij ons in de buurt. Ze werden weggehaald door politieagent Dijke uit Aalten. Het was een klein fanatiek mannetje. De familie Fuldauer liep bepakt en bezakt en hij liep voorop met zijn fiets losjes aan de hand en bracht die mensen naar het Feestgebouw. Daar werden de joden bijeengebracht om vandaar naar Westerbork te worden getransporteerd. Voor het slachthuis stonden mensen en die zeiden: ‘Zo Dijke, dat kun je zo wel volhouden hè?’ Toen zei mijn moeder: ‘Het wordt tijd. We moeten weg.’ Na de oorlog kwam die Dijke een keer bij ons in de winkel. Ik liep om de toonbank heen en zei: ‘Dijke eruit en kom hier nooit weer anders klieven we je. Het was de man die de eerste jidden uit Aalten heeft weggehaald en die kwam binnen alsof er niets was gebeurd.”

    „Kees Ruizendaal bijgenaamd Zwarte Kees – ook een politieagent, maar een goede – heeft ons aan een onderduikadres geholpen. Hij is later in Doesburg gefusilleerd. Ik heb eerst met mijn halfzusje Helga bij Klein-Entink gezeten en later met mijn ouders bij Hendrik Groot-Nibbelink in de Stroete in Lintelo. We zaten bij drie wezen ondergedoken. Het waren eigenlijk nog kinderen. Drika, de oudste was 26, Hendrik en Bernard waren even in de twintig. Voor mij zijn dat helden. Je weet wat er met ze was gebeurd als we gepakt waren. Het waren christelijke mensen. Ze deden wat ze deden uit liefde en niet voor de poen. Ik denk daar vaak over na. Ik vind het ongelooflijk wat zij hebben gedaan. Hendrik is vorig jaar overleden. De dominee hield een mooie preek. Ik ben in de koffiekamer gaan zitten. Ik had zoiets van als ik de dominee aankijk, krijg ik zo’n joekel van een krop in mijn keel. Ik kan me als kerel toch niet laten gaan?”

    „Tijdens mijn onderduik ging ik ’s avonds als het donker was met Hendrik naar buiten. Naast de boerderij stond een oude appelboom. Hij stond vreselijk schuin en moest gestut worden. Daartussen was een klein stukje grond. Als Hendrik die dag bijvoorbeeld rogge had gezaaid dan ging ik ’s avonds ook rogge zaaien op dat stukje grond. Hij was mijn grote voorbeeld, daarom was ik ook zo kapot toen die man stierf. Hij was als een vader voor me.”

    „Ik bracht veel tijd door bij de koeien of bij het paard. De Duitsers hebben Lies – zo heette ze – een keer gevorderd. Het was een sodemieter. Ze beet en trapte iedereen behalve mij. Ik kon bij wijze van spreken bij haar slapen. Hendrik kon Lies weer ophalen omdat de Duitsers haar niet in bedwang konden houden. Ik was zo blij dat ze terug was. Ik kon tenminste weer met haar knuffelen. Drika deed wel spelletjes met me. Mijn vader was te oud om met mij te spelen. Hij was doodsbenauwd dat mij iets zou overkomen. Ik weet niet of hij dat zou hebben overleefd. Hij was stapelgek op me. Toen ik later uit ging en laat thuis kwam kon hij nooit gaan slapen. Hij bleef altijd wakker en zei: ‘Waar is die jonger, nou toch.’ Mijn moeder was nuchterder.”

    „We hebben ook een tijd – toen het bij Groot-Nibbelink te gevaarlijk werd – bij Pennings in Varsseveld gezeten. Het was een hele christelijke familie. In de oorlog ging hij met paard en wagen naar Delft om glas te halen. Hij zat op de bok met in de ene hand de leidsels en in zijn andere hand een bijbel. Pennings had negen kinderen. Ik zit vaak aan de beek en dan denk ik: wat moet er allemaal in die man zijn omgegaan. Hij moest de rust in zijn gezin houden, de rust bij ons houden en zelf koelbloedig blijven. Er is een keer een huiszoeking geweest bij Pennings. Wij werden met zestien andere joden en mensen uit de ondergrondse onder het stro verstopt. Een van die ‘zwarten’ stond met zijn grote laarzen op de hand van mijn moeder. Hij heeft haar hele hand kapot getrapt. Pennings speelde beneden op het orgel: Blijf bij mijn Heer. Elke keer als ik dat hoor moet ik daar weer aan denken.”

    „Wij hebben bij echte christenen ondergedoken gezeten en later heb ik op een christelijke school gezeten. Maar ik heb nooit iets gehad van ik word christen. Mijn halfzusje Helga is gereformeerd geworden. Nou, dat heeft een paar druppels water gekost, maar daar is het ook mee gezegd. Heus, je kunt een paardenstal vol met Trakehners en Hannoveranen hebben, maar als je er een Arabier tussen zet, zie je dat. Je kunt jezelf niet verloochenen. Het eerste dat ze zeggen is: ‘Dat is toch een jodenstreek.’ Thuis hielden mijn vader en moeder mij het joodse leven voor. Mijn moeder was niet echt vroom. Mijn vader was orthodox. Hij heeft zijn hele leven, ook in de oorlog, geen gasser gegeten. Je bent een jid en daar ontkom je niet aan. Ik heb altijd gezegd: ‘Ik ben als jid geboren en ik sterf als jid’.”

    „Ik zou niet in Israël kunnen wonen vanwege de warmte, maar als ik in Erets ben vind ik het heerlijk. We gaan er geregeld heen, want onze dochter woont er. Als ik hier naar sjoel ga dan denk pff, maar daar vind ik het heerlijk. Na afloop sta je lekker met een groepje te sjmoezen. Dat kan hier niet meer. Vroeger wel. Voor de oorlog woonden er zo’n honderd joden in Aalten. Na de oorlog hadden we moeite minje te maken. Het is gewoon een andere sfeer. Je kunt je toch niet voorstellen dat je in Aalten met een keppeltje over straat loopt.”

    „Ik kan niet zeggen dat ik bang ben geweest. Ik kan me alleen herinneren dat ik na de oorlog op school als de dood was voor de postbode. Ik zat op de Groen van Prinsterer. Het was een ouderwetse school met een hele lange gang waar aan het einde de toiletten waren. Als ik de wc uitkwam en meneer Terbrake stond in zijn postbode-uniform aan het andere einde van de gang dan stond ik aan de grond genageld want ik had een ‘zwarte’ gezien. Dat krijg je als je jarenlang te horen hebt gekregen: ‘Die maken je dood.’ Terbrake ging dan gauw naar juffrouw Jonker en zei: ‘Bennie staat aan het eind van de gang.’ Zij kwam mij halen. Ze sloeg een arm om me heen en nam me mee naar de klas.”

    „De Groen van Prinsterer was een fantastische school. Het was een christelijke school. Het scheldwoord jood heb ik er nooit gehoord. Dat was op de openbare school wel anders. Ik kreeg bijles omdat ik op mijn elfde nog niet eens kon lezen en schrijven. Tijdens de onderduik lazen we wel boekjes en toen de oorlog was afgelopen zei mijn vader: ‘Hij leest dat hij barst.’ Maar je moet niet vergeten dat als je mij duizend keer zon boekje voorleest, dat ik het op een gegeven moment wel uit mijn hoofd ken. Eerst trapte ze erin, maar toen ik een ander boekje voor mijn neus kreeg, begreep ik er geen bal meer van.”

    „Tijdens de oorlog was ik mij er niet van bewust dat het om een kwestie van leven of dood ging. Geen mens kan mij vertellen dat een jongetje van een jaar of acht dat begrijpt. Er werd gezegd: ‘Je mag niet naar buiten want daar lopen mensen en die maken je dood.’ Dat dringt toch niet echt tot een kind door. Je kan duizend keer tegen een hond zeggen: ‘Daar mag je niet aankomen.’ En op een gegeven moment komt hij daar ook niet meer aan. Maar waarom dat niet mag, dat begrijpt hij niet.”

    „De laatste periode van de oorlog zaten we weer bij Hendrik in de Stroete. Daar hebben we ook de eerste tijd na de bevrijding gewoond omdat we geen huis meer hadden. Mijn moeder ging op zoek naar haar meubels. Ze heeft een heleboel teruggekregen. Mijn vader heeft bij een christelijke kerk een lening gesloten. Hij was een beetje nonchalant met terugbetalen, want jaren later kregen we nog een aanmaning. Direct na de oorlog heeft hij een advertentie gezet in de krant: ‘Na tweeënhalf jaar ondergedoken te zijn geweest, heropen ik mijn slagerij‘. Mijn vader was geen goede slager. Hij was een veekoopman. Een echte handelaar. Zo van: één twee hup, teken dat beest even af.”

    „Na de lagere school ben ik naar de technische school gegaan. Dat wilde ik helemaal niet, maar mijn moeder zei: ‘Du sollst ein Handwerk lernen.’ Verder heb ik een zooitje diploma’s gehaald. Daarnaast heb ik altijd veel aan sport gedaan: tennis, hockey en voetbal. Ik kreeg van mijn vader geen geld voor voetbalschoenen. ‘Dat moet je maar verdienen’, zei hij. Ik moest mijn vader altijd helpen, maar ik kreeg er geen geld voor. Mijn zwager had een noodslachterij. Als er ’s nachts een noodslachting was belde hij mij uit bed en ging ik hem helpen. Daar kreeg ik ook geen geld voor, maar wel: de kop, de tong, de uier en de lever en dat verkocht ik. Daarvan kon ik mijn voetbalschoenen kopen.”

    „Ik heb als semi-prof bij De Graafschap gespeeld. Van voetbalclub Aalten ben ik naar de Winterswijkse Voetbal Club gegaan. WVC was een elitaire club. Doordat ik in Winterswijk naar school ging en daar in het schoolelftal zat, speelde ik mij in de kijker. Toen ik van Aalten naar Winterswijk ging was ik wel een rotjood. Waarom? Ik verloochende Aalten. WVC was een elite club, die haatten ze. Ik was een echte snelle rechtsbuiten. Maar ik was heel tenger gebouwd. Ze hoefden mij maar tegen de enkel te tikken en dan rolde ik 34 keer over de kop. Later heb ik ook op de midvoorplaats gespeeld. Eigenlijk was ik daar te klein voor, maar ik donderde altijd op de grond en dan hadden we de scheidsrechter op ons hand. Ik heb twee seizoenen bij De Graafschap gespeeld tot ik op een dag door Dick Tol bijgenaamd ‘de knoest’ uit de wedstrijd werd geschopt.”

    „Uiteindelijk heb ik 26 jaar een slagerij gehad. Nu zeg ik: ‘Ik zou het nooit meer willen doen.’ Een onsje van dit, een onsje van dat. Nooit meer, maar ik heb wel plezier gehad. Vooral in het begin van de jaren zestig kregen we veel Duitse klanten. Het vlees was in Nederland goedkoper dan in Duitsland. Je moest oppassen dat je de Duitsers niet voortrok, dan kreeg je trammelant met de Nederlanders. Nederlanders werden bij mij altijd direct geholpen door mijn knecht of door mijn vrouw. Ook al waren er drie Duitsers voor, een Nederlander werd eerst geholpen. Ik maakte een pieskapee en zei: ‘Kurt, ich hilf dir’.”

    „’s Avonds kwamen de restauranthouders uit Bocholt en die bestelden tien, vijftien strengen karbonades Er waren een paar douanebeambten die altijd vlees kwamen halen. Zij hoefden nooit te betalen. Als ze kwamen, zeiden ze: ‘Mann, heute abend habe ich wieder dienst.’ En dan ging ik ’s avonds in mijn Opeltje, het reservewiel eruit, de strengen karbonades erin, hup zo de grens over. Ik kon altijd doorrijden. Mijn vrouw wist van niets en ik dacht wat niet weet wat niet deert. Het was een tijd van avontuur en scharrelen.”

    Bron


  • Het joodse leven in Aalten

    Het joodse leven in Aalten

    Nieuw Israelietisch Weekblad, 29 januari 1965

    Er staat nog een synagoge in Aalten. Men heeft het de laatste weken kunnen lezen in de binnenlandse en in de buitenlandse pers. Wel zelden zal dit Beth Haknesseth zo in de publieke belangstelling hebben gestaan. Een stoet journalisten is naar Aalten getogen. „Ik kan geen journalist meer zien,” zo tekende ik uit de mond van een der Aaltense joden op. Zij zjjn naar Aalten gereisd omdat de synagoge van Aalten is beklad. Het was een incident uit een veelheid van antisemitische uitingen, in Nederland en in het buitenland, waarvan de laatste weken melding is gemaakt. Ook van die andere incidenten heeft men kunnen kennisnemen. Niet echter in dit blad. Men kan wel aan de gang blijven.

    En dat niet alleen: het anti-semitisme is ten slotte geen kwestie van ons. Het is een ziekte die woekert en voortwoekert, meestal in stilte, een enkel maal openlijk. Wij zelf zijn er minder van ontdaan zolang er geen lijfsbehoud mee is gemoeid, dan de groepen onder wie het gezwel woedt. Wij zelf zijn zelfbewuster, zelfverzekerder geworden. Enerzijds komt dat door het ontstellende waar wij nog slechts een generatie geleden doorheen moesten — en wat kan ons nog erger gebeuren — anderzijds door de stimulerende werking die het bestaan van de staat Israël op ons uitoefent.

    Wellicht zijn dat de oorzaken, dat men in Aalten nauwelijks belangstelling van onze organisaties heeft gekregen — alleen opperrabbijn E. Berlinger en de Permanente Commissie gaven van hun meeleven blijk. De geringe belangstelling onzerzijds staat in schrille tegenstelling tot de tientallen brieven die van niet-joodse zijde zijn ontvangen. Dit staat in een van de brieven te lezen: „…Sinds de oorlog hebben pas vele mensen, waaronder ik zelf, zich rekenschap gegeven, niet alleen wat in het bijzonder een deel van ons volk is aangedaan, zonder dat wij maar iets van betekenis er tegen gedaan hebben of kunnen doen (?)… En nu dit: wat moet ik doen — hoe kunnen wij, niet-joodse medeburgers, deze belediging, deze vreselijke klap in het amper genezen, zo diep geschonden gezicht weer teniet doen. Dat is de reden, dat ik schrijven moet!!!”.

    Men neemt in Aalten kennis van de brieven, van de mondelinge belangstelling. Doet het ze goed? Ontegenzeggelijk geeft het steun. Des te feller voelt men, dat van onze zijde amper is gereageerd. Wat in de relatief grote joodse gemeenschappen in het westen nauwelijks beroering wekt, is in Aalten nog steeds het gesprek van de dag. Het behoeft niet te verwonderen, de kille is maar klein. Wat voor steun kan men elkaar geven? Niet dat er angst is, geenszins. Ook in Aalten beschouwt men het bekladden van de synagoge als een incident. Maar toch…

    Negen gezinnen vormen de kille Aalten nog maar. Negen gezinnen met tezamen 28 zielen van wie zeven kinderen. Zij bezien het besmeuren van de sjoel, het vernielen van de stenen op de begraafplaats te Winterswijk niet met een schouderophalen. Want tussen het een en het ander zit verband. Het zijn geen los van elkaar staande feiten. Het politieonderzoek heeft ten slotte aangetoond, dat degenen die op de begraafplaats van Winterswijk vernielingen aanbrachten dezelfden zijn als degenen die de sjoel in Aalten besmeurden. Het is bewezen door vergelijking van de handschriften en chemische onderzoekingen van het krijt waarmee werd gekalkt. Doch hoe actief de Aaltense politie ook is, vooralsnog is er geen sprake van dat de actieve anti-semieten konden worden gearresteerd.

    Alleen eisen

    Er staat nog een synagoge in Aalten. Maar sjoeldiensten worden op Sjabbath slechts sporadisch gehouden. En alleen met sjoeldiensten kan men in de kleine kehilloth zijn jodendom actief bewijzen. Tot verleden jaar vonden de diensten nog iedere Sjabbath plaats. Maar in de laatste vijf jaar zijn drie sjoelbezoekers overleden en enige jongeren naar elders vertrokken. Alleen als deze jongeren naar Aalten overkomen is er op Sjabbath nog wel eens een dienst. De sjoel wordt thans echter alleen op Jamiem Towien bevolkt.

    Toch had Aalten tot in 1948 nog een eigen chazan. Hij vertrok naar Amerika. Hij was de laatste chazan van de vele voortreffelijke chazaniem die deze kehilla in haar lange geschiedenis heeft gekend. Sinds zijn vertrek fungeerde een der Aaltenaren als Sjeliach Tsibboer. Tjjdens de Jamiem Noraiem komt een der jongeren uit Amsterdam. Het is in Aalten niet meer mogelijk een eigen chazan te benoemen — nog afgezien van de vraag vanwaar hij zou moeten komen. De kille kan zijn salaris uit de belastingopbrengst niet betalen.

    „De Permanente Commissie eist een deel van deze opbrengst, het ressort Arnhem eist een deel van het geld. En men vergeet dat wij onze sjoel hebben te onderhouden en dat wij (onze) grote begraafplaats moeten verzorgen. Van ons wordt geld geëist, maar wat krijgen wij ervoor terug? Als wij een bar mitswa hebben moeten wij om de komst van een chazan smeken. De rekening komt later. Als wij iemand nodig hebben voor een lewaje dan wordt later de rekening gepresenteerd: ƒ 0,25 per autokilometer, buiten het verlangde dat niet op de rekening staat.”

    Slager weet het beter

    Er staat nog een synagoge in Aalten. Zij wordt nog nauwelijks gebruikt. Er is geen chazan meer. Zij zijn in Aalten wel geweest. Sommigen waren tevens mohel, de meesten tevens sjocheet. Dat heeft in Aalten wel eens tot schermutselingen aanleiding gegeven. Want de vier kosjere slagers in het vooroorlogse Aalten waren het niet met de beslissingen van de sjocheet eens. Als de sjocheet zei: de koe is treife, dan wisten de slagers het beter. De sjochetiem kregen dan van alles naar het hoofd geslingerd. Een van hen, Levi Gasan, klein van stuk en tenger, was zeer bevreesd voor de woede van de slagers. Als hij een koe treife bevond, verliet hij stilletjes het abattoir, rende de laatste meters naar de deur toe en riep daar pas: „De koe is treife!!, omdat hij verwachtte een hakmes naar het hoofd gegooid te krijgen indien hij het in het gezicht van de slagers zou zeggen. Zijn werk plus de angst voor het lijfsbehoud werd in die jaren gehonoreerd met 1800 gulden per jaar. De respectieve opperrabbijnen hadden het ook niet bepaald op de Aaltense slagers begrepen. Vooral opperrabbijn Levisson keerde zich tegen hen.

    „De opperrabbijnen waren autoriteiten. Als zij eens per half jaar een inspectie hielden, was men zenuwachtig. Zij beslisten op meer terreinen dan waar zij formeel gezien te beslissen hadden. Zij wensten geen slagers als parnassiem. Zij hielden oog op de administratieve beslissingen van de parnassiem. Zij bemoeiden zich met de salariëring. En niemand die het waagde de opperrabbijn tegen te spreken”. Desondanks hadden de Aaltense parnassiem vaak ruzie met de opperrabbijn. Zij verweten deze veel. Maar deze verwijten bereikten de opperrabbijn echter nimmer. Hij zat dan allang weer in Arnhem. Op de hoofden van de chazaniem ontlaadde zich de toorn van de parnassiem. Zij kregen aanmerkingen op vele terreinen: ook dat zij onvoldoende onderwijs gaven. Het gebeurde ook omdat sommige gemeenteleden meer kennis bezaten dan de chazan. Want in Aalten waren vele chewres. Die zijn er niet meer. De kinderen krijgen wekelijks een uur joodse les. Voor jeugdbijeenkomsten moeten zij naar Winterswijk reizen.

    Het is in Aalten somtijds hard toegegaan. De belastingen waren gering. Wie een dubbeltje meer betaalde rekende zich tot de vooraanstaanden. Aan dat dubbeltje ontleende men vele rechten. In Sjoel werd tegen elkaar opgeboden om een mitswa te verkrijgen. Mede daardoor wisten de parnassiem soms beter wat het inkomen was van de gemeenteleden dan de inspecteur van de belastingen. Wellicht ook daarom zette men zich zo in om tot parnas te worden gekozen. De verkiezingen waren in werkelijkheid een onder-onsje. Maar ondanks de strijd om de kawod was er een grote samenhang. De ruzie van de ene dag werd de andere dag weer bijgelegd.

    Ruzie

    Maar ruzie was er veelvuldig. Want de joodse gemeenschap van Aalten bestond voor een groot deel uit veesjochriem. Op vrijdagavond maakten zij in sjoel met elkaar ruzie omdat de een bij een boer een koe had gekocht die aan de ander was toegezegd. Op Sjabbathmorgen werd de ruzie in sjoel bijgelegd. Op Sjabbathmiddag bracht men bij elkaar bezoeken, ook om elkaar uit te horen. Sjabbathavond wenste men elkaar „gut woch”.

    Aalten, dat voor de oorlog tachtig joodse zielen telde en kort voor de oorlog honderdveertig zielen; van wie vele Duitse vluchtelingen, was altijd een vrome kille. „Op Sjabbath waren hier alle joodse zaken gesloten. Geen jood die werkte. Dat zou ook niet gekund hebben. De bevolking had dat niet genomen. Eenmaal is het voorgekomen dat een joodse vertegenwoordiger van een joodse firma uit Amsterdam een winkelier op Sjabbath in Aalten bezocht. Hij werd de winkel uitgegooid en zijn monsterkoffertje werd hem achterna gesmeten. „Op Sjabbath bij mij geen jood in huis”, werd hem toegeroepen.” Nog staat er een synagoge in Aalten…

    M. KOPUIT

    Dit artikel is tot stand gekomen mede met behulp van de heren J. Weyel en S.I. de Haas te Aalten.

    Bron


  • Waar zijn Frits en Amalia Landau?

    Waar zijn Frits en Amalia Landau?

    Het Joodse echtpaar Frits en Amalia Landau woonde tijdens de Tweede Wereldoorlog in Aalten. Hun levens eindigden tragisch toen zij door het verzet werden geëxecuteerd vanwege het gevaarlijke gedrag van Frits. Hun lichamen werden vermoedelijk in het buitengebied van Aalten begraven, maar de exacte locatie is tot op heden onbekend.

    Frits Landau werd geboren op 28 november 1905 in Aalten. Hij werd handelsreiziger en bleef lang ongehuwd. Op 6 juni 1942 verloofde hij zich met Amalia Lorch, roepnaam Maly, geboren op 20 december 1902 in Bocholt. In augustus van datzelfde jaar trouwden zij en gingen inwonen bij de familie Schaap, ’t Dal 1 in Aalten (tegenwoordig ‘t Dal 1).

    Al spoedig moesten zij onderduiken. Per 1 april 1943 moest Gelderland namelijk officieel Juden-frei, Juden-rein zijn. In het Aaltense bevolkingsregister staat vermeld dat Frits & Amalia op 17 maart 1943 vertrokken zijn, onbekend waarheen. Daarna verbleven zij op twee verschillende onderduikadressen, het laatst bij de familie Van Eerden op boerderij De Maote in de buurtschap Dale.

    Onvoorspelbaar en gevaarlijk gedrag

    Over Frits Landau wordt gezegd dat hij een alcoholist was met een kort lontje, wat leidde tot onvoorspelbaar en gevaarlijk gedrag. Naar verluid maakte hij het zijn onderduikgevers niet gemakkelijk. Hij viel jongedames lastig en wilde elke avond zijn borrels hebben. Hij was gewend aan een luxe leven. In 1943 had men echter nauwelijks nog drank op de boerderijen.

    Meermaals dreigde Frits zijn onderduikadressen te verraden om zichzelf zo vrij te kopen bij de Nazi’s. Althans, hij ging ervan uit dat dit zou lukken. Tot tweemaal toe wist men zo’n poging van hem op het nippertje te verijdelen.

    Frits & Amalia Landau - Aaltensche Courant, 28-08-1945
    Aaltensche Courant, 28 augustus 1945

    Liquidatie door het verzet

    Omdat hij door het plaatselijke verzet als een risico voor de veiligheid van andere onderduikers werd beschouwd, besloot men hem te executeren om andere onderduikers en hun helpers te beschermen.
    Vooraf werd gesproken door de Raad van Verzet en zelfs door de plaatselijke dominees over hoe met hem om te gaan. Ome Jan Wikkerink stelde voor Frits permanent te laten bewaken door onderduikers en piloten. Zover kwam het echter niet, want enkele jonge verzetsmensen namen zelf het initiatief om hem uit de weg te ruimen.

    Ze vertelden het echtpaar Landau dat ze naar een ander onderduikadres in Vragender zouden worden gebracht, een geschikte smoes om naast Frits ook Amalia mee te krijgen. Het was overigens de bedoeling om Frits en Maly te scheiden, men wilde haar dit lot besparen. Maar Frits wilde niet meewerken aan de afzondering en zo werd Maly meegetrokken in zijn lot.

    Frits en Amalia Landau-Lorch werden eind 1943 of begin 1944 door het plaatselijke verzet in het buitengebied van Aalten geliquideerd en begraven.

    Locatie onbekend

    Over de exacte plek en datum van de liquidatie lopen de meningen uiteen. Volgens een theorie werden Frits en Amalia Landau-Lorch omgebracht op de Schaarsheide, dicht bij de Nazarethdijk. Een andere theorie wijst naar het Daalse Goor.

    Er is meerdere malen gezocht naar de begraafplaats van het echtpaar Landau, om hen een herbegrafenis op de Joodse Begraafplaats te geven, tot op heden echter zonder resultaat.

    Tijdens een zoektocht op de Schaarsheide werd een damesschoen en drie verroeste scheppen gevonden. Onderzoek wees uit dat de schoen mogelijk uit de jaren dertig van de vorige eeuw dateert. Het is aannemelijk dat daarbij de eerste grafplek is gevonden. Volgens betrokkenen zouden de lichamen namelijk zijn herbegraven. Destijds moest alles snel gebeuren, en blijkbaar besloot men later dat de oorspronkelijke begraafplek niet geschikt was. Bij het ruimen van het eerste graf zou de damesschoen zijn achtergebleven. Daarna zijn de stoffelijke resten ergens anders herbegraven, maar waar is onbekend.

    In 2023 vond de laatste zoektocht plaats. In een stukje bos tussen Aalten en Lichtenvoorde zochten twaalf ervaren amateurs naar de lichamen van Frits en Amalia. Met detectoren werd gezocht op verschillende frequenties naar verschillende materialen, maar men vond geen menselijke resten.

    Op 13 april 2016 werden twee Stolpersteine voor Frits en Amalia Landau-Lorch gelegd bij hun laatste officiële woonadres aan ’t Dal.