Auteur: Oud Aalten

  • Verhuizen

    Verhuizen

    In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Zo schreef hij onder andere over de gebruiken als een boer verhuisde:

    “Een enkele maal dat een boer verhuisde, geschiedde dit op ‘Sinte Peter’, 22 Februari. Al het hebben en houden werd op de wagens geladen der buren en de heele stoet trok dan van ’t oude huis naar de nieuwe of andere hoeve. De buurvrouwen waren dan al vast naar de nieuwe woning gegaan, hadden die schoon gemaakt en het vuur aangelegd. In den volksmond heette dat ‘vuur beün’.

    Als de nieuwe bewoners kwamen, was de koffie reeds gezet en konden de aankomenden direct zich verkwikken aan een lekkere kop koffie. De buren hielpen dien dag, de een gooide hier wat neer de ander daar, het was een kolossale drukte. Als klap op de vuurpijl kwam dan later het ‘intrekkersmoal’, waarbij het ook al weer niet aan geestrijke dranken ontbrak.”

    Bron


    • ‘Uit Aalten’s verleden’, door G.H. Rots, Aaltensche Courant, 12 & 19 november 1937 (via Delpher: deel IV)
  • Smitskamp

    Smitskamp

    Aalten

    De Smitskamp is een straat in Aalten, gelegen tussen de Keizersweg, Bodendijk, Keizersbeek en Slaadreef.

    De eerste bebouwing dateert uit 1975, aan de kant van de Bodendijk, en bestond uit 50 seniorenwoningen.1 De aanleg vond plaats nadat de Keizersbeek werd verlegd en een boerderij op deze locatie werd gesloopt.

    In de daaropvolgende jaren breidde de Smitskamp zich verder uit met de bouw van twee-onder-een-kapwoningen, vrijstaande huizen en bungalows. De meest recente woning werd in 2019 opgeleverd.2


    Naamgeving

    De naam Smitskamp is afgeleid van een historische veldnaam die verwees naar een weiland dat grotendeels binnen het huidige plangebied van de woonwijk lag.3 Dit weiland bestond uit twee kadastrale percelen, E-263 en E-264. Hieronder volgt een overzicht van de eigenaren van deze percelen tussen 1832 en 1967.4

    JaarEigenaar
    1832Hermanus Bernardus Wamelink, landbouwer
    1862Gerharda Arnoldina en Johanna Hendrika Evers
    1876Willem Rudolf Manschot, smid
    1881Hendrik Jan Manschot, winkelier
    1908Pieter Willem Smits
    1910Johannes Pieter Smits en consorten
    1929Johanna Smits
    1948Hendrik Smits, ambtenaar ter secretarie te Middelburg (dj. 1965: verkoop)
    1967Gemeente Aalten

    De herkomst van de veldnaam laat zich hierdoor eenvoudig verklaren: een kamp is een afgeperkt perceel grond. Sinds het begin van de 20e eeuw was dit specifieke perceel (percelen) in bezit van de familie Smits, wat de naam Smitskamp verklaart.5

    Smitskamp, Aalten - 22 juni 1973
    22 juni 1973
    Smitskamp, Aalten - 11 april 1975
    11 april 1975
  • Oorsprong van de plaatsnaam Aalten

    Oorsprong van de plaatsnaam Aalten

    Over de oorsprong van de naam Aalten doen verschillende theorieën de ronde. Maar waarop zijn deze gebaseerd en hoe geloofwaardig zijn ze? Oud Aalten dook in de geschiedenis om hierover meer te ontdekken.

    We beginnen met de oudste historische vermeldingen van Aalten, omdat deze mogelijk aanwijzingen bevatten over de oorsprong van de naam. Vervolgens bekijken we wat de toponymie (plaatsnaamkunde) ons hierover kan leren. Daarna behandelen we enkele theorieën over de herkomst en betekenis van de naam Aalten en sluiten we af met onze conclusie.

    Vroegste vermeldingen

    Er zijn verschillende middeleeuwse documenten die een verwijzing naar Aalten bevatten, waarbij de schrijfwijze varieert. De bekendste vermeldingen zijn Aladna en Aladon, waar de Aladnaweg en een school naar zijn vernoemd. Hieronder volgt een overzicht van historische vermeldingen, inclusief een verwijzing naar de oudst bekende bron.

    828

    Een oorkonde uit 828 beschrijft hoe een zekere Geroward op 7 februari van dat jaar al zijn bezittingen, waaronder die in Aladna, schonk aan de Sint-Martinuskerk in Utrecht. Over de identiteit van Geroward is weinig bekend, maar vermoedelijk was hij een Frankische edelman in dienst van de Karolingische keizer Lodewijk de Vrome, zoon van Karel de Grote.1

    1138/
    1139

    In 1138 of 1139 sluit Godschalk van Versnevelde (Varsseveld), met instemming van zijn broer graaf Gerhard (II) van Lohn, een ruilovereenkomst met de kanunniken van de Mariakerk in Rees. Hij draagt een landgoed in Megchelen bij Gendringen over, inclusief bijbehorende jachtrechten, twee akkers, een weide en negen horigen van beide kunne. In ruil ontvangt hij een goed in Alethnin, met alle opbrengsten en zeven horigen.2

    1152

    In 1152 trof graaf Godschalk (II) van Lohn, zoon van Gerhard II, een regeling met bisschop Frederik II van Münster. Godschalk claimde het bestuur over de kerspelen Lon, Winethereswik, Aladon, Versnevelde, Selehem en Hengelo op basis van zijn grafelijke titel. De bisschop zag dit anders, waarna werd vastgelegd dat Godschalk deze gebieden niet in eigen bezit had, maar als leenman van de bisschop moest beheren.3

    1188

    In 1188, tijdens de regering van de Roomse keizer Frederik I, stelde priester Everhardus, kapelaan van graaf Hendrik van Dalen en Diepenheim, een inventaris op van Hendriks feodale (leenhorige) en allodiale (vrije) bezittingen. De feodale goederen werden genoteerd onder de parochies waartoe ze behoorden, waaronder Ecberghe, Gronlo, Winterswic, Nehde, Ghesterne, Lochem, Almen, Dotinchem, Zelhem en Althen.4

    1234

    In 1234 ging graaf Herman (I) van Lohn, heer van Bredevoort, samen met zijn broers Hendrik, proost van Zutphen, en Otto, kanunnik van St. Gereon te Keulen, benevens zijn zwagers Werner van Herden, Sweder van Ringelberg, Herman Werecen, Herman van Munster en hun echtgenoten, en al hun verdere erfgenamen, een ruil aan met het klooster Bethlehem. Daarbij krijgt het klooster van de graaf onder andere: duabus warandiis, una in marchia Alethim et altera in marchia Silvolden (twee jachtgebieden; één in de marke van Aalten en de andere in de marke van Silvolde). Getuigen zijn onder andere de pastoors Johannes uit Bocholte, Conradus uit Alethim, Ernestus uit Winterswic, en Johannes uit Versevelde.5

    1254

    In 1254 wordt melding gedaan van de “curtis Grevinkhof sita in parochia Alethe (het hof Grevinkhof, gelegen in de parochie Aalten): Gotscalco de Reme ontfangt van Otto van Loon in burgleen de curtis Grevinkhof te Aalten, met den molen en wat er verder toebehoort, met uitzondering van het holtgericht. Hierby present Gerardus Canoninicus „frater domini G. de Reme”.6

    1313

    In een register van de tot het bisdom Münster behorende kerken uit het jaar 1313 worden de volgende, tegenwoordig in Nederland gelegen parochies vermeld: Alten, Dinxperle, Eiberghe, Gheesteren, Grolle, Hengelo, Neede, Seelfwalde, Selehem, Versevelde en Wynterswik.7

    1386

    Derich Willemssoen van Lyntloe beleend met Varenvelde in kerspel Alten, sabbato na Briccii ep. (17 november) 1386.8

    1409

    Derk van Linteloe en zijn kinderen Derk en Herman, verklaren verkocht te hebben aan Johan Rensynck het goed ten Nygenhues, gelegen in de buurschap Lynteloe onder Aelten en leenroerig aan de heerlijkheid Borkeloe, 1409 juli 24 (in vigilia beati Jacobi apostoli maioris).9

    Toponymie en klankontwikkeling

    Toponymie, ofwel plaatsnaamkunde, is een tak van de taalkunde die plaatsnamen bestudeert en hun oorsprong tracht te verklaren.10 Een algemeen aanvaard principe binnen de toponymie is dat de klankontwikkeling van een naam betrouwbaarder is dan de spelling, aangezien schriftelijke vermeldingen in premoderne tijden inconsistent waren en beïnvloed werden door schrijvers, dialecten en tijdgebonden conventies. De klank van een naam blijft daarentegen doorgaans consistenter en biedt daarom een beter inzicht in de oorspronkelijke uitspraak en betekenis.

    Nu zijn wij geen plaatsnaamkundigen, maar wanneer we de klankontwikkeling van de vroegste vermeldingen van Aalten chronologisch bekijken, menen wij een patroon te herkennen:

    Aladna → Alethnin → Aladon → Althen → Alethim → Alethe → Alten → Aelten → Aalten

    Deze vermeldingen bestaan gedurende een periode van vier eeuwen (9e-13e eeuw) uit drie lettergrepen, beginnend met ‘ala’ of ‘ale’, gevolgd door een d of t, en in de meeste gevallen eindigend op een n. Hoewel de spelling varieert, blijft de klankstructuur grotendeels consistent. Vanaf de 13e/14e eeuw zien we dat de tweede lettergreep langzamerhand verdwijnt en dat de naam verbastert tot Althen/Alten/Aelten/Aalten.

    Theorieën over herkomst en betekenis

    Hieronder behandelen we de bekendste theorieën over de herkomst en betekenis van de naam Aalten.

    Plaats op een heuvel

    Een veelgenoemde theorie stelt dat de naam Aalten zou zijn afgeleid van het Latijnse altus, dat ‘hoogte’ betekent. Deze verklaring lijkt voornamelijk gebaseerd op het feit dat Aalten op een heuvel is ontstaan en de klankovereenkomst tussen altus en Aalten. Er is echter geen historisch of taalkundig bewijs voor deze theorie. Bovendien houdt deze verklaring geen rekening met de klankontwikkeling in de oudst bekende vermeldingen van de naam.

    Erf bij het altaar

    Een andere theorie suggereert dat Aalten rond 150 v. Chr. werd bewoond door Angelen uit het gebied dat nu Berkelland is. Volgens deze verklaring zou de naam zijn afgeleid van het Anglische ael (altaar, offerplaats) en thun (tuin, omheind erf). Dit zou leiden tot Aelthun, oftewel ‘erf bij het altaar.’11 Ook deze verklaring is speculatief en past niet bij het klankpatroon van de middeleeuwse vermeldingen van de naam.

    Plant- of boomnaam

    In Gelderse plaatsnamen verklaard stelt Gerald van Berkel dat de naam Aalten mogelijk verband houdt met een plant- of boomnaam en verwijst hierbij naar het Oudnoorse alað (voeding, spijs), aldin (eetbare boomvrucht) of alda (vruchtdragende eik).12 Hoewel er geen direct bewijs is voor deze verklaring, past ze wel bij het klankpatroon van de middeleeuwse vermeldingen.

    Plaats aan het water

    In Prehistorische waternamen suggereert Maurits Gysseling dat de naam Aalten is afgeleid van het Indo-Europese Alatanā, met de betekenis “gelegen in een bocht van een beek”.13 In het geval van Aalten zou dat verwijzen naar de Slingebeek. Van Berkel noemt deze theorie in Gelderse plaatsnamen verklaard echter vergezocht.

    Plaatsnaamonderzoeker Bas Kloens is het daar niet mee eens. In zijn studie over plaatsnamen en hun oorsprong, Valkuilen in de Plaatsnaamkunde, stelt hij dat het juist “overduidelijk” is dat Aalten, net als veel andere soortgelijke plaatsnamen, haar naam te danken heeft aan de ligging aan een waterloop of beek.14

    Conclusie

    Geen enkele theorie over de herkomst van de plaatsnaam Aalten is met hard bewijs te staven of volledig uit te sluiten. Het blijft dus voor een groot deel speculeren. Desondanks neigen wij naar de theorieën van Gysseling en Kloens, die stellen dat Aalten haar naam dankt aan de ligging aan een waterloop, oftewel de Slingebeek.

    Bovendien lijkt ons, ondanks de scepsis van Van Berkel, een verband met het Indo-Europese Alatanâ, dat toch best veel lijkt op Aladna, plausibel.

    Kortom, hoewel niet wetenschappelijk bewezen, gaat onze nominatie voor meest aannemelijke verklaring voor de oorsprong en betekenis van de naam Aalten naar Plaats aan het water / gelegen in een bocht van een beek.

  • Begraven in Aalten

    Begraven in Aalten

    Rond 800 na Christus

    Archeologische vondsten wijzen erop dat de vroege bewoners van Aalten al rond 800 na Christus hun doden begroeven in een grafveld aan de huidige Damstraat. Tijdens graafwerkzaamheden in de late 19e en vroege 20e eeuw werden daar sporen van een Merovingisch-Frankisch grafveld ontdekt. Opvallende vondsten, zoals speerpunten, stijgbeugels, een schildknop en zilveren gordelschakels, suggereren dat hier mogelijk een krijgsman begraven lag.

    Op De Hoven zijn sporen van bewoning uit dezelfde periode gevonden, bestaande uit diverse zogenoemde hutkommen – rechthoekige kuilen die dienden als werk- of opslagruimtes. Aardewerkfragmenten die hier werden gevonden, komen overeen met de vondsten van het grafveld aan de Damstraat.

    De kerstening van Aalten

    Na de onderwerping van de Saksen door Karel de Grote rond 785 begon de kerstening van Aalten en omgeving. Missionaris Liudger, later bisschop van Münster, speelde een belangrijke rol in de stichting van kerken in de regio, waaronder vermoedelijk de eerste kerk in Aalten.

    Deze kerk, oorspronkelijk waarschijnlijk een eenvoudige houten kapel, werd gesticht op een strategische en symbolische plek: de verhoogde locatie waar nu de huidige Oude Helenakerk staat. Deze plek werd het religieuze en sociale centrum van de gemeenschap.

    Uit archeologisch onderzoek is gebleken dat de bewoners van De Hoven die plek rond het jaar 1000 hebben verlaten. Mogelijk besloten zij, nadat zij waren bekeerd tot het Christendom, om dichterbij de recent gestichte kerk te gaan wonen, om de bescherming van het geloof te genieten. Ook werden de doden vanaf toen vermoedelijk in en rond de kerk begraven.

    Kerkhof

    Rond de kerk ontstond een kerkhof dat in de middeleeuwen een belangrijke rol speelde in het leven van de gemeenschap. Het kerkhof in Aalten was oorspronkelijk veel groter dan het huidige perceel rondom de Oude Helenakerk. Het diende niet alleen als begraafplaats, maar ook als plek voor sociale en religieuze bijeenkomsten. Mensen woonden in die tijd zelfs rondom of op het kerkhof, vaak functionarissen zoals kosters of geestelijken die direct betrokken waren bij de kerk.

    De afgelopen eeuwen zijn tijdens graafwerkzaamheden regelmatig botresten aangetroffen in de grond rondom de kerk, zoals op de Köstersbulte, het pad langs Elim, maar ook aan de Kerkstraat, waar nu bebouwing staat. De oorspronkelijke begraafplaats rondom de kerk was dus veel groter dan het huidige terrein waarop de kerk staat.

    Tot in de 19e eeuw werden doden voornamelijk in en rondom de kerk begraven. Het begraven in de kerk zelf was gereserveerd voor mensen van aanzien, zoals geestelijken, edelen en weldoeners. Men geloofde dat een graf in de kerk een betere positie in het hiernamaals garandeerde. De meeste mensen werden echter op het kerkhof rondom de kerk begraven. Individuele grafstenen waren in de middeleeuwen zeldzaam; veel mensen werden in naamloze graven begraven.

    Gezondheidsrisico’s

    Het begraven in de kerk bracht echter grote problemen met zich mee. Ruimtegebrek en de ontbinding van lichamen leidden tot gezondheidsrisico’s; kerkhoven raakten overvol, en de situatie werd onhoudbaar.

    Regelmatig ontstonden in de kerk verzakkingen in de vloer en bleven de eigenaren van de betreffende graven, wat het herstel betreft, in gebreke. De lijklucht was dan in de banken bij het betreffende gat soms wekenlang ondraaglijk, vooral tijdens de zomermaanden.

    Epidemieën zoals de pest verergerden dit probleem. Er kwam dan ook een regeling tot stand waarbij bepaald werd dat de kerkmeesters, in geval van nalatigheid, de nodige herstelwerkzaamheden mochten aanbesteden waarbij de betreffende plaats aan de kerk verviel.

    Ook op de begraafplaats rond de kerk was de toestand vaak slecht. Doordat lange tijd niet op genoegsame diepte begraven was kwamen regelmatig beenderen aan de oppervlakte. Een beenderoplezer verzamelde, voor twee schepel rogge per jaar, deze beenderen van tijd tot tijd en wierp ze in de beenhalle (ook wel knekelhuisje genoemd), een huisje op het kerkhof aan de Markt-zijde. Werd de voorraad te groot dan ruimde men deze op.

    Koninklijk Besluit van 1827

    In 1827 bepaalde Koning Willem I bij wet, dat vanaf 1829 de begraafplaatsen buiten de bebouwde kom moesten worden ingericht. Voor veel mensen was dit een grote stap, om te breken met alle tradities en de doden, buiten het dorp “zo maar ergens in de grond” achter te laten.

    De praktijk van begraven in en rondom de kerk symboliseerde een tijdperk waarin religie, dood en gemeenschap nauw met elkaar verweven waren. Het verbod daarop was een keerpunt dat niet alleen de volksgezondheid ten goede kwam, maar het markeerde ook een verschuiving in de omgang met de dood: individuele graven kregen meer ruimte, er kwamen meer grafmonumenten, en begraafplaatsen werden landschappelijk ingericht.

    Begraafplaatsen in Aalten

    Grafheuvel Nannielaantje

    Christiaan Caspar Stumph, sinds 1811 burgemeester van Aalten, ergerde zich aan het begraven binnen het dorp. In 1818 liet hij daarom voor zichzelf en zijn familie een ‘buitenbegraafplaats’ aanleggen op zijn landgoed Het Smees. Zijn zoon Abraham Anthony werd hier als eerste begraven, gevolgd door Stumph zelf in 1820. In totaal rusten zeven personen op deze bijzondere grafheuvel, die nog altijd zichtbaar is aan het Nannielaantje in Aalten.

    Oude Begraafplaats

    Na het koninklijk besluit van 1827 werd in Aalten een terrein aan de Varsseveldsestraatweg aangewezen als begraafplaats. Door de groei van het dorp raakte deze begraafplaats begin 20e eeuw steeds meer ingesloten. In 1923 werd begraafplaats Berkenhove in gebruik genomen. Hoewel de Oude Begraafplaats inmiddels de functie van stiltepark heeft gekregen, wordt deze nog steeds sporadisch gebruikt voor het bijzetten van overledenen in bestaande graven.

    Oude R.K. begraafplaats Varsseveldsestraatweg

    Bij de aanleg van de begraafplaats aan de Varsseveldsestraatweg kreeg de katholieke gemeenschap een eigen vak aan de overzijde van de straat, op de hoek met de Molenstraat. Deze begraafplaats raakte al na dertig jaar vol, waarna in 1868 een nieuwe R.K. begraafplaats aan de Piet Heinstraat in gebruik werd genomen. Het oude begraafplaatsje kreeg later de functie van plantsoen.

    Joodse begraafplaats

    Aan de Haartsestraat in Aalten, net buiten het dorp, ligt de Joodse begraafplaats van Aalten. Hoewel het terrein in 1852 officieel eigendom werd van de Joodse gemeenschap, zijn er aanwijzingen dat de begraafplaats al vanaf circa 1820 in gebruik was. Op het terrein staan ongeveer zeventig grafstenen, die variëren in ouderdom en ontwerp. Bij de ingang aan de Haartsestraat staat een metaheerhuis, een ritueel gebouw dat gebruikt wordt voor de reiniging van overledenen volgens Joodse tradities.

    R.K. begraafplaats Piet Heinstraat

    Toen de katholieke begraafplaats aan de Varsseveldsestraatweg vol raakte, schonk textielfabrikant Anton Driessen in 1868 een stuk grond aan de huidige Piet Heinstraat om in te richten als begraafplaats. Ook schonk hij een ijzeren Calvariekruis en een ijzeren poort. Het baarhuisje dateert uit 1888.Een eeuw later raakte ook deze begraafplaats vol. Vanaf 1960 werden katholieke overledenen daarom begraven op het nieuwe rooms-katholieke gedeelte van begraafplaats Berkenhove.

    Algemene Begraafplaats Berkenhove

    Nadat de Oude Begraafplaats aan de Varsseveldsestraatweg vol raakte, werd in 1923 begraafplaats ‘Berkenhove’ aan de Romienendiek in gebruik genomen. Het oorspronkelijke gedeelte ligt ingesloten tussen de Romienendiek, de Barloseweg en de Koningsweg. Door de jaren heen is de begraafplaats regelmatig uitgebreid. In 1960 werd een katholiek gedeelte toegevoegd, omdat de RK-begraafplaats aan de Piet Heinstraat vol was. Bij Berkenhove bevindt zich een modern uitvaartcentrum en crematorium.

    Begraafplaatsen in Bredevoort

    Oude Begraafplaats

    De Oude Begraafplaats aan de Prins Mauritsstraat werd rond 1830 aangelegd, gelijktijdig met de naastgelegen Joodse Begraafplaats. Het terrein kwam beschikbaar na de ontmanteling van de vestingwerken aan de oostzijde van het stadje. In 1925 werd een nieuwe toegangspoort geplaatst, en enkele jaren later werd een baarhuis gebouwd.

    Oude Joodse Begraafplaats

    Bredevoort had ooit twee Joodse begraafplaatsen. De oudste was gelegen op het voormalige kasteelterrein achter Hozenstraat 5. In 1953 werd dit terrein verkocht aan de gemeente Aalten ten behoeve van woningbouw. De stoffelijke resten en grafzerken werden toen overgebracht naar de tweede begraafplaats aan de Prins Mauritsstraat.

    Joodse Begraafplaats

    De Joodse Begraafplaats aan de Prins Mauritsstraat werd rond 1830 aangelegd, gelijktijdig met de naastgelegen algemene begraafplaats. De laatste Bredevoortse Joden die op deze begraafplaats werden bijgezet zijn broer en zus Levi en Sara Sander. Beiden overleden in 1938, kort na elkaar. De begraafplaats is niet toegankelijk voor het publiek.

    Begraafplaats Kloosterhof

    De begraafplaats Kloosterhof aan de Kloosterdijk in Bredevoort werd aangelegd in 1862-1863 en diende oorspronkelijk als rooms-katholieke begraafplaats. Het oudste, centraal gelegen deel heeft een symmetrische indeling met een karakteristieke toegangspoort, een baarhuis en een Calvariekruis. In de jaren 80 van de vorige eeuw werd de begraafplaats uitgebreid met een algemeen gedeelte. In 1989 verrees tevens een mortuarium.

  • Polstraat 58

    Polstraat 58

    Aalten

    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving

    Bewoners

    Adresboek 1967

    Polstraat 58

    J. Kuiperij

    Kenmerken


    Kadastraal nr.I-11977
    FunctieWoonhuis
    Bouwjaar1958
    Monumentnee
  • Wehmerstraat 28

    Wehmerstraat 28

    Aalten

    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving

    Bewoners

    Adresboek 1934

    Aalten D687/1 > Wehmerstraat 24

    J.W. Albers

    Adresboek 1967

    Wehmerstraat 28

    J.W. Albers
    H. Rensink

    Kenmerken


    Kadastraal nr.I-11296
    FunctieWoonhuis
    Bouwjaar1931
    Monumentnee
  • Zwembad Zonneheuvel

    Zwembad Zonneheuvel

    Bredevoortsestraatweg 56, Aalten (herbestemd)

    Het overdekte zwembad ‘Zonneheuvel’ in Aalten – geopend in 1972 – was jarenlang de plek waar Aaltenaren hun zwemdiploma’s behaalden. Het was vernoemd naar de statige villa die hier tot 1968 stond. Na sluiting begin jaren ’90 kreeg het gebouw een tweede leven als kantoor. In 2026 is het gesloopt.

    Bij zijn afscheid als burgemeester in 1945 bepaalde Adriaan Johannes Willem Monnik (1879–1951) dat de gronden rondom zijn villa ter beschikking moesten worden gesteld van de Aaltense bevolking. Op de hoek van de Wilhelminastraat en de Julianastraat verrees in 1952 een gezondheidscentrum met badhuis.

    De villa werd in 1968 afgebroken. Na de sloop wilde men op deze plek een verpleeghuis bouwen. De provincie gaf hiervoor echter geen toestemming omdat er al verpleeghuizen waren in Varsseveld en Winterswijk.

    In 1969 werd vervolgens een plan ontwikkeld voor de bouw van een overdekt zwembad op het terrein. Enkele jaren later, in 1972, opende zwembad Zonneheuvel haar deuren; de eerste badmeester was Kor Kremer. In de decennia die volgden behaalden vele Aaltenaren hier hun zwemdiploma’s.

    Reclamebureau en sloop

    Omstreeks 1994, toen het nieuwe overdekte zwembad ’t Walfort in gebruik kwam, sloot Zonneheuvel de deuren. Bert Nijman van het naastgelegen reclamebureau Frappant zag mogelijkheden en kocht Zonneheuvel in 1996. Met hulp van architect Herman van der Heijden uit Groenlo werd het verbouwd tot kantoorpand.

    Het bijzondere van het gebouw is dat veel originele zwembad-elementen zijn behouden gebleven: het tegelwerk, de kledingkluizen en zelfs het grote bassin vormen nu onderdeel van het kantoorinterieur, met een zwevende vloer, gedeeltelijk boven het voormalige hoofdbad.

    Nijman droeg in 2006 de leiding over en stopte met werken. Eind 2024 verhuisde Frappant naar een nieuw, duurzaam pand aan de Vierde Broekdijk.

    De buren kochten het voormalige zwembad en lieten het begin 2026 slopen.


    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving
    1912I-5493Adriaan Johannes Willem Monnik,
    burgemeester
    5.600 m² huis, schuur & tuin
    1934I-6478Adriaan Johannes Willem Monnik,
    burgemeester
    6.150 m² huis, schuur & tuin
    1957I-8087Stichting “Protestants-Christelijk
    Verpleeghuis Aalten”
    3.413 m² huis, tuin
    1972I-8087de Gemeente Aalten3.413 m² bouwterrein, zwembad, erf

    Kenmerken


    Kadastraal nr.I-11910
    FunctieZwembad,
    kantoor
    Bouwjaar1972
    Sloop2026
  • Heerlijkheid Bredevoort

    Heerlijkheid Bredevoort

    Deze pagina is nog ‘onder constructie’…

    Graafschap Lohn

    De voormalige heerlijkheid Bredevoort maakte oorspronkelijk deel uit van het graafschap Lohn, dat vermoedelijk in de 11e eeuw is ontstaan. Dit graafschap omvatte in 1152 de kerspelen Lohn, Winterswijk, Aalten, Varsseveld, Zelhem en Hengelo (G). In hun streven naar onafhankelijkheid kwamen de graven van Lohn in conflict met de bisschop van Münster, wiens leenheerschappij zij in 1152 tenslotte moesten erkennen. De burcht Bredevoort was in 1246 voor de helft eigendom van graaf Herman van Lohn, die in dat jaar zijn deel in leen opdroeg aan graaf Otto van Gelre.

    Bij de dood van de laatste graaf van Lohn in 1316 viel diens gebied uiteen. De kerspelen Varsseveld en Silvolde kwamen aan de heer van Wisch, de kerspelen Zelhem en Hengelo waren al eerder aan Gelre verkocht. De bisschop van Münster kocht in 1316 van Otto van Ahaus, één van de erfgenamen, de helft van de burcht Bredevoort met diens aandeel in de Lohnse rechten. De andere helft van de burcht was al bisschoppelijk bezit sedert 1284.

    Graafschap Gelre

    Uit deze aankoop ontstond een geschil tussen Münster en Gelre, tengevolge waarvan in 1324 een oorlog uitbrak. Graaf Reinald van Gelre viel het bisdom Münster binnen en werd bij Coesfeld verslagen, maar had echter Bredevoort al veroverd. Bij de vrede, die in 1326 te Wesel werd gesloten, behield Reinald Bredevoort en kreeg hij de gerichten van de omringende kerspelen Aalten, Dinxperlo en Winterswijk in pand. De bisschop van Münster zou dit pand ten allen tijde voor 3500 goudmarken mogen inlossen, hetgeen echter nooit is gebeurd. Vanaf 1326 is er derhalve sprake van een zelfstandig gebied, dat werd bestuurd door een hertogelijk ambtenaar.

    Gemense en Steinfurtse pandschap (1388-1526)

    In 1388 gaf Willem van Gulik, als hertog van Gelre, zijn kasteel, stad en Ambt Bredevoort met de drie kerspelen in onderpand aan heer Hendrik III van Gemen voor een kapitale lening. Opeenvolgende generaties van dit geslacht bleven pandheer van de heerlijkheid tot 1492, toen het pandschap vererfde op diens erfgenamen en naderhand aan de graven van Bentheim-Steinfurt kwam. Eerst in 1526 loste hertog Karel van Gelre de pandsom in en nam de heerlijkheid weer in eigen beheer. In 1534 gaf hij Bredevoort in bewaring aan zijn veldheer Marten van Rossum, die de heerlijkheid in 1545 in pandschap kreeg van keizer Karel V als rechtsopvolger van de Gelderse hertogen.

    Anholter pandschap (1562-1612)

    Toen Van Rossum stierf in 1555, vererfde het pandschap via Johan van Isendoorn op Hendrik van Isendoorn à Blois, die in 1562 de pandsom terugkreeg. Koning Philips II van Spanje gaf vervolgens als hertog van Gelre de heerlijkheid voor 50.000 Vlaamse schilden in pand aan zijn vazal Dietrich van Bronckhorst-Batenburg. Hij was heer van het naburige Anholt in Westfalen, die reeds veel goederen en rechten in de heerlijkheid Bredevoort bezat.

    Na de Reformatie bleven de heren van Anholt rooms-katholiek en aan Spaanse zijde. Dientengevolge werd Bredevoort in 1597 belegerd en veroverd door prins Maurits van Nassau. Vrouwe Gertrud von Milendonck, de weduwe van Jacob van Bronckhorst-Batenburg, kreeg de heerlijkheid in 1602 van de Republiek terug. Maar het pandschap werd door de Staten van Gelderland in 1612 ingelost en vervolgens overgenomen door prins Maurits.

    Over de periode 1526-1612 bevinden zich vele archiefstukken in het Bestand Bredevort in het Fürstlich Salm-Salmsches Archiv op de Wasserburg Anholt bij Isselburg (D). Oudere stukken van vóór 1562 zijn wsch. destijds in opdracht van de Anholtse pandheren overgebracht naar hun huisarchief als bewijsstukken van hun rechten. Na de beëindiging van het

    Pandstad der Oranjes

    In 1697 werd Bredevoort als vrije heerlijkheid opgedragen aan Koning-Stadhouder Willem III, wiens erfgenamen haar bezaten tot 1795.

    Van het Rijksarchief in Friesland werd in 1986 uit de collectie van het Fries Genootschap het reglement voor de poortwachters te Bredevoort van 1726 ontvangen.

    In het huisarchief van de voormalige herberg De Leste Stuver te Bredevoort, berustend te Aalten, bevindt zich o.a. een almanak, gebruikt door de Stadhouder of de Landschrijver als zakagenda in de periode 1737/38.

    In 1646 werd het kasteel te Bredevoort verwoest tengevolge van blikseminslag in de kruittoren. Het duurde ruim 50 jaar, eer nieuwe huisvesting werd gerealiseerd. In 1699 verrees aan de Landstraat te Bredevoort een nieuwe kanselarij, het Ambthuis.

    Ambt Bredevoort (1795-1811)

    Na de Bataafsche Omwenteling in 1795 werden de bezittingen der Oranjes verbeurd verklaard; de heerlijkheid Bredevoort werd onder burgerlijk bestuur gesteld. Anno 1798 werden de heerlijkheden officieel opgeheven. De voormalige municipaliteiten van Aalten, Bredevoort, Dinxperlo en Winterswijk werden ingesteld in 1795 en opgeheven in 1798. De voormalige municipaliteit van Lichtenvoorde werd ingevolge de opheffing der heerlijkheden in 1798 bij het Ambt Bredevoort gevoegd en daarvan weer afgescheiden in 1802.

    Drs. G.J.H. Krosenbrink te Winterswijk schonk in 1994 een rapport inzake de bestuurlijke organisatie van het oude Ambt, opgemaakt ten behoeve van het nieuwe Ambtsbestuur in de periode 1798-1802, afkomstig van het toenmalig ambtsbestuurslid H. Willink Azn. te Winterswijk.

    Het Ambt Bredevoort bleef als bestuurlijke eenheid in stand tot de Franse overheersing. In de jaren 1811 en 1812 werd het opgedeeld in de Mairieën Aalten, Bredevoort, Dinxperlo en Winterswijk.

    Het archief van het Ambt werd bewaard op de kanselarij, het Ambthuis te Bredevoort. In 1795 werd het op last van het Provisioneel Bewind in beslag genomen en geïnventariseerd, waarna het onder het beheer werd gesteld van de secretaris van de Municipaliteit van Aalten. Na de Franse overheersing werden bij het herstel van het Nederlands bestuur bescheiden uit het archief gelicht en overgedragen aan de nieuwe gemeenten Aalten, Dinxperlo en Winterswijk. Ook de voormalige rentmeester J.B. Roelvink van de Nassause Domeinen behield het kanselarij-archief onder zich, dat in 1985 helaas door een rechtsopvolger werd vernietigd.

    Bestuur

    Bredevoort was oorspronkelijk een borgmansstadje naar Westfaals model. De adellijke verdedigers van het kasteel woonden in versterkte huizen op de voorburcht, die daardoor het karakter van een vesting kreeg. In het naburige bisdom Münster oefenden dergelijke borgmannen gezag en rechtspraak uit over hun personeel en de horige bewoners van de door hen beheerde burchtkomplexen te Horstmar en Nienborg.

    Bij de overdracht van Bredevoort in 1326 ontsloeg de bisschop van Münster zijn Bredevoortse borgmannen van hun eed, zodat zij konden overgaan in Gelderse dienst. In 1503 verkregen de Bredevoortse borgmannen vergelijkbare privileges van de toenmalige pandheer, Everwijn van Steinfurt. Stadsrechten zijn echter van Bredevoort niet overgeleverd. De militaire en bestuurlijke rol van de borgmannen was uitgespeeld, nadat in de loop van de 16e eeuw de verdediging werd opgedragen aan een garnizoen.

    Het dagelijks bestuur van de heerlijkheid Bredevoort berustte bij de Drost. Na de Münsterse bezetting tijdens de oorlogsjaren 1672-1674, bestond binnen de muren korte tijd een afzonderlijk stedelijk bestuur van stadhouder en regenten der stad Bredevoort. De Drost fungeerde vaak tevens als Richter. De rechtspraak werd verzorgd door de Richter met twee keurnoten. Het gericht werd eens per twee weken gehouden in Aalten, Bredevoort en Winterswijk. De gerichtsdagen voor Dinxperlo werden te Aalten gehouden.

    De rechtspraak in de stad Bredevoort werd door de Richter van de heerlijkheid met twee keurnoten uitgeoefend, zoals in de overige kerspelen. Andere ambtenaren bij het gericht waren de Landschrijver (secretaris) en de Advocaat-fiscaal (openbare aanklager). De Landschrijver fungeerde ook als secretaris van de Drost. Aangezien deze laatste meestal niet in de heerlijkheid woonde, was de Landschrijver vaak tevens diens plaatsvervanger als verwalter-Drost of Stadhouder. Bredevoort had een vestingcommandant, de “Commandeur der Forteresse”. Deze functie was vaak met die van verwalter-Drost in één persoon verenigd. Verder waren er nog een hele reeks lagere ambtenaren, waaronder een ijker, een scharenslijper, een landmeter en armenjagers (veldwachters).

    Ten gevolge van het feit, dat leden van de adellijke familie van Pallandt en de aanverwante geslachten van Lintelo en van Coeverden lange tijd de functie van Drost van Bredevoort hebben bekleed, bevinden zich ook in het archief van het Huis Keppel een groot aantal stukken betreffende Bredevoortse zaken uit de periode 1638-1796, eveneens berustend in het Gelders Archief te Arnhem.

    De laatste Drost van het Ambt Bredevoort, sedert de Bataafse Omwenteling in 1795, was de Winterswijkse burger W. Paschen Gzn. te Winterswijk. Diens rekening over de periode 1808 aug – 1811 mrt werd op 4 september 1812 door de gezamenlijke maires van Aalten, Bredevoort, Dinxperlo en Winterswijk te Winterswijk afgehoord en aldaar gedeponeerd. Reeds in 1811 verzocht Paschen als tijdelijk maire van Winterswijk aan de voormalige Landschrijver om overdracht van bescheiden betreffende Winterswijkse aangelegenheden. Blijkens een schrijven in het archief van de Gemeente Winterswijk werd in 1813 een kist met archivalia per kruiwagen van Aalten naar Winterswijk overgebracht. Bij de selectie is men destijds tamelijk willekeurig te werk gegaan, zodat ook andere Bredevoortse bescheiden te Winterswijk geraakten. Ook Rentmeester J.B. Roelvink droeg in 1815 Bredevoortse stukken over aan de Burgemeester van Winterswijk. Overigens maakte Lichtenvoorde slechts deel uit van het Ambt gedurende de jaren 1798-1802.

    Sedert 1612 werden de ambtenaren benoemd door de Nassause Domeinraad. Voor aanstellingsgegevens zie het zg. Ambtboek, berustend in het archief van genoemde Domeinraad in het Nationaal Archief in Den Haag. Gegevens van aanstellingen in het Ambt Bredevoort zijn voorts te vinden in het archief van Drost en Geërfden, inv.nrs. 22-33, en in het archiefbestand Plaatselijk bestuur Winterswijk, inv. nr. 14. Via de Drosten zijn ook veel personeelsbescheiden beland in het huisarchief Keppel, berustend in het Gelders Archief te Arnhem.

    Behalve de stad Bredevoort bestond de heerlijkheid uit drie gerechtsdistricten, die samenvielen met de drie kerspelen Aalten, Dinxperlo en Winterswijk. In elk kerspel waren een voogd en één of twee ondervoogden aangesteld, die als tussenpersonen fungeerden tussen de inwoners van de kerspelen en het bestuur in Bredevoort. Ieder kerspel bestond uit een dorp en een aantal buurtschappen, gilden genoemd, die in rotten waren verdeeld. Aan het hoofd daarvan stonden rot- en gildemeesters, die moesten zorgen voor de verdere verspreiding van berichten en de uitvoering van bevelen. Tevens had iedere buurschap een bode, welk ambt verbonden was aan een bepaalde boerderij.

    Financiële zaken werden per kerspel door de plaatselijke geërfden behandeld. Deze vertegenwoordigers van de bevolking werden per dorp en buurtschap afgevaardigd en waren verantwoording verschuldigd aan de Drost. Het stadje Bredevoort had een eigen Rentmeester, die optrad namens de plaatselijke geërfden. Ieder kerspel had een eigen ontvanger der verponding. In Bredevoort traden soms de rotmeesters gezamenlijk als ontvangers der verponding op. De kerkmeesters in elk kerspel, belast met het beheer van kapitaal en bezit van de plaatselijke kerk, werden gekozen uit de geërfden en moesten voor de Drost en hun medegeërfden rekening en verantwoording afleggen. Naast de diaconie als kerkelijke instelling bestond er voor de armenzorg ook een wereldlijke instelling, de provisorie. Evenals de kerkmeesters werden provisoren gekozen uit de geërfden en moesten op dezelfde wijze verantwoording afleggen.

    Bronnen


  • Cato Kothuis

    Cato Kothuis

    Onderwijzeres

    Catharina Cecilea (Cato) Kothuis werd op 23 november 1908 geboren in huis nr. 8 te Aalten (Landstraat 4), als dochter van borstelmaker Johannes Kothuis en Helena Theodora Vultink.

    Cato Kothuis (1908-2001)

    Cato Kothuis woonde samen met haar zus aan de Landstraat 4. Beide zussen waren ongetrouwd. Cato stond bekend als een bijzondere vrouw: diep gelovig, maar tegelijkertijd ruimdenkend. Ze was jarenlang leerkracht op de RK St. Jozefschool, waar ze generaties kinderen heeft onderwezen. Tijdens de lessen begeleidde ze het klassikaal zingen op een loodzwaar elektrisch orgeltje, waar een nogal jengelend geluid uit kwam.

    Cato Kothuis overleed op 30 maart 2001. Zij werd begraven op begraafplaats Berkenhove.

    Meer informatie is welkom!

  • Adm. de Ruyterstraat 1b

    Adm. de Ruyterstraat 1b

    Aalten

    Dit huis bevindt zich achter de voormalige pijpenfabriek van Peters & Gans. Volgens Kadastralekaart.nl dateert het gebouw uit 1948 en heeft het een woonfunctie. Op een kadastrale kaart uit 1927 is het pand echter al ingetekend. Volgens het Kadaster heeft het tot eind jaren ’70 dienstgedaan als kantoor.


    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving
    1927I-6002Johannes Peters, fabrikant1.500 m² fabriek & erf
    1951I-7558fa. “Peters & Gans”1.499 m² fabriek, kantoor & erf
    1977K-736Gerhardus Bertus Karel Peters,
    fabrikant
    1.499 m² kantoor, erf, magazijn
    1978K-736Hendrik Jan Veneman,
    beheerder service-station
    1.499 m² kantoor, garage, showroom

    Kenmerken


    Kadastraal nr.K-736
    FunctieWoonhuis
    Bouwjaar1948
    Monumentnee
  • Halteweg 6

    Halteweg 6

    Lintelo

    Bewoners

    Bevolkingsregister 1900-1910

    Lintelo 149/2 > 155

    Jan Willem Wikkerink ()
    Berendina Gesina Schreur ()

    Volgende bewoners, dochter en schoonzoon:

    Derk Willem Rutgers (Dinxperlo, 13-03-1866), koopman kunstmeststoffen en veevoerartikelen
    Aleida Willemina Wikkerink (Aalten, 17-11-1866)

    Bevolkingsregister 1910-1920

    Lintelo 155 > 165

    Derk Willem Rutgers (Dinxperlo, 13-03-1866), koopman, landbouwer
    Aleida Willemina Wikkerink (Aalten, 17-11-1866)

    Adresboek 1934

    Lintelo 165 > 194

    D.W. Rutgers

    Adresboek 1967

    Lintelo 194 > Halteweg 6

    H.J. Goosen
    B.J. Tuenter

    Kenmerken


    Kadastraal nr.L-1011
    FunctieBoerderij
    Bouwjaar1910
    Monumentnee
  • Bocholtsestraatweg 15 (a)

    Bocholtsestraatweg 15 (a)

    Aalten

    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving
    1928I-6217Johannes Hendrikus Bauhuis, paardenkoopman2.980 m² huis & bouwland
    1978K-912Gerhard Joseph Bauhuis, slachter, slager1.150 m² huis, tuin, schuur

    Bewoners

    Bevolkingsregister 1920-1930

    Aalten D794

    Johannes Hendrikus Bauhuis (Aalten, 10-06-1893)
    Gertrude Antonia Geuting (Liedern/D, 29-10-1896)

    Adresboek 1934

    Aalten D794 > Bocholtschestraat 15

    J.H. Bauhuis

    Adresboek 1967

    Bocholtsestraatweg

    Mevr. G.A. Bauhuis-Geuting

    Kenmerken


    Kadastraal nr.K-2763/2764
    FunctieWoonhuis
    Bouwjaar2002
    Monumentnee
  • Bodendijk 6-8

    Bodendijk 6-8

    Aalten

    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving

    Bewoners

    Adresboek 1934

    Aalten D787 > Bodendijk 6

    F.A. Garretsen

    Aalten D786 > Bodendijk 8

    J.A. Schaapveld

    Adresboek 1967

    Bodendijk 6

    J.B. Wevers

    Bodendijk 8

    H.C. Kempink

    Kenmerken


    Kadastraal nr.K-905/906
    FunctieWoonhuis
    Bouwjaar1930
    Monumentnee
  • Stationsstraat 49

    Stationsstraat 49

    Aalten

    Stationsstraat 49, Aalten
    Foto: Google Streetview, 2025

    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving
    1975I-10399Gerrit Willem Vrieze, verzekeringsagent785 m² huis, tuin
    1977K-750Gerrit Willem ter Haar, ondernemer760 m² huis, tuin, kantoor

    Bewoners

    Adresboek 1967

    Stationsstraat 49

    G.W. Vrieze

    Kenmerken


    Kadastraal nr.K-3413
    FunctieWoonhuis
    Bouwjaar1960
    Monumentnee
  • Huuskesmanus

    Huuskesmanus

    (in de buurt van) Bredevoort

    Bovenstaande tekening van Jan Meinen uit 1938 stelt de in de 2e helft van de 18e eeuw gebouwde boerderij “Huuskesmanus” voor. De boerderij heeft een hoge vakwerkzijgevel ‘miete’ (hooimijt) achter het hallehuis. Deze boerderij zou in de buurt van Bredevoort staan of hebben gestaan.

    Update:

    Staat of stond deze boerderij wellicht in Vragender?

    Jos Wessels uit Bredevoort heeft in zijn familieboek “Wessels, de geschiedenis van een familie” iets geschreven over Johannes Hermanus te Koppele (1848-1924), die ook wel “Huuskes-Manus” werd genoemd.

    Volgens overlevering was Manus een echte levensgenieter, die graag een borreltje dronk en ook regelmatig in de olie was. Hij woonde begin vorige eeuw op het adres Vragender C34.Op basis van deze informatie lijkt het mogelijk dat dit het huis van bovenstaande tekening is.

    De bijnaam “Huuskes” was mogelijk een verwijzing naar het kleine (of de kleine) huisje(s) waar zij woonden. Volgens Wessels woonde het gezin Te Koppele in de middelste van een groepje van drie boerderijen (perceel 513), waarvan de andere twee werden bewoond door de familie Bennink (Greteman) aan de Meddoseweg 6 (perceel 512) en door De Wolter (perceel 505), Meddoseweg 8. De huizen van Te Koppele en De Wolter stonden zo dicht bij elkaar dat men er alleen met een kruiwagen tussendoor kon.

    Deze omschrijving past dan weer niet bij het huis op de tekening, want daarop zien we geen andere bebouwing.

    Kenmerken


    Kadastraal nr.onbekend
    FunctieBoerderij
    Bouwjaaronbekend
    Monumentonbekend

    Bronnen


  • De Mariënboom in Barlo

    De Mariënboom in Barlo

    Aan de T-splitsing van de Lichtenvoordsestraatweg en de Markerinkdijk in Barlo stond van oudsher de Mariënboom, een lindeboom die al generaties lang als oriëntatiepunt en ontmoetingsplek fungeert. De naam verwijst naar een vroegere Mariaverering op deze plek. In de overlevering gaat het om een klein kapelletje of beeld bij deze kruising van oude landwegen.

    Vóór de Reformatie stond er volgens die overlevering een Mariakapelletje op of bij de splitsing. Maria, de Moeder van Jezus, had in de late middeleeuwen een vanzelfsprekende plaats in het geloofsleven.

    In dezelfde periode bevond zich even verderop bij Bredevoort het klooster Schaer — officieel Domus Beatae Mariae in Nazareth geheten (Huis van de gelukkige Maria in Nazareth). In het oude archief over de Helena-marke, het gebied dat toebehoorde aan de Sint Helenakerk in Aalten, staat dat één keer per jaar de beelden van de heiligen vanaf de Helenakerk naar het klooster Schaer werden gedragen. Wie weet was de Mariakapel in Barlo een rustpunt voor die devote optochten?

    Na de Reformatie, rond 1600, verdween het kapelletje, maar de boom bleef staan en behield in de volksmond de naam Mariënboom (Mariaboom). Tot in de twintigste eeuw stond de boom midden op de splitsing en gold de plek als een vast verzamelpunt voor jongeren uit Barlo en omgeving.

    Tegenwoordig staat een kleinere lindeboom in de berm, met een bank ernaast. Bij de boom werd in 2013 een klein kunstwerk geplaatst van de Aaltense kunstenares Ans Braamskamp, geïnspireerd door leerlingen van CBS Barlo, om de herinnering aan dit historische erfgoed levend te houden.


    Video

  • ’t Zand 4-10

    ’t Zand 4-10

    Bredevoort

    Rijtjeswoningen op voorheen onbebouwd terrein in het centrum van Bredevoort.


    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving
    1832B-10Gemeente Bredevoort6.550 m² weiland
    1934B-881
    1955B-967Gemeente Aalten250 m² bouwterrein, huis, tuin
    1959B-1011
    1974B-1125Ver. tot Verb. der Volkshuisvesting1.670 m² 12 huizen,
    schuren, tuinen, postkant.

    Bewoners

    Adresboek 1967

    HuisnummerPerceelBewoner(s)
    4B-1867H. Boelens
    4/1B-1867Hulppostkantoor
    5B-1867Mej. A.E. Heistermann
    Mej. A.T. Heisterman
    6B-1747A. Meijnen
    7B-1748H.J. Rave
    8B-1645G. Scholtz
    9B-966Henricus Johannes Wensink (07-04-1887), huisschilder
    10B-1489L.H. Wensink

    Kenmerken


    Kadastraal nr.B-1867/1747/
    1748/1645/
    966/1489
    FunctieWoonhuizen
    Bouwjaar1950
    Monumentnee
  • Klein Kempink

    Klein Kempink

    Dinxperlosestraatweg, Heurne (verdwenen)

    Deze pagina is nog onvolledig en andere vermeldingen waar de naam ‘Klein Kempink’ wordt genoemd dienen waarschijnlijk nog te worden aangepast. Werk in uitvoering!

    In ‘Boerderij- en Veldnamen in Aalten’ wordt de boerderij die bij het tegenwoordige adres Dinxperlosestraatweg 107 past ‘Klein Kempink’ genoemd. In het ‘adresboek der gemeente Aalten’ van 1967 staat deze naam echter bij het adres Dinxperlosestraatweg 72.

    Wij denken dat ‘Klein Kempink’ oorspronkelijk aan de oostelijke zijde van de Dinxperlosestraat heeft gestaan, maar wel iets noordelijker van het tegenwoordige nummer 107. Volgens kadastrale gegevens is deze woning rond 1918 gesloopt en vervangen door een nieuwe woning aan de overkant van de Dinxperlosestraat. Blijkbaar is de naam Klein Kempink ‘meeverhuisd’.


    Archieven

    Volontaire Protocollen

    Op 09-07-1617 was Willem thoe Hengefelt 34 daler 15 stuver en waren Henrick Steinrot en zijn vrouw Griete Schmeess 120 daler en 15 stuver schuldig voor ‘einer Renthverschrijvong uth Kempinck’ aan Herman van Munster. Willem thoe Hengefelt was Willem Sonderlo op Hengevelt die getrouwd was met Jenneken Smees. Hun dochter Griete Sonderlo alias Smees was getrouwd met Henrick Steinrotz alias Peerboom, weduwnaar van Toentgen Peerboom.

    Op 11-12-1619 verkocht Essel Balckens ‘sijn alinge recht und gerechticheit des Errffs und guets Kleine Kempinck’ aan het echtpaar Henricke Steinrutz en Grieten.

    Op 25-02-1636 verkochten Henrick Kempinck genannt Hengevelt en Enneken Rickers de helft van driekwart van het goed Kleine Kempinck aan Willem te Hengefeldt die al de helft van driekwart bezat.

    Op 24-08-1636 gaf Henrick Stienrodts zijn dochter Harmken ‘sijn geheele recht en gerechticheit van het Kleine Kempinck’.

    Op 28-11-1638 verkochten Johan te Hengevelt en zijn vrouw Jenneken ten Holler hun aandeel van Kleine Kempinck aan Willem te Hengevelt.

    Verpondingscohier, origineel register 1650

    Klein Kempink was ‘sonder huijs’, Herman en Henrick te Hengefelt en Henrick Stienrotz waren eigenaars (Verpondingscohier, origineel register).

    Overdrachtsbelasting Heerlijkheid Bredevoort 1786

    Den 25 augustus van Willem Wikkerink, 6 guldens- 2 stuijvers- 4 penningen, weegens een stukke bouwland groot ongeveer een mudde gezaaij, gelegen onder Aalten in de buurschap Huurne op Kleijn Kempink, schietende met het eene einde aan het Aalterbroek en met het eijnde aan Kempink Veentjen. Aangekogt van Derk ten Brinke en Janna Weggelaar, ehelieden, voor 291 guldens ad 21 stuijvers de gulden, zijnde 305 guldens-11 stuijvers, den 25 augustus 1786.


    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving
    1832E-112D.W. Hoopman, zadelmaker320 m² huis & erf
    1918E-2351Hendrika Berendina Hoopman7.050 m² gras & bouwland
    1980E-2910Dorus Antonij Nijman,
    bloemkweker, landbouwer
    7.080 m² bld., wld.
    1986R-92Gerharda Johanna Radstaak,
    wed. Wilhelm Johan Nijman
    (Dinxperlosestraatweg 103)
    9.090 m² cultuurgrond

    Bewoners

    Eerst bekende bewoners:

    Henrick thoe Hengefelt alias Kempinck (ovl. Heurne < 1658), trouwt
    (1) met Enneken Rickers (ovl. Heurne 1636-1638)
    (2) met Margaretha (Griete) Stienrotz (Steenraet) alias Peerboom (Aalten)

    Henrick en Enneken woonden al in 1625 op Klein Kempink (Volontaire Protocollen 1625). Margaretha hertrouwde met Evert Rothuijs alias Rots en vertrok naar het dorp Aalten.

    Bevolkingsregister 1823-1850

    “Klein Kempink”

    Heurne 39

    Jan Isaak Prange (Aalten, 12-10-1766)
    Mette Kappers (Aalten, 17-01-1773)

    Volgende bewoners:

    Harmen Massink (Vorden, 03-10-1796)
    Berendina Kranenbarg (Vorden, 04-05-1787)

    Volgende bewoners:

    Harmen Winkelman (Vorden, 17-04-1809)
    Maria Wolterink (Zelhem, 23-02-1813)

    Bevolkingsregister 1850-1860

    Heurne 34

    Harmen Winkelman (Vorden, 17-04-1809)
    Maria Wolterink (Zelhem, 23-02-1813)

    Volgende bewoners:

    Hendrik Jan Wevers (Aalten, 18-09-1816)
    Elisabeth te Hennepe (Aalten, 08-03-1831)

    Volgende bewoners:

    Hendrik Vreeman (Aalten, 30-01-1829)
    Janna Nijman (Aalten, 05-04-1830)

    Bevolkingsregister 1860-1870

    Heurne 34

    Hendrik Vreeman (Aalten, 30-01-1829)
    Janna Nijman (Aalten, 05-04-1830)

    Bevolkingsregister 1870-1880

    Heurne 36 44a (Vreemd, duidt dit wellicht op een verhuizing?)

    Hendrik Vreeman (Aalten, 30-01-1829)
    Janna Nijman (Aalten, 05-04-1830)

    Bevolkingsregister 1880-1890

    Heurne 44a

    Hendrik Vreeman (Aalten, 30-01-1829)
    Janna Nijman (Aalten, 05-04-1830)

    Bevolkingsregister 1890-1900

    Heurne 43

    Janna Nijman (Aalten, 05-04-1830)

    Volgende bewoners:

    Arend Jan te Lindert (Dinxperlo, 18-03-1865)
    Everdina Vrieze (Wisch, 28-09-1869)

    Volgende bewoners:

    Bevolkingsregister 1900-1910

    Heurne 49

    Dirk Willem Perebolte (Wisch, 23-07-1865)
    Grada Mina Pennings (Aalten, 05-01-1873)

    Heurne 70 > 61

    Dirk Willem Perebolte (Wisch, 23-07-1865)
    Grada Mina Pennings (Aalten, 05-01-1873)

    Bevolkingsregister 1910-1920

    Heurne 61 > 73

    Dirk Willem Perebolte (Wisch, 23-07-1865), landbouwer
    Grada Mina Pennings (Aalten, 05-01-1873)

    Het oorspronkelijke ‘Klein Kempink’ is rond 1918 afgebroken en vervangen door een nieuwe woning aan de overkant van de Dinxperlosestraat. En afgaande op de vermelding in het adresboek van de gemeente Aalten uit 1967 is de huisnaam blijkbaar ‘meeverhuisd’.

    Kenmerken


    Kadastraal nr.R-92
    FunctieBoerderij
    Bouwjaarvóór 1832
    Sloopca. 1918

    Verwante boerderijen


  • Molenstraat 20

    Molenstraat 20

    Aalten

    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving

    Bewoners

    Adresboek 1934

    Adresboek 1967

    J.W. te Hennepe

    Kenmerken


    Kadastraal nr.I-7154
    FunctieWoonhuis
    Bouwjaar1920
    Monumentnee
  • Haartsestraat 5

    Haartsestraat 5

    Aalten (verdwenen)

    Eigenaren

    Overzicht is niet volledig.

    JaarPerceelEigenaarOmschrijving

    Bewoners

    Adresboek 1934

    Aalten C510/1 > Haartschestraat 5

    Ha.Ja. Hoopman

    Adresboek 1967

    Haartsestraat 5

    J.H. Blankenstijn

    Kenmerken


    Kadastraal nr.I-9176
    FunctieWoonhuis
    Bouwjaaronbekend
    Slooponbekend