Inheemse Shoshone in Wyoming, ca. 1868/1869 – Foto: A.J. Russell, collectie Beinecke Library, Yale University
In de loop van de 19e eeuw emigreerden ruim 1500 Aaltenaren naar de Verenigde Staten. Velen van hen vestigden zich in Sheboygan County in de staat Wisconsin. Sommigen trokken later verder westwaarts, naar staten als Iowa, Minnesota, Nebraska en Wyoming. Deze gebieden werden al eeuwenlang bewoond door inheemse volken, toen nog “Indianen” genoemd. Dat leidde soms tot spanningen, zoals blijkt uit een verhaal van de familie Somsen, waarvan de stamouders uit Aalten afkomstig waren.
Immigranten en inheemse bewoners leefden geregeld dicht bij elkaar en dreven ook handel. Inheemse bewoners ruilden bont tegen dekens, tabak of andere goederen. Soms waren er ook conflicten tussen de oorspronkelijke en de nieuwe bewoners, vooral om land, vee of andere bezittingen. In die context speelt het volgende familieverhaal uit de nazaten van een Aaltens emigrantengezin.
Het betwiste paard van Henry Somsen
Henry John Somsen (1852-1936)
Hendrik Jan Somsen en Johanna Berendina Rensink, van het Japikshuis in IJzerlo, emigreerden in 1851 met hun vier kinderen naar Amerika en vestigden zich in Sheboygan. Daar werd in 1852 hun vijfde kind geboren: Henry John.
Rond 1890 woonde Henry met zijn gezin op een boerderij, ongeveer tien mijl ten noorden van Cokeville in de staat Wyoming. In die periode vond er een voorval plaats met een groep inheemse bewoners. Zijn dochter Olive Somsen beschreef dit later in een biografie over haar vader:
Op een dag waren Henry en zijn vrouw van huis, terwijl hun drie oudste kinderen – Henry van twaalf, Olive van tien en Frank van acht – op het huis moesten passen.
Een groep Indianen hield in de buurt van het huis halt. Eén van hen kwam naar het huis en verklaarde dat een bepaald paard in de wei van hém was, en toen ze weer vertrokken wilde hij het paard meenemen. De kinderen wisten dat hun vader het dier enkele dagen eerder had gekocht van een Indiaanse handelaar en ze waren vastbesloten het paard niet te laten meenemen.
Frank, de jongste, klom op het paard en reed ermee naar de rivier, waar hij zich verschool tussen de wilgenbosjes. Zijn zusje Olive verborg zich in de kelder, terwijl de oudste zoon, Henry, een ander paard besteeg en naar Cokeville stormde, waar zijn ouders waren; ongeveer tien mijl zuidwaarts.
De hoofdgroep van de Indianen nam de weg naar Cokeville, terwijl een tweetal langs de rivier op zoek ging naar Frank met het paard. Ze vonden hem en dwongen hem, terwijl ze pijl en boog in de aanslag hielden, voor hen uit te rijden.
Oudste zoon Henry arriveerde na een snelle rit in Cokeville en waarschuwde zijn vader. Kort daarna reden zij met een aantal gewapende mannen terug naar de boerderij. Onderweg kwamen ze de groep Indianen tegen, met voorop Frank op het paard.
Ze maanden de Indianen om te stoppen en luisterden naar hun verhaal. Mogelijk had de Indiaan, die het paard aan Somsen had verkocht, het gestolen van de Indiaan die er nu aanspraak op maakte. Hoe dan ook, zij arresteerden de hele groep en namen hen mee naar Cokeville. De volgende dag kwam hun zaak voor de rechter. Die besliste dat Somsen zijn paard behield en de Indiaan kreeg een ander paard toegewezen.
Kent u ook een verhaal van een Aaltense emigrantenfamilie? Laat het ons weten!
Zoo nu en dan deelen de couranten enkele brokstukken mede over uittreden van Gangel met zijn kerkeraad, van schorsing, afzetting, ’t gesloten houden der kerkdeuren, oproer, soldaten, huzaren enz. enz. en met dat alles blijft de zaak den slakkengang gaan. Wanneer zal hierin verandering komen? De een zegt, ’t blijft zoo, een ander, de kerk kan nog wel 6 weken gesloten blijven, een derde spreekt van transigeeren, maar met dat al: men vordert niet. Wat is hier aan te doen?
Een duidelijke uiteenzetting der zaken, een krachtig handelen, ja zich in ’t bezit stellen van de kerk. Alles goed en wel, maar wijs ons den weg, om daartoe te geraken. Welnu, wij willen trachten u door dit schrijven daartoe op ’t spoor te leiden, en den weg aanwijzen dien de gemeente heeft in te slaan.
De heer Gangel, gewezen predikant van de Ned. Herv. Gemeente te Aalten, heeft zich met zijn kerkeraad afgescheiden, m.a.w. het Synodale juk, zooals ZEd. dat gelieft te noemen, afgeschud. Vóóraf heeft een deel der kerkeraad nl. 3 personen, welke tevens als kerkvoogden fungeerden, bedankt als lid van den kerkeraad, doch de betrekking van kerkvoogd aan zich gehouden, totdat het klassikaal bestuur, doende wat des kerkeraads is, genoemde heeren in hun lidmaatschap als leden der Ned. Herv. Kerk te Aalten geschorst, en later afgezet heeft.
Nu spreekt het van zelf, dat, wanneer iemand afgezet is als lid v. d. kerk, er geen sprake meer kan zijn van het beheer over de kerk enz. te mogen noch te kunnen behouden. Immers kerkvoogden zijn geen eigenaars van de kerk en deszelfs goederen, slechts door de notabelen gekozen als beheerders; zie: Algem. Regl., op het beheer der kerkelijke goederen en fondsen van de Hervormde gemeenten in Nederland en het toezicht daar op: 1 Oct. 1870.
Deze kerkvoogden verhinderen thans de bediening aan wettige predikanten, die voor de gemeente moeten optreden, onthouden daardoor de gaven aan de armen en verhinderen feitelijk, de gaven te innen ter instandhouding van den Openb. godsdienst.
Reeds twee Zondagen is de gemeente voor de gesloten kerkdeur gekomen, en tweemaal zijn wettige predikanten verhinderd hun dienstwerk te verrichten. Wij bewonderen in dezen de kalmte der gemeente, doch staan er niet voor in, dat zulks langer zoo zal blijven. De partijen komen met den dag scherper en vijandiger tegen elkander over te staan, ’t verwekt twist tusschen leden van hetzelfde huisgezin, en van verbroedering is geen sprake meer.
Wie zijn daar van de oorzaak? Niemand anders dan deze kerkvoogden en de doleerende kerkeraad met hun aanvoerder, Gangel.
Maar heeft de gemeente dan geen rechten? Wel zeker. Bij de leden van de gemeente berust het recht, en wel op de volgende wijze: De wettige stemgerechtigde leden stemmen de notabelen, notabelen stemmen kerkvoogden en deze nemen het beheer op zich. Waar nu de kerkvoogden uit eigen beweging hebben bedankt of ontslagen zijn of uit hun ambt zijn ontzet, moet onverwijld worden overgegaan tot het stemmen van nieuwe kerkvoogden.
In het geval te Aalten, zal de gemeente de lijst der notabelen eerst moeten aanvullen of geheel vernieuwen en deze nieuwe notabelen benoemen h. h. kerkvoogden. Deze nieuwe kerkvoogden nemen het beheer over van het oude, en de zaken zijn in ’t reine. Bij verzet tegen deze wettige orde kan men zich wenden tot het klassikaal bestuur en verder tot het provinciaal best.
Baat dit alles niet, zooals ’t te Aalten schijnt het geval te zijn, en houden de afgezette kerkvoogden de deuren van het gemeentegoed gesloten, dan treden eenvoudig de leden als rechthebbenden op, en maken zich meester van de kerk. Wij willen hiermede niet zeggen, de kerk met geweld te veroveren want van verovering is geen sprake, als men rechtmatig eigenaar is, maar men roepe dan de rechterlijke (burgerlijke) macht in. Een kerk mag op de gewone Godsdienstdagen niet voor ’t volk gesloten blijven zoolang er kerkgangers en wettige predikanten zijn om optegaan. Zie verder hierover de kerk Regl. 1870 1 October.
Ned. Herv. kerk te AaltenZutphensche Courant, 14 maart 1887Zutphensche Courant, 14 maart 1887Tubantia, 16 maart 1887De Tijd, 16 maart 1887Bataviaasch Handelsblad, 19 april 1887
Aan de Havenstraat in Rotterdam-Delfshaven staat een huis uit 1886 met boven in de gevel het wapen van Aalten, de Lindeboom (klik hier voor Google Streetview).
Het is ons vooralsnog onbekend wat de relatie is tussen de opdrachtgever, Fred(e)rik van Aalten (Woudenberg, 1820 – Rotterdam, 1904), en de gemeente Aalten. De naam doet uiteraard vermoeden dat er een historische relatie bestaat, al gaat deze wellicht wel heel ver terug. Mogelijk heeft Frederik deze band tot uitdrukking willen brengen, zonder zelf te weten hoe de relatie precies in elkaar stak. Meer informatie is welkom!
Algemeen Handelsblad, 7 augustus 1886Algemeen Handelsblad, 10 augustus 1886Fragment Stadsarchief Rotterdam
Vanaf halverwege de 19e eeuw tot ver in de 20e eeuw kende Aalten diverse kerkelijke jeugdverenigingen. Hieronder volgen (delen van) een aantal krantenartikelen over de Gereformeerde Jongelingsvereeniging ‘Maranatha’, later hernoemd tot ‘Calvijn’. Meer informatie over deze en andere kerkelijke jeugdverenigingen is welkom.
19e Jaarfeest
Nieuwe Winterswijksche Courant, 10 mei 1902 (Delpher):
De Geref. Jongelingsvereeniging „Maranatha” vierde gisteren (Hemelvaartsdag) haar 19de jaarfeest in kerk B. alhier. Ds. Eelderhof uit Doesburg was uitgenoodigd de feestrede uit te spreken en deze nam tot onderwerp: „Maranatha”. Spreker behandelde de geschiedenis van Jezus’ Hemelvaart en zijn beloofde wederkomst. Aan het eind der wereld, als het Maranatha weerklinken zal, zullen we zien dat de overwinning de onze is. Om dien strijd goed te strijden, moeten we mannen hebben, die willen, die weten wat zij willen en die in de kracht Gods willen wat ze weten. De Jongelingsvereen. is een kweekplaats van zulke mannen, die nog wel geen strijders zijn, maar toch leerlingen. Hierna richtte spr. een ernstig woord tot de vereen. ter opwekking voor den strijd des levens om met een lied van Da Costa te eindigen. Jammer, dat er zoo weinig belangstelling was.
50-jarig bestaan
Nieuwe Aaltensche Courant, 3 maart 1933 (Delpher):
Nieuwe Aaltensche Courant, 3 maart 1933
Calvijn, één der oudste J.-V. op G.G. in onze plaats, heeft deze week, zij het dan ook een paar maanden te vroeg, haar gouden jubileum gevierd. Haar geschiedenis. Deze vereeniging is eigenlijk de vrucht van het werken van Ds. J.H.F. Gangel. Op zijn initiatief werd de vereeniging opgericht onder den naam „Maranatha”. In 1887 werd het de Gereformeerde Jongelingsvereeniging „Maranatha”, terwijl in 1897, op verzoek, werd ingewilligd het houden van toezicht door de Geref. Kerk B.
Omstreeks 1907 werd de Vereeniging omgedoopt met den naam van „Calvijn”, terwijl het jaar daaropvolgende, in Februari 1908, de grondslag en het doel der Vereeniging reglementair werd vastgelegd. Haar doel werd thans omschreven als volgt: Hare leden te doen kennen en belijden de Gereformeerde beginselen voor Kerk, Staat en Maatschappij.
Ongeveer gelijktijdig met het tot stand komen van de Geldersche Afdeeling van den Bond van Jongelingsvereenigingen op Geref. Grondslag (1893), sloot zich de Vereeniging ook aan bij den Bond, dat haar in vele opzichten ten goede gekomen is. De vereeniging heeft in dezen gang doorgewerkt tot in 1926 de splitsing plaats had, waaruit de J.-V. Dr. A. Kuyper ontstond. Tot op dezen dag staat „Calvijn” met eere in de rij van onze Geref. J.-V.
In de Westerkerk had Woensdagavond een herdenkingssamenkomst plaats ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de Jongel.vereen. „Calvijn“. De eere-voorz., ds. A. Schouten Sr., opende met gebed en sprak een korte openingsrede, waarin zijne eerw. o.m. opmerkte, dat deze vereen., die een halve eeuw bestaan heeft, mannen voortbracht die leiding geven in talrijke colleges en wier namen er borg voor staan, dat ze ook op critieke momenten staan voor de eere Gods. Spr. heet voorts welkom mr. H. Bijleveld, welke hierna den kansel betreedt. Een zangkoor zong enkele liederen, waarna mr. Bijleveld zijn rede hield over: „Om te doen gedenken“.
Achttien honderd drie en tachtig is een tijd van bijna leven in holen en spelonken. Doch een tijd waarin God licht deed schijnen. Een beginselprogram werd opgesteld, dat sindsdien bijna nooit gewijzigd werd. En het voornaamste is, dat de volksgeest werd omgezet. Voor dat hier een soc.-dem. partij was opgericht, bestond Patrimonium reeds. Een bewijs dat Christenen zich ook hieraan wijden en God daarop zijn zegen wil schenken. Zoo zal het gedenken zich uiten in het lied „Die gunst heeft God Zijn volk bewezen“. Mocht er opnieuw een onstuimige golf op u aankomen, wijk dan nimmer. Laat u niet afleiden door het kan zus en het kan zoo zijn, maar houdt u bij het „Ik ben de weg, de waarheid en het leven”. Spr. bepaalde zich tenslotte nog even bij de politieke toestand van deze dagen, zijn gehoor wijzend op de groote verantwoordelijkheid. Gezongen werd Psalm 25 vers 2, waarna spr. eindigde met dankgebed.
Gisteravond (donderdag, red.) vierde de Geref. Jongelingsvereen, „Calvijn” haar 50-jarig bestaan in gebouw Patrimonium alhier. De secr., de heer A. Lammers, gaf een historisch overzicht, terwijl de heeren F.H. Somsen, wethouder van Aalten, en A. Stapelkamp, secr. van het Chr. Nat. Vakverbond te Utrecht, beiden oud-leden van Calvijn, een toespraak hielden. Voordrachten, zangkoor en tableaux wisselden een en ander af. Het slotwoord werd gesproken door den eere-voorz., de eerw. heer ds. A. Schouten, em.-pred. alhier.
Op 27 februari 1880 werd een man, die zijn gevangenisstraf in Bocholt had uitgezeten, door een gendarme naar de Nederlandse grens bij Aalten gebracht. Dankzij de goede samenwerking tussen de Nederlandse en Pruisische grenspolitie werd hij bij de grensovergang netjes ontvangen door rijksveldwachter Schaars Prins uit Aalten, om aan de Nederlandse justitie te worden overgedragen, die ook nog een appeltje met hem te schillen had.
Het vervoer naar Aalten gebeurde per rijtuig. Aldaar aangekomen, werd de man naar het huis van arrest gebracht. Alles verliep rustig en ordelijk, totdat een persoon die, zoals later bleek, het rijtuig op een draf had gevolgd, de gevangenis binnentrad.
Toen hem werd gevraagd wat hij daar kwam doen, ontstond er plotseling een gevecht op leven en dood tussen de gevangene en zijn vriend aan de ene kant, en Schaars Prins, gemeenteveldwachter Heersink en de toevallig aanwezige gemeentebode Gerhard Rots aan de andere kant.
Nadat een paar knuppels op de lichamen van de aanvallende boeven waren stukgeslagen, deelde Rots enkele slagen uit met een soort koekenpan, die daardoor buiten fatsoen geraakte. Bij dit gevecht liepen de veldwachters slechts enkele schrammen en blauwe plekken op, maar de flinke Rots werd zelfs gebeten in zijn neus, hand en in zeker achterdeel van zijn lichaam.
Schaars Prins, die een paar jaar eerder was gedecoreerd door de Duitse keizer, vanwege een ontmoeting met boeven in Aalten, die, uit de gevangenis te Bocholt ontsnapt, door dien snorrebaard gesnapt werden, hield zich nu ook stevig staande, maar zou toch zonder Rots met zijn eigen sabel neergesabeld zijn.
De voormalige gevangenis aan de Prinsenstraat in Aalten
Uiteindelijk liep alles goed af – de brutale bevrijdingspoging mislukte en de vrienden werden achter slot en grendel gezet. Ze werden naar Zutphen vervoerd om daar hun zaak te laten behandelen en ongetwijfeld hun verdiende loon te ontvangen.
Tijdens de Franse overheersing van ons land (1795-1813) vond er een belangrijke verandering plaats in de bestaande rechtsorde. Nadat Nederland in 1810 door Napoleon Bonaparte bij Frankrijk werd ingelijfd, werd ook hier de Franse wetgeving ingevoerd.
Vredegerecht
Bij Keizerlijk Decreet van 9 juli 1810 werd Nederland verdeeld in departementen, arrondissementen, kantons en gemeenten. In elke hoofdplaats van een kanton werd een vredegerecht gevestigd, ook in Aalten. Het kanton Aalten bestond uit de gemeenten Aalten en Dinxperlo.
De taak van de vrederechter was het vredevol oplossen van een conflict voordat het voor de ‘echte’ rechter werd gebracht om zo een hoop kosten te besparen. Daarnaast had de vrederechter ook de bevoegdheid om kleine, goedkope zaken te behandelen. Andere bevoegdheden van de vrederechter lagen vooral in het personen- en familierecht.
Kantongerecht
In 1838 werd de rechtsorde opnieuw gereorganiseerd en werd de vrederechter vervangen door de kantonrechter. De vredegerechten Aalten en Winterswijk werden toen samengevoegd tot het kantongerecht Aalten. Dit gerecht bestreek het vierde kanton van het derde arrondissement (Zutphen) van het Gelderse gerechtshof en was op basis van de Wet van 1 juli 1830 geklasseerd als kantongerecht der vijfde klasse.
Het Aaltense kantongerecht hield zitting in het gemeentehuis aan de Markt. In 1861 werd in de Prinsenstraat een kantonaal huis van bewaring gebouwd, met zes cellen en een cipierswoning.
Het kantongerecht Aalten werd in 1877 opgeheven. De gemeenten Aalten en Winterswijk behoorden vanaf dat moment tot het kanton Groenlo. De gemeente Dinxperlo ging over naar het kanton Terborg.
Archief
Het archief van het voormalige kantongerecht Aalten is in 1968 samen met het oudste deel van het Groenlose archief naar het Rijksarchief in Gelderland overgebracht. In 1961 heeft de overdracht plaatsgevonden van het archief van het Openbaar Ministerie, dat zich nog in het gemeentehuis van Aalten bevond.
Lakstempel kantongerecht Aalten (foto: Hans Schutte)Nederlandsche Staatscourant, 6 november 1828
Rechters en griffiers van het vrede- en kantongerecht te Aalten 1811-1877 (nog incompleet)
Bredevoort, 12 Mei. ’t Kroningsfeest heeft hier gisteren volgens programma plaats gehad. Reeds in den vroegen morgen kondigden ’t kanongebulder en ’t luiden van alle klokken aan, dat Bredevoort feest zou vieren. En inderdaad, nog nimmer te voren had ons stadje een zoo feestelijk voorkomen als gisteren. Immers geene straat – ’t zij hoofd – of meer afgelegene, of zij was keurig met groen versierd en telde hare eerebogen, waarvan sommige van zeer gepaste opschriften voorzien waren. Tal van banieren wapperden, zoowel van den torentrans als van de huizen der inwoners. Bekroond door allerschoonst lenteweder, bracht het feest eene ontelbare volksmenigte op de been, onder welke massa echter eene niet gestoorde, vroolijke opgewektheid en zeldzame eenstemmigheid bleven heerschen.
Bij den wedstrijd in het schieten waren 8 prijzen uitgeloofd. Zij werden behaald: de 1ste prijs door H. Frenken te Bredevoort, de 2de door Wechelaar te Varsseveld, de 3de door Ormel te Haart, de 4de door Schaapveld te Bredevoort, de 5de door Dammers te Bredevoort, de 6de door Voltman te Eibergen, de 7de door Brethouwer te Barlo, en de 8ste door Heijink te Bredevoort.
De feestrede, gehouden door den heer D.B. Moll, hoofdonderwijzer te Bredevoort, werd beantwoord door den burgemeester mr. L. Roelvink, die op gepaste wijze den Spreker dank zeide voor de vervulling zijner niet gemakkelijke taak. De volksspelen, bestaande in mastklimmen, koekhappen en zakloopen, gaven eene aangename afwisseling. De vroolijke opgewektheid der jeugd deed menigen aanschouwer goed, vooral ook, omdat hunne liederen begeleid werden door hoornmuziek. De verlichting van „’t Zand” was prachtig en ’t vuurwerk voldeed wel. Lang – zeer lang zal dit feest in herinnering blijven bij de ingezetenen van Bredevoort.
Aalten, 8 Oct. Mocht men reeds genoeg in de gelegenheid geweest zijn om te kunnen weten dat de dag van gisteren een feestdag zou worden, het vroegtijdig wapperen onzer geliefde driekleur meldde het ons nog bovendien. Door de afdeeling Winterswijk der Geldersche maatschappij van Landbouw werd hier namelijk eene tentoonstelling gehouden van paarden, vee, landbouw-producten enz. die ten 11 ure met eene rede van den heer president Veeren uit Winterswijk werd geopend. Aan de regelingscommissie in ’t algemeen en aan den heer Slicher in ’t bijzonder komt alle hulde toe wegens de flinke organisatie, waardoor het program stipt kon worden gevolgd en uitgevoerd.
Toen ten 1 uur de bekrooning in de beste orde was afgeloopen nam de matinée musicale een aanvang, die evenwel wegens een snel opgekomen regen aanbrengende onweersbui niet dat genot kon opleveren ’t welk men zich er van had voorgesteld. Ten 3 uur begaven de leden der maatschappij zich ten huize van den heer Oosthout (Hotel de Roskam, OA), waar een smakelijk diner hen wachtte. De grondtoon was er vroolijk, terwijl menige dronk, aan verschillenden rang en stand werd gewijd.
De uitvoering van het concert, dat op 7 uur was bepaald, werd helaas! gestoord door een onaangenaam incident. Tegen het programma in, wilden enkelen om spoediger hun danslust te kunnen voldoen, dat het vuurwerk, ’t welk het bal vooraf ging, 2 uur vroeger zou worden afgestoken. Een nog al ernstig conflict was hiervan met een hevig tumult ’t gevolg. Ofschoon dit later, alles weer als vergeten werd beschouwd, bracht zulks toch, vooral in ’t eerst, een zekeren schok in de feestviering te weeg.
Ten 9 uur werd volgens programma het door den heer Ruijsch van Utrecht geleverd vuurwerk afgestoken, dat, blijkbaar uit de daverende bravo’s ten zeerste voldeed. Men ging vervolgens over tot het uiterst druk bezocht en zeer levendige bal, dat onder de vroolijkste stemming tot laat in den nacht voortduurde. Daarmede was het feest ten einde, dat naar wij hopen en vertrouwen, bij allen eene aangename en blijvende herinnering zal achterlaten.
Zutphensche Courant, 4 oktober 1873
Onze buren van Oud Winterswijk hebben een reconstructie gemaakt van het hele gebeuren: lees het hier.
In de 19e eeuw emigreerden duizenden Achterhoekers naar de Verenigde Staten, op zoek naar land, vrijheid en nieuwe kansen. Onder hen bevond zich de familie Huinink uit Dale.
Derk Willem Huinink en Catharina Jentink (foto: Dutch Genealogy)
Derk Willem Huinink werd geboren op op 9 maart 1827 op boerderij de (Oude) Maas in de Aaltense buurtschap Dale. Hij was een zoon van Jan Berend Huinink en Berendina Heesen. Zijn vader werkte aanvankelijk als onderwijzer, maar stapte later over op het boerenbedrijf. Het echtpaar kreeg vijf zonen en twee dochters. Moeder Berendina overleed op 1 augustus 1848.
Derk Willem bezocht de basisschool en hielp mee op het ouderlijk erf. Op zijn zeventiende leerde hij het weversvak, dat hij tien jaar lang combineerde met werk op de boerderij.
Op 28 mei 1858 trouwde hij in Aalten met Catharina Jentink, dochter van Hendrik Jan Jentink en Dora Hendrika Lammers. Ook zij werd in Dale geboren, op 20 november 1834. Zij was een van tien kinderen, vier zonen en zes dochters, van wie er zes met hun ouders emigreerden naar de Nieuwe Wereld. Het gezin Jentink vestigde zich in Lima, Wisconsin.
Derk Willems zuster, Janna Willemina Huinink, trouwde op dezelfde dag met Jan Berend Schepers.
Emigratie naar Amerika
In de zomer van 1869 vertrokken Derk Willem, zijn vader, echtgenote en kinderen via Liverpool met het stoomschip Nestorian naar Noord-Amerika. Na elf dagen arriveerden ze in Québec en reisden door naar Sheboygan County. Op 25 juli bereikten zij Amsterdam (Sheboygan County). In het voorjaar van 1870 kocht Huinink daar 72 acres (29 hectare) grond in sectie 19 voor $2.000. Later voegde hij daar nog 5 acres (2 hectare) aan toe.
Kaart van Holland Township, Sheboygan, 1889 (afbeelding: University of Wisconsin–Madison)
Gezinsleven en werk
Derk Willem en zijn vrouw bouwden met hard werken een goed lopend boerenbedrijf op. Ze kregen negen kinderen:
Jan Berend (Aalten, 20 mei 1859), zakenman in Cedar Grove
Dora Hendrika (Aalten, 22 juni 1861), gehuwd met boer John Lohuis
Hendrik Jan (Aalten, 15 oktober 1863), kaasmaker in Cedar Grove
Christiaan (Aalten, 22 april 1866), dierenarts
Berendina Gesiena (Aalten, 22 april 1868), gehuwd met boer Harry Scott
John William (Cedar Grove, 3 juni 1871), eerste kind geboren in Amerika
Garret John (Cedar Grove, 25 mei 1875)
Catherina Wilhelmina (Cedar Grove, 6 december 1876)
Derk William Jr. (Holland, 30 juli 1880)
Gemeenschap en overlijden
De familie Huinink (in Amerika ook gespeld als Huenink) was lid van de Presbyteriaanse Kerk. Derk Willem speelde daarin een actieve rol en was ruim negentien jaar ouderling. Zowel hij als zijn zonen stemden politiek gezien op de Republikeinse Partij, wat destijds gebruikelijk was onder protestantse immigranten in het Midwesten.
Derk Willem Huinink overleed in 1911 in Cedar Grove en Catharine vier jaar later. Ze liggen beiden begraven op Presbyterian Cemetery in Holland, Sheboygan.
Graf Derk Willem Huinink en Catharina Jentink, Presbyterian Cemetery, Holland, Sheboygan (foto: FindAGrave)
In de zomer van 1869 begon voor meer dan honderd Aaltenaren een levensveranderend avontuur. Aan boord van het stoomschip Nestorian, met als bestemming Québec, bevonden zich honderden emigranten, waaronder families uit Aalten en omstreken. Voor hen was dit het begin van een nieuw leven in Amerika, ver weg van de landbouwcrisis en de beperkte toekomstmogelijkheden in de Achterhoek.
De Nestorian was een ijzeren stoomschip van de Allan Line (officieel de Montreal Ocean Steamship Company), gebouwd in 1866 in Glasgow. Het schip was ongeveer 97 meter lang en 12 meter breed. Voor extra veiligheid had het schip drie masten met zeilen, voor het geval de stoommachine uitviel. Er was plaats voor 115 passagiers in de eerste klasse en 600 in de derde klasse (het tussendek).
De keuze voor de Allan Line en Québec
Rond 1869 adverteerde de Allan Line intensief in Nederlandse regionale kranten. Lokale tussenpersonen, zoals in Arnhem, fungeerden als sub-agenten voor het hoofdagentschap in Antwerpen. De rederij overtuigde Achterhoekers met twee sterke argumenten:
De kortste zeeroute Door naar Québec te varen in plaats van New York, waren emigranten minder lang op de open oceaan. Zodra het schip de Straits of Belle Isle bereikte, voer men de rest van de weg op de beschutte Saint Lawrence-rivier.
De goedkoopste optie Tussen 1860 en 1890 was Liverpool een populaire vertrekhaven voor Europese emigranten vanwege de lagere tarieven. Armere emigranten waren bereid om de ongemakken van het overschepen via Engeland te tolereren om te besparen op het trans-Atlantische ticket. Een ticket voor de overtocht (tussendek/steerage) kostte rond 1869 ongeveer 60 tot 80 gulden.
Arnhemsche Courant, 11 september 1869
De reis en de route
Inclusief de reis vanuit de Achterhoek en de overstap in Engeland was een emigrant zo’n 2,5 tot 3 weken onderweg. Hier is hoe hun reis er ongeveer uit moet hebben gezien:
Naar Antwerpen
Achterhoekse landverhuizers reisden eerst met paard en wagen naar een geschikte opstapplaats, zoals Zevenaar of Arnhem. Vanaf 1855 was het mogelijk om van daaruit naar Antwerpen te reizen. In Antwerpen werden de emigranten opgevangen door de agent van de Allan Line.
De oversteek naar Engeland
In Antwerpen stapten ze over op een boot naar Hull (Engeland), een overtocht van 12-24 uur. Vanaf Hull namen ze de trein naar Liverpool (4-6 uur). Liverpool was in die tijd het hart van de emigrantenstroom naar Amerika, met kantoren van rederijen, agenten en emigrantenhuizen waar reizigers konden wachten op hun vertrek.
Verblijf in Liverpool
Vertegenwoordigers van de Allan Line haalden hen bij aankomst in Liverpool op en brachten hen naar logeerhuizen, vaak eigendom van de rederij. Emigranten brachten daar één tot tien dagen door, wachtend op hun schip naar de VS of Canada.
Vertrek uit Liverpool
De Nestorian vertrok vanuit de Prince’s Landing Stage in Liverpool. De oversteek van Liverpool naar Quebec duurde gemiddeld 10 tot 12 dagen.
Verblijf aan boord van de Nestorian
Hoewel de Nestorian bekendstond als een solide en snel stoomschip, was luxe er ver te zoeken. De meeste emigranten uit de Achterhoek reisden in het tussendek (steerage), waar families in grote, bedompte ruimtes sliepen in houten kooien met strooien matrassen.
De ticketprijs was inclusief de wettelijk verplichte rantsoenen (soep, aardappelen, brood en zout vlees). Passagiers moesten hun eigen tinnen bord, beker en bestek meebrengen.
De dagen werden gevuld met kaartspelen, zingen, bidden en praten over de toekomst in Amerika. Er was een scheepsarts aan boord, maar de middelen waren beperkt. Zeeziekte was universeel, en infectieziekten verspreidden zich snel in de slecht geventileerde slaapzalen. Bij uitbraken werden zieken geïsoleerd.
Aankomst en doorreis naar Wisconsin
Op 19 juli 1869 bereikte de Nestorian de haven van Québec. Op de passagierslijst prijkten bekende Aaltense namen zoals Eppink, Huinink, Jentink, Neerhof en Wassink. De reis was echter nog niet ten einde.
Vanaf Quebec reisden de emigranten per Grand Trunk Railway westwaarts naar Sarnia (Ontario). Daar stapten zij over op een stoomboot die hen over de Grote Meren (Lake Huron en Lake Michigan) vervoerden. Deze reis duurde 1 tot 2 dagen, afhankelijk van het weer en de aansluitingen.
Uiteindelijk zetten zij voet aan wal in de haven van Sheboygan, Wisconsin. De meeste Aaltense emigranten vestigden zich in deze regio. In latere jaren trokken sommige van deze families verder westwaarts naar de vruchtbare gronden van onder andere Iowa en Minnesota.
Veel 19e eeuwse emigranten uit de Achterhoek vestigden zich in de omgeving van Sheboygan, Wisconsin (hier afgebeeld op een tekening uit 1885)
In de loop van de 19e eeuw verlieten duizenden mensen de Achterhoek om een nieuw bestaan op te bouwen in de Verenigde Staten. Ook vanuit Aalten vertrokken veel inwoners. Wat begon met een religieus gemotiveerde uittocht groeide uit tot een bredere emigratiebeweging, die ook in de 20e eeuw aanhield. Op zoek naar vrijheid, land en nieuwe kansen vonden Aaltenaren een nieuw thuis aan de andere kant van de oceaan.
De emigratiegolf begon rond 1844, in eerste instantie vanuit religieuze motieven. Veel van de eerste emigranten behoorden tot de afgescheidenen: protestanten die zich losmaakten van de Nederlandse Hervormde Kerk en zich in eigen gemeenten organiseerden. In Nederland werden zij vaak vervolgd of sociaal buitengesloten, wat velen ertoe aanzette hun heil elders te zoeken.
Economische zorgen en gebrek aan ruimte
Naast religieuze vervolging speelde ook de economische situatie een belangrijke rol. In de tweede helft van de 19e eeuw werd de situatie op het platteland in de Achterhoek steeds moeilijker. Mislukte oogsten, werkloosheid en armoede dwongen veel gezinnen tot drastische keuzes.
Ook demografische druk speelde een rol. Het platteland raakte steeds voller. De meeste woeste gronden waren inmiddels ontgonnen, en de beschikbare landbouwgrond was schaars geworden. Voor veel boerenzonen was er daardoor geen perspectief op een eigen boerderij. In Amerika, waar grond goedkoop of zelfs gratis beschikbaar kwam via bijvoorbeeld de Homestead Act (1862), lonkte een zelfstandig bestaan.
Alleen al uit de Achterhoek emigreerden in vijftig jaar tijd zes- tot zevenduizend mensen—bijna een derde van de plattelandsbevolking.
Van Aalten naar Wisconsin – en verder
Een aanzienlijk deel van de Aaltense emigranten vestigde zich in Sheboygan County in de staat Wisconsin. Deze regio trok veel Nederlanders vanwege de vruchtbare grond, werkgelegenheid in de landbouw en de aanwezigheid van bestaande geloofsgemeenschappen.
In en rond plaatsen als Cedar Grove, Oostburg en Sheboygan ontstonden hechte gemeenschappen van Nederlandstalige migranten. Sommige Aaltenaren trokken na verloop van tijd verder westwaarts, naar staten als Iowa, Minnesota en Nebraska, op zoek naar goedkope landbouwgrond en meer economische kansen.
Naast het Middenwesten vestigden Aaltense emigranten zich ook in de staten New York, New Jersey en Michigan. In steden als Paterson en Grand Rapids ontstonden bloeiende Nederlandse wijken, vaak met een sterk religieus karakter. Emigranten richtten er eigen kerken, scholen en sociale instellingen op.
Niet alle emigranten bereikten hun bestemming. Een tragisch voorbeeld is de ramp met het stoomschip Phoenix in 1847 op het Meer van Michigan, waarbij naar schatting 250 tot 300 Nederlandse landverhuizers omkwamen – onder wie ook enkele tientallen emigranten uit Aalten.
Een blijvende band
Vandaag de dag zijn de sporen van deze emigratie nog steeds zichtbaar. Achternamen uit Aalten komen nog steeds voor in gemeenschappen in Wisconsin en elders in de VS. In genealogisch en historisch onderzoek vormen deze emigratiebewegingen een belangrijke schakel tussen de Achterhoek en de Verenigde Staten.
De Grondwet, 24 maart 1854Nieuwe Rotterdamsche Courant, 19 augustus 1854Arnhemsche Courant, 3 juli 1869Dagblad Tubantia, 12 mei 1951
Lijst met landverhuizers uit Aalten
Er is een lijst met ruim 1.600 landverhuizers uit Aalten en Bredevoort die naar de Verenigde Staten zijn geëmigreerd:
Vanaf halverwege de 19e eeuw tot ver in de 20e eeuw kende Aalten diverse kerkelijke jeugdverenigingen. Hieronder volgen (delen van) een aantal krantenartikelen over de Gereformeerde Jongelingsvereeniging ‘Uw Koninkrijk Kome’ (U.K.K.). Meer informatie over deze en andere kerkelijke jeugdverenigingen is welkom.
De Geref. Jongelingsvereeniging »Uw Koninkrijk Kome«, te Aalten, zal 11 Februari haar 40-jarig bestaan feestelijk vieren. De feestrede zal gehouden worden door den Heer J. Gommer, predikant bij de Geref. Gemeente aldaar.
Zooals reeds onder plaatselijk nieuws is meegedeeld, hopen binnenkort twee Gereformeerde Jongelingsvereenigingen in deze omgeving, die te Varsseveld en „Uw Koninkrijk Kome“ te Aalten, haar 50-jarig bestaan te gedenken. Geen zilveren jubileum dus als van „Patrimonium“ te Aalten maar een gouden feest. Jammer dat de omstandigheden er niet naar zijn, om dit merkwaardige feit zoodanig te vieren als in normalen tijd verwacht mocht worden. Van feest houden is thans geen sprake. Herdenking op waardige wijze mag evenwel niet achterwege blijven. Niet-herdenking zou gelijk staan met negeering van de weldaden, die God zoowel in Varsseveld als in Aalten in de jongelingsvereenigingen heeft geschonken.
58-jarig bestaan
Nieuwe Winterswijksche Courant, 19 maart 1926 (Delpher):
In de jaarvergadering van de Jongelingenvereeniging „Uw Koninkrijk Kome“, werd het 58-jarig bestaan der vereeniging herdacht, onder leiding van den voorzitter, den heer J.D. van Lochem. De secretaris de heer Krajenbrink, bracht verslag uit over hetgeen verricht werd. Hieruit bleek dat 46 vergaderingen gehouden en tal van onderwerpen behandeld werden. De vereeniging heeft 37 leden en telt 80 begunstigers. Uit het verslag van den penningmeester, den heer C.H.J. Heij, bleek dat de ontvangsten bedroegen ƒ 307 en dat er een voordeelig saldo was van ƒ 43.
De bibliothecaris, de heer L.C. Winkelhorst, deelde mede dat gelezen waren 340 boeken en dat de vereeniging in het bezit is van 412 boeken, verdeeld over 5 afdeelingen. De avond werd verder gevuld met een inleiding, samenspraak, muziek, voordrachten en tableaux en het welslagen werd bovendien bevorderd door het verstrekken van broodjes, koekjes, koffie en sigaren. De heer G. Breekveldt sprak het slotwoord en eindigde met dankgebed.
60-jarig jubileum
Nieuwe Aaltensche Courant, 24 januari 1928 (Delpher):
Van deze plaats een hartelijke gelukwensch aan de Jongelingsvereeniging „Uw Koninkrijk kome”, welker oprichting den naam van den Weleerw. heer D. Breukelaar in de herinnering terugroept. Moge zij nog vele jaren in de richting, door den oprichter bedoeld, voortgaan.
Donderdagavond om 6½ uur was de Oosterkerk reeds geheel gevuld. De versieringen op het podium verwezen naar het groote feit van den dag. Ds. Gommer treedt nu op als eerste spreker. Nadat gezongen is Ps. 138 vs 1, gaat hij voor in gebed en leest Ps. 138. Nu volgt een kort openingswoord, waarin spr. begint met te wijzen op het groote voorrecht dat „U.K.K.” dezen avond mag gedenken. Spr. wenscht haar veel geluk daarmede. Hij herinnert aan de belangstelling in onzen tijd voor de Jeugdorganisaties.
Voor zestig jaren telde men de Chr. Jeugdver, niet, en zij die daar hun vorming ontvingen, werden gesmaad. Thans denkt men daar anders over; ieder erkent de waarde der Chr. J.-V. en vele richtingen maakten zich op om op dezelfde wijze zich aan de jeugd te wijden. De J.-V. op Ger. grondslag brengt, zegt spr., een rijken zegen voor geheel het leven, zoo althans aan God en Zijn Woord de band blijft trekken.
Spr. richt een woord van welkom aan Dr. K. Dijk uit Den Haag, die uitgenoodigd werd om de feestrede te houden en zoo bereidwillig was daartoe uit de residentie over te komen. Eerst doet een zangkoor nu eenige liederen hooren onder leiding van den heer K. Broos. Dit kwijt zich daarvan óp voortreffelijke wijze, vooral zoo in aanmerking genomen wordt de daartoe aan den geringen vrijen tijd ontwoekerde uren. Met name „Rust mijn ziel, uw God is Koning” klonk goed in de flinke ruimte der Oosterkerk. In bijzondere mate mag dit van de solo gezegd worden. Alsnu volgde het glanspunt van den avond, de rede van Dr. Dijk „Den boog leeren”.
Na ’t zingen van Ps. 72 vs 11 gaat spr. voor in dankzegging. Het was een avond, voor de jubileerende vereeniging onvergetelijk; op waardige en treffende wijze mocht zij het groote feit van den dag op die wijze gedenken.
Wie gisteravond in het gebouw Irene te Aalten is geweest en getuige was van de belangstelling die er bestond voor de viering van het 80-jarig bestaan van de Jongelingsvereniging op G.G. „Uw Koninkrijk Kome”, kan zich moeilijk voorstellen dat 80 jaren geleden, ds. Breukelaar, toen Geref. predikant te Aalten, met moeite een vereniging met 8 leden wist op te richten en in stand te houden. Een foto van ds. Breukelaar hing gisteren boven het podium, omlijst met de nationale kleuren.
Het was als wilde men het verleden en de toekomst op deze avond door middel van die foto met elkaar confronteren. Inderdaad, dat wilde men, zoals de voorzitter de heer H. Luimes in zijn openingswoord ook zei en naderhand door Prof. Dr. Dijk en ds. Zwart nog eens werd geaccentueerd. Deze Jongelingsvereniging is de oudste in jaren. Met nadruk werd gewezen op de noodzakelijkheid om ook in deze tijd – vooral in deze tijd – zich voor te bereiden voor de taak in het volle leven. „Onze gedachten gaan ook uit naar de militairen in Nederland en in Indië”.
Ter gelegenheid van het 90-jarig bestaan van de J.V. op G.G. „Uw Koninkrijk Kome” te Aalten werd maandagavond in de Geref. Oosterkerk een herdenkingsbijeenkomst gehouden. De bijeenkomst werd geopend met samenzang, waarna de voorzitter, de heer G. te Brake in een kort overzicht het wel en wee der vereniging de revue liet passeren. Vervolgens hield de heer H. Algra uit Leeuwarden, oud-bondsvoorzitter en lid der Eerste Kamer, een toespraak over het onderwerp „Dankbaarheid en roeping”. Verder werd het woord gevoerd door het oud-lid van „U.K.K.”, ds. G. Hengeveld te Woubrugge, over „Wij leven maar eens”. Een en ander werd afgewisseld met samenzang, koorzang van het Evangeliesatiezangkoor o.l.v. J. Debbink, orgelspel van Jan Luijmes en declamatie van J. Kraaijenbrink. Ds. L. Blijdorp, geref. predikant te Aalten, sprak het slotwoord.
In de 19e eeuw emigreerden honderden Aaltenaren naar de Verenigde Staten, op zoek naar land, werk en een beter bestaan. Van een aantal van hen is bekend dat zij deelnamen aan de Amerikaanse Burgeroorlog. Voor zover bekend dienden zij allemaal in de legers van de Noordelijke staten (de Unie).
De Amerikaanse Burgeroorlog (1861–1865) was een gewapend conflict in de Verenigde Staten tussen de Noordelijke staten (de Unie) en de Zuidelijke staten (de Confederatie). In vele staten vonden bloedige veldslagen en veldtochten plaats. De oorlog begon met een aanval van de Confederatie op Fort Sumter in South Carolina, op 12 april 1861. In juni 1865 gaven de laatste Zuidelijke legers zich over en kwam de Unie als overwinnaar uit de strijd.
Oud-Aaltense strijders
De volgende lijst is vermoedelijk nog niet compleet:
Jan Derk Ansink (Barlo, 30-04-1840 – 02-07-1868) ‘John Ansink’ meldde zich op 06-08-1862 aan bij het 108th New York Volunteer Infantry Regiment, company E, in Rochester, Monroe County, NY. Hij raakte wounded in action op 03-07-1863 tijdens de Slag bij Gettysburg. In mei of juni 1864 werd hij overgeplaatst naar company A van het 21st Regiment of the Veteran Reserve Corps. Na de Burgeroorlog werd hij op 07-06-1865 ontslagen in Trenton, NJ.
Gerrit Hendrik Duenk (IJzerlo, 19-07-1825 – Milwaukee, WI, 14-08-1883) ‘Gerritt H Duenk’ diende van 20-08-1862 tot 10-06-1865 in het 24th Wisconsin Infantry Regiment, company I. Hij zwaaide af op order van de War Department. In 1883 kwam hij in aanmerking voor opname in een National Home for Disabled Volunteer Soldiers. Hij leed aan reuma. Hij woonde destijds met zijn vrouw Clara en drie kinderen onder de 16 jaar in Milwaukee, WI, waar hij als arbeider werkte. Op 31-05-1883 werd hij opgenomen in het tehuis. Op 14-08-1883 werd hij dood aangetroffen; hij was verdronken in de Milwaukee rivier. Een dag later is hij begraven.
Gerrit Jan Duenk (IJzerlo, 23-09-1845 – Milwaukee, WI, 19-04-1897) ‘Garrett Dunck’ diende van 15-08-1862 tot 10-06-1865 in het 24th Wisconsin Infantry Regiment, company E. Hij raakte gewond op 02-06-1864 in Georgia, in de omgeving van Dallas, New Hope Church en Allatoona Hills. Na de Burgeroorlog werd hij op 10-06-1865 ontslagen.
Hendrik Huibert van Eest (Velp, 12-09-1837 – Springfield, IL, 26-03-1865) Hij meldde zich op 28-02-1865 in Overisel, MI als soldaat. Hij werd opgenomen in het 24th Michigan Infantry Regiment, company K op 01-03-1865. Overleed op 26-03-1865 in Camp Butler, Springfield, IL.
Arent Jan Geurink (IJzerlo, 24-03-1822 – Sheboygan, WI, 21-02-1899) Bij zijn graf staat een GAR-marker (Grand Army of the Republic) die aangeeft dat hij gevochten heeft in de Amerikaanse Burgeroorlog.
Gradus Heinen (Aalten, 19-10-1827 – Holland, WI, 24-10-1908) ‘Grades Heinen’ meldde zich op 21-08-1862 aan bij het 27th Wisconsin Volunteer Infantry Regiment, company F. Dit regiment vertrok op 16-03-1863 vanuit Milwaukee, WI, naar Columbus, KY. Gradus raakte gewond bij Jenkins’ Ferry, AR. Dit gebeurde tijdens één van de bloedigste veldslagen van de Burgeroorlog, uitgevochten op 29/30-04-1864 bij de gezwollen Saline River, na dagen van hevige regenval. Na de Burgeroorlog werd hij op 29-08-1865 ontslagen.
Derk Hendrik Kappers (Aalten, 10-01-1827 – Madison, WI, 17-03-1864) Hij meldde zich op 16-09-1861 als soldaat bij het 1st Wisconsin Infantry Regiment, company H. Hij diende tot hij aan een ziekte overleed op 17-03-1864 in Madison, WI.
Antonij ter Maat (Dale, 07-02-1836 – Columbus, KY, 04-06-1863) Hij meldde zich, tegelijk met zijn broer Jan Hendrik, op 21-08-1862 aan bij het 27th Wisconsin Volunteer Infantry Regiment, company F. Hij werd ziek en overleed.
Jan Hendrik ter Maat (Dale, 25-03-1841 – Memphis, TN, 03-10-1863) Hij meldde zich, tegelijk met zijn broer Antonij, op 21-08-1862 aan bij het 27th Wisconsin Volunteer Infantry Regiment, company F. Hij werd ziek en overleed.
Lammert Reimes (Aalten, 21-11-1834 – New Jersey, 08-08-1912) ‘Lambert Reymers’ werd in 1861 ingelijfd als soldaat bij het 2nd Delaware Infantry Regiment, company I. Hij diende gedurende de hele Burgeroorlog.
Gerrit Jan te Slaa (Lintelo, 20-10-1831 – Missouri, 30-08-1863) Hij meldde zich op 21-08-1862 aan bij het 27th Wisconsin Volunteer Infantry Regiment, company F. Hij werd ziek en overleed op een hospital boat die lag afgemeerd in de Mississippi bij Helena, Arkansas.
Bernadus Vervelde (Aalten, 16-02-1816 – Sherman, NY, 08-04-1891) ‘Benardus Felton’ meldde zich op 22-08-1862 in Westfield, NY als soldaat. Op 24-09-1862 werd hij ingedeeld bij het 154th New York Infantry Regiment, company E. Op 02-05-1863 werd hij in Virginia krijgsgevangen genomen tijdens de Slag om Chancellorsville. Op 14-05-1863 liet men hem voorwaardelijk vrij in City Point, VA. Op 21-05-1864 werd hij wegens invaliditeit ontslagen. Zijn zoon Derk Jan (in de VS ‘Garrett J Felton’ genoemd) vocht ook in de Burgeroorlog.
Derk Jan Vervelde (Haart, 16-02-1843 – Ripley, NY, 05-09-1903) ‘Garrett J. Felton’ meldde zich op 31-07-1862 in Westfield, NY als soldaat. Op 15-08-1862 werd hij ingedeeld bij het 112th New York Volunteer Infantry Regiment, company E. Op 30-07-1864 raakte hij gewond tijdens het Beleg van Petersburg. Op 06-07-1865 werd hij uit dienst ontslagen in Lovell Hospital, Portsmouth Grove, RI. Zijn vader, ‘Benardus Felton’, vocht ook in de Burgeroorlog.
Arnoldus Johannes Zweerink (Aalten, 09-01-1834 – Petersburg, VA, 31-03-1865) Hij meldde zich op 21-10-1864 aan bij het 6th Wisconsin Infantry Regiment, compagnie I, als soldaat. Compagnie I bestond uit mannen uit de counties Brown en Vernon in Wisconsin. Het 6e Regiment van Wisconsin maakte tijdens de oorlog deel uit van de beroemde Iron Brigade. “Noldus” Zweerink sneuvelde tijdens de Slag bij White Oak Road.
Heeft u meer informatie over (bovengenoemde of andere) Aaltense emigranten die in de Amerikaanse Burgeroorlog hebben gevochten? Reageer dan hieronder of stuur ons een bericht!
Hoe emigrant uit een Bredevoort de basis legde voor een succesvol bouwbedrijf in de VS
In het midden van de 19e eeuw woonde het gezin Piek in de Gasthuisstraat in Bredevoort. Vader Jan Derk Piek en moeder Geertruid Wamelink hadden zes kinderen: drie zonen en drie dochters. In 1857 emigreerde het gezin naar de Verenigde Staten. Na aankomst in New York reisden ze per boot verder via de Hudsonrivier en het Eriekanaal naar Rochester, in het noorden van de staat New York.
Kort voor het uitbreken van de Amerikaanse Burgeroorlog vestigde Jan Derk zich in Rochester als timmerman. De familienaam werd er verengelst tot Pike. Zijn zoon Jan Berend Piek (1847–1927), die in de VS bekend werd als John Barnabas Pike, trad in de voetsporen van zijn vader. In 1873 richtte hij het aannemersbedrijf John B. Pike Company op. Het eerste kantoor bevond zich aan Minerva Place in het centrum van Rochester en was gespecialiseerd in fijn timmerwerk.
Bekende bouwwerken en groei
De firma groeide uit tot een aanzienlijk bouwbedrijf. Enkele bekende projecten zijn het Rochester Museum and Science Center, de Rochester Savings Bank, Midtown Plaza (een van de eerste overdekte winkelcentra in de VS), het archiefgebouw van het International Museum of Photography en het markante hoofdkantoor van de Security Trust Bank, ook wel bekend als The Temple, dat begin jaren tachtig werd gesloopt.
Ook buiten de regio bouwde het bedrijf aan scholen, ziekenhuizen, bruggen, snelwegen, tunnels en industriële complexen, van Maine tot Florida en zelfs tot in Vancouver, Canada.
Hoewel de bouw van de Eerste Nederlands Gereformeerde Kerk van Brighton (1891) niet door Pike werd uitgevoerd, was John B. Pike nauw betrokken bij het project als lid van de bouwcommissie. Hij werkte hierin samen met onder anderen Oud-Aaltenaar Arend Willem Hoopman (1843–1928).
Bedrijfsovername en voortzetting
In 1907 verhuisde het bedrijf naar een nieuw kantoor aan One Circle Street in Rochester, waar het tot op de dag van vandaag gevestigd is. In 1915 trad John Derek Pike, zoon van John B., aan als president van het inmiddels hernoemde John B. Pike & Son.
John B. Pike overleed op 18 januari 1927, op 79-jarige leeftijd, en werd begraven op Mount Hope Cemetery in Rochester.
Zijn bedrijf bleef bestaan en groeide verder onder leiding van zijn nakomelingen. Meer dan 150 jaar na de oprichting bestaat het bedrijf nog altijd, nu onder de naam Pike Construction Services, met ruim 500 medewerkers en meerdere vestigingen in de staten New York en Florida.
Emigranten uit Aalten en Bredevoort in New York
De familie Piek uit Bredevoort was niet de enige die zich in de staat New York vestigde. In totaal liggen zeker honderd emigranten uit Aalten en Bredevoort begraven in deze staat, van wie minimaal veertig in Monroe County, waaronder Rochester valt.
Gasthuisstraat 5, BredevoortJan Berend Piek alias John Barnabas Pike (1847-1927)Eerste Nederlands Gereformeerde Kerk van Brighton, 1891Het nieuwe pand van de John B. Pike Company aan Circle Street, 1907
Op 11 juli 1856 verloor Hendrik Walvoord (1801–1865) zijn enige zoon Gerrit Jan, die op 30-jarige leeftijd verdronk in het Michiganmeer. In zijn testament reserveerde Hendrik een acre grond (ongeveer 0,4 hectare) voor een familiebegraafplaats in sectie 26 van Holland Township. Zoals in het testament stond:
“Ten eerste, geef en legateer ik aan de kinderen van mijn zoon Gerrit Jan Walvoord (overleden) en aan hun kinderen die mogelijk geboren worden en hun kleinkinderen, achterkleinkinderen, met één woord aan het nageslacht van de genoemde kinderen van mijn zoon Gerrit Jan Walvoord (overleden), een acre land liggend en zich bevindende in de County Sheboygan en de Staat Wisconsin, bekend en beschreven als volgt te weten: …” (vervolgens wordt de exacte locatie beschreven).
Dus volgens Hendriks testament kon elke afstammeling van Gerrit Jan Walvoord (“tot in het nageslacht”) op dit familieperceel worden begraven. Na verloop van tijd werd Walvoord Cemetery omringd door Cedar Grove naarmate het dorp groeide. Tegenwoordig ligt de begraafplaats in het centrum van Cedar Grove aan Main Street.
In de loop der tijd begroeven sommige families hun overledenen op dit perceel zonder formeel recht, mogelijk omdat het destijds een van de weinige begraafplaatsen was, naast een oude inheemse begraafplaats bij Amsterdam aan Lake Michigan. Een aantal van Sheboygans pioniers ligt hier begraven.
In de jaren 1960 telden Harriet Vollbrecht-Walvoord en haar tante Louise Walvoord meer dan honderd gemarkeerde graven. Tegenwoordig resteert nog amper de helft daarvan. Volgens Harriet verwijderde de stad Cedar Grove jarenlang in stilte grafstenen. Waar deze gebleven zijn, is onbekend.
Walvoord-familiegedeelte van Walvoord Cemetery, gelegen in het midden van de begraafplaats, circa 1960.
Volgens de wet van de staat Wisconsin wordt een begraafplaats na vijf jaar verwaarlozing de verantwoordelijkheid van de lokale overheid. Deze wet beoogt bescherming van oude begraafplaatsen zonder onderhoudsfonds. Cedar Grove was blijkbaar niet willens het onderhoud te bekostigen en benaderde familieleden met het verzoek om geld in een trust te storten voor het onderhoud. Het is onbekend hoeveel er werd opgehaald. De laatste bijzetting vóór deze actie was Willard Anthony Walvoord in 1986.
Hoewel Cedar Grove volgens de wet verdere begrafenissen verbood, werd vanwege het oorspronkelijke testament, waarin het recht op eeuwigdurende begrafenis werd vastgelegd, besloten begrafenissen van directe nakomelingen van Gerrit Jan Walvoord toch toe te staan.
Koreen Elizabeth Toutenhoofd (dochter van Meta Marie Walvoord en Andrew Toutenhoofd) werd op 1 januari 1996 begraven op Walvoord Cemetery, evenals Kathryn Louise Walvoord (dochter van Anthony J. Walvoord en Ann Vogt), op 23 mei 2002. Beiden waren ongehuwd en werden bij hun familie begraven.
Beschrijving van het terrein
Oostelijk van het Walvoord Monument tot aan het trottoir: geen graven.
Zuid-zuid-oost (links en achter het monument): graven duidelijk gemarkeerd.
Noord-noord-oost (rechts en voor het monument): graven eveneens goed gemarkeerd.
Noordoosthoek bij de straat: grafstenen van G. Lammers en familie ontbreken.
Ten westen van het monument (achterzijde van het perceel): de meeste grafstenen zijn verdwenen.
Hieronder volgt een lijst met overgebleven grafstenen, in de jaren 1960 samengesteld door Louise Walvoord (1883–1969), Koreen Toutenhoofd (1902–1996) en Harriet Vollbrecht-Walvoord (1913–2006):
In de 19e eeuw emigreerden duizenden Achterhoekers naar de Verenigde Staten, op zoek naar land, vrijheid en nieuwe kansen. Onder hen bevond zich de familie Ruesink uit Lintelo. Zij behoorden tot de vroege Europese pioniers die zich vestigden in Sheboygan County, Wisconsin.
De familie Ruesink woonde op boerderij Akkermaat in de buurtschap Lintelo bij Aalten. Het gezin bestond uit vader Jan Willem Ruesink, moeder Grada Christina Rensink, vier zoons (waarvan er één kort na de geboorte overleed) en drie dochters.
Het gezin emigreerde in 1855 naar Amerika. Ze vertrokken op 2 augustus met een schip vanuit Rotterdam en arriveerden na 42 dagen in New York. Ze reisden verder naar Milwaukee, waar Jan Willem Ruesink ruim twee jaar werkte als voorman in een kalkoven, met een loon van één dollar per dag, later verhoogd naar $1,25.
In de VS kreeg het echtpaar Ruesink nog een zoon en twee dochters.
Vestiging in Holland Township
In het voorjaar van 1857 vestigde het gezin zich in Holland Township, op de boerderij van D.A. Walvoord. Ruim tweeënhalf jaar werkte Jan Willem daar, vooral met het kappen van hout voor transport via de pier van Amsterdam (Wisconsin). Daarna kocht hij 10 acres (4 ha) grond voor $200, en voegde daar zes jaar later nog eens 10 acres aan toe voor $150. In 1882 trok hij zich terug uit het arbeidsleven en verhuisde naar Gibbsville, waar hij genoot van zijn oude dag.
Jan Willem Ruesink werd beschouwd als een van de hardst werkende immigranten in Sheboygan County. Naar schatting kapte hij in zijn leven ongeveer 2800 “cords” hout (meer dan 10.000 m³), waarvoor hij tussen de 32 en 75 cent per cord ontving.
Pier bij Amsterdam, Sheboygan, circa 1930 (Foto Sheboygan County Historical Research Center)
Van boerenknecht tot winkelier
Zoon Evert Ruesink, geboren op 17 augustus 1852 in Lintelo, arriveerde op zijn vijfde met zijn familie in Holland Township. Hij zou daar zijn verdere leven wonen. Op veertienjarige leeftijd begon hij met werken als knecht bij Harmen Jan te Selle (1844-1919), een boer in Holland Township, waar hij twee jaar bleef. Daarna werkte hij zes jaar in Fond du Lac County.
Door zuinig te leven had hij $800 gespaard. Met dat spaargeld begon Evert een winkel in Gibbsville. Na ongeveer acht jaar deed hij de zaak van de hand en stapte hij over op tuinbouw, een bedrijf dat hij vijf jaar lang uitoefende. In het najaar van 1887 nam hij het bedrijf van Henry Merion in Oostburg over, waar hij zijn ondernemerschap voortzette.
Evert trouwde op 11 december 1878 in Holland, Sheboygan, met Janna (“Jane”) Heinen, dochter van Gradus Heinen en Willemina Wisselink. Janna werd geboren op 19 april 1858 in Holland Township. Het echtpaar kreeg vijf kinderen.
Union Cemetery, Oostburg, Sheboygan
Gemeenschap en overlijden
Evert Ruesink gold als een self-made man: hij begon als dagloner en werkte zich met vlijt, doorzettingsvermogen en zuinigheid op tot een gerespecteerde ondernemer in Sheboygan County. Evert en Jane waren lid van de Dutch Reformed Church, en politiek was Evert, net als zijn vader, aanhanger van de Republikeinse Partij.
Evert Ruesink overleed in 1898, slechts 45 jaar oud. Jane volgde hem bijna anderhalf jaar later naar het hiernamaals. Beiden werden begraven op Union Cemetery in Oostburg, Sheboygan County.
Kop van de passagierslijst van de Leila, Rotterdam–New York, 1854
In 1854 emigreerde een grote groep Aaltense emigranten per schip naar de Verenigde Staten. Zij maakten deel uit van een bredere emigratiestroom uit de Achterhoek in de 19e eeuw. Eén van de schepen waarmee deze emigranten naar Amerika reisden, was het zeilschip Leila, dat in dat jaar vanuit Rotterdam vertrok.
Het schip voer eind augustus 1854 uit en had 234 passagiers aan boord. De kapitein van het schip was W.J. Stafford.
Volgens de passagierslijst was meer dan de helft – ongeveer 120 passagiers – afkomstig uit Aalten en ruim 50 uit andere delen van Nederland. Het grootste deel van de overige passagiers was afkomstig uit Beieren.
Op 30 september 1854 arriveerde de Leila in New York City.
Tijdens de reis overleden drie passagiers, waarvan twee uit Aalten:
Anna te Gantvoort, 34 jaar oud, als gevolg van tubercoluse (1 september)
Jan Hondorp, 2 jaar oud, als gevolg van ‘buikklachten’ (26 september)
Over het schip zelf zijn, afgezien van de gegevens in de passagierslijst, vooralsnog geen nadere technische of historische gegevens teruggevonden.
Gradus Heinen werd geboren op 19 oktober 1827 op boerderij Nijenhuis in Dale, als zoon van Jan Heinen en Harmina ten Brinke. Op 21 juli 1854 trouwde hij in Aalten met Willemina Wandrina Wisselink, die op 30 januari 1826 werd geboren op boerderij Bullens in Barlo, als dochter van Garrit Jan Wisselink en Johanna Nijeboer.
Toen Gradus trouwde, was hij dienstknecht bij geneverbrander Salomon ten Bokkel in de Hoekstraat in Aalten.
Enkele weken na hun huwelijk, op 21 augustus 1854, vertrokken Gradus, Willemina, Gradus’ broer Abraham met diens vrouw Johanna Scholten en drie van hun kinderen met de driemaster Leila vanuit Rotterdam naar de Nieuwe Wereld. Willemina’s broer Berend Hendrik Wisselink en zijn vrouw Fredrika Wamelink, reisden met hen mee.
Gradus Heinen (1827–1908)
De overtocht
Gradus Heinen beschreef het verloop van de reis in een brief aan zijn familie, gedateerd 31 oktober 1854:
Op 21 augustus vertrok het gezelschap vanuit Rotterdam naar Hellevoetsluis. De volgende dag, op 22 augustus, begon de oversteek naar Amerika. De zee was echter onstuimig, waardoor vrijwel iedereen aan boord zeeziek werd. Gelukkig herstelde het merendeel binnen twee dagen. De rest van de reis verliep voorspoedig, met gunstig weer. Van de ongeveer 224 passagiers aan boord overleden er drie tijdens de overtocht: de oudste dochter van de familie Gantvoort en twee kinderen.
Op de ochtend van 29 september zagen ze land. Om vijf uur ’s middags kwamen ze aan in New York. Na één dag reisden ze verder. Eerst voeren ze twee uur met een stoomboot (vermoedelijk naar Piermont, het startpunt van de New York & Erie Railroad), daarna volgde een treinreis naar Dunkirk. Van daaruit namen ze opnieuw een stoomboot naar Toledo, reisden per trein naar Chicago, vervolgens per stoomboot naar Milwaukee en daarna met een andere stoomboot naar Sheboygan. Tot slot volgde nog een reis van twee uur, waarna ze hun eindbestemming bereikten in Lima Township.
Er stonden daar drie leegstaande huizen, dus ze hadden onderdak.
New York & Erie Railroad, 1855
Werk en dagelijks leven in Amerika
In zijn brieven aan familie in Nederland beschreef Gradus hoe hij samen met zijn neef Hendrik naar het werk ging. Hij verdiende 25 stuivers per dag, inclusief kost en inwoning. Volgens hem was het mogelijk om in één dag evenveel te verdienen als in Nederland in een week, terwijl de kosten van levensonderhoud er lager waren. Hij beschreef ook het dagelijkse dieet en de omgeving: er werd weinig roggebrood gegeten; tarwebrood was gebruikelijk. Rundvlees en varkensvlees waren goedkoop, en aardappelen waren overvloedig aanwezig.
Volgens de compilatie Dutch Immigrants to America, 1820–1880 van Robert P. Swierenga stond Gradus bij aankomst geregistreerd als “dienstknecht”, werd hij ingedeeld bij de “mingegoeden” (armen), en gaf hij als reden voor emigratie op: “om zich bij familie en/of vrienden te voegen”.
Er zijn drie brieven van Gradus aan zijn ouders en broers en zussen bewaard gebleven. In alle drie sprak hij zijn tevredenheid uit over het leven in Amerika. Zo schreef hij op 31 oktober 1854: “We hebben geen spijt gehad. We hebben het hier beter dan we ooit in Nederland hebben gehad.”
Op 27 januari 1856 meldde hij: “We kunnen nu vrij goed Engels spreken en begrijpen. Het is een moeilijke taal om te leren, maar niet zo moeilijk als men in Nederland denkt, omdat we tussen Amerikanen wonen die erg aardige mensen zijn… We hadden het goed in Nederland, maar hier is het veel beter. Ik wil daarom niet terug naar Nederland.”
En op 6 december 1856 schreef hij: “De Amerikanen zijn goede mensen. We kunnen de Heer niet genoeg bedanken dat Hij ons naar Noord-Amerika heeft gestuurd. We hebben hier echt een goed leven.”
Verder schreef Gradus over het bewerken van het land, de oogsten, prijzen en het vee. In zijn brief van 27 december 1856 kondigde hij de geboorte aan van zijn eerstgeborene: Johanna Harmina, geboren op 2 september 1856.
Veteraan van de Amerikaanse Burgeroorlog
Van meer dan twintig Oud-Aaltense emigranten is bekend dat zij vochten in de Amerikaanse Burgeroorlog (voor de Noordelijke staten, ofwel de Unie). Eén van hen was Gradus Heinen. Op 21 augustus 1862 meldde hij zich aan bij het 27th Wisconsin Volunteer Infantry Regiment, company F. In maart 1863 vertrok het regiment vanuit Milwaukee naar Columbus, Kentucky.
Gradus raakte gewond tijdens de slag bij Jenkins’ Ferry in Arkansas op 30 april 1864, één van de bloedigste gevechten van de oorlog. Op 29 augustus 1865, na de Burgeroorlog, werd Gradus ontslagen uit militaire dienst.
Gradus bezat land in de 11th section van Holland Township, Sheboygan County — naar schatting 50–60 hectare, doorsneden door de Onion River. Dit land en de gebouwen daarop gingen over op volgende generaties van de familie Heinen. Een huis op deze grond, dat mogelijk door Gradus zelf is gebouwd, stond in 2021 nog langs Highway 32, hoewel het duidelijk aan een opknapbeurt toe was.
Holland Township, Sheboygan, met in het midden het stuk land van ‘G. Heinen’ (1889)
Overlijden en begraafplaats
Willemina overleed op 12 maart 1879 en Gradus op 24 oktober 1908. Beiden overleden in Holland Township en werden begraven op Union Cemetery in Oostburg, Sheboygan.
Na Gradus’ overlijden meldde de plaatselijke krant:
G.J. Heinen, die bij zijn zoon Gerret Heinen woonde, is afgelopen zaterdagochtend overleden, nadat hij enkele weken geleden een beroerte had gekregen. De overledene was een veteraan uit de Burgeroorlog. Hij liet twee kinderen na, Gerret en mevrouw A. te Stroete, meerdere kleinkinderen en vier achterkleinkinderen. De begrafenis heeft maandag plaats gevonden vanuit de gereformeerde kerk. Dominee Beckering leidde de dienst.”
In de 19e eeuw emigreerden duizenden Achterhoekers naar de Verenigde Staten, op zoek naar land, vrijheid en nieuwe kansen. Onder hen bevond zich de familie Heebink uit Aalten. Zij behoorden tot de vroege Europese pioniers die zich vestigden in Sheboygan County, Wisconsin.
Op de hoek van de Kerkstraat en de tegenwoordige Hofstraat stond ooit een huis waar de familie Heebink woonde. In 1801 huwde Gradus Heebink (Aalten, 1773) met Dersken te Stroete (Aalten, 1776). Zij woonden in dit huis en gebruikten een deel ervan als taveerne. Hun ‘adres’ luidde Aalten 5.
Midden op de foto, met de ronde deur: het Heebinkhuis in de Kerkstraat, Aalten
Zij kregen hier zeven kinderen, de eerste was een dochter, Elisabeth (1802). Zij was een kwetsbaar kind met een misvorming van de wervelkolom. Daarna volgde een zoon, Gerrit Jan (1804), genoemd naar zijn grootvader. Hij was een stevig kereltje met alle trekken van zijn Nederlandse afkomst. Zij konden niet bevroeden dat hij later de vader en grootvader van een hele gemeenschap in Amerika zou worden.
In 1806 werd dochter Hendrika geboren en daarna weer een zoon, Derk Jan (1809). Hij overleed echter een week na zijn geboorte. Daarna volgden nog een zoon, Derk Hendrik (1810) en twee dochters, Gerharda Johanna (1813) en Johanna Geertruid (1817).
Om het gezinsinkomen aan te vullen, vervaardigde Gradus naast het beheer van de taveerne ook hoeden. Omdat het de gewoonte was dat de oudste zoon het vak van zijn vader zou volgen, leerde ook Gerrit Jan het vak van hoedenmaker. Hij werd er behoorlijk bedreven in. Derk Hendrik diende als leerling bij een kuiper en volgde uiteindelijk dat vak.
Achterzijde voormalige Heebinkhuis vanaf de Hofstraat, ca. 1920
De andere kinderen hielpen mee in huis en in de tuin, waar ze groenten verbouwden voor het gezin. Ze hielpen ook bij de verzorging van een klein stuk land buiten de dorpsgrenzen, waar rogge en klaver werden gekweekt als voedsel voor hun twee koeien. Deze koeien werden tijdens de zomermaanden geweid op de gemeenschappelijke dorpsweide.
Kinderen in de armere klassen kregen destijds maar heel weinig onderwijs. Terwijl Gerrit Jan goed leesbaar leerde schrijven, las hij slecht. Dit kwam deels door een gebrek aan oefening en deels omdat hij slechte ogen had.
Militaire dienst was in deze tijd verplicht. Gerrit Jan diende in de periode 1830-1833 drie jaar en vier maanden als huiswacht in Breda. België scheidde zich in deze jaren af van Nederland en het was één van zijn taken om afvalligen te dwingen loyaal te zijn aan hun land. Omdat België grotendeels katholiek was, stonden veel Nederlandse katholieken positief tegenover dat land en werd hun loyaliteit aan Nederland in twijfel getrokken.
Volwassen
De jaren waren snel verstreken voor Gradus en Dersken en hun familie was volwassen geworden. Elizabeth was in 1831 op negenentwintigjarige leeftijd overleden. Ze was altijd al broos geweest vanwege haar spinale zwakte.
Hendrika was in 1840 getrouwd met Willem Heinen en zij hadden een dochter genaamd Johanna Aleida (1842).
Gerharda Johanna was in 1845 getrouwd met Lammert te Grotenhuis en zij hadden twee zonen, Gerhardus Johannes (1847) en twee dochters, Dersken (1849) en Tonia Johanna (1852). Zij zouden in Amerika nog een zoon krijgen, Lambertus of Bart (1856).
Derk Hendrik was in 1839 in Amsterdam getrouwd met Hendrika Geertruida van Buul. Hij had zich daar als kuiper gevestigd in de Jordaan. Zij kregen twee zonen, Gerhardus (1840) en Jan (1844). De oudste zoon was zeer behulpzaam geweest voor zijn ouders en zij waren voor een groot deel van hem afhankelijk voor financiële steun. Hij was zeeman en tijdens één van zijn reizen werd hij erg ziek van dysenterie. Hij stierf op zee en werd begraven in Batavia. De andere zoon kwam om het leven tijdens een storm op één van zijn reizen en werd op zee begraven. Na het overleden zijn eerste vrouw hertrouwde Derk Hendrik in 1850 met Elisabeth Fransiena Schagt. Zij kregen een dochter genaamd Elisabeth Francina Hester (1853).
De jongste dochter, Johanna Geertruid, trouwde met Christoffel Schoemaker, die ook hoedenmaker was. Ze emigreerden in 1848 naar Amerika. Hij bleef daar nog een tijdje hoeden maken, tot hij baptistenpredikant werd. Hij was een leergierig man en beheerste drie talen uitstekend – Engels, Nederlands en Duits. Johanna, zijn vrouw, stierf kort na haar komst naar Amerika en werd begraven in Baltimore. Er waren twee zonen geboren, maar ze stierven op jonge leeftijd.
Na zijn terugkeer uit militaire dienst hervatte Gerrit Jan de hoedenmakerij van zijn vader en hielp hij bij het beheer van de herberg. Hij raakte geïnteresseerd in een dochter van de familie Snoejenbos genaamd Johanna. Zij woonde op boerderij ‘Snoeijenbosch’ op de Haart. Zij trouwden in 1843. Gerrit Jan was toen negenendertig jaar en Johanna vierentwintig.
Gerrit Jan nam geleidelijk zijn vaders bedrijf over. Het was gebruikelijk dat de oudste zoon het bedrijf van zijn vader voortzette en zijn ouders ondersteunde tijdens hun gevorderde jaren. Na het overlijden van de ouders werd een schikking getroffen met de andere broers en zussen voor hun deel van de nalatenschap. Gradus was de leeftijd van tachtig jaar gepasseerd en was blij dat hij van de zakelijke zorg was verlost.
Gerrit Jan en Johanna kregen vier zonen, Gerhardus Harmanus (1844), Herman (1846), Engelbert (1848) en Derk Johan (1852). De zorg voor vier jonge zonen viel Johanna nogal zwaar en haar gezondheid leed daaronder. Ze werd neurotisch en was vaak ziek. Gerrit Jan was een vriendelijke echtgenoot en vader en hielp op zijn kalme, troostende manier om haar lasten op alle mogelijke manieren te delen.
Amerika lonkt
In deze periode in de geschiedenis raakten veel Europeanen geïnteresseerd in de kansen die Amerika hen bood en veel families en hele gemeenschappen emigreerden over de Atlantische Oceaan en vestigden zich in de Verenigde Staten. In augustus 1846 had Christiaan (Chris John) Snoeyenbos, Johanna’s jongste broer, zich aangesloten bij een groep emigranten op weg naar Amerika. Hij had zich gevestigd in Oostburg, Wisconsin, en was inmiddels goed ingeburgerd in het nieuwe land.
Hij schreef hen brieven, die zeer enthousiast waren over de mogelijkheden in Amerika. Hij drong er bij hen op aan om ook naar Amerika te komen, waar land goedkoop was en voedsel in overvloed, waar de wetten zo rechtvaardig en onpartijdig waren dat iedereen gelijke rechten had. Gerrit Jan en zijn vrouw raakten gemotiveerd en zagen dat wel zitten. Ze waren echter bang om hun wens te delen met vader Gradus, die bij hen woonde. Ze geloofden dat hij te oud was om zo’n lange en inspannende reis te ondernemen. Dus hielden ze de brieven van Christiaan zorgvuldig voor hem verborgen. Op een dag vond Gradus toch één van de brieven en hij stelde voor dat ook zij plannen zouden maken om de reis naar Amerika te maken.
Gradus was zo opgewonden als een kind over de emigratie en begon ondanks zijn hoge leeftijd plannen te maken voor de onderneming. Hij verzamelde zijn tuinzaden en visnetten voor gebruik in het nieuwe land. Helaas was zijn vreugde van korte duur. Hij liep dysenterie op en werd ernstig ziek. Volgens de dokter had hij slechts enkele dagen te leven. De plannen voor de reis werden uiteraard gestaakt. Kort voor zijn dood riep Gradus zijn kinderen bij elkaar en sprak hen toe. Hij vertelde hen dat hij begraven wilde worden in zijn geboorteland, waar hij van hield, maar dat ze hun emigratieplannen moesten voortzetten. Gradus Heebink stierf op 13 augustus 1854, vlak voor hun geplande vertrek naar de VS.
Nieuwe Rotterdamsche Courant, 19 augustus 1854
Ondanks het verdriet om de dood van hun vriendelijke, nobele vader, vertrok de familie Heebink enkele dagen later, naar hun beloofde land. Voor het vertrek van de landverhuizers werd er een gebedsbijeenkomst voor hen gehouden. Dominee Pape van de Gereformeerde Kerk in Aalten hield een afscheidsdienst. Hij verklaarde dat hij de twijfels en angsten begreep die ze zouden hebben om deze stap te zetten, maar hij moedigde hen aan om geloof te hebben in God, die hen zou helpen hun moeilijkheden te overwinnen en hen veilig naar het beloofde land, Amerika, te brengen.
Neven en nichten
Sheboygan Nieuwsbode, 24 juni 1856
In 1852 emigreerde nicht Hendrina Heebink (Varsseveld, 1818) ook al naar Amerika. Zij was een dochter van Christiaan Heebink – een broer van Gradus – en Dora Willemina Doornink. Hendrina was tot dat moment als meid in dienst bij ‘heel- en vroedmeester’ Servaas van Leuven en zijn vrouw Henrietta Wilhelmina Christina Theodora Rost. Zij woonde tot haar emigratie bij het gezin Van Leuven in huis, aan de Bredevoortsestraatweg (tegenwoordig nr. 7). Hendrina trouwde in 1856 in Oostburg met Arend Jan Prange (Aalten, 1823).
Ook haar zus Elisabeth (Varsseveld, 1819) en broer Gerrit Jan (Vriezenveen, 1829) emigreerden naar de VS. Hoewel het aannemelijk klinkt, is het ons (nog) niet bekend of ze samen gingen. Beiden trouwden aldaar met emigranten uit Winterswijk. Elisabeth reisde net als Hendrina naar Sheboygan, maar verhuisde later naar Iowa. Gerrit Jan kwam terecht in Clymer, New York. Zijn tak van de familie wordt vanaf 1860 als ‘Habink’ geschreven.
Over de Atlantische Oceaan
Haven Rotterdam, 19e eeuw
Het eerste deel van hun reis, van Aalten naar Arnhem, maakten ze in huifkarren en duurde tien uur. Bij Arnhem gingen ze aan boord van een boot die hen naar Rotterdam bracht, waar het schip voor anker lag dat hen over de Atlantische Oceaan zou brengen.
In Rotterdam werden ze opgewacht door Derk Hendrik Heebink, de broer van Gerrit Jan. Hij woonde in Amsterdam, maar was met de trein naar Rotterdam gekomen. Hij kwam in een kleine roeiboot het schip tegemoet en bracht snoep en eten als afscheidscadeaus. Dit was een gedenkwaardige dag in hun leven, 18 augustus 1854.
Het schip was een Engels zeilschip genaamd ‘Leila’, met kapitein W.J. Stafford aan het hoofd. Er waren driehonderdzestig passagiers aan boord. Bijna een derde van hen was afkomstig uit Aalten. De condities aan boord waren zeer onaangenaam. De emigranten waren tussendekpassagiers – het enige type accommodatie dat werd aangeboden. Voordat men aan boord ging, moest elke passagier zijn voedsel tonen om te bepalen of het voldoende was voor de reis.
Rotterdamsche Courant, 23 augustus 1854
Elk gezin zorgde voor zijn eigen beddengoed. De stapelbedden waren hard en smal. Tijdens een storm waarin de boot zwaar schommelde was het onmogelijk om in de stapelbedden te blijven. De watervoorziening werd in grote vaten aan dek gehouden. Het smaakte slecht. Het aanbod was beperkt en elke passagier mocht slechts een klein deel nemen.
Tijdens dergelijke reizen waren sterfgevallen onder reizigers geen uitzondering. Ook niet tijdens deze reis. Op 1 september 1954 overleed de vierendertigjarige Anna Geertruid te Gantvoort, volgens het scheepslogboek aan tbc. Het was gebruikelijk om zware stormen op zee tegen te komen. Eén ervan duurde twee dagen. Het schip was in totale duisternis en het was onmogelijk om iemand te vinden. De tienjarige Gerhardus Harmanus (Gerrit) Heebink verdween tijdens deze storm. Toen de kapitein het bevel gaf het dek te verlaten, was hij nergens te bekennen.
Meneer Vrieze doorzocht alle hoeken van het schip, maar kon hem niet vinden. De enorme valdeuren moesten worden gesloten zonder dat men wist waar Gerrit was. Zijn ouders waren bijna uitzinnig, omdat ze dachten dat hij van het dek in de oceaan was gespoeld. Er zat niets anders op dan te wachten tot de storm voorbij was om de zoektocht te hervatten. De storm eindigde uiteindelijk en een matroos vond hem vastgeklampt aan een touw waarmee hij zichzelf tijdens de storm had gered. Op een ander moment raakte de boot een zandbank en alle passagiers moesten heen en weer lopen in een poging om het van de bank te krijgen, wat hen uiteindelijk lukte.
De reis werd erg vermoeiend. Weken sleepten zich voort in een maand en ze hadden geen land gezien. De emigranten raakten bezorgd dat hun voedselvoorraad niet voldoende zou zijn en ze baden dagelijks dat ze snel land zouden zien. Uiteindelijk, op de tweeënveertigste dag van hun reis, verspreidde zich het bericht dat er in de verte land was gezien en de passagiers schreeuwden van vreugde. Eindelijk was Amerika in zicht en op 30 september 1854 komt aan hun lange oceaanreis, die bijna anderhalve maand had geduurd, een eind.
Aankomst in New York
Haven New York, circa 1855, door Samuel Bell Waugh / Museum of the City of New York
Omdat het water te ondiep was voor de ‘Leila’ om dicht bij de kust te komen werden de passagiers in kleinere boten geladen en aan wal gebracht. Voordat ze van boord mochten, kwamen er eerst nog artsen aan boord om hen te onderzoeken en vast te stellen of er sprake was van pestilentie of ziekten onder de emigranten. Alles was goed en de emigranten waren erg blij en opgelucht toen ze eindelijk weer voet aan wal zetten.
Eén van de eerste problemen ter plekke was de moeilijkheid om zich verstaanbaar te maken, omdat geen van hen Engels sprak. Gerrit Jan sprak vloeiend Duits en omdat veel mensen in Amerika deze taal spraken, hielp het hen aanzienlijk. Hij nam vanaf die tijd de leiding op zich en was de woordvoerder van de emigranten.
Hun volgende probleem was om een hotel voor de nacht te bemachtigen en opslagruimte te vinden voor hun bagage en bezittingen. Ze kregen het advies om naar een bepaald hotel te gaan, niet ver van het dok. Het was een tweederangs hotel, maar ze waren er blij mee want ze waren hongerig en moe en niet in staat om ver te reizen. Ook vonden ze een plek om hun bagage op te slaan.
Na het bereiken van het hotel was Gerrit Jan aan het onderhandelen met de manager, terwijl de andere medereizigers in de lobby bij de eetzaal stonden te wachten. Bessie Vrieze en Gerrit Grotenhuis hadden veel honger en namen een cracker. Eén van de obers had hen in de gaten gehouden en de jongeren boos geslagen. Gerrit Jan hoorde hun uitbarstingen en schoot hen te hulp en sloeg de ober op het hoofd. De manager van het hotel werd gebeld en hij schold de ober uit omdat hij zo ongeduldig was geweest met de hongerige kinderen.
Ze hadden de nacht goed doorgebracht in het hotel en besloten daarna hun reis per trein te vervolgen. Toen Gerrit Jan de hotelrekening wilde voldoen, probeerde de klerk hem te veel aan te rekenen. Gerrit Jan maakte hevig bezwaar en kwam uiteindelijk tot een redelijke schikking. Ze waren nog steeds zo’n 1600 kilometer verwijderd van hun eindbestemming en er zouden hen onderweg nog veel meer uitdagingen te wachten staan.
Doorreis naar Sheboygan County
Ze namen de trein van New York naar Buffalo. Van Buffalo naar Toledo maakten ze de reis per schip. Gerrit Jan verdiende eten voor zichzelf en zijn familie door op de boot te stoken. Toen ze Toledo bereikten, verlieten ze het schip en regelden ze de doorgang per spoor. Er waren geen passagiersrijtuigen beschikbaar en men moest plaatsnemen in een goederenwagon zonder zitplaatsen. De reis van Toledo naar Chicago duurde drie dagen. De trein stopte onderweg op stations zodat ze brood en koffie konden kopen. Hun voedselvoorziening was echter zeer karig. Als de trein toevallig stopte in de buurt van een appelboomgaard, plukten ze vaak appels.
De route, geprojecteerd op een kaart uit die tijd
Na drie dagen kwamen ze aan in Chicago. Ze verwachtten meer moeilijkheden omdat ze geen Engels spraken, maar gelukkig kwamen ze in het depot een landgenoot tegen. Hij was een man uit Zeeland. Hij wilde hen graag helpen en zorgde voor accommodatie voor de groep in een eersteklas Duits hotel. Sommige emigranten besloten dat ze hun koffers en bagage beter konden bewaken als ze in de openlucht kampeerden, dus deze gingen niet naar het hotel.
Het kostte noodzakelijkerwijs meer tijd om hun maaltijden boven hun kampvuur te koken. Dit had als gevolg dat ze niet gereed waren om te vertrekken, toen het tijd was om aan boord van het schip te gaan dat hen naar Sheboygan zou brengen. De Heebink-groep was met een platte kar van het hotel naar het dok gebracht en kwam op tijd aan boord van het schip, dat om acht uur vertrok. De anderen bleven achter voor het volgende schip.
Men verwachtte dat het schip zou stoppen in Milwaukee, maar tot teleurstelling van hun vrienden en familieleden die daar stonden te wachten om hen te begroeten, deed het dat niet. Grace Decker was één van de wachtenden op de pier van Milwaukee. De landverhuizers bereikten hun bestemming Sheboygan om middernacht. Ze werden naar het oude Wisconsin House gebracht, dat eigendom was van een Duitse hotelhouder, Joseph Schrage, die hen zeer hartelijk behandelde.
Het was nu nog maar tien mijl naar hun bestemming, Oostburg. Gerrit Jan en de kleine Gerrit Heebink besloten naar Oostburg te lopen naar het huis van Chris John Snoeyenbos en het nieuws van hun aankomst te verspreiden. Dan konden wagens en ossenkarren worden gebracht om ze vanuit Sheboygan naar Oostburg te brengen. Ze waren nog niet ver toen ze één van hun oude vrienden uit Nederland, meneer Walfort, tegen het lijf liepen. Hij was te paard en stemde ermee in om met hen terug te keren. Hij bood hen zijn paard aan om te rijden. Om de beurt reden ze terug naar Oostburg.
Aankomst in Oostburg
Omdat er in die tijd geen andere communicatiemiddelen waren dan een trage postdienst, wisten de familieleden en vrienden in Oostburg de exacte datum van hun aankomst niet, maar ze hadden afgesproken dat de eerste die het nieuws hoorde op een ‘dinner horn’ zou blazen en dit zou worden doorgegeven aan degenen die op grotere afstand van Sheboygan woonden. Onmiddellijk nadat Gerrit Jan en de kleine Gerrit arriveerden werd dit gedaan.
De eerste boerderij waar Gerrit Jan naartoe kwam was die van de familie Te Stroete. Ze waren druk bezig met het dorsen van graan, maar staakten alle werkzaamheden om de nieuwkomers te verwelkomen. Men vond een wagen om hen naar het huis van Chris Snoeyenbos te brengen, hun eindbestemming. Het nieuws van hun aankomst had zich inmiddels verspreid en een karavaan van wagens en karren was verzameld om hen te ontmoeten. Ze vertrokken snel naar Sheboygan waar ze de aldaar wachtende emigranten zouden ontmoeten en naar hun verschillende bestemmingen zouden brengen.
De reis van tien mijl was een langdurige, langzame rit, maar voor de emigranten leek niet lang, omdat het de laatste etappe was van hun lange reis uit Europa. Hun bestemming was bijna in zicht en hun nieuwe thuis waar lang gescheiden broers, zussen, familieleden en vrienden op hen wachtten. Eindelijk arriveerden ze en wat was het een vreugdevolle ontmoeting! De dagelijkse werkzaamheden werden opzij gelegd en de dag werd besteed aan het bezoeken en verwelkomen van de nieuwkomers. Groeten en herinneringen werden uitgewisseld, plannen geformuleerd en het was een dag die men nooit meer zou vergeten.
Pionieren
Nu volgde de uitdaging om de emigranten te helpen bij het vinden van een woning. Het duurde natuurlijk even voordat men zelf een boerderij kon kopen of een huis huren. Ze stonden allemaal te popelen om een eigen woning te vinden voordat de winter kwam. Hun vrienden en familieleden deelden het weinige dat ze hadden graag met hen. Deze eigenschap was kenmerkend onder de vroege pioniers en al snel waren er voor hen allemaal woonruimten geregeld.
Een 19e-eeuwse blokhut van Nederlandse emigranten in Wisconsin (niet van de familie Heebink)
Chris John Snoeyenbos bood de Heebinks een thuis bij hem aan. Ze accepteerden graag totdat ze in staat zouden zijn om een eigen hut te bouwen. Gerrit Jan Heebink runde van 1855 tot 1861 een plattelandswinkel voor het gemak van zijn buren en een klein deel van het huis werd hiervoor bestemd. Hij kocht ook dertig hectare zwaar houtland dat ze begonnen te ontginnen. Later bouwde hij er een kleine hut voor zijn familie.
In het jaar 1856 kregen Gerrit Jan en zijn vrouw Johanna hun vijfde kind. Het was een zoon en ze noemden hem George.
Het waren moeilijke jaren – niet alleen voor de nieuwkomers, maar ook voor de oudere kolonisten. In 1857 ondergingen ze een depressie die bekend staat als de Panic of 1857. Geld was erg schaars en iedereen leefde van goedkoop voedsel. Er was weinig voedsel voor het vee. De varkens werden gevoed met beukennoten, die er in overvloed waren. De Heebinks wisten een redelijk bestaan te verdienen aan hun winkeltje en hun houtland en leden er daarom niet onder.
Burgeroorlog
Toen kwam de Burgeroorlog (1861-1865). In het begin leek het erop dat het van korte duur zou zijn, maar de ware omstandigheden waren op dat moment nog niet bekend. Depressie trof de gemeenschap – in feite het hele land. Voedsel was schaars. De gewassen waren tegengevallen. De lentetarwe was een totale mislukking geweest, dus meel was schaars. Gelukkig had Gerrit Jan wintertarwe en winterrogge gezaaid en beide gewassen hadden een behoorlijke opbrengst opgeleverd. Zo was hij beter voorbereid dan veel van zijn buren. Hij was een vrijgevige, vriendelijke man en wanneer zijn klanten geen meel konden kopen, leende hij het hen totdat ze het konden betalen.
De oorlog sleepte zich voort. President Lincoln had meer manschappen nodig, dus werden mannen opgeroepen voor het leger. Steeds meer van hen vertrokken, totdat er niemand meer over was om het werk op de boerderij te doen en het aan de vrouwen werd overgelaten. Ze zorgden voor de voorraad, werkten op het land en het was een gebruikelijk gezicht om dorsploegen te zien die volledig uit vrouwen bestonden.
De oorlog sleepte zich voort tot het bittere einde. Er was grote vreugde in deze patriottische gemeenschap toen men hoorde dat de Unie had gewonnen. Ze rouwden echter om de velen die hun leven hadden verloren in de oorlog. De moord op president Lincoln op 14 april 1865 bezorgde iedereen veel verdriet, want ze hadden naar hem opgekeken als de enige leider die orde kon scheppen in deze onrustige periode.
De opwinding van de Burgeroorlog was nauwelijks weggeëbd toen in Minnesota en Wisconsin Indianenopstanden uitbraken. In Minnesota waren verschillende bloedbaden gemeld en Wisconsin vreesde ook aanvallen. Bruggen naar Sheboygan City werden verhoogd en op strategische punten werden kanonnen gestationeerd, maar gelukkig bleken de rapporten vals. De Sauk-stam passeerde echter wel door de gemeenschap en veroorzaakte veel angst en bezorgdheid – maar er werd eigenlijk weinig schade aangericht.
Een Sauk Indian Chief kwam naar Gerrit Jan’s winkel en eiste ‘vuurwater’. Hij werd de winkel uit gesommeerd, maar voor hij vertrok toonde hij heel dreigend een langbladig mes. Gerrit Jan was niet bang en sloeg de deur achter hem dicht. Zijn zoontje Bart was echter zo erg geschrokken dat hij flauwviel.
In 1862 kregen Gerrit Jan en Johanna hun zesde en laatste kind. Het was hun eerste en enige dochter en ze noemden haar Johanna. Het jaar daarop trouwde hun oudste zoon Gerhardus Harmanus (Gerrit) met Gertrude Lemmenes, eveneens een emigrant, geboren in Meddo.
Ruim tien jaar na hun vertrek uit Aalten waren ze daar nog niet vergeten. In 1865 schreef hun nicht Johanna Aleida Heinen (1842-1925) in een brief aan haar familie in Amerika: “… want ik ben nu zoo heel alleen hier. Ik kom nog al gedurig uw huis voorbij en ook oome Heebink het zijne en ik zie er nog wel eens met aandacht in.”
Happy Valley
Eén van de andere Aaltense kolonisten in Oostburg was Arent Jan (John) Westendorp, geboren in Dale. Hij was geïnteresseerd geraakt in land in het westelijke deel van Wisconsin dat bekend stond als Happy Valley in St. Croix County, 500 kilometer verwijderd van Oostburg. John besloot dit gebied te verkennen hij kwam terug met het bericht dat er uitstekende landbouwgrond te koop was. Hij had daar een perceel gekocht en was voornemens zich daar op korte termijn te vestigen.
Kort daarna nam hij zijn vrouw, Willemina (ter Haar), en zijn gezin, samen met hun persoonlijke bezittingen mee naar zijn nieuwe boerderij. Chris John Snoeyenbos en Gerrit Heebink Jr. vergezelden hen op deze reis. Niet lang daarna kregen ook Herman Heebink en Lammert Vrieze de drang om dit pioniersland te zien en ook zij vertrokken op 1 april 1869 naar St. Croix County.
Ze gingen van Sheboygan Falls naar Fond du Lac en vervolgens met de trein naar La Crosse, waar ze een boot namen naar Prescott. Er was zoveel ijs in de rivier dat de boot niet verder kwamen dan Winona, dus namen ze van daaruit een trein. Ze wisten niet dat de trein rechtstreeks door Prescott ging, dus gingen ze door naar St. Paul (Minnesota). De Milwaukee and St. Paul Railway was op dat moment de enige in Minnesota en strekte zich alleen uit tot St. Paul. Er was een klein, slecht gebouwd depot in de buurt van de Wabasha-brug en een tolheffing van vijf cent werd geïnd om de brug over te steken. Dit was in het jaar 1869 en St. Paul had een bevolking van slechts achtduizend. Ze overnachtten in St. Paul in een klein Duits hotel in Third Street.
De route van Oostburg naar Happy Valley
Ze vertrokken de volgende ochtend te voet naar Happy Valley. Toen ze Afton bereikten, informeerden ze bij een boerderij hoe ze de St. Croix rivier moesten oversteken. De vrouw die de deur opende, was koekjes aan het bakken en nodigde hen uit om wat van haar warme koekjes te eten. Ze waren zo hongerig en moe dat dit voor hen als ‘manna uit de hemel’ kwam. De vrouw adviseerde hen om naar de oever te lopen waar ze een trappersboot zouden vinden. Ze deden dat en wachtten op de trapper, die om vier uur kwam. Hij was dronken en ze aarzelden om met hem over te steken, maar het was hun enige alternatief, dus besloten ze het risico te nemen. In Hudson lieten ze hun bagage achter en informeerden naar de weg naar Happy Valley. Ze werden abusievelijk naar Pleasant Valley geleid en na anderhalve kilometer heen en weer dwalen beseften ze hun fout en keerden ze terug naar de hoofdweg.
De wegen waren nat en modderig, met her en der korsten van ijs en sneeuw. Dit maakte het reizen te voet erg moeilijk en het dwong hen om onderweg regelmatig te rusten. Tijdens één van hun frequente rustperiodes hoorden ze in de verte een voertuig naderen. Het waren Chris McCabe en George Tubman die terugkeerden uit Hudson met een wagenlading railheknagels. Ze stopten om te informeren waar de jongens naartoe gingen en toen ze hoorden dat het John Westendorp in Happy Valley was, werden ze uitgenodigd om mee te rijden terwijl McCabe en Tubman liepen. De vermoeide jongens waren erg dankbaar en zouden hun vriendelijkheid nooit vergeten. Het gaf hen een hele fijne indruk van hun nieuwe buren.
Om drie uur ’s nachts kwamen ze aan bij huize Westendorp in Happy Valley, moe, nat en bijna kapot. Omdat ze langer onderweg waren geweest dan ze hadden verwacht, was hun geld bijna op – Herman had drieënveertig cent over en Lammert had tweeënhalve dollar. Ze hadden maar liefst 70 kilometer gelopen. De Westendorps verwelkomden hen hartelijk en gaven Herman korte tijd een baan bij hen. De Herrick boerderij was te huur en Herman, Gerrit en Lammert besloten deze te huren. Ze kochten elk een juk van ossen en huurden nog drie jukken zodat ze hun boerenwerk goed konden doen.
Baldwin, St. Croix
In 1869 was St. Croix County nog zeer dunbevolkt. Er woonden slechts honderd mensen in Hammond. Aan de oostgrens van de township Baldwin woonden vier gezinnen. Baldwin lag ruim 30 kilometer van transportfaciliteiten bij Hudson en de mensen wachtten vol spanning op de komst van de spoorweg.
Main Street, Baldwin, november 1912
Herman Heebink en Lammert Vrieze vonden spoedig werk. Een strook land van Woodville naar Baldwin moest kaal worden gemaakt om de spoorlijn mogelijk te maken. Ze sloten een contract om een ruimte van 30 meter breed vrij te maken en 20 meter hiervan moest worden ontdaan van kreupelhout. Het was zwaar werk om het land te ontdoen van pijnbomen en stronken en het kappen van hardhout leverde maar weinig geld op, maar ze waren blij met het weinige werk dat er te vinden was.
Bijna een jaar lang vervoerde Herman voorraden voor het postkoetsbedrijf en de spoorweg. Voor het postkoetsbedrijf was een mooie weg aangelegd. Omdat er geen andere manier van reizen was, deden de postkoetsen goede zaken.
Op 24 november 1871 kwam de eerste trein met passagiers vanuit Menomonie aan in Baldwin. Dit was een gedenkwaardige dag. In de jaren erna verrezen er steeds meer gebouwen in Baldwin. Winkels, een hotel, een saloon, zaag- en graanmolens en een kleine school van zes bij negen meter. De kleine nederzetting begon langzamerhand alle kenmerken van een dorp aan te nemen.
Verhuizing
In 1872 was Herman teruggekeerd voor een bezoek aan Oostburg en nam zijn broer Bart mee terug. Toen kwam hun moeder bij hen op bezoek en Bart nam haar weer mee terug naar Oostburg. Bart probeerde zijn ouders over te halen om hun eigendom daar te verkopen en met hem terug te keren naar St. Croix County en daar een huis te stichten. Na zorgvuldige overweging besloten ze dit te doen en Herman begon een klein huis voor hen te bouwen. Ze verlieten Oostburg op de dag na Thanksgiving Day in 1872, met Derk Johan (John), George en Johanna. De familie Snoeyenbos had voor hen een afscheidsfeest georganiseerd waar ze afscheid namen van hun vrienden, buren en familieleden in Sheboygan County. Daarna begonnen ze aan hun reis door Wisconsin naar Baldwin.
Ze werden door hun neef Gerrit te Grotenhuis naar het station gebracht. Al hun persoonlijke bezittingen werden in een wagen gepakt en ze zaten op de ingepakte dozen. Omdat de reisomstandigheden per trein erg slecht waren, duurde het twee dagen om de relatief korte afstand van Oostburg naar Baldwin te overbruggen. Bij aankomst in Baldwin was er niemand die hen opwachtte, dus wachtten ze in het depot tot Gerrit hen zou komen ophalen. Na enige tijd arriveerden Herman en Gerrit met een span paarden en een bobslee om hen naar hun nieuwe huis te brengen.
Kaart van Baldwin en omgeving uit 1897 (klik voor een grotere versie). We komen er vele Aaltense en Winterswijkse namen tegen.
Herman had tien hectare grond een mijl ten zuiden van Baldwin gekocht en daar een huis voor hen gebouwd. Er was geen tijd geweest om het interieur af te maken dus Herman, Bart en John maakten het voor hen af. Later kochten ze het huis van Herman.
Bart kocht in Hammond 22 hectare grond, ontgon het land en zette er gebouwen neer. In 1874 trouwde Bart met Gertrude Brethouwer uit Oostburg, eveneens een dochter van emigranten uit Aalten, namelijk Adrianus Brethouwer en Geziena Rensink. Een tijdlang deed hij aan gediversifieerde landbouw en verkocht de grond toen weer, om elders in Hammond 65 hectare te verwerven. Hij bracht het in cultuur en bouwde er in 1890 een comfortabel huis. Bart teelde de gebruikelijke gewassen en specialiseerde zich in Hereford-runderen en Poland-China varkens. Hij hield ook bruine Leghorn hoenders en fokte paarden. Bart was een fervent democraat en zat zes jaar in het schoolbestuur van het district Hammond en Baldwin. Hij was lid van de Presbyteriaanse kerk.
Enige jaren later, in 1877 trouwde zijn broer Herman met Dena te Stroete uit Oostburg, emigrantendochter van oud-Aaltenaar Gerrit Jan te Stroete en Janna Geertruid Peters, geboren Winterswijkse. Herman, Gerrit en Bart hadden in Baldwin een klein kruideniers- en handelszaakje opgezet en deden prima zaken.
In 1885 trouwde John met Plona van Driest uit Cedar Grove, dochter van Zeeuwse emigranten. Ze brachten de eerste anderhalf jaar van hun huwelijk door bij Johns ouders, waarna ze twee kilometer ten noorden van Baldwin een boerderij kochten.
Gerrit en Bart verloren beiden hun eerste vrouw. Gerrit hertrouwde in 1886 met Alice Flipse, dochter van Zeeuwse emigranten, en Bart in hetzelfde jaar met Anna Maria (Mary) Esselink, geboren in Winterswijk.
Einde van een tijdperk
Ondertussen nam de gezondheid van pater familias Gerrit Jan Heebink geleidelijk af. Hoewel hij niet lang ziek was, overleed hij op 17 december 1887. Zijn vrouw en familie misten hem enorm, want hij was een vriendelijke, vrijgevige man geweest, geliefd en gerespecteerd door iedereen.
Herman had zich teruggetrokken uit de handelsfirma en had in Baldwin een kleine houtwerf opgezet. Ook George trouwde, namelijk in 1892 met Dena Hoopman, dochter van oud-Aaltenaren Abraham Hoopman en Johanna Berendina Wentink. Het eerste jaar van hun huwelijk woonden ze in Baldwin en verhuisden later naar een boerderij in de buurt van Dahl, vijf mijl ten noordoosten van Baldwin, waar een deel van hun acht kinderen werd geboren.
Na de dood van Gerrit Jan woonde zijn weduwe, Johanna Sr., een tijdje bij haar dochter Johanna en George in hun huis ten zuiden van Baldwin. Later verhuisden ze naar Baldwin in het oude Norby-huis. Hier runde Johanna een klein pension. Later trouwde Johanna met Neal Beaton. Hij was fotograaf en bouwde een etablissement in Hammond waar ze enkele jaren woonden.
Moeder Johanna Heebink-Snoejenbos ging vervolgens om de beurt bij haar zonen wonen. Ze had een zeer slechte gezondheid en leed aan ernstige reuma. Ze was de laatste zeven jaar van haar leven niet meer in staat om te lopen en werd hulpeloos als een kind. Op 20 oktober 1898 overleed ze. Ze was een vriendelijke, sympathieke moeder geweest, maar vanwege haar hooggespannen, nerveuze temperament en emotionele aard, had ze veel geleden in een tijd waarin ontberingen overvloedig waren.
De kinderen Heebink en hun echtgenoten (v.l.n.r.), staand: Herman, Neil Beaton, Johanna, Bart, Mary (Esselink), George, Dena (Hoopman), John en Gerrit. Zittend: Dena (te Stroete), Plona (van Driest) en Alice (Flipse).
De twintigste eeuw
De vijf broers hadden zich allemaal gevestigd in de gemeenschap in of rond Baldwin. De handels- en kruideniershandel bloeide, maar Gerrit had zich als partner teruggetrokken en keerde terug naar de landbouw. Bart behield een tijdlang zijn interesse, maar het actieve werk werd overgenomen door Barts zoon, George B. Heebink.
John en George hadden enkele jaren een vleeswinkel in Baldwin, maar stopten daarmee om te gaan boeren. George verhuisde later naar Souris, North Dakota. Johanna en Neil Beaton verkochten hun fotozaak en verhuisden naar Quebec, Canada (waar Neil was geboren). Hermans houthandel floreerde.
Na een korte periode van ziekte overleed Gerhardus Harmanus (Gerrit) op 16 maart 1910. Zijn jongere broer George stierf op 9 december 1919 aan darmkanker. Engelbert (Bart) overleed op 9 april 1934 als gevolg van nierkwalen. Herman bereikte de leeftijd van negenentachtig jaar, na een korte ziekte die uiteindelijk leidde tot een longontsteking waar hij op 5 december 1935 aan overleed. Derk Johan (John) stierf op 16 september 1940 in Baldwin. Het overlijden van Johanna in 1947 in Canada markeerde het einde van deze generatie Heebinks.
Rond 1940 telde het nageslacht bijna 300 personen. De meesten van hen woonden in Baldwin en omgeving. Velen hadden zich ook verspreid over Wisconsin, terwijl anderen in North Dakota, Montana, Washington, Oregon, Californië en West Virginia woonden. De kinderen van Johanna woonden in verschillende delen van Canada.
Dit verhaal is grotendeels gebaseerd op ‘The Heebink History’, in 1940 opgetekend door Nell A. Heebink – dochter van Derk Johan (John) Heebink.
Zij schreef in haar voorwoord het volgende:
“Details van familiegeschiedenis, tenzij vastgelegd, worden alleen opgeslagen in de hoofden en herinneringen van onze ouders en voorouders. Als zij overlijden gaan ze vaak verloren voor de huidige generatie. Om een deel van de geschiedenis voor onze huidige generatie te behouden, heb ik in dit boekje anekdotes, verhalen en ervaringen verzameld die voor hen mogelijk interessant zijn. Het heeft vooral betrekking op hun vroegere leven in Nederland, migratie naar Amerika, pionieren in het oosten van Wisconsin aan de oevers van Lake Michigan en hun definitieve vestiging als gemeenschap in het westen van Wisconsin. Herman en John Heebink hebben alle historische gegevens in dit boekje geleverd.”
Dit verhaal is in 1998 uitgewerkt en online gepubliceerd door nazaat Joel Heebink en in 2022 in het Nederlands vertaald en aangevuld door Remco Neerhof.
Aalten, 30 Junij – Onlangs werden hier door vier gewapende Pruissische boeren aan de politie overgeleverd, twee personen van een zeer ongunstig voorkomen, die zich in Pruissen en ook op ons grondgebied en wel in de Buurtschap de Haart, schuldig hadden gemaakt aan bedelarij, terwijl zij dit gepaard deden gaan met dringende eischen.
Onze kantonregter vermeende geene termen te zien, om hen naar Zutphen te zenden, maar leverde hen over aan den commissaris van policie te Winterswijk, die hen dadelijk over de grenzen liet brengen, daar zij zeiden van Vreeden (Pruissen) herkomstig te zijn, zoodat hen dadelijk de gelegenheid weder open stond, op een ander punt van ons grondgebied te komen.
Te bejammeren is het, dat er somtijds door HH. regters met zooveel toegevendheid wordt gehandeld; want dit blijkt uit dit geval ook al weer: naar men verneemt, moeten deze personen toch uitgebroken dieven van Pruissen zijn, staande zij ook al gesignaleerd in het Politieblad. De Heer Officier van de Regtbank te Zutphen moet onderzoek naar deze zaak doende, zijn leedwezen te kennen gegeven hebben, dat deze personen niet aan hem zijn opgezonden.
De zachtmoedigheid van meerderen heeft natuurlijk invloed op minderen; want onze agenten van policie, die niet tot de moedigsten en ijverigsten behooren, zijn in de laatste jaren niet in staat geweest de schuldigen aan kleinere of grootere misdrijven te betrappen, en onlangs gaven zij nog blijken dat hun ijver spoedig verflaauwd, daar zij, uitgezonden met den Pruissischen politiebeambte, om den ontsnapten koedief uit Bocholt op te sporen, met overhaasting en schijnbaren ijver de woning des kantonregters verlieten terwijl men hen eenige oogenblikken later terugvond in eene herberg, hebbende zij den dief zijn weg laten vervolgen, zoodat hij ook niet gevat is.
Onze opziener van de jagt, J.S. Schaars Prins, buitengewoon veldwachter, heeft, tijdens zijne kortstondige aanstelling reeds vele schuldige opgespoord en betrapt. Eere komt dezen ijverigen man dan ook toe, en wij hopen dat zijn ijver goeden invloed moge uitoefenen op de andere agenten van policie en navolging bij hen moge vinden!
Buitengewoon veldwachter Jan Steven Schaars Prins (1817-1893)
Deze website gebruikt cookies voor een optimale ervaring en analyse van bezoekgegevens. Ga je hiermee akkoord? Zonder toestemming werken sommige onderdelen van de site mogelijk minder goed.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door je Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.