Auteur: Oud Aalten

  • Krantenknipsels emigratie Aalten-Canada

    Krantenknipsels emigratie Aalten-Canada

    Na WO2 emigreerden enkele honderden Aaltenaren naar Canada. Hier vind je een aantal krantenknipsels over dit onderwerp, waaronder advertenties van emigranten die afscheid namen van hun geliefden in Nederland.

  • Huisslacht

    Huisslacht

    In vroeger tijden was november de tijd wanneer er geslacht moest worden. Het slachten gebeurde destijds nog niet op slachthuizen, maar gewoon bij de boer op het erf. Het werd meestal uitbesteed aan een ‘huisslachter’ een slager die aan huis slachtte. Over de huisslacht in Aalten en de gebruiken eromheen schreef G.H. Rots in 1937 het volgende:

    “De drukste en gewichtigste dagen van het jaar waren wanneer er geslacht moest worden. Als November in ’t land kwam, dan kwam de slachtperiode. De „wieme was lèug”, en in ieder huisgezin dacht men er over één of meer varkens of een „beestjen” te slachten. De huisslachters hadden handen vol werk.

    Als er morgens geslacht was, kwamen zoo tegen half twaalf de „vetpriezers”. Dan werd er door de buren gekeurd of de „nierkes wal onder ’t vet zatten”. De dikte van ’t spek werd getaxeerd, en eindelijk kwam de vrouwe met de „flessche”, want geheelonthouders kende men vroeger niet. Op de slachtdagen zorgde men dat men wat „in de flessche” had. De slachters kregen ’s morgens den eersten „borrel”, ’s middags de vetpriezers en ’s avonds kwam het groote feest: de slachtvisite.”

    Hoe het slachten in zijn werk ging

    In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw was het nog toegestaan om zelf aan huis te slachten. Een fornuispot met flink wat water werd aan de kook gebracht. Het varken werd gedood met behulp van een schietmasker, dat een pin in zijn kop schoot. Het varken raakte bewusteloos. De keel van het dier werd vervolgens doorgesneden en het bloed werd opgevangen in een speciale platte pan.

    Het varken werd schoongemaakt en met kokend water overgoten, zodat de haren gemakkelijker verwijderd konden worden, het zogenaamde ‘krabben’ van het varken. Het dier werd vervolgens aan een ‘leere’ opgehangen en opengesneden.

    In een grote teil werden de ingewanden opgevangen. De darmen werden schoongemaakt. Eerst werden ze gespoeld met water en daarna werden ze schoon geschraapt en kon men deze gebruiken om worst te maken. De darmen werden dichtgebonden met worstenpinnen en opgehangen aan het plafond.

    Al het vlees van het varken werd gebruikt. Van het vlees van de kop werd ‘hoofdkaas’ of zure zult gemaakt. De worsten en hammen werden aan het plafond te drogen gehangen. Het slachten en verwerken van een varken kostte een week werk, maar leverde voor een jaar vlees voor eigen gebruik op. Een manier om vlees voor bederf te behoeden was inzouten. Het vlees werd dan in een kuip zout gelegd. Het zout werd goed in het vlees gewreven. Ook kon men vlees conserveren in weckglazen. Zo kon men vlees vele maanden goed houden.

    Een bekende huisslachter in Aalten en omgeving was Bertus ter Maat. Bovenstaand interview met de destijds 77-jarige Aaltenaar werd in 1991 gemaakt door FilmAalten.

    Slachtvisite

    Over de slachtvisite schreef Rots: “Die slachtvisites waren de uitgaansavonden voor de bevolking. Dan kwamen de buren bij elkaar en was men gezellig bijeen. Het begon met een köpken koffie met ’n beschuutjen. Daarna kwam de flesch op tafel. Op die avonden werden de gebeurtenissen van dien tijd besproken. De een wist dit, de ander had dat gehoord, en een derde had „korts de krante nog elaezene”, en den wist het sekuur. En de „vrouwleu” vertelden elkaar de geheimen van den burgerlijken stand en hetgeen daarmee in verband stond. Ondertusschen noodigde de huisvrouw nog eens: „Drinkt er um nog is uut”. „De poggen bunt good met-evallene”. En eindelijk, als het tijd van naar huis gaan was, verkeerde men in de allervroolijkste stemming.

    Men stelle zich niet voor dat alle varkens die men gemest had voor eigen gebruik bestemd waren, kun je begrijpen. Eén varken moest zeker verkocht worden, en van het andere dat men zelf hield werden de hammen of schinken ook verkocht, want schinken zelf houden, „dat was joo um ’t opmaken te doone”, neen daar moest ook klein geld van gemaakt worden. En als men een vaars of „bolle” slachtte, dan werden zeer zeker de nagelhouten verkocht. Er waren enkele opkoopers die deze fijnere vleeschwaren inzoutten en rookten, en naar de grootere plaatsen verzonden. Het geld dat de varkens opbrachten moest veelal bestemd worden voor betaling van hooigras, hypotheekrenten enz. althans voor buitengewone uitgaven.”

    Bronnen


  • Willy Walvoort

    Willy Walvoort

    Tekenaar, schilder en illustrator

    Jan Willem (Willy) Walvoort werd op 17 juli 1935 in Aalten geboren als zoon van fabrieksarbeider Johannes Walvoort en Berendina Geertruida Prinsen. Hij werkte beroepsmatig als onderhoudsman bij de Vereniging Volkshuisvesting (later De Woonplaats), maar verwierf lokale bekendheid als tekenaar en schilder. Walvoort legde talloze plekken in Aalten, Bredevoort en omgeving vast. Hij overleed op 16 januari 2018, 82 jaar oud.

    Jeugd, onderwijs en vak

    Walvoort toonde al vroeg belangstelling voor tekenen en schilderen. Meester Siebrands van de Openbare Lagere School in Aalten adviseerde Walvoorts ouders om hun zoon naar de Kunstacademie te sturen. Zijn ouders zagen dat echter niet zitten. “Een goed vak leren, waar je de kost mee kunt verdienen”, vonden ze belangrijker.

    Na de lagere school volgde hij de Technische School, de opleiding timmeren en metselen. Hierna bekwaamde hij zich in het vaktekenen. Zijn loopbaan bracht hem bij de Volkshuisvesting, waar hij jarenlang als onderhoudsman werkte.

    Oeuvre van tekeningen, schilderijen en illustraties

    Naast zijn werk bouwde Walvoort gestaag aan zijn oeuvre van vooral pentekeningen en schilderijen met herkenbare dorps- en stadsgezichten. In een interview in 1999 noemde hij de Achterhoekse schilder Piet te Lintum zijn grootste voorbeeld—“de schilderende ambassadeur van de Achterhoek”. Bescheiden als hij was, vertelde Willy in een interview dat er niet overdreven veel talent nodig is om te kunnen tekenen en schilderen. “Als je er veel liefde en tijd in wilt én kunt steken, dan kom je een heel eind!”

    Als boekillustrator kreeg Walvoort bekendheid in 1995. Hij illustreerde de heruitgave van Henk Krosenbrinks roman Het Beloofde Land. In 1997 verzorgde hij de omslagillustratie voor Jos Wessels’ boek: Nazareth en zijn katholieken. Nout Wellink, destijds president van de Nederlandsche Bank en geboren in Bredevoort, mocht het eerste exemplaar in ontvangst nemen.

    Laatste jaren en overlijden

    In zijn laatste levensfase verbleef Walvoort enige tijd in een verzorgingshuis in Varsseveld. Hij overleed op 16 januari 2018; de uitvaart vond in besloten kring plaats. Honderden tekeningen en schilderijen in particuliere en lokale collecties houden de herinnering aan deze kunstenaar levend.


    Galerij

    Een selectie uit het werk van Willy Walvoort:

  • Spuitbal

    Spuitbal

    Spuitbal was een jaarlijks terugkerend evenement, dat de Brandweer van Aalten van 1981 tot en met 2016 organiseerde. Het waterrijke spektakel trok ieder jaar vele deelnemers en toeschouwers.

    Spelopzet

    Bij spuitbal streden twee teams van zes personen tegen elkaar. Elk team bediende drie brandweerslangen en probeerde met krachtige waterstralen een grote bal in het doel van de tegenstander te duwen. Elke slang werd door een koppel bediend: de voorste speler richtte de straal op de bal, terwijl de achterste speler moest voorkomen dat er knikken in de slang kwamen. Het team dat in zes minuten de meeste doelpunten maakte, had gewonnen.

    In de beginjaren werd het spuitbaltoernooi op verschillende locaties georganiseerd, onder andere bij De Ahof. In latere jaren vond het evenement plaats bij Camping Lansbulten aan de Eskesweg. Het benodigde water pompte men uit de nabijgelegen beek.

    In 2008 deden er maar liefst zes dames- en dertig herenteams mee. Veel teams waren er ieder jaar weer bij, zoals De Flippers, De Pimpels, De Pollekes, Atlantic, Schiller, ’t Noorden en Jong Gelre.

    De 36e (en vooralsnog laatste) editie vond plaats in 2016. In 2017 werd het evenement wegens onvoldoende belangstelling afgelast en sindsdien is het niet meer teruggekeerd.

    Video

    Op Youtube zijn diverse video’s te vinden van Spuitbal in Aalten, zoals onderstaande video van Jong Gelre uit 2012.

    Bronnen (o.a.)


  • Waarom luiden de klokken?

    Waarom luiden de klokken?

    Al eeuwen luiden de klokken van de Oude Sint Helenakerk in Aalten om de bevolking op de hoogte te stellen van sterfgevallen, het zogenaamde ‘overluiden’.

    Het komt regelmatig voor dat de klokken van de Oude Helenakerk ’s ochtends op diverse tijdstippen geluid worden. Vroeger gebeurde dat overigens vaker dan tegenwoordig. In vroeger tijden wist ook bijna iedereen wel wat dit betekende. Aan de hand van het tijdstip en het aantal slagen konden de mensen namelijk afleiden in welke buurtschap iemand gestorven was en ook of het een kind was, een vrouw of man en of de overledene gehuwd of ongehuwd was.

    Het gebruik dat de klokken geluid worden als ergens een sterfgeval heeft plaatsgevonden heet ‘overluiden’. Al vele eeuwen klinkt er klokgelui uit de monumentale toren van de kerk op dagen midden in de week. Menigeen staat er even bij stil en denkt: memento mori.

    De klokken van de Oude Helenakerk op de Markt in Aalten worden nog altijd voor dit plechtige moment gebruikt, altijd in overleg met de nabestaanden. Het overluiden kan voor alle overledenen gedaan worden, dus niet alleen voor leden van de Protestantse Gemeente.

    Betekenis

    Worden de klokken geluid om 9.30 uur dan betreft het een inwoner van de buurtschap Lintelo. Gebeurt het om 09.45 uur dan is iemand van de Haart overleden. Om 10 uur wordt geluid voor een sterfgeval uit Dale of IJzerlo en om 10.15 uur voor iemand uit de Aaltense Heurne. Gaat het om iemand uit Barlo dan is het tijdstip 10.30 uur. Vaak wordt om 11 uur geluid, dan wordt een overledene uit het dorp Aalten overluid.

    Bij een man of weduwnaar wordt er voor en na het overluiden driemaal geklept met de klepklok. Bij een vrouw of weduwe wordt er twee keer driemaal voor en na het overluiden met de klepklok geklept. Bij een ongehuwde of een kind gebeurt dat drie keer tweemaal voor en na het luiden.

    Overluiden Aalten
  • Gedenkzuil Grebbeberg

    Gedenkzuil Grebbeberg

    In het kader van 70 jaar bevrijding werd in 2015 op de Oude Algemene Begraafplaats in Aalten een gedenkzuil geplaatst ter herdenking aan alle Aaltense soldaten die in mei 1940 op en rond de Grebbeberg hebben gevochten. Zeven Aaltense militairen verloren daarbij het leven. Hun namen en foto’s zijn op de gedenkzuil vereeuwigd.

    De tekst op de zuil luidt:

    Aaltense militairen in mei 1940

    In de vroege ochtend van 10 mei 1940 vallen Duitse troepen het neutrale Nederland binnen. Voor ons land begint hiermee de Tweede Wereldoorlog. De gemobiliseerde Nederlandse soldaten nemen stelling in een aantal verdedigingslinies, waaronder de Grebbelinie. In de hoofdweerstandsstrook op en rond de Grebbeberg bij Rhenen wordt fel gevochten.

    De meeste militairen overleven de strijd en kunnen, vaak na kort krijgsgevangenschap, terugkeren naar Aalten. Zeven families verkeren enige tijd in onzekerheid. Zij ontvangen uiteindelijk het droevige bericht dat hun zonen niet zullen terugkeren; ze zijn gesneuveld. Hun leven is ontwricht door dit grote verlies. Op deze plek worden alle Aaltense soldaten die in mei 1940 hebben gevochten herinnerd.

    Veel Achterhoekers, waaronder een flink aantal jongemannen uit Aalten, zijn ingedeeld bij het 8ste Regiment Infanterie (8 R.I.). Deze eenheid speelt een belangrijke rol bij de verdediging van de Grebbeberg. De slecht geoefende en uitgeruste soldaten voeren een ongelijke strijd tegen een oppermachtige vijand. Op dappere wijze proberen zij zo lang mogelijk stand te houden. De Duitsers noemen de berg met ontzag ‘Der Teufelsberg’. Toch moet ons land al op 14 mei 1940 capituleren.

    Voor het vaderland zijn op 12 en 13 mei 1940 gevallen:

    Meer informatie: Nationaal Onderduikmuseum

  • Stolpersteine

    Stolpersteine

    In Aalten liggen 34 Stolpersteine voor twaalf adressen. Een Stolperstein (struikelsteen) is een gedenksteen die geplaatst wordt in het trottoir voor het huis van waaruit in de Tweede Wereldoorlog mensen door de nazi’s zijn weggevoerd naar een vernietigingskamp. Als je, meestal onverwacht, voor je voeten zo’n steen ziet met de naam van een slachtoffer, word je er weer even aan herinnerd hoe tijdens die oorlog vele miljoenen het slachtoffer zijn geworden van systematische moord.

    De stenen hebben een oppervlakte van 10 bij 10 cm. Op de bovenkant is een messing plaatje aangebracht. Daarin zijn de naam, het geboortejaar, de datum van wegvoering en de plaats en datum van overlijden gestanst. Zo herinnert elk van die stenen aan één van die slachtoffers. Een mens die op déze plek heeft gewoond en hiervandaan is gedeporteerd, om nooit meer terug te keren.

    Bedenker

    Het Stolpersteineproject is bedacht door de Duitse kunstenaar Gunter Demnig. Hij maakte het formaat van deze ‘stenen des aanstoots’ bewust niet te groot, zodat men een buiging moet maken om de opschriften te kunnen lezen.

    Demnig begon in 1997 met het leggen van de eerste Stolperstein in de Berlijnse wijk Kreuzberg. Inmiddels liggen er in vele landen al Stolpersteine. Gunter Demnig geeft ieder slachtoffer zo een eigen monument. Zijn motto luidt: “Een mens is pas vergeten als zijn of haar naam vergeten is“.

    Aanvankelijk maakte hij alle stenen één voor één zelf, want massaproductie vindt hij in strijd met de gedachte achter het project. Maar gedwongen door de stormachtige ontwikkeling van het project, laat hij zich tegenwoordig ondersteunen door een bevriende kunstenaar. Hij staat erop om de eerste stenen in een bepaalde plaats persoonlijk te leggen. De overige stenen worden tegenwoordig meestal door gemeentelijke stratenmakers geplaatst.

    Stolpersteine in Aalten

    In Aalten zijn er 34 Stolpersteine gelegd voor de volgende adressen:

    • ’t Dal 1: Levi Salomon Schaap, Ella Schaap-Philips, Eliazar Hars Schaap, Frits Landau, Amalia Landau-Lorch
    • Dijkstraat 10a: Levie van Gelder, Jula van Gelder-Landau, Arnold van Gelder
    • Eerste Broekdijk 51: Roberth Fuldauer, Rozetta Fuldauer-van Gelder, Lina Sara Fuldauer, Sara Fuldauer, Meijer David Fuldauer, Cato Konijn
    • Grevinkweg 5: Sally Fuldauer, Regina Fuldauer-de Jong
    • Haartsestraat 64: Wijnand Andriesse
    • Hogestraat 3: Jacob ten Bosch en Jansje ten Bosch-Bouwman
    • Hogestraat 13: Moritz Cohen, Bernhard Cohen, Karoline Japhet-Eppstein
    • Hogestraat 55/1: Albert Lewy, Friederika Lewy-ten Bosch, Berta Mathilde Lewy
    • Hogestraat 94: Salomon Goedhart, Philippina Lea Goedhart-Rosenburg
    • Landstraat 41: Johannes der Weduwen
    • Lichtenvoordsestraatweg 17: Philip van Gelder, Elise van Gelder-Cohen, Jozef Backs
    • Stationsstraat 24: Abraham van Gelder, Reintjen van Gelder-de Jong
    • Vellegendijk 17: Hendrik Wiggers

    In één geval kon de steen niet voor de woning van het slachtoffer worden gelegd omdat deze woning (Industriestraat 4) niet meer bestaat. Ook is er geen trottoir om de steen in te leggen. Daarom is deze steen voor de synagoge gelegd:

  • Nôkse karke

    Nôkse karke

    De oude Sint Helenakerk was zelfs voor ras-Winterswijker Bernard Stegeman een inspiratiebron.😊 Hij schreef het gedicht Nôkse karke over Aaltens markante middelpunt op de Markt (jaartal onbekend). De tekening is van geboren Aaltenaar Piet te Lintum.

    ‘Maor noo löp miene reize toch haoste ten end’
    Lao’ws kieken, mi’j wacht er nog ééne.
    Jao ‘k zee ’t al, daor ginder dee karke op den bult,
    Zoo mooi, a’k nog zelden heb e-zeene.
    Das Aalten, mo’j wetten, ’t aardige darp,
    waor ‘k nog iederbods geerne komme praoten,
    Ik kenne er de menschen, ik weet ‘er den weg
    Deur zien wondere, golvende straoten.
    Wat ligt er dat marktplein daor hoog’ op den bult
    En hoo noks hönk dee karke der teggen,
    ‘k Hebben e-heurd, dat ’t darp naor den bult is e-neumd,
    Maor of ’t waor is, dat dörv’ ik neet zeggen.’

    Oude Helenakerk, Aalten, tekening Piet te Lintum
  • Ds. Cornelis Gros

    Ds. Cornelis Gros

    Gereformeerd predikant

    Cornelis (Cor) Gros werd op 28 april 1933 geboren in Den Haag, als zoon van politieagent Jacob Gros en Nieske Poortinga. Na de ULO-school te hebben doorlopen, begon hij zijn loopbaan bij het ministerie van Financiën. In de avonduren studeerde hij voor het diploma gymnasium A. Zijn verdere opleiding genoot hij aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Op 10 december 1961 deed ds. Gros zijn intrede als predikant in Woudsend.

    Vanaf 8 mei 1966 was Gros verbonden aan de Gereformeerde Kerk van Aalten. Hier diende hij 32 jaar lang tot zijn emeritaat (pensioen) in 1998. Eind april van dat jaar ontving hij een Koninklijke onderscheiding van burgemeester Bouwers van Aalten.

    In een interview met regionaal weekblad Achterhoek Nieuws, gepubliceerd op 22 april 1998, deelde Gros zijn ervaringen: „Ik heb beslist bepaalde verwachtingen gehad. Maar wat het werkelijk betekent om predikant te zijn, weet je pas wanneer je het bent. Het kan tegenvallen. Het kan echter ook, zoals in mijn geval, nog mooier zijn dan je had verwacht.”

    Dat Gros predikant werd, is min of meer te danken aan de boeiende manier waarop Cor Bruijn in het boek Sil de Strandjutter het leven op een eiland beschrijft. „Als jongetje van een jaar of tien las ik Sil de Strandjutter en ik dacht bij mezelf: hoe kom ik op zo’n eiland”, vertelde Gros. „Er waren drie mogelijkheden: als predikant, als arts of als onderwijzer. Ik wist al snel, dat het predikant zou worden.”

    In 1966 verhuisde hij met zijn gezin naar Aalten, waar hij predikant werd van de wijk noord-west en dat altijd is gebleven. „Ik ben geen man die als een vlo door de kerken springt”, vertelt Gros. „En in Aalten beviel het mij en mijn gezin zo goed, dat ik er niet meer weg wilde. De Aaltenaren zijn een goed volk. Ik ervaar ze als onvoorstelbaar hartelijk. En ze weten ook afstand te bewaren, zodat ik nooit het gevoel heb gehad dat ik werd geleefd.”

    Gros genoot het meest van de omgang met de mensen in zijn wijk. „Mijn leven stond in het teken daarvan”, vertelde hij. „Ik wilde er voor ze zijn wanneer ze me nodig hadden en in die situaties in alle bescheidenheid iets voor ze mogen betekenen. De ervaring heeft geleerd, dat mijn aanwezigheid vooral in verdrietige situaties gewenst was. Ik probeerde met de mensen mee te leven, veel te luisteren en soms te spreken. Het pastoraat is voor het grootste deel luisteren. Ik heb mijn werk altijd met voldoening gedaan. Het vertrouwen en de dankbaarheid die de mensen mij gaven, waren onvoorstelbaar groot.”

    Gros bekleedde tal van kerkelijke functies op classicaal, provinciaal en landelijk niveau. Zo was hij onder andere voorzitter van de Synode van Gelderland en van de Deputaten Geestelijke Verzorging Buitenland. Na zijn emeritaat was hij vele jaren bestuurslid van de lokale omroep De Lindeboom, waar hij ook enkele programma’s presenteerde.

    De laatste maanden van zijn leven woonde Gros aan de Geurdenstraat in Aalten. Op 21 augustus 2011 overleed hij op 78-jarige leeftijd. De dienst van Woord en gebed, voorafgaand aan zijn begrafenis, vond plaats in de Oosterkerk. Cor Gros werd begraven op begraafplaats Berkenhove.

  • Aalten aan Zee

    Aalten aan Zee

    In 2011 verscheen Aalten landelijk in het nieuws door een opmerkelijk bericht: een kleine gelovige gemeenschap had zich gevestigd op boerderij Rensink in Lintelo, in afwachting van de Apocalyps. Zij noemden zich de ‘Wachters van de Nacht’.

    Op hun boerderij bereidden zij zich voor op overleven in de eindtijd. Volgens hen zou de Apocalyps spoedig met een tsunami aanbreken, waarbij grote delen van Nederland onder water zouden komen te staan. Het hoger gelegen Aalten zou daarbij aan zee komen te liggen.

    Grappenmakers plaatsten op Youtube satirische filmpjes waarin Aalten aan Zee als een zonnige badplaats werd voorgesteld en waar de lokale middenstand zich moeiteloos aan de behoefte aan strandvermaak had aangepast. Wie echter de waarschuwingen van de groep in de wind sloeg, zou daar volgens de Wachters zelf de consequenties van moeten dragen. Hem of haar stond de verdrinkingsdood te wachten. Ondertussen legden de Wachters grote voedselvoorraden aan ten behoeve van de vluchtelingen die zij uit de Randstad verwachtten.

    “Aalten wordt mogelijk kustplaats”

    “Aalten aan Zee” deel 1

    “Aalten aan Zee” deel 2

    “Aalten aan Zee” deel 3

    “Aalten aan Zee” deel 4

  • Aalten en Lichtenvoorde zijn enclaves, geen ’naobers’

    Aalten en Lichtenvoorde zijn enclaves, geen ’naobers’

    © Quirijn Visscher, dagblad Trouw, 4 augustus 2010

    Twee buurdorpen: het ene katholiek, het andere protestants. Is er nog steeds rivaliteit? Trouw onderzoekt het. Vandaag deel 2: Aalten en Lichtenvoorde. Aalten geldt als het ‘Jeruzalem van de Achterhoek’ dankzij zijn vele gereformeerde kerken. Buurdorp Lichtenvoorde ligt juist in een rooms-katholieke enclave.

    Aalten en Lichtenvoorde

    Scherpslijpers zijn de Achterhoekers niet. Behalve dan in Aalten. Die terrasjes op de Markt voor de Oude Helenakerk? “Dat zou vroeger vloeken zijn geweest in Aalten”, zegt Hans de Graaf. Hij werd in 1943 geboren in een rooms-katholiek gezin in het naburige Bredevoort. Hij woont en kerkt al jaren in Aalten. “Als kind voelde je dat je een tweederangs inwoner was”, herinnert hij zich.

    In Aalten domineerden in de jaren vijftig en zestig immers de protestanten, onderverdeeld in ‘de fienen’ en ‘de groffen’. De hervormden waren niet zo strikt. Ze leefden Bijbels volgens de grove lijn. De afgescheiden gereformeerden, talrijk in Aalten, volgden echter fijntjes de orthodoxe dogmatiek.

    Jeruzalem van de Achterhoek

    ‘Fienen’. Je spreekt het uit met een lange, slepende ‘ie’. Ook Frits van Lochem doet dat. In 1946 zag hij het levenslicht in een hervormd gezin in het rooms-katholieke Lichtenvoorde, acht kilometer van Aalten. Tussen beide dorpen ligt een glooiend niemandsland. Spreek je in Lichtenvoorde over Aalten, dan gaat het al snel over ‘die fienen’ en ‘het Jeruzalem van de Achterhoek’. “We zijn meer op Groenlo gericht”, zegt Van Lochem.

    Een volks geloof overheerst in de Achterhoek. Het maakt in het dagelijks leven niet uit of je voorvaderen rooms-katholiek bleven of toch maar overgingen naar het protestantisme. De Achterhoekse naoberschap overstijgt de dogma’s van Rome en van protestantse synodes. Het gebied is als een schaakbordpatroon verdeeld in dorpjes met iets meer rooms-katholieken en met iets meer protestanten.

    Buurenclaves

    Twee buurenclaves vormen daarop een grote uitzondering: het gereformeerde Aalten en het rooms-katholieke bolwerk Groenlo en Lichtenvoorde. Hoe is dat zo gekomen en wat is hun relatie? Hans de Graaf en Frits van Lochem kunnen putten uit hun ervaringen als lid van een kerkelijke minderheid. Ze kennen elkaar niet. Toch fietsten ze elkaar ooit dagelijks tegemoet de een op weg naar de protestantse middelbare school in Aalten, de ander naar de rooms-katholieke in Lichtenvoorde.

    De Johanneskerk (PKN) van Lichtenvoorde
    De Johanneskerk (PKN) van Lichtenvoorde

    Van Lochem is graag actief voor de gemeenschap. Hij was ooit wethouder in Lichtenvoorde voordat de gemeente fuseerde met Groenlo tot Oost Gelre. Nu verzorgt hij de administratie van de Johanneskerk. Als hervormde jongen had hij een prettige jeugd, zegt hij. “Natuurlijk had je een protestantse en een rooms-katholieke school”, zegt hij. “Voor het middelbare onderwijs moest je naar Aalten. Je ging nu eenmaal naar een school van je eigen religie.”

    Een tijdlang was er een eigen protestantse voetbalclub en gymvereniging. De p.c.-drumband speelde zondags niet bij Lichtenvoordse festiviteiten, herinnert hij. Maar in Lichtenvoorde waar 90 procent van de mensen rooms-katholiek was, ging je normaal met elkaar om. “Mijn vader was woningstoffeerder”, zegt Van Lochem. “Het klooster was een belangrijke klant. Hij zou geen droog brood verdiend hebben aan alleen protestanten.”

    Protestanten ‘bepaalden alles’

    Zo gemakkelijk als de Lichtenvoorders de verzuilde verschillen overbrugden, zo moeizaam moeten de scheidslijnen in Aalten zijn geweest. ”Er kon weinig”, zegt De Graaf. “Dansen was onmogelijk. Als rooms-katholieken hadden we een eigen instuif. Daaruit kwamen veel huwelijken voort. Die protestanten bepalen hier alles, dacht je in de jaren vijftig. En toen ontstond de zwembadkwestie. Een geweldige rel! Mensen knipten het prikkeldraad open rond het zwembad om op zondag te kunnen zwemmen Tegenwoordig is alles anders. Er waait een wereldse wind door Aalten. Nog steeds.”

    Lichtenvoorde en Groenlo stonden voor een rooms-katholieke jongen uit Aalten synoniem voor een prettig leven. “Daar waren de toogdagen en de processies”, herinnert De Graaf zich. Lichtenvoorde is frivool met zijn corso en Groenlo staat bekend om het carnaval. Maar voor hem bleven die plaatsen ver weg. In Aalten was in zijn jeugd zo’n 18 procent van de mensen rooms-katholiek. De gereformeerde identiteit drukte op iedereen. Het rooms-katholicisme van ‘de enclave Groenlo en Lichtenvoorde’ was in 1966 studievoer voor geschiedenisdocent Thielen uit Boxtel. Twee ontwikkelingen verklaren dat een enclave kon ontstaan, blijkt uit zijn boek over ‘de enclave’.

    Religieuze strijd

    De strijd tussen de bisdommen Utrecht en Münster om de zeggenschap over deze streek duurde tot 1823. De bisschop van Münster liet zich nogal gelden in Oost-Nederland. De Achterhoek was verder rond 1600 het strijdtoneel geweest tussen de Staatse legers van de Oranjes en de Spaanse overheersers. Die strijd had zijn religieuze sporen nagelaten.

    In 1597 veroverde het leger van prins Maurits namens de (protestantse) Staten-Generaal uit Den Haag de steden Bredevoort en Groenlo op de Spanjaarden. Maar in 1606 verloren de ‘Staatsen’ de vesting weer. In 1627 heroverde prins Frederik Hendrik Groenlo weliswaar, maar hij won de meeste inwoners niet meer voor het protestantisme. De rooms-katholieke beweging van de contrareformatie had er wortel geschoten. Ook het nabijgelegen Lichtenvoorde, sinds 1496 met eigen kapel, bleef Rome trouw. En Münster.

    Monumentaal

    Frits van Lochem laat de witgepleisterde Johanneskerk uit 1648 zien. Zij is monumentaal. De kerk staat op de fundamenten van de rooms-katholieke kapel uit 1496. “Het is een van de oudste protestantse kerken van Nederland”, zegt hij. De kapel kwam na 1627 in handen van de Nederduits Gereformeerde (later hervormde) minderheid die hoorde bij het nieuwe Staatse gezag. Ze wilden een minder bouwvallig godshuis. “In het hele land is gecollecteerd voor deze kerk”, zegt Van Lochem. “Ook Frederik Hendrik betaalde. Giften kwamen tot uit Amsterdam en omgeving.”

    Kruiskapel Hemden - kaart
    Oude kaart met de Kruiskapel te Hemden, net over de grens bij Aalten

    De rooms-katholieken die in Groenlo en Lichtenvoorde in groten getale achterbleven, maar ook een Aaltense minderheid, raakten aangewezen op de Kreuzkapellen die in grensdorpen als Zwillbrock, Hemden en bij de stad Bocholt verrezen. De paapsen liepen naar de grens van de Republiek met het Münsterland. Maar in grote delen van de Achterhoek, ook Aalten, werd de pastoor ineens dominee en zwoer alle Roomse ‘superstitiën’ plechtig af. Ook zijn kudde werd dan protestants, maar niet meteen van harte.

    De aard van de Achterhoeker

    De aard van de Achterhoeker is, zo schreef hervormde dominee J.H. Jansen in 1957, op het oog nogal meegaand. De kat wordt uit de boom gekeken, stelde hij in een sociologische studie naar het Achterhoekse geloofsleven. De gemeenschap gaat boven het individu, zag hij. In die observatie kan scriba Flip de Bruijn van de Protestantse Gemeente Lichtenvoorde zich ook anno 2010 vinden. “De gemeenschap is hier zo verweven en er zijn zoveel gemengde huwelijken”, zegt hij. “Er zijn geen scherpe tegenstellingen. Men accepteert elkaar zonder conflicten.”

    Wat maakt Aalten dan zo’n uitzondering? In 1845 scheidde in Aalten, in navolging van de Groningse dominee De Cock, een deel van de hervormden zich af. Nadien vond de Doleantie (1886-1892) in de Achterhoek vooral in Aalten weerklank. Aan beide schisma’s hield het dorp de Christelijke Gereformeerde en de Gereformeerde Kerk over. “Oorzaak was dat een geliefd predikant ‘meeging’ en door het classicaal bestuur werd ontzet”, verklaarde Jansen de Doleantie in Aalten. “Die nam veel families mee.”

    Kerkelijke veelkleurigheid

    RK Helenakerk, Dijkstraat, Aalten
    De rooms-katholieke Sint Helenakerk in Aalten

    De meeste Achterhoekse protestanten bleven mild hervormd. Aalten kent een orthodoxie die nu beter bij de ChristenUnie dan de SGP past. Gereformeerde Bonders of de Hersteld Hervormden zijn schaars in de Achterhoek en de Gereformeerde Gemeenten al helemaal. Maar de groeiende geloofsverschillen tussen Aalten en die van de streek leidden tot de bijnaam ‘Jeruzalem van de Achterhoek’.

    Hans de Graaf kent die bijnaam wel. “Wat bedoelt men ermee”, vraagt hij zich af. Als het de kerkelijke veelkleurigheid van Aalten is, kan hij zich daarbij iets voorstellen. Zelf verdiepte hij zich in de rooms-katholieke kerkhistorie van de streek. Aalten dankt aan de komst van de spinnerij en weverij van de Duitse familie Driessen in de negentiende eeuw het voortbestaan van de rooms-katholieke gemeenschap, is zijn stellige overtuiging. “Onze kerkgemeenschap staat op de schouders van een kleine groep pioniers”, zegt hij.

    Verandering

    Wie vandaag de dag Aalten binnenrijdt, wordt met zwarte reclameborden op de invalsweg gewezen op het feit dat ‘God liefde is’ en dat ‘Hij ook van jou houdt’. In het dorp vind je een bijzondere kerk: een tweetalige evangelische gemeente voor Duitsers en Nederlanders die als Euregiokerk te boek staat. ‘Two nations, one faith’ meldt de grote geveltekst op de ooit gereformeerde Westerkerk.

    Hans de Graaf merkt dat Aalten verandert. “Je kunt nu rustig iets op zondag organiseren”, zegt hij. “Dat is geen beletsel meer.” Gebleven is de non-relatie met Lichtenvoorde. “De Aaltense gemeenschap richt de blik niet op het noorden”, zegt hij. Toch zal dat kerkelijk nu wel moeten. Het bisdom Utrecht heeft onlangs negen parochies omgesmeed tot één, zodat Aalten nu bij Lichtenvoorde en Groenlo hoort. De Ludgerparochie.

    “Als rooms-katholieken in Aalten hebben we een sterk zelfbewustzijn”, zegt De Graaf. “Dat komt uit het idee: ‘wij zijn er ook nog!’ De kleine katholieke zuil liet zich duidelijk horen in de samenleving. In Lichtenvoorde is bijna iedereen katholiek. Daar is een andere houding.” Die weerbaarheid mist De Graaf in de grote parochie. Zelf pakt hij nieuwe projecten op. Met katholieken en protestanten ontwikkelt hij een wandelroute van Zutphen tot aan Münster, in het spoor van de negende-eeuwse evangelist Ludger. Die bracht immers het evangelie aan alle Achterhoekers?

    Oecumene

    Het is een taal die Frits van Lochem en Flip de Bruijn in het rooms-katholieke Lichtenvoorde zouden verstaan. Tot hun grote spijt verdwijnt ter plaatse de ooit levendige oecumenische traditie. Steeds minder gebeurt er gezamenlijk. “De oecumene verwatert”, zegt De Bruijn. “Wij willen wel. Maar Rome geeft aan oecumene geen prioriteit. Nu de parochies zijn samengevoegd, merk je dat daarvoor minder tijd is.”

    Het moderne leven van Lichtenvoorde stelt het grotendeels zonder kerkgang. Op zondag kun er je rustig winkelen. Zelfs over de zondagsopenstelling van de supermarkt halen inwoners de schouders op, merkt Van Lochem. Aan Aalten denkt niemand hier. Rivaliteit en tegelijk verwantschap is er met ‘d’n Grolschen’ eerder. De Protestantse Gemeente Lichtenvoorde kijkt nu ook die kant op voor nauwere samenwerking met de hervormden. “Nee, er zijn geen kerkelijke contacten met Aalten”, zegt De Bruijn.

    Veel affiniteit met de protestantse orthodoxie leeft er in Lichtenvoorde met. Toch willen juist die gelovigen vanuit Lichtenvoorde de Achterhoek, een ‘kerkelijke witte vlek’, bewerken via hun christelijk boekwinkeltje ‘Licht’. Het is vandaag dicht. “Dat is toch van de gereformeerd-vrijgemaakten”, vragen De Bruijn en Van Lochem elkaar. “Die komen hier niet vandaan. Ze denken dat hier misschien wat valt te evangeliseren.”

    ‘Keislöppers’ en ‘de fienen’

    De zwerfkei met leeuwenbeeld op de Markt van Lichtenvoorde
    De zwerfkei met leeuwenbeeld op de Markt van Lichtenvoorde (foto: achterhoek.nl)

    Lichtenvoorde is van oudsher rooms-katholiek. In 1496 stichtte de Heer van Bronckhorst er een kapel. Op de fundamenten ervan bouwden de weinige protestanten er in 1648 met ‘Staatse gelden’ een nieuwe kerk. De Gelderse plaats (nu 13.0000 inwoners) ontving in de negentiende eeuw veel Brabantse importarbeiders voor werk in de schoenenindustrie. Ter ere van het 25-jarige ambtsjubileum van Koning Willem III in 1874 sleepten deze rooms-katholieke schoenmakers een 20.000 kilogram zware kei naar het centrum en versierden die met een fiere leeuw. Zij bezorgden de Lichtenvoorders de bijnaam ‘keislöppers”.

    Aalten groeide de afgelopen eeuw van klein dorpje tot een centrumplaats met bijna 13.000 inwoners. Sinds de negentiende eeuw onderscheidde Aalten zich door kerkafscheidingen die elders in de Achterhoek vrijwel uitbleven. Velen bleken gevoelig voor een fijnzinniger, gereformeerd geloof, wat Aaltenaren de bijnaam ‘de fienen’ bezorgde. Het dorp kent nog altijd relatief veel protestantse en evangelische kerken. De kerkelijke variëteit op zo’n kleine schaal is bijzonder in deze grensstreek. Dat bezorgde Aalten de naam ‘het Jeruzalem van de Achterhoek’.

  • Naaimachinemuseum

    Naaimachinemuseum

    Aalten

    N.B. De volgende informatie dateert uit 2007 en is mogelijk niet meer actueel.

    In het buitengebied van Aalten bevindt zich het kleinschalige maar bijzondere naaimachinemuseum van Herman van Wezel. Dit museum, gevestigd in een schuur achter zijn woning, wordt niet vermeld in toeristische gidsen of op websites. Het trekt voornamelijk bezoekers met een specifieke interesse in naaimachines en is uitsluitend op afspraak te bezoeken.

    Van Wezel, voormalig mede-eigenaar van het gelijknamige confectiebedrijf in Bredevoort, heeft vanuit zijn technische achtergrond en jarenlange ervaring in de textielindustrie een blijvende fascinatie voor naaimachines ontwikkeld. Zijn verzameling omvat naar schatting ongeveer driehonderd exemplaren. Het exacte aantal, evenals gegevens zoals merk, bouwjaar en herkomst, wordt bijgehouden in een computer.

    In 2010 bezocht ‘Der Trödelking’ van de Duitse TV-zender WDR het naaimachinemuseum van Herman van Wezel.

    De collectie bestaat vooral uit oudere modellen die met de hand of de voet werden aangedreven, waaronder een van de eerste ‘moderne’ naaimachines uit 1852. Daarnaast bevat de verzameling enkele bijzondere elektrische exemplaren uit de jaren vijftig van de vorige eeuw.

    Van Wezel kocht zijn eerste machines op rommelmarkten en breidde zijn collectie later uit via een handelaar die naaimachines uit Engeland importeerde. Hij is ook lid van verenigingen zoals Slingerfænger en Ismacs, waar hij tijdens contactdagen nog wel eens een machine koopt. Daarnaast kijkt hij nog wel eens op eBay om zijn verzameling aan te vullen.

    Naast naaimachines bevat het museum diverse gerelateerde objecten, waaronder naalden, kokers, gereedschap, reclamemateriaal, posters en een oude kachel waarop strijkijzers heet werden gehouden. Een bijzonder stuk in de collectie is een cassettebandje met een radio-naailes uit de jaren vijftig.

  • Gondelvaart Bredevoort

    Gondelvaart Bredevoort

    De Gondelvaart was een evenement dat van 1968 tot 2010 jaarlijks plaatsvond op de Grote Gracht in Bredevoort. Tegenwoordig is het evenement uitgebreid tot ‘Bredevoort Schittert‘, met veel ruimte voor muziek, kunst en theater, zonder het sprookjesachtige karakter te verliezen.

    Van 1928 tot 1935 waren er ook al Gondelvaarten, maar vanwege de economische crisis moest men hiermee stoppen. Toch was Bredevoort het lichtjesfeest niet vergeten. Het bleef rondzoemen in de naoorlogse jaren. Tot in 1968 een comité onder leiding van Jan Elferink de bevolking bij elkaar riep met een krantje. De bevolking ging massaal aan het gondels bouwen. Pastoor Metternich en de dominees Drop en Van Ziel kregen de kerkgangers zover dat die een gondel namens de drie kerken bouwden. En de middenstand stelde zich garant voor een eventueel tekort en nam voor de zekerheid zelf plaats achter de kassa’s.

    En elk jaar trok het publiek van heinde en ver (waaronder steeds meer Duitsers) in augustus of september naar Bredevoort om de verlichte gondels te zien en na afloop het feest in het stadje mee te maken. En natuurlijk ook om het vuurwerk te zien. Uit een enquête in 1991 bleek dat twintig procent van de bezoekers op de eerste plaats voor het vuurwerk kwam. Het vuurwerk is al vanaf het begin vast onderdeel van de Gondelvaart en dit is met de overgang naar Bredevoort Schittert onveranderd gebleven.

    Gondelvaart Bredevoort 2008
    Gondelvaart Bredevoort 2008
    Gondelvaart Bredevoort 1928
    Gondelvaart Bredevoort 1928

    Techniek

    De gondels werden vroeger getrokken door motorboten. De boten trokken meestal twee à drie gondels, verbonden door kruislings vastgemaakte sleeptouwen. Met puntstokken voorkwamen de bouwers dat de gondels vast kwamen te zitten in de modderige bodem van de gracht. Later werd overgestapt op tractie. Vanaf 1989 veranderde de presentatie en kwamen gondels één voor één langs, ondersteund door een stuk tekst en bijpassende muziek.

    De technische ontwikkelingen gingen steeds door: waxinelichtjes werden fietslampjes en daarna LED-lampjes. Accu’s werden vervangen door aggregaten en daarna gewoon stroom uit het stopcontact (nu de gondels in het stadje staan). En er kwamen de verlichte tuinen waar je met een treintje langs kunt rijden.

    Anecdotes

    Een enkele keer ging de Gondelvaart niet door. In 1972 werd er niet gevaren omdat de beken rondom Bredevoort werden uitgebaggerd en er mogelijk onvoldoende water zou zijn. In 1976 werd de Gondelvaart afgeblazen omdat de Grote Gracht door de warme zomer was drooggevallen.

    Slecht weer zorgde ervoor dat de Gondelvaart in 1983 werd afgelast. Door de storm belandde de gondel van s.v. Bredevoort zelfs in de bomen. De afgelasting kostte de Gondelvaart maar liefst 35.000 gulden, een recordverlies.

    In 1982 was het zo droog, dat men beekjes moest verleggen en zandzakken leggen om het water in de goede richting te sturen.

    De Aaltense huisarts/bootsman Wim Pampiermole liep in 1980 een nat pak op tijdens het testen van de boot. Ook toenmalig voorzitter Jan Elferink hield het niet droog. Hij wilde na de opening het podium afstappen maar viel in de gracht. Jan bedacht zich geen moment, fietste naar huis en verwisselde zijn lichte zomerpak voor een donker exemplaar en was weer op tijd aanwezig voor de afkondiging zonder dat iemand iets van het gebeuren gemerkt heeft.

    Elk jaar speelden twee trompettisten vanaf de openingsgondel. Velen kennen nog de enorme zwaan die vanaf 1993 de openingsgondel trok. In 2002 ging deze zwaan met pensioen en kwam er een nieuwe openingsgondel in de stijl van Venetië. In 2008 vierde men het 40-jarig bestaan van de Gondelvaart met wederom een nieuwe openingsgondel: De Golf.

    Bredevoort Schittert

    In 2010 maakte de organisatie een nieuwe opzet van de Gondelvaart bekend. De gondels veranderden in lichttaferelen en niet alleen de gracht maar het hele stadje wordt als podium gebruikt. Hierdoor kunnen de bezoekers overal zelf langs lopen en is er meer ruimte voor kunst, muziek en theater.

    De Werkgroep Bredevoort Schittert zorgt onder andere voor een groot deel van de werkzaamheden rondom het evenement. Denk aan het ophangen van zeilen, het neerzetten van hekken, opbouwen van de kassa’s en het plaatsen van routebordjes.

    De Werkgroep is al jarenlang een begrip in Bredevoort. Nauw daaraan verbonden zijn de Bloemenmeisjes, vroeger verantwoordelijk voor het versieren van de openingsgondel en het podium, tegenwoordig als Schitterende Vrouwen te bewonderen bij het lichttafereel van de Werkgroep.

    De verlichte gondels en passende muziek, maar ook de rust van het water met de donkere boompartijen hebben heel wat romantische gevoelens losgemaakt. Niet alleen medewerkers wisten elkaar in het donker te vinden, ook bij bezoekers zijn meerdere vonken overgeslagen tijdens het vuurwerk. Dat Bredevoort Schittert nog steeds een romantische setting is, blijkt wel uit het feit dat er enkele jaren geleden op het springkussen een innig verstrengeld paar ‘op heterdaad’ werd betrapt. Nadat iemand de stekker uit het luchtkussen trok, namen zij snel de benen.

    Leestip


    • Gondelvaart Bredevoort in Woord en Beeld 1968-2008, door J. Wessels en J. Betting
  • Anton Kuijsten

    Anton Kuijsten

    Onderwijzer, aquarellist, tekenaar en houtsnijder

    Antonie (Anton) Kuijsten (1917–2007) was onderwijzer en schoolhoofd in Aalten, daarnaast autodidact houtsnijder, tekenaar en aquarellist. Hij leidde vanaf de oprichting tot aan zijn pensioen de Hervormde School Aalten-Zuid (later De Broekhof). Zijn achternaam wordt ook vaak gespeld als Kuysten.

    Kuijsten werd geboren op 5 oktober 1917 in Huizen. Zijn moeder overleed toen hij acht jaar was, maar dankzij de manier waarop zijn vader het gezin opving en de hulp in de huishouding die langdurig bij het gezin bleef, had hij toch een gelukkige jeugd.

    Na de kweekschool in Amsterdam stond Kuijsten op verschillende plaatsen voor de klas, onder meer in Naarden, Muiden, Rheden—waar hij zijn latere vrouw leerde kennen—en Zutphen. In de laatste maanden van de bezetting dook hij onder om te voorkomen dat hij voor de bezetter moest werken. Op 11 april 1947 trouwde hij in Rheden met Hendrina Groenewoud.

    Bij de opening van de 2e Nederlands-Hervormde School Aalten-Zuid in 1954 (de latere Broekhofschool) werd hij aangesteld als hoofd. Kuijsten stond bekend als een verteller die geschiedenislessen tot leven bracht “alsof hij er zelf bij was geweest”. In 1967 woonde het gezin aan de Wilhelminastraat 4 in Aalten. Hij deed ook veel voor de Protestantse Gemeente: ruim twintig jaar leidde hij de kinderkerk in Aalten-Zuid en hij was enige tijd ouderling.

    Naast het onderwijs ontwikkelde Kuijsten zich als autodidact houtsnijder, tekenaar en schilder. Behalve aquarellen maakte hij tekeningen met ecoline. Van zijn hand verschenen ook (verjaardags)kalenders. Hij is opgenomen in het boek Kunstig Aalten (2021), een overzicht van Aaltense kunstenaars, samengesteld door Leo van der Linde.

    Het plotselinge overlijden van zijn vrouw in 1987 was een zwaar verlies. Enkele jaren legde hij penseel en potlood neer, waarna hij zijn werk gelukkig weer hervatte. In zijn laatste levensfase kampte hij met een broze gezondheid. Na een opname in het ziekenhuis in Winterswijk en een kort verblijf in ’t Hoge Veld overleed hij uiteindelijk in het ziekenhuis. De begrafenis vond plaats op 1 december 2007, na een dankdienst in de Oude Helenakerk in Aalten. Hij vond zijn laatste rustplaats op begraafplaats Berkenhove.


    Galerij

    Een selectie uit het werk van Anton Kuijsten:

  • Joop en Truus Doodeheefver

    Joop en Truus Doodeheefver

    Kunstenaarsechtpaar

    Joop en Truus Doodeheefver waren een kunstenaars­echtpaar dat in 1973 van Amsterdam naar Aalten verhuisde en daar decennialang actief was. Joop (1924–2001) legde zich in Aalten toe op tekeningen en transparante aquarellen van landschappen en boerderijen. Truus (1928–2004) maakte portretten, dierfiguren en vrij werk in brons, aluminium en hout. Ze exposeerden geregeld samen in de regio en daarbuiten.

    Johannes Christoffel (Joop) Doodeheefver werd op 6 juni 1924 in Amsterdam geboren. Hij werd opgeleid in het atelier van Nel Fernhout en werkte circa dertig jaar als ontwerper-colorist bij de behangfabriek van zijn vader, de firma Rath & Doodeheefver. In 1945 trouwde hij met Truus Kremer.

    Geertruida Jeannette Frederika (Truus) Kremer werd op 15 februari 1928 in Leiden geboren. Kort daarna verhuisde het gezin naar Amsterdam. Ze leerde beeldhouwen bij Adrianus Remiëns en trouwde in 1945 met Joop Doodeheefver.

    Verhuizing naar Aalten

    Het echtpaar koesterde al langer de wens eens het jachtige Amsterdam te verlaten om zich in het “nog onbedorven oosten” te vestigen. In 1973 voegden ze de daad bij het woord en vestigden zich met hun gezin in de monumentale boerderij De Kiefte in de Aaltense buurtschap Heurne.

    Hier legde Joop zich toe op het tekenen en aquarelleren van landschappen en boerderijen in de omgeving. Hij werkte ook veel in opdracht, om objecten, personen en landschappen vast te leggen voor latere generaties. Hij verzorgde ook de illustraties voor het boek De Freule van Dorth, geschreven door Ben Bekker (1974).

    Truus beeldhouwde naturalistische portretten en dierfiguren en maakte houtsnijwerk. Een bekend werk van haar hand is het beeldje van Hendrickje Stoffels op ’t Zand in Bredevoort (1977).

    Zowel gezamenlijk als individueel exposeerden zij succesvol in binnen- en buitenland.


    Galerij

    Een selectie uit het werk van Joop en Truus Doodeheefver:

  • Vliegermonument IJzerlo

    Vliegermonument IJzerlo

    Huisstededijk, IJzerlo (net voor bruggetje Keizersbeek)

    Het monument ‘Vliegen voor de Vrede’ is een herdenkingsmonument gelegen aan de Huisstededijk in de Aaltense buurtschap IJzerlo. Het monument is opgericht ter nagedachtenis aan de crash van een Engelse bommenwerper tijdens de Tweede Wereldoorlog, die in de nacht van 26 juni 1943 neerstortte in een nabijgelegen aardappelveld.

    In de bewuste nacht van 26 juni 1943 vlogen ruim 400 Britse bommenwerpers over de Achterhoek, op weg naar de petrochemische industrie van Gelsenkirchen voor een bombardementsmissie. Een van deze toestellen, een Short Stirling BK767 van het 214 Squadron van de Royal Air Force, met zeven bemanningsleden aan boord, was net voor middernacht op 25 juni opgestegen.

    Omstreeks 01:20 uur werd het toestel in brand geschoten door nachtjachtpiloot Oberleutnant Ludwig Meister, die vloog in een Messerschmitt Bf 110 G-4, kort daarvoor opgestegen vanaf vliegveld Venlo. De Stirling stortte neer in een aardappelveld tussen de boerderijen van de families Van Lochem aan de Huisstededijk en Ter Horst aan de Veldweg.

    Van de zeven bemanningsleden overleefden slechts twee de crash. Zij werden later bij Hemden gevangen genomen en brachten de rest van de oorlog door in Duitse krijgsgevangenschap. De overige vijf bemanningsleden kwamen om en werden op 29 juni 1943 met een korte plechtigheid begraven op begraafplaats Berkenhove in Aalten.

    De volgende dag trokken veel Aaltenaren naar de begraafplaats. Op het middelste graf legden ondergrondse strijders een krans met linten neer met de tekst: ‘Gebroken vleugels, onsterfelijke roem’. Op last van de bezetter moest deze woorden verwijderd worden, maar ze leven voort op het monument.

    De omgekomen bemanningsleden zijn:
    F/O. B.H. Church, 21 jaar
    Sgt. W. Th. Davis, 21 jaar
    Sgt. F. Mills, 20 jaar
    Sgt. W.H. Thompson, 21 jaar
    F/O. J.F. Tritton, 28 jaar

    Overlevenden, maar gevangen genomen:
    • F/O. K.A. Nielson
    • Sgt. E.G. Taylor

    Het monument

    In 2003 werd een monument onthuld op de plek waar een van de lichamen van de bemanningsleden werd gevonden, nabij de fietsbrug over de beek aan de Huisstededijk. De maker, Wim Westerveld, gaf het de naam ‘Vliegen voor de vrede’ en creëerde een kunstwerk dat meerdere lagen van symboliek bevat.

    Het monument bestaat uit een witte stenen bol met daarop een metalen sculptuur dat vanuit bepaalde gezichtshoeken een duif voorstelt en vanuit andere hoeken vlammen. De bol rust op een schuin de grond in stekende metalen buis, waarop een plaquette is bevestigd. Bij de onthulling van het monument  was één van de twee overlevenden, navigator Edwin Taylor (1922) aanwezig.

    Betekenis

    Het beeld stelt de aarde voor met daarop een vredesduif, die het verlangen naar vrede symboliseert. Vanuit bepaalde gezichtshoeken verandert de duif echter in vlammen, die de tragische gebeurtenis van de crash en de vurige toewijding van de bemanning aan hun missie symboliseren. De vlammen verwijzen ook naar het vuur dat het vliegtuig aan bommenlast met zich meebracht. De gebroken vleugels op het monument staan symbool voor de abrupt geëindigde missie van de bemanning.

    Het monument dient niet alleen ter herinnering aan de bemanning van de Stirling BK 767, maar draagt ook een bredere boodschap uit. Het fungeert als een waarschuwing tegen oorlog en herinnert ons aan de vrijheid die we vandaag de dag genieten. Het roept op om zuinig te zijn op deze vrijheid en om die ook anderen te gunnen.

  • Boerderij- en Veldnamen in Aalten

    Boerderij- en Veldnamen in Aalten

    Een zeer waardevolle bron van informatie voor Oud Aalten is de publicatie Boerderij- en Veldnamen in Aalten. Het is een belangrijk naslagwerk van toponiemen in de gemeente Aalten, vóór de gemeentelijke herindeling met Dinxperlo in 2005.1 Het biedt inzicht in de namen van boerderijen en percelen, zoals deze vaak eeuwenlang in gebruik waren, voordat ruilverkaveling en modernisering hun stempel drukten op het landschap.

    Doelstelling en Inhoud

    Het primaire doel van deze uitgave was het vastleggen van historische boerderij- en veldnamen voor het nageslacht. Dit naslagwerk bevat een register met circa 750 boerderijnamen en meer dan 1650 veldnamen. Daarnaast biedt het talrijke foto’s, uitleg over de naamgeving en topografische kaarten.

    De informatie is verzameld door de Oudheidkundige Werkgemeenschap Aalten-Dinxperlo-Wisch (ADW), onder coördinatie van B.J. Dorrestijn. De uiteindelijke samenstelling is tot stand gekomen onder redactie van Loes Maas en de heer A.H.G. Schaars van het Staring Instituut in Doetinchem, dat later is opgegaan in het Erfgoedcentrum Achterhoek & Liemers (ECAL).

    Historisch Belang

    De boerderij- en veldnamen vertellen ons veel over de geschiedenis van het agrarische landschap in Aalten. Ze verwijzen vaak naar de ligging of het gebruik van het perceel, de families die er woonden of de beroepen die er werden uitgeoefend. En voor boeren was het praktisch om met een enkele naamsaanduiding aan te geven waar de arbeider, knecht of katerboer moest ploegen, eggen of zaaien.

    Veel van deze namen werden al eeuwen geleden in archieven en documenten genoemd, om bijvoorbeeld eigendom en bewoning vast te leggen. Sinds de ruilverkaveling zijn veldnamen echter in onbruik geraakt, en met de invoering van straatnamen in 1967 verminderde ook het gebruik van boerderijnamen. Voor genealogen en streekhistorici vormen ze echter belangrijke aanknopingspunten voor stamboomonderzoek en de bestudering van de streekgeschiedenis.2

    Beschikbaarheid

    Hoewel de publicatie niet meer nieuw verkrijgbaar is, zijn tweedehands exemplaren nog te vinden via antiquariaten en particuliere aanbieders.

    Omvang: 112 pagina’s

    Formaat: 297×210 mm (A4), liggend

    Samenstellers: B.J. Dorrestijn (coördinatie); Loes H. Maas, A.H.G. Schaars (redactie)

    Uitgever: Staring Instituut / Mr. H.J. Steenbergen-Stichting / Oudheidkundige Werkgemeenschap ADW, 2002

    ISBN: 90-73667-53-4

    Voetnoten


    1. In 2024 werd Boerderij- en Veldnamen in Dinxperlo gepubliceerd (bron) ↩︎
    2. Zie ook: Aaltense boerderijnamen verklaard ↩︎
  • Federatie Aaltense Middenstand (FAM)

    Federatie Aaltense Middenstand (FAM)

    De Federatie Aaltense Middenstand (FAM) was een actieve ondernemersvereniging in Aalten, opgericht in 1949 en later opgegaan in andere ondernemersverbanden. Gedurende haar bestaan speelde de FAM een belangrijke rol in de promotie van het lokale winkelgebied, de organisatie van acties voor het winkelend publiek en het behartigen van de belangen van de middenstand.

    Direct na de Tweede Wereldoorlog startte in mei 1945 een Vereniging van Aaltense manufacturiers en kleermakers. In die periode telde Aalten meer dan veertig textielwinkels. Uiteindelijk fuseerden deze ondernemers in 1949 tot de Federatie Aaltense Middenstand (FAM). Bij de oprichting telde de FAM 105 leden. Grote winkelbedrijven en landelijke ketens die zich in Aalten vestigden, sloten zich meestal niet aan.

    Bestuur en leden

    Op een foto uit 1974, gemaakt ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van de FAM, staan bestuursleden afgebeeld uit de eerste tijd. De namen die zijn vermeld:

    • Zittend: H.J. Weijers (banketbakkerij en lunchroom) – Wim Leerink (textielhandelaar aan de Kerkstraat) – H.Th. Jansen
    • Staand: Geling (winkel in huishoudelijke artikelen en galanterieën) – Van Wal (boekhandel aan de Landstraat)

    Activiteiten en publieke profilering

    De FAM was zeer actief in het winkel- en maatschappelijke leven van Aalten:

    • In de feestmaand december werden onder andere de winkelstraat feestelijk verlicht en begeleidde de FAM de intocht van Sinterklaas.
    • Een bekende actie was de “FAM-actie”: klanten bij aangesloten winkeliers kregen bij aankoop zegels cadeau, die op een spaarkaart konden worden geplakt. Bij inlevering van volle kaarten konden geldprijzen van 5 tot 250 gulden worden gewonnen.
    • Buiten het winterseizoen organiseerde de FAM ook een restantenmarkt in de zomer. Daarnaast werd de vereniging betrokken bij overleggen over de inrichting van het winkelgebied van Aalten.

    Neergang en opvolging

    Na verloop van tijd daalde het aantal leden en werd het steeds moeilijker bestuursleden te vinden. In 1999 organiseerde de FAM voor het laatst een grote consumentenbeurs in Activiteitencentrum De Pol, waarbij alle aangesloten deelnemers aanwezig waren. De bekende darter Raymond van Barneveld gaf een demonstratie.

    Tegenwoordig zijn de ondernemers verenigd in de NOVA (Nieuwe Ondernemers Vereniging Aalten).

    Bronnen


    • Oplossing zoekplaatje, Aalten Vooruit, 14 juni 2020. (aaltenvooruit.nl)
    • “Zoekplaatje: wie kent de bestuursleden van de FAM”, Aalten Vooruit, 4 oktober 2020. (aaltenvooruit.nl)
    • “FAM‐Jubileum Consumentenbeurs Aalten, archieffilm uit 1999”, YouTube. (youtube.com)
  • Aalten wereldnieuws door BSE

    Aalten wereldnieuws door BSE

    Op 11 april 1996 was Aalten even wereldnieuws. Bij slachthuis Kropveld-Schipstal Aalten (KSA) zouden 64.000 duizend Britse kalveren worden gedood. Dit gebeurde op last van het ministerie van Landbouw vanwege de mogelijke besmetting met de ‘gekke koeienziekte’, oftewel BSE.

    Nooit in de Nederlandse geschiedenis waren kalveren met zoveel vertoon naar het abattoir vervoerd als de eerste 108 stuks vee, die op deze dag van de Veluwe naar Aalten werden gebracht. De operatie die zes weken zou duren maakte veel los in Nederland en daarbuiten.

    Voor KSA was het slachten van de 64.000 kalveren een omvangrijke, en zeker ook financieel aantrekkelijke, klus. Het bedrijf slachtte normaliter wekelijks 2.000 kalveren voor de Japanse markt. Die werkzaamheden werden zes weken stilgelegd voor deze speciale opdracht, waarbij circa 10.000 kalveren per week moesten worden geslacht.

    Demonstraties

    De vrachtwagens waarin de dieren de gang naar de slachtbank maakten, werden begeleid door twee commandowagens van de ME. Aangekomen bij KSA werden ze opgewacht door een menigte van actievoerders en nieuwsgierigen. Leden van organisaties die opkwamen voor het welzijn van dieren, zoals de Vegetariërsbond, Lekker Dier en PETA hadden met spandoeken en sandwichborden post gevat bij het hek van het slachthuis. Aan de metalen poort hing een grafkrans, op straat lagen houten kruisen en de demonstranten droegen zwarte kleding.

    Toen de eerste drie vrachtwagencombinaties met kalveren het ijzeren hek van KSA naderden, zwelde het gejoel van de menigte aan. “Moordenaars, moordenaars”, scandeerde een bonte mengeling van dierenbeschermers en autochtone pubers in de richting van de chauffeurs. Een halve minuut later viel het hek weer in het slot. De slacht kon beginnen.

    De particuliere bewakingsdienst die door de directie van KSA was ingehuurd nadat er daags tevoren een bommelding bij het bedrijf was binnengekomen, zorgde ervoor dat geen van de demonstranten het terrein van het slachthuis kon betreden. Toen het hek weer dicht was, zeeg een jeugdige PETA-sympathisante ineen en liet haar tranen de vrije loop. Een groepje autochtonen reageerde onverschillig op het stille verdriet. Wijzend op de piercing die het meisje door haar onderlip had laten aanbrengen, lispelde een zwaarlijvige Aaltenaar: “Een stuk touw door die ring en ze valt niet op tussen die kalveren…”

    Persconferentie

    Op de dag van de aankomst van de eerste Britse kalveren werd een perscentrum ingericht in café De Driesprong. Burgemeester Tijme Bouwers zat de persconferentie voor. De gemeente Aalten zorgde voor logistieke maatregelen om de tientallen vrachtwagens die de duizenden kalveren dagelijks aanvoerden vrij baan te geven. KSA-directeur H. Swinkels benadrukte dat er in verband met de mogelijke risico’s op besmetting stringente veiligheidsmaatregelen waren genomen.

    Om zichzelf te kunnen overtuigen van het feit dat het slachten een voor de dieren pijnloze en vanwege de genomen maatregelen voor het personeel risicoloze bezigheid was, mochten journalisten later op de middag een kijkje nemen in de slachterij. In speciale overalls die na gebruik werden vernietigd, voerde de tocht onder meer langs de slachthal en de speciaal gekoelde opslagsilo’s voor het bloed. Deze stroperige massa – in totaal 450.000 liter – werd in tankwagens afgevoerd naar Rotterdam om te worden verbrand. De kadavers gingen dagelijks in verzegelde containers naar bedrijven in Son en het Friese Bergum.

    Na een aantal hectische dagen keerde de rust in Aalten weer.

  • Een wandeling voor binnenzitters

    Een wandeling voor binnenzitters

    Trouw, 9 december 1995

    door Marleen van Swigchem

    Een wandeling door Bredevoort Boekenstad - Trouw, 09-12-1995
    Trouw, 9 december 1995

    Een zinnig mens gaat met dit weer toch niet wandelen? Die kruipt toch lekker met een boek bij de kachel? Nou vooruit, een klein ommetje dan. En klein is het, Bredevoort. Al timmert het als Boekenstad nog zo aan de weg, het is niet te verhullen dat je er in een uurtje doorheen bent. Exclusief de boekwinkels, uiteraard, want die zijn ad libitum.

    Het is Bredevoorts derde jaar als Boekenstad. Beschermheer Jan Terlouw verrichtte in augustus 1993 de opening. Dit winterseizoen worstelen de handelaren een beetje met malaise. Het eerste nieuwtje is er af, de subsidies drogen op. Maar drie jaar is kort. „Vijf jaar moet je het minimaal geven. We begonnen met zes boekhandels en zitten nu op ruim twintig”, zegt de onvermoeibare Henk Ruessink van de Stichting Bredevoort Boekenstad. „Er is nog niemand gestopt. Sterker nog, er staat geen huis meer leeg hier”.

    Het grote voorbeeld is Hay-on-Wye in Wales, waar per jaar zo’n 700.000 bezoekers komen, net zo’n historisch stadje in een rustige grensstreek. Hier in Bredevoort snuffelden het afgelopen jaar 50 à 60.000 mensen rond. De drie stadsgidsen hadden er hun handen vol aan.

    Bredevoort is wel wat gewend op geletterd gebied. Uit de archieven is op te maken dat er in het midden van de zeventiende eeuw niet minder dan acht afgestudeerde meesters in de rechten werkzaam waren: de heerlijkheid Bredevoort fungeerde als bestuurscentrum voor een fors stuk Achterhoek; Aalten en Winterswijk bijvoorbeeld behoorden ertoe. En, met zijn ligging op de route tussen Gelre en Munster, was het een vestingstadje van betekenis.

    Van de middeleeuwen is, afgezien van het patroon van de smalle straatjes, weinig meer merkbaar. Op het beginpunt van de wandeling lag vroeger het slot Bredevoort. Nu staat er het gebouw Boek op ’t Zand, een voormalig schoolgebouw dat nu onder meer als onderkomen dient voor de Stichting Bredevoort Boekenstad en het streekdocumentatiecentrum. Waar nu ’t Zand is, was een brede gracht. Aan de overkant daarvan lag de voorhof waar de borgmannen hun woningen hadden. Het halve stadje is in 1646 – Bredevoorts rampjaar – bij een ontploffing in het kruithuis van de aardbodem verdwenen, waarna, op de middeleeuwse fundamenten, Bredevoorts tweede leven als garnizoensstad begon.

    Op de Markt is een voormalige bakkerij tot antiquariaat omgebouwd. Om de hoek bij het hervormde St. Joriskerkje, in de Boterstraat, heeft de eigenaar van Het Oplettende Lezertje, de eerste antiquaar die de sprong naar Bredevoort waagde, een onderkomen gevonden in de voormalige boterfabriek. En zo gaat het verder: in de Hozenstraat is het aantal aangedane antiquariaten, dezes in het Boekencentrum meegeteld, al opgelopen tot elf. „Je zit met z’n allen op een kluitje, ja. Maar dat heeft ook zo zijn voordelen voor de handel”, meent de een. „En bovendien, antiquaars moeten altijd bij elkaar zitten, anders gaan ze dood, denken ze”, vult een ander aan.

    Wie eens even iets anders wil dan dat gedrentel, kan een stukje buitenom lopen, langs het bolwerk. Terug binnendoor, langs het theekoepeltje in de tuin van het St. Bernardus verzorgingshuis, destijds het huis van de rentmeester. Naast het St. Bernardus ligt Emergo, met een filiaal van de Amsterdamse vrouwenboekhandel Vrouwenindruk. Verderop, in de Prinsenstraat, heeft de fietsenmaker zijn huis van onder tot boven met boeken volgestouwd. Zo zijn beide categorieën ruim vertegenwoordigd: die van meer marktgerichte tweedehandsboekhandelaars, en die van de gevestigde winkelantiquaars (zoals Bucher Mammut, met een mooie collectie Duitse bijbels) die het vooral moeten hebben van catalogi en meer gerichte zoekers.

    Bij het knooppunt van straatjes vlak bij de roomse kerk mondt een van de steegjes uit in een smal paadje dat naar een restant van de begroeide vestingwallen voert. De korenmolen steekt er boven het stadje uit. Ter hoogte van de Koppelstraat heeft u, ruwweg geschat, uw zestiende antiquaar te pakken: Ovidius, gespecialiseerd in onder meer Bigglesboeken. Genoeg voor vandaag. Gauw terug naar de warme kachel – waarbij aangetekend wordt dat ‘gauw terug’ een eufemisme is voor hen die met het openbaar vervoer kwamen. Een treurige toestand; terecht hoog genoteerd op de agenda van Bredevoort Boekenstad.

    Bron