Categorie: Tachtigjarige Oorlog

  • Gooswijn van der Lawick

    Gooswijn van der Lawick

    Kapitein en drost van Bredevoort

    Gooswijn van der Lawick of Goosen van der Lauwick (Diepenheim, ca. 1547 – Bredevoort, 23 juni 1629) was kapitein, heer van Geldermalsen, leenman van ter Hegge en ten Velde, drost van Bredevoort en lid van het ridderschap van Zutphen en Nijmegen.

    Gooswijn was een zoon van Goossen van der Lawick, heer van Geldermalsen en drost van Buren, en van Anna van Asperen van Vueren. Hij trouwde met de weduwe van Floris van Buckhorst, Joanna Bentinck en werd daardoor ook beleend met kasteel en heerlijkheid Buckhorst bij Zalk in Overijssel. Twee van zijn zoons, Christoffel en Georg Nicolaas, zouden later ook drost worden van Bredevoort.

    Staatse dienst

    Gooswijn van der Lawick maakte zich beroemd tijdens het beleg en ontzet van Bredevoort in 1606. Nadat de Spanjaarden Bredevoort wisten te overrompelen kon de burgerij en garnizoen het kasteel Bredevoort op vluchten om daar de verdediging van de stad voort te zetten in afwachting van een ontzet van omliggende Staatse legers. De Spanjaarden hadden echter geen kruit en kogels. Die waren toevallig daags tevoren door Gooswijn van der Lawick binnen het kasteel gebracht. Daardoor lukte het de Spanjaarden niet om het stadje in te nemen, ze raakten zonder munitie. Van der Lawick nam als bevelhebber in 1629 ook deel aan de Inname van Wesel, samen met Wolf Mislich.

    Bronnen


  • Wolf Misslich († 1639)

    Wolf Misslich († 1639)

    Militair en gouverneur van Bredevoort

    Kapitein Wolf Misslich was in het begin van de 17e eeuw bevelhebber van het Staatse garnizoen in Bredevoort. In 1629 nam hij deel aan de inname van Wesel, waarvoor hij door de Staten-Generaal werd beloond. Nog datzelfde jaar werd hij benoemd tot gouverneur van de heerlijkheid Bredevoort. Zijn omvangrijke nalatenschap aan de armen maakte hem tot een van de grootste weldoeners uit de geschiedenis van het stadje.

    Van soldaat tot gouverneur

    In augustus 1629, tijdens de Tachtigjarige Oorlog, kregen Gooswijn van der Lawick en Wolf Misslich (respectievelijk drost en militair bevelhebber van Bredevoort) van prins Frederik Hendrik het bevel met zeshonderd soldaten naar Emmerik op te trekken om deel te nemen aan de inname van Wesel, een belangrijke vestingstad die in handen was van de Spanjaarden.

    Misslich en zijn troepen veroverden twee Spaanse schansen aan de Lippe. Voor zijn verdiensten ontving hij van de Staten-Generaal een gouden penning ter waarde van honderd rijksdaalders.1

    Na deze militaire successen werd Mislich benoemd tot gouverneur van Bredevoort, een strategisch gelegen vestingstad in het oosten van Gelderland.

    Familie, nalatenschap en liefdadigheid

    Misslich wordt in een akte van 27 juni 1629 aangeduid als “van Paterborn” (Paderborn), wat erop wijst dat hij daar vandaan kwam.2 Hij was aanvankelijk gehuwd met Catharina van Jeveren; uit dit huwelijk werd dochter Anna Margaretha geboren. Anna Margaretha trouwde met kapitein Robert van Giffen; zij kregen een dochter Catharina. Zowel Anna Margaretha als haar dochter overleden in de zomer van 1639, kort vóór Misslich zelf. Na de dood van zijn eerste vrouw was Misslich hertrouwd met zijn dienstmeid Nelleke Servaes.3

    In een wilsbeschikking van 26 december 1628 liet Misslich al zijn filantropische kant zien. Hij legateerde daarin onder andere 500 Carolusgulden aan de armen van Emmerik; hij benoemde zijn dochter Anna Margaretha tot erfgename van zijn overige goederen en bedacht daarnaast zijn neef (naamgenoot sergeant Wolf Misslich) vijfhonderd gulden, zijn — toen nog — dienstmeid Nelleken driehonderd gulden en zijn knecht Jurrien twintig rijksdaalders en een mantel.4

    Zijn liefdadigheid kreeg in de jaren daarna steeds meer vorm. In 1637 kocht hij van de Gedeputeerden van de Graafschap Zutphen een huis met schuur, hof en toebehoren binnen de stad Bredevoort, met de bepaling dat het pand na zijn overlijden zou toekomen aan de armen.5 Op 13 juli 1639 vermaakte hij 6.000 Carolusgulden aan het Nieuwe Weeshuis in Zutphen en 100 rijksdaalders aan de armen van Lochem.6

    Het bekendste deel van zijn nalatenschap ging echter naar de armen van Bredevoort. Volgens zijn testament liet hij zijn huis, hof en bijbehorende gronden na aan de armenzorg van de stad — een schenking die werd later geschat op 15.000 gulden, in die tijd een bijzonder groot bedrag. Deze gift gaf aanleiding tot het lokale gezegde: “De armen van Bredevoort bunt rieke.” 7

    Het huis van Misslich stond vermoedelijk in de buurt van het Ambthuis. De huuropbrengsten van het pand kwamen volledig ten goede aan de armenzorg. Tot in de negentiende eeuw werd het fonds dat uit zijn nalatenschap voortkwam nog beheerd door diakenen en provisoren van de kerk. In 1808 vertegenwoordigde het fonds nog altijd een waarde van ruim 6.000 gulden.

    Een van de gronden die aan de armen van Bredevoort toekwam, was het Erff und Guedt Lenckhoff in Aalten, dat Misslich in 1638 van graaf Georg Ernst van Limburg Stirum had gekocht.8 Dit landgoed lag in het gebied tussen de huidige Bodenvoor, Bredevoortsestraat en Haartsestraat (later bekend als Lankhaverstegge) en strekte zich uit tot aan het Smees. De Lankhofstraat is er naar vernoemd.

    Overlijden

    Op 1 augustus 1639 droeg Misslich een deel van zijn bezittingen over aan zijn schoonzoon Robert van Giffen, waaronder een goed in Nieuw Vossemeer bij Steenbergen en aanzienlijke renten op de Veluwe en Emmerich.9

    Kort daarna overleed Misslich; op 17 augustus 1639 werd zijn testament geopend.10 Hij werd begraven in de Sint-Joriskerk te Bredevoort.11

    In 1661 wordt hij in de archieven nog genoemd als “de gestrenge en manhaftige gouverneur” in verband met de verkoop van een huis “tot profijt der armen”.12

    Wolf Misslich was niet alleen een bekwaam militair en bestuurder, maar ook een man met een groot sociaal geweten. Zijn gulle schenkingen zorgden ervoor dat de armen van Bredevoort generaties lang steun ontvingen. Bijna vier eeuwen na zijn dood leeft zijn naam nog voort in de geschiedenis van het stadje dat hij diende.

  • Jan Holstein

    Jan Holstein

    Voogd van Aalten (16e eeuw)

    Tijdens de tachtigjarige oorlog werd de Oostgelderse bevolking regelmatig geteisterd door rondtrekkende legers. Plundering, brandschatting en verkrachting dreef de boeren en dorpsbewoners tot wanhoop. Jan Holstein was destijds Voogd van Aalten en al stond hij vrij machteloos, hij sprong wel in de bres voor de Aaltense bevolking en deed zijn best om de plunderingen te laten stoppen.

    In 1588 waren er vredesonderhandelingen gaande tussen de hertog van Parma en koningin Elisabeth van Engeland, welke laatste ook de Staten daarin tracht te betrekken. Daarop doelend schreef Holstein aan Gotfried Gerardi, raadsman van de pandvrouwe van Anholt: “Ik hoop maar, dat de vurig gewenschte vrede tot stand kome; dan zouden deze arme schapen weer moed kunnen vatten. Ze ploegen meerendeels met koeien, die ze nog overhielden, het land en arbeiden als muilezels. Wij steken diep in de schulden en kunnen geen geld meer krijgen; ook mijn crediet is ten einde. Moge God ons nog voor den oogst uitkomst geven, opdat het koren veilig binnengehaald kan worden. Anders zou ik geen raad weten.

    G.H. Rots schreef in 1938 hoe Jan Holstein om het leven kwam:

    “De Voogd van Aalten, Jan of Johan Holstein, die voor de Aaltensche bevolking herhaaldelijk in de bres sprong, is op een eigenaardige manier omgekomen. Wij lezen daarvan in “Het Oude Kerspel Winterswijk” dat op den 11en Juni 1589 ten huize van een zekeren Grevink op ’t Walfort bij Aalten een doopfeest werd gehouden, waar ook de Voogd van Aalten aanwezig was, nog wel als peetoom der kleine. Ook waren aanwezig de Heeren van ’t Walfort en Lintelo, (de heeren van Lintelo waren ook eigenaar van ’t Walfort).

    De Voogd van Aalten had promotie gemaakt, hij was na het overlijden van ‘Hendrik van den Bungard’ Landschrijver geworden van de Heerlijkheid Bredevoort. Dit nu schijnt een doorn in het oog der heeren van Lintelo te zijn geweest, althans men begon daarover een twistgesprek, waarbij Holstein wel merkte dat de gebroeders van Lintelo geen gemakkelijke heeren waren.

    Holstein probeerde ongemerkt den feestdisch te verlaten en liet zich ongemerkt onder de tafel glijden. Hij kroop op handen en voeten naar de deur en maakte zich snel uit de voeten. Maar Diederik van Lintelo had dat in de gaten, liep Holstein na en wierp hem allerlei hatelijkheden naar het hoofd. De twist werd erger. Holstein beweerde dat de Pandvrouw het recht had Landschrijvers te benoemen en Diederik van Lintelo kende dat recht toe aan de Edelen in de Heerlijkheid. Het gevolg was dat er handtastelijkheden ontstonden, waarbij Diederik van Lintelo een korte degen trok en Holstein hiermede verwondde. De verwonding was zoo erg, dat de Voogd drie dagen later overleed.

    Deze zaak kwam voor het Bredevoortsch gerecht op 5 Augustus van dat jaar. De beklaagde was niet aanwezig. Hij was naar Bocholt gevlucht en hield zich daar schuil. Bij verstek werd hij ter dood veroordeeld en betaling van 1000 gulden boete aan de Pandvrouwe. En om nu dat geld te krijgen werd aan de pachters van Diederik van Lintelo medegedeeld, dat zij de pacht aan den rentmeester der Pandvrouwe moesten betalen zoolang tot de som der boete bijeen was.

    Die pachters waren ‘Ruwenhoeven’, Hendrik Penmenger, ‘Winkelhorstinck’, ‘Swijtinck’, ‘Lanckhof’, ‘den Herinck’ en ‘den Poll’. Door bemiddeling van eenige invloedrijke personen o.a. den Prior van Klooster Schaer, Johanna van Dort, Hendrik en Clara van Lintelo, werden pogingen aangewend voor gratie. Die gratie is verleend, maar de boete moest hij betalen.

    Als voogd van Aalten werd benoemd de voogd van Dinxperlo Herman Poelhuis. Het schijnt dat deze tijdelijk benoemd is geweest want in 1605 wordt als voogd van Aalten genoemd Lubbert Spaltman.”

    Bronnen


    • Het oude kerspel Winterswijk, door B. Stegeman, 1927 (Delpher)
    • ‘Uit Aalten’s verleden’, door G.H. Rots, Aaltensche Courant, 4 maart 1938 (Delpher)
  • Het Spaanse zwaard Tholeta

    Het Spaanse zwaard Tholeta

    Bredevoort

    In 1964 werd bij graafwerkzaamheden op het terrein van smederij Klein Nibbelink, toen een nieuwe werkplaats werd gebouwd, van alles aangetroffen, zoals muurresten, grachtvulling, houten palen en een ijzeren vuurrooster. Maar de meest indrukwekkende vondst was een Spaans zwaard uit de Tachtigjarige Oorlog met de inscriptie ‘Tholeta’, latijn voor de stad Toledo in Spanje.

    Johan Klein Nibbelink heeft het zwaard in zijn bezit en vertelt erover in onderstaand filmpje.

    Bronnen


  • Brandschattingen in Aalten

    Brandschattingen in Aalten

    De Aaltense bevolking heeft in vroeger eeuwen regelmatig te lijden gehad onder brandschatting. Een brandschatting is een (meestal hoog) bedrag dat een dorp of streek aan doortrekkende troepen moest betalen om te voorkomen dat dezen het dorp of de streek plunderden en in brand staken.

    De betreffende soldaten kregen doorgaans onregelmatig soldij en werden vooral uit de brandschatting betaald. Als de bedragen niet konden worden opgebracht, voelden de troepen zich gerechtigd tot plundering en ander wangedrag. Aangezien er in tijd van oorlog vaak meerdere legers door een streek trokken leidde het opleggen van deze ‘oorlogsbelasting’ gewoonlijk tot bittere armoede. Daarnaast had de bevolking dikwijls ook nog te lijden van rondzwervende afgedankte huurlingen.

    Deze praktijk heeft vele gebieden niet alleen in de middeleeuwen geteisterd, maar ook bij diverse oorlogen in de 16e, 17e, en 18e eeuw. In bijvoorbeeld de randgebieden van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, zoals Noord-Brabant, Limburg en de oostelijke grensgebieden heeft het in genoemde eeuwen tot een grote economische en demografische terugval geleid.

    Historische beschrijving

    In 1938 schreef G.H. Rots een serie artikelen in de Aaltensche Courant over de geschiedenis van de gemeente Aalten. Zo schreef hij over brandschattingen in Aalten:

    “In de jaren voor 1597, het jaar van de verovering van Bredevoort door Prins Maurits was Bredevoort geregeld in ’t bezit der Spanjaarden geweest. Men moet echter niet meenen dat toen pays en vree was in het Ambt Bredevoort. Geregeld trokken voordien troepen door en in Bredevoort en de bijbehoorende Ambten. Het dorp Aalten had bijzonder van die doortrekkende troepen te lijden. Over het mijn en dijn werd niet lang geredetwist. De soldaten namen maar wat van hun gading was en herhaaldelijk werd het Ambt Aalten gebrandschat, d.w.z. opgedragen om een aantal paarden, koeien of geld aan de doortrekkende troepen af te dragen.

    Men kon het ook op een accoordje gooien met de roovende benden en kon men door een som gelds te geven, het in beslag nemen van vee en paarden voorkomen. Als bewijs hoe Aalten te lijden had onder die herhaaldelijke invallen en rooverijen, wordt het volgende daaromtrent vermeld.

    In 1582 op den 2en Maart kwamen Engelsche ruiters in Aalten en namen 16 personen gevangen. Deze gevangenen zijn weer in vrijheid gesteld nadat zij een losgeld hadden betaald van 2000 gulden.

    Een eerzaam burger, genaamd Hondarp werd echter naar Zutphen getransporteerd maar is later tegen een losgeld van 200 daalder weer vrijgelaten. Genoemden Hondarp zijn zoon werd den 17en October toen hij zich te Doetinchem bevond, gevangen genomen. Hij was te paard naar Doetinchem gereden en het schijnt dat aan zijn uiterlijk wel te zien is geweest dat het hem niet aan middelen ontbrak, want hij kon zijn vrijheid weer terugkrijgen tegen betaling van 100 daalder en afgifte van zijn paard.

    Den eersten December van dat jaar kwamen soldaten uit Lochem en eischten 100 daalder, dan zou er niet geroofd worden. Met Hondarp ging het niet voor den wind want den 15en januari 1583 werd hij met zijn vrouw en zoon gevangen genomen. Men kon toen niet meer dan 60 daalder van hem loskrijgen, waarvoor zij tenslotte de vrijheid herkregen. In Maart van dat jaar kwamen er weer een groep soldaten uit Doetinchem en roofden ‘op den Pas’ een aantal paarden. De eigenaren konden ze weer terug koopen voor 51 daalder, uitgezonderd het beste paard, dat de soldaten meenamen.

    Den 29sten Mei kwamen de Doetinchemmers al weer en roofden een paard en een koe, maar men betaalde dezen keer geen losgeld, waarschijnlijk met de gedachte: als ze geen geld krijgen komen ze niet zoo gauw terug. Maar den anderen dag was ’t alweer van ’t zelfde laken een pak, men roofde 3 paarden. De losprijs werd minder want nu behoefde men maar 9 daalder te betalen, waarmede de heeren soldaten tevreden waren.

    Het garnizoen te Doetinchem zat echter het rooven in ’t bloed want ze kwamen telkens te Aalten. Der 18en Juni stalen ze drie paarden, losprijs 13½ daalder.

    Den 10en had men ze alweer en nu eischten ze 3 paarden, 2 koeien 2 vaarzen en 3 stieren. De vaarzen werden geslacht en getaxeerd op 10 daalder. De rest werd teruggekocht voor 10 keizer gulden en de stieren voor 10 daalder.

    Den 14en Juni roofde men één paard, hetwelk teruggekocht voor 3 daalder en 18 stuiver. Het zou nog erger worden, want reeds twee dagen later kwamen soldaten uit Bergh, Doetinchem en Nijmegen en roofden 41 paarden, 4 ossen, 33 koeien en 37 stuks gustvee. Een gedeelte daarvan kon slechts teruggekocht worden voor 674 daalder.

    En nu volgden meerdere beroovingen. Den 19en Juli door soldaten van Bronckhorst 20 paarden. Den 11en Augustus Wederom 6 paarden. Den 14en September soldaten uit Ulft, geroofd 3 koeien, waarvoor een losgeld door de eigenaar werd betaald van 15 daalder.

    Den 17en September kwam een vendel soldaten onder aanvoering van een zekere Stael en namen in beslag 11 koeien, 40 paarden, 40 stuks groot vee en 12 ossen. Het beste vee namen zij mee en de rest werd teruggekocht voor 419 daalder. Tot nu was het altijd levende have geweest maar den 15en December kwamen Lochemsche soldaten en eischten 8 paarden en 2 karren boekweit. Den 15en Maart van ’t volgende jaar reed door den IJzerloschen esch een voerman met een wagen met rogge, bespannen met 2 paarden. Eenige ruiters uit Bergh en Doetinchem namen de heele boel in beslag en de voerman zag zijn bezit meegenomen.

    Thans begon men weer huisvaders gevangen te nemen. Men liet ze vrij voor een losprijs of voor andere gevangenen, die te Bredevoort in den kerker zuchtten. Direct na Pinksteren werd een groote inval ondernomen en werden vele paarden en koeien in beslag genomen en gedeeltelijk weer teruggekocht. Vervolgens den 9en Juni, den 20sten Juni en den 24sten Juni, telkens invallen en rooverijen van paarden en vee.

    En nog was de maat niet vol. De bevolking van Aalten had het zwaar te verduren, want den 13en en 14en Juli 1584 heeft men in de gemeente Aalten 15 menschen gevangen genomen en 600 stuks vee en paarden geroofd. De gevangenen zijn tegen een losgeld van 1100 gulden weer in vrijheid gesteld. Wie zal peilen de smart der bevolking van die dagen.

    Door al die genoemde strooptochten werden de menschen angstig. Zij durfden bijna niet meer met paard, os of ander dier buiten te komen, van alle kanten was er gevaar te duchten. In alle vestingen in den omtrek lagen soldaten, en wanneer deze wat noodig hadden, ging ze op rooverij uit. Het was midden in den oogsttijd, maar de boeren lieten het graan op den akker staan; waarvoor zou men oogsten? Straks kwamen de vijandelijke en ook de Staatsche soldaten, want op dit gebied was het ‘lood om oud ijzer’, en roofden het bezit weg.

    Er waren ook boeren die de vlucht namen en trachtten in oostelijker gelegen streken een bestaan te vinden. Zij die hier bleven beklaagden zich bij de dorps overheid, maar wat zouden die er aan doen! In die jaren was een zekere Jan Holstein voogd van Aalten. Hij richtte smeekbrieven aan de Pandvrouwe van Anholt. Het schijnt echter dat deze ook onmachtig was een einde aan den toestand te maken, ’t Was oorlogstijd, en de soldaten, meest huurlingen en vrijwilligers, die op tijd geld, eten en drinken eischten. En wanneer de legerleiding dat niet op tijd kon verschaffen, dan probeerden de soldaten door plundering en rooven het zelf te bemachtigen. De bevolking werd er de dupe van.”

    Inkwartiering

    “Bij al die narigheid kwam dat men de garnizoenen ontlastte van soldaten en ze inkwartierde bij de boeren en bewoners der dorpen. Zelf hadden de menschen al bijna niet te eten, en als men soldaten ingekwartierd kreeg, speelden die op wanneer ze niet voldoende eten kregen. Als men levensmiddelen had werden die grotendeels verstopt, want anders werd alles binnengepalmd. Tot overmaat van ramp werd aan de bevolking een extra belasting opgelegd. De Pandvrouw moest geld hebben en de Rentmeesters trokken rond om de gelden te innen; maar overal was armoede en gebrek.

    Dan scheen het weer of er rust zou komen en hoorde men in een jaar niets. Maar plotseling kwam ze weer opzetten. Zooals in den zomer van 1586 en het rooven begon weer. De Aaltensche boeren hebben toen de plunderaars achterna gezeten tot Enschede en Oldenzaal. Ze wilden hun geroofd vee terug hebben. Ze moesten onverrichterzake teruggaan en het leed was bijna niet te dragen.

    Een der ergste bezoekingen was als de soldaten hun vrouwen en kinderen meebrachten. Dan moest die ook nog wat te eten gegeven worden. In Januari 1587 zou er weer zoo’n troep gedeeltelijk in Aalten ingekwartierd worden. De schrik sloeg de bevolking om het hart. Men hoorde dat het huurlingen waren uit Walen in België, welke berucht waren om hun woestheid en wreedheid. Voorposten waren al uitgezonden want men vermoedde dat er Geuzensoldaten in den omtrek waren. Op een Zondagmorgen kwam zoo’n voorposten troep van 20 man te Aalten, onder aanvoering van den landdrost Thieseling. Zij trokken door naar Bocholt waar een Spaansche afdeeling ruiterij was aangekomen onder bevel van Overste Taxis.

    De verkenning had uitgemaakt dat er geen Staatsche- of Geuzensoldaten te zien waren en dus werd afgesproken maar weer terug te rijden tot Groenlo en dan de inkwartiering te bewerkstelligen. Maar tusschen Aalten en Bocholt werd zij plotseling door de Geuzensoldaten overvallen en een hevige strijd ontbrandde. De Geuzen bleven overwinnaar en de schrik zat er nu in. De gevreesde inkwartiering kwam niet.

    Bij Bredevoort schijnen behalve moerassen toch ook vruchtbare weiden geweest te zijn. Men had er namelijk een stadsweide op het Swanebroek en meerdere particuliere weidegronden. Maar in 1587 was alles kaal geweid door de paarden der vijanden, de weiden geheel kapot gereden en nadien was er een regenperiode gekomen en kwam alles onder water te staan, zoodat men dat jaar geen hooi heeft kunnen oogsten. Was men in ’t voorjaar verschoond gebleven van de inkwartiering, in December van dat jaar kwam plotseling ’n groot aantal ruiters uit Groenlo en roofden paarden, koeien en varkens. Zestig molder rogge en boekweit was ook van hun gading, benevens 43 wagenvrachten ongedorscht koren.

    Op den 26sten Maart 1588 waren het een aantal Staatsche soldaten die in Aalten plunderden. Zoo werd de bevolking dan van de kat en dan van de kater gebeten. De voogd van Aalten, Jan Holstein, schrijft op 9 Juni 1588 aan Godfried Gerardi, raadsman der Pandvrouw, een brief waarin hij memoreert den toestand in Aalten. Men kan den oogst niet veilig binnen halen. Er zijn Aaltensche burgers gevangen genomen en zitten elders in gijzeling. Er is geen geld om deze menschen los te koopen.

    Op den 4den Juli 1588 naderde een leger van 2000 infanteristen (voetknechten) en 300 ruiters Aalten. Zij trokken het dorp in en angstig vluchtten de bewoners in de huizen. Wat zal hen nu weer overkomen? Het bevel wordt gevoerd door de Spaanse stadhouder en veldoverste Verdugo en graaf Herman van den Berg. Het blijkt echter dat men op den doortocht is, richting Bocholt-Recklinghausen, zoodat Aalten ditmaal gespaard wordt voor inkwartiering of rooverijen.

    De Pandvrouwe zint op middelen om aan de rooverijen een einde te maken. Ze moet geld hebben om de soldij der soldaten te betalen en daarom besloot ze een extra heffing (extra belasting) in te voeren. Maar jawel, van een kikker zijn geen veeren te plukken. Aalten moet 70 daalder extra opbrengen, en de voogd van Aalten schrijft aan de Pandvrouw dat hij niet weet op welke manier hij deze som, die vroeger gemakkelijk te betalen was geweest, thans bij elkander zal krijgen. De bevolking lijdt honger, paarden en koeien zijn er haast niet meer en wat er nog is wordt weggeroofd.

    Ja, mijne lezers, wie zal de diepte van ellende peilen der ongelukkige bevolking, want niet alleen de genoemde bezoekingen treffen de bevolking. Het is of alles samenspant, het vernietigingssysteem te volbrengen, want terwijl de vruchten nog zoo’n beetje beloofden voor een goeden oogst, kwam er een geweldig onweer opzetten gepaard met zwaren hagelslag en vernietigde al de te velde staande gewassen. Hoe diep onze voorouders den drinkbeker der ellende moesten ledigen is niet te beschrijven en kan door ons, die wel klagen over slechte tijden, niet begrepen worden.

    Want nog meer wandaden zouden er gebeuren. De soldatenhorden die rondtrokken en vaak zich aan sterke drank te buiten gingen, dreigden vrouwen en dochters met onteering, wanneer hen niet gegeven werd wat ze eischten. In 1597 werd Bredevoort door Prins Maurits ingenomen. De ommekeer in het bewind was er wel gekomen maar daarbij nu niet de bescherming van hof en goed. Het bleef in het Ambt Bredevoort onrustig. De strijdkansen waren wisselend, maar soldaten waren soldaten, de eene groep mocht dan iets beter zijn dan de andere, in doorsnee kon men ze alle over een kam scheren.”

    Twaalfjarig bestand

    “Eerst in 1609 toen het twaalfjarig bestand werd gemaakt, kon de bevolking weer eenigszins op adem komen. Met de wisseling der krijgskansen waren ook de godsdienstige twisten opgelaaid. Zoolang de Spaansche overheersching er was, konden de Hervormers zich niet openlijk vertoonen. Nauwelijks was de krijgskans gekeerd of de ommekeer in de kerken vond ook plaats. De overwinnaars namen maatregelen tegenover de overwonnenen, die achteraf bezien niet te verdedigen zijn.

    Na het twaalfjarig bestand begon de strijd opnieuw weer te ontbranden. In Groenlo was nog altijd een bezetting Spaansche soldaten. Dat was daar een broeinest van slechte elementen. Zij trokken de buurtschappen rond en roofden weer alles wat hun slaagde. Den nieuwen Pandheer over deze gemeente Prins Maurits en later Frederik Hendrik, werd steeds om bescherming verzocht. Eindelijk den 17den Juli 1627 besloot Frederik Hendrik zijn onderdanen in de Graafschap te hulp te snellen. Een aanzienlijke legermacht van 55 escadrons ruiterij, 168 vendelen voetknechten en 75 kanonnen trok de Graafschap binnen, komende uit de richting Emmerik. Het beleg werd voor Groenlo geslagen en een hevige strijd is daar ontbrand tusschen belegeraars en belegerden.

    Nadat het beleg een maand geduurd had, nam Frederik Hendrik de stad in en vestigde hiermee het bewind in de Graafschap. Gedurende dertig dagen houdt Frederik Hendrik verblijf te Groenlo en bezoekt de plaatsen in den omtrek. Ook Aalten krijgt officieel bezoek van Frederik Hendrik. Hij sprak de bevolking moed in. Nadien heeft een Oranjetelg nooit een officieel bezoek aan Aalten gebracht. Als er te Aalten nog eens weer een naam moet worden gegeven aan een straat of plein, mag die wel heeten naar dezen bevrijder van het Aaltensche grondgebied. Want nadien is de rust weergekeerd, behoudens vergeleken bij vroeger kleine rooverijen, totdat in 1648 de vrede geteekend werd, waarbij een einde kwam aan den tachtigjarigen oorlog.”

    Bronnen


  • Inname van Bredevoort (1572)

    Inname van Bredevoort (1572)

    De Inname van Bredevoort in 1572 was de verovering van vestingstad Bredevoort, door een Geuzenleger onder leiding van Willem van den Bergh, gedurende de Tachtigjarige Oorlog. Het beleg duurde van 9 juni tot en met 20 juni en resulteerde in de succesvolle inname van de stad door de belegerende troepen. Het beleg maakte deel uit van de tweede invasie van Willem van Oranje, die gericht was tegen het ‘Spaanse’ Leger van Vlaanderen.

    Het was in de Tachtigjarige Oorlog en Bredevoort was onder Spaans gezag. Vanaf het najaar van 1570 waren er in de Achterhoek echter geruchten over een aanval van opstandelingen, ook wel Geuzen genoemd. Tot 1572 bleef het bij een dreiging. Na de inname van Den Briel op 1 april 1572 verzamelde Graaf Willem van den Bergh, de zwager van Willem van Oranje, in Wesel een leger van ongeveer 5000 manschappen. De bedoeling was om een veldtocht door de Achterhoek en langs de IJssel te ondernemen. Deze veldtocht ging gepaard met plunderingen van onder andere kerken en kloosters.

    Beleg

    Op 9 juni verscheen een trompetter voor de stadspoort die de stad wilde opeisen voor Willem van Oranje. De keuze bestond uit de eed afleggen voor de prins, of strijd. Er werd harde taal aan de eis toegevoegd, want als er strijd kwam zou de stad een bestorming te wachten staan waarbij niets en niemand gespaard zou blijven. Drost Jasper van Broeckhuijsen liet weten dat zij eerst de mening van pandheer Dirk van Bronkhorst-Batenburg wilden afwachten.

    Intussen had Willem van den Bergh de volgende dag de stad Zutphen ingenomen en had deze de nog niet veroverde steden brieven gestuurd met daarin de uitnodiging om naar Zutphen te komen om daar de eed af te leggen aan de prins. De drost van Bredevoort adviseerde burgers te gaan, maar dit advies werd niet opgevolgd.

    Van Broeckhuijsen wist de pandheer in Anholt er uiteindelijk wel van te overtuigen dat Bredevoort niet in staat was zich te verdedigen tegen de overmacht. Van Broeckhuijsen toog naar Zutphen om te onderhandelen. Op 19 juni werd een verdrag gesloten waarin huis, stad en heerlijkheid aan de prins werden overgeleverd, maar de pandheer in zijn rechten zou blijven.

    Inname

    Op 20 juni werd Bredevoort dan ingenomen en door Gisbert van Heerde bezet met zijn regiment Franse troepen. Jasper van Broeckhuijsen en alle ambtenaren van de heerlijkheid werden ontslagen en Jacob van der Capellen werd daarna als nieuwe drost geïnstalleerd. De rest van het leger trok verder naar het westen voor de inname van Doetinchem. Van rust was echter niet lang sprake.

    Intussen was Don Frederik met een groot leger in aantocht voor een strafcampagne en in november was Bredevoort opnieuw onderdeel van de strijd. Jacob van Bronkhorst, zoon van de heer van Anholt, nam op 20 november het stadje in voor de Spaansgezinde troepen van de hertog van Alva en zijn zoon Don Frederik. Een maand later plunderden de geuzen het kasteel Bredevoort, het klooster Schaer, de Sint-Joriskerk en in Winterswijk de Jacobskerk.

    Van den Bergh vluchtte na het Bloedbad van Zutphen naar Duitsland en ook de Geuzen die in Bredevoort waren vluchtten mee. Ze namen vijf kanonnen en munitie mee uit de stad. Pandheer Dirk van Bronkhorst-Batenburg kwam nu openlijk uit voor zijn Spaansgezindheid. Bredevoort zou onder Spaanse vlag blijven tot het beleg van 1597 door Maurits van Nassau, de latere prins van Oranje.

    Bron


  • Vestingstad Bredevoort

    Vestingstad Bredevoort

    De vestingstad Bredevoort kent een geschiedenis die teruggaat tot (tenminste) het jaar 945. In die tijd was Bredevoort niets meer dan een begaanbare doorgang te midden van een vrij ondoordringbaar moeras. Wel een zeer belangrijke doorgang, Bredevoort lag op de belangrijke handelsroute van Bocholt naar Zutphen.

    In de 13e en 14e eeuw ontwikkelde Bredevoort zich verder tot een belangrijke vestingstad. In 1350 kreeg Bredevoort muntrecht en in 1388 zelfs officieel stadsrechten en is er voor het eerst sprake van de stad Bredevoort: ‘onse borch, huys ende stat tot Bredervoert‘.

    Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) raakt Bredevoort betrokken bij de gevechten tussen de Staatse en Spaanse troepen en wordt het meerdere malen belegerd en veroverd. Na het beleg van Maurits van Nassau (de latere Prins van Oranje) in 1597 wordt een sterk Staats garnizoen in het stadje gelegerd. De band met het Nederlandse Koningshuis is door de loop der tijd onverminderd sterk gebleven. Koning Willem Alexander draagt nog steeds de officiele titel ‘Heer van Bredevoort’.

    Garnizoenstad Bredevoort werd onderdeel van de oostelijke verdedigingslinie en zodoende werden plannen gemaakt om de stad te versterken. De vesting werd versterkt en vergroot; een brede gracht werd aangelegd rondom de zes bolwerken Vreesniet, Treurniet, Onversaegt, Stoltenborg, Welgemoed en Ossenkop.

    De restanten van de vestingwerken aan de noord-westzijde van Bredevoort zijn in 1967 aangemerkt als Rijksmonument (nummers 6874 en 6875).

    Historische beschrijving

    In 1938 schreef G.H. Rots een serie artikelen in de Aaltensche Courant over de geschiedenis van de gemeente Aalten. Zo schreef hij over de vesting Bredevoort:

    “De geschiedschrijver Sloet vermeldt dat ’n 945 al sprake was van ‘Breitenfurt’. In oude stukken leest men ook van ‘Breitenfurt’, ‘Breyden-Oort’, ‘Bredevoorde’ of ‘Breevoort’. In den dagelijkschen omgang heet het thans ook nog wel ‘Brevoort’. Het woord zegt het al dat er sprake was van een verbinding van hooger gelegen gronden over lage gronden, water, moerassen, enz. Want om Bredevoort was alles laag land, vol met riet en biezen, dat bij heele droge zomers te begaan was en dan nog altijd op de hoogst gelegen gedeelten. En nu tusschen die moerassen was een verhoogde terp en daarop is vroeger de sterke vesting ‘Breevoort’ gebouwd. In doorsnede was het pl.m. 300 Meter, of ongeveer 10000 M2. Maar op dat plekje heeft zich in den loop der eeuwen heel wat afgespeeld.

    In het jaar dat we zooeven noemden, in 945, moest het stadje jaarlijks acht onzen zilver betalen aan het klooster te Fuldo. Doordat de vesting omgeven was door moerassen, was het al mee een der sterkste bolwerken en bijna niet te veroveren. Er waren twee toegangswegen, de ‘Aalterpoort‘ aan de Noord-West-zijde, ongeveer ter plaatse waar nu de R.K. School staat. De weg door de Koppele is pas in de vorige eeuw aangelegd. Voordien moest men altijd den omweg maken om de Koppele heen. In het Oosten was de ‘Misterpoort‘. Sommige schrijvers noemen haar ook wel ‘Münsterpoort’.

    Tot de Heerlijkheid Bredevoort behoorden de ambten Aalten, Winterswijk en Dinxperlo en was oorspronkelijk de bezitting van de bisschoppen van Utrecht. Een der bisschoppen, genaamd Godefroy van Rhenen stichtte het kasteel te Bredevoort, dat ter plaatse heeft gestaan waar nu ’t Zand is. Tot dit kasteel of Hof behoorden eenige hofhoorige goederen, waartoe ook de Ahave de Pol, bij Aalten. Over die hofhoorigheid en alles wat daarmee in verband staat zijn enkele bijdragen verschenen o.a. in het boek van Mr. J. A. Nijhof “Bijdrage tot de Vaderlandsche Geschiedenis”, en ook in het bekende boek van B. Stegeman “Het kerspel Winterswijk” wordt er in den breede over uitgewijd. Wie daar dus meer van weten wil vrage in de bibliotheek van firma Gebr. de Boer naar dat boek.

    In 1238 kwamen de graven van Loon in het bezit der Heerlijkheid. Een dier graven, Herman van Loon, droeg de bezitting in 1246 in leen over aan Otto van Nassau, graaf van Gelder en Zutphen. In den slag bij Tekelenburg in 1276 was Herman van Loon overwinnaar en nam hij zijn tegenstander graaf Engelbert van der Mark gevangen en voerde hem naar het kasteel te Bredevoort.

    Die graaf van der Mark heeft daar al gauw den dood gevonden Hij stierf van verveling en heimwee. Diens zoon echter, Everhard van der Mark, nam wraak en veroverde Bredevoort in 1278 en verwoestte het kasteel en vervoerde daarop het lijk van zijn vader naar Kappenberg. Door tusschenkomst van den Munsterschen bisschop Everhard, kwam er nu weldra tusschen graaf Everhard van der Mark en Herman van Loon een vredesverdrag tot stand, waarbij de graaf van Loon zich verkond om niet tot het opbouwen van het kasteel over te gaan alvorens gedurende twee jaren een tocht naar het Heilige Land te hebben gemaakt (dagen der kruistochten).

    Korten tijd daarna schijnt er weer een transactie plaats gegrepen te hebben, want in 1284 is eigenaar Baldewinn van Steinfurt, die de helft der bezitting, nl. het Noordelijk gedeelte van het slot met toebehoorende gronden in Aalten, verkocht aan den bisschop Everhard van Munster. Het geslacht der graven van Loon is echter in het begin der 14de eeuw uitgestorven en toen de laatste telg grafwaarts was gedragen, kwam er tweedracht over de nalatenschap. De toenmalige bisschop van Münster Lodewijk en Reinald van Gelder maakten beiden aanspraak op de nalatenschap van de graven van Loon. Er werd zelfs om gevochten en beide genoemde potentaatjes brachten hunne legers in slagorde en men bekampte elkaar op leven en dood.

    Reinald van Gelder had het op Bredevoort voorzien en in 1326 trok hij zegevierend de vesting binnen. De vrede werd geteekend te Coesfeld en bij dat vredesverdrag kwam Bredevoort in eigendom aan Reinald van Gelder. In 1388 werd de Heerlijkheid in pandschap overgedragen aan Hendrik van Gemen die daarvoor moest betalen de som van 3000 Fransche schilden, wat in Hollandsche munt ongeveer f 6300 was.

    Later is met bewilliging van de Staten van Gelderland het pandschap overgedragen aan Jacob van Bronkhorst, heer van Anholt. Eindelijk in 1580 werd aan Prins Willem I de Heerlijkheid in pandschap overgedragen. Zijne opvolgers zetten dit bezit op dezelfde wijze voort. Eindelijk in 1732 bij de verdeeling der nalatenschap van Willem III, tusschen den Koning van Pruisen en Willem Karel Friso, werd de heerlijkheid Bredevoort aan laatstgenoemde toegekend. Zij maakte toen een deel uit der domeinen van het Huis van Oranje-Nassau onder beheer van een rentmeester, die jaarlijks aan raden en rekenmeesters van den Prins verantwoording aflegde.

    De Prins stelde een drossaart aan, alsmede een richter met hunne plaatsvervangers. Ook werd benoemd een stadhouder, landschrijver en advokaat-fiscaal. Alle veertien dagen werd in de heerlijkheid over burgerlijke zaken rechtsdag in de 4 ambten hierboven genoemd, gehouden. De rechtbanken bestonden uit den drossaard of zijn plaatsvervanger, den landschrijver of secretaris en twee adressoren of keurnooten. De regeering der stad Bredevoort berustte bovendien bij twee burgemeesters.

    Zooals wij reeds memoreerden was Bredevoort om zijn natuurlijke ligging een sterke vesting. Behalve het slot waren er zeer goede bolwerken. (In het depôt der Rijksarchieven te Arnhem berust nog een schanskorvenboek van de voormalige vesting. Wie er dus nog meer bijzonderheden van weten wil ga daar eens in snuffelen).

    Bredevoort was wel een sterke vesting om haar natuurlijke ligging, maar het was geen ommuurde vesting tot 1545. En de bekende en befaamde veldheer Maarten van Rossum zorgde er voor dat de vesting nog meer versterkt werd. Hij liet omstreeks genoemd jaar de gracht graven en een wal aanbrengen. Het gedeelte gracht wat er nu nog is, is dus bijna 400 jaar geleden gegraven. Het zal er dus een geweldige drukte geweest zijn rondom de vesting. Voor eenige jaren is ter bestrijding der werkloosheid, een groot gedeelte der gracht gedempt met grond der opgeworpen wallen. Een klein stukje wal is als historisch plekje nog blijven zitten.

    Binnen de poorten was de situatie ook anders dan tegenwoordig. Men had er nauwe straatjes en gangetjes. In de kelders van vele huizen had men vlucht- of schuiltunnels. Bij het afbreken van een oude kelder eenige jaren geleden werd er nog zoon schuiltunnel getoond. Men beweert ook dat er een onderaardsche gang zou zijn van ’t kasteel ’t Walfort naar Bredevoort. Bij vroegere graafwerken op ’t Zand moet men wel zoon gang hebben ontdekt. Maar men durfde er niet ver in, wegens de bedorven of giftige lucht daarin aanwezig. Het zou de moeite waard zijn om bij het graven der rioleeringen hier eens op te letten. Dat er onderaardsche schuilplaatsen zijn geweest, dat is wel zeker, maar een verbindingsweg zooals hierboven genoemd, betwijfelen wij.

    Het krijgs- en militair rumoer heeft binnen de vesting eeuwen lang geklonken. Tot zelfs in de 18e eeuw lagen in Bredevoort in garnizoen drie compagniën infanterie, onder bevel van een kommandeur, die een grootmajoor onder zich had. Vooral ten tijde van den tachtigjarigen oorlog heeft het er heet toegegaan in en om Bredevoort. In het laatst der zestiende eeuw hadden de Spanjaarden de vesting in bezit. Den eersten October 1597 kwam Prins Maurits met zijn leger voor Bredevoort. Hij sommeerde de bezetting, die slechts uit 2 vaandels voetvolk bestond, zich over te geven. Maar deze antwoordden dat men de wapenen tot zijn uitersten adem voor God en den Koning zoude bewaren. De Spanjaarden vertrouwden op de natuurlijke sterkte der vesting. Toen sloeg Prins Maurits het beleg voor Bredevoort.

    Er waren zooals gezegd twee toegangsdijken naar Bredevoort, maar Prins Maurits liet er een derde toegangsweg bijmaken door de Koppele. Die weg door het moeras werd gemaakt met zand en rijshout. Het zand werd in zakken door de soldaten aangevoerd. Net in 8 dagen was die weg ter lengte van 500 treden ingemaakt. Men kon toen over de gracht een hoogte innemen, geschikt tot plaatsing van 20 stukken geschut. Toen werd een moorddadig vuur op de vesting geopend. Maar de belegerden verweerden zich dapper, en vele aanvallers sneuvelden.

    De vestingmuren hadden door het vuur der kanonnen heel wat te verduren, en ettelijke scheuren en breuken waren reeds ontstaan, maar nog gaf zich het garnizoen niet over. De gracht was een belemmering om troepen tot vóór de wallen en muren te brengen. Maar Prins Maurits was vindingrijk, en hij liet door zijn mannen een drijvende brug bouwen, een soort kurk- of biesbrug. Deze werd in de gracht gelegd, en zoo kreeg men toegang tot den wal, waardoor men twee punten van aanval kreeg. De graaf van Solms leidde dien aanval aan de oostzijde, dus van den kant van het Broek. Maar nog was de tegenstand niet gebroken. De belegerden beantwoordden het vijandelijk vuur met kanon en musketten. Ook werden de belegeraars met steenen bekogeld, en vele bestormers moesten in het zand bijten. Maar het kon zoo niet lang meer duren, de aanvallen werden steeds heviger, totdat eindelijk een tambour uit de stad op den muur verscheen en een teeken gaf dat men wenschte te onderhandelen. Maar een vijandelijke kogel trof hem, en de tamboer, die met vredesbedoelingen kwam, werd door een kogel gedood.

    De inwoners der vesting hernieuwden de poging om tot onderhandeling te komen. Ze staken stokken met hoeden in de hoogte, maar men attendeerde van de zijde der belegeraars hier niet op. Toen gingen de vrouwen op de wallen, om te getuigen van den wil tot overgave. Onbegrijpelijk is het, dat de belegeraars nu nog geen aandacht hieraan schonken. Vreesden zij een valstrik, of was het de wreedheid van dien tijd, dat men bloed wilde zien? In elk geval, de matrozen van Maurits bestormden het steenen bolwerk, drongen de vesting binnen en brachten dadeiijk 70 menschen om het leven. De overgeblevenen vluchtten naar het kasteel, dat den 9en October dadelijk bij verdrag op genade of ongenade werd overgegeven. Prins Maurits schonk hierbij het leven aan allen, maar bedong een som geld voor zijn krijgsvolk, hetwelk later echter werd kwijtgescholden.

    Behalve het kasteel en 20 huizen waren alle huizen alsmede de kerk afgebrand. Den Spaanschen bevelhebber Domiaan Gardot werd genade geschonken, alhoewel hij eerst gefusilleerd zou worden. Tijdens de bezetting door de Spaanschen had deze Gardot zich gehaat gemaakt bij de burgerij.

    Prins Maurits, die zegevierend de poorten van Bredevoort was binnengetrokken, bleef slechts enkele dagen te Bredevoort. Hij trok verder noordwaarts. Eenige maanden tevoren had hij Groenlo ingenomen, en thans ging hij via Groenlo naar het Overijselsche gebied, om daar veroveringen te maken. Bredevoort hield een kleine bezetting, en de bevolking ging met man en macht aan het werk om de verbrande huizen weer op te bouwen. Maar nauwelijks aan ’t bouwen begonnen brak er weer brand uit, en van de ongeveer 20 huizen die bij het beleg gespaard waren gebleven, brandden er toen 14 af, zoodat er nog 6 huizen overbleven.

    Bitter is er toen geleden. De kerk moest worden opgebouwd, maar de middelen ontbraken, en men richtte bedelbrieven aan zustergemeenten om steun. Men liet echter den moed niet zinken. Men ging aan ’t herbouwen met de kerk en de afgebrande huizen, en van lieverlede kreeg het stadje weer bewoonbare huizen. Maar het was en bleef oorlogstijd, en de gevaren dreigden van alle kanten.

    In 1606 kwamen de Spanjaarden weer voor de stad. ’t Was vastenavond, en men wilde in de stad vastenavond vieren. Vooral de soldaten zetten de bloemetjes buiten. Er was feest en jolijt, en er werd door de soldaten geducht gedronken. En terwijl men aan ’t pretmaken was, kwam de vijand aansluipen. De Spaansche bevelhebber Du Terrail kwam in stilte met 1200 man van Oldenzaal, en kwamen ’s avonds voor de poorten der stad. De wacht was wel betrokken, en aan de wacht werd medegedeeld, dat zij soldaten van prins Maurits waren en door de Spanjaarden werden achtervolgd. Zij logen de wacht dus wat voor en deelden zelfs mede, dat zij een Spaansche luitenant gevangen hadden genomen. Zij verzochten om zich onder de vesting te mogen ophouden. De wacht zond een boodschap naar het hoofdkwartier, en terwijl men daar aan ’t beraadslagen was werd men gewaar dat men bedrogen was. De bevolking vluchtte al reeds naar ’t kasteel, en de Spanjaarden bestormden reeds de poorten, lieten die springen, en vóórdat men goed besefte wat er gebeurde, trok het vijandelijk leger reeds het stadje binnen.

    Wreed werd de vastenavondvreugd verstoord. De Spaansche soldaten doodden alles wat hun tegenkwam, waaronder vele vrouwen. Ook de echtgenoote van den predikant viel als slachtoffer der moordenaars. Het kasteel bood echter een veilige schuilplaats voor de daarin gevluchte burgers en soldaten. De brug over de gracht die om het kasteel lag werd vernield, en zoo was het voorloopig veilig binnen de dikke muren. Men beschoot vanuit het kasteel de Spanjaarden er daagde ook hulp van buiten. Graaf Hendrik van Nassau kwam met een leger uit Zutphen en andere vestingen opdagen, en den 22sten Maart moesten zich de Spanjaarden overgeven. De Spaansche bevelhebber Du Terrail bedong vrijen aftocht, die hem werd toegestaan, mits hij de buit en gevangenen, die reeds naar Oldenzaal vervoerd waren, teruggaf. De Spanjaarden hebben zich niet weer laten zien, en het zwaarste leed was geleden.

    Het jaar 1646 was wederom een rampjaar voor Bredevoort. Het was den 12en Juli en een benauwende hitte hing boven stad. Donkere wolken pakten zich samen, en alles wees er op dat er een zwaar onweer op til was. En jawel, de bliksem kliefde weldra het luchtruim, gevolgd door zware donderslagen. En plotseling een ontzettende slag, gevolgd door een vreeselijk geluid. De bliksem was in de kruittoren geslagen waardoor het aanwezige kruit (320 ton) tot ontploffing kwam. De geheele toren werd uit elkander geslagen, alsmede het in de nabijheid gelegen Ambthuis, van bijna alle huizen werden de pannen afgerukt, en de ruiten door den luchtdruk ingedrukt. Het aantal dooden bij dien ramp bedroeg 19 alleen op ’t kasteel en ’t Ambthuis. In overige huizen in de stad waren ook talrijke dooden.

    Men schreef het jaar 1672. De oorlog was ontbrand met de bisschop van Münster en Keulen, Engeland en Frankrijk. De generaal-wachtmeester van den bisschop van Münster trok met 2000 man over de grenzen en sloeg het beleg voor Bredevoort. Het garnizoen bestond uit 500 man, op de wallen stonden 20 stukken geschut. In het magazijn was ’n voorraad van 20 last rogge en 1800 vaatjes kruit. De bevelhebber van het garnizoen, Adriaan van Keppel, had aan de Gedeputeerden van het graafschap Zutphen herhaaldelijk om versterking der voorraden gevraagd, maar tevergeefs. Van 13 tot 18 Juni werd de vesting gebombardeerd. Het garnizoen begon te muiten. De vrouwen in de stad begonnen ook te morren. Het gerucht ging dat de Prins van Oranje verslagen was met zijn leger. De angst maakte zich meester van de bezetting en den 18 Juni gaf zich de stad over ofschoon volgens deskundigen dit niet noodig was geweest. De bezetting marcheerde af en er werd gelukkig niet geplunderd.”

    Bronnen