Categorie: Biografie

  • Johannes der Weduwen

    Johannes der Weduwen

    ‘Dokter van het verzet’

    Johannes (Joop) der Weduwen was een geliefd huisarts in Aalten. Op 23 januari 1945 kwam hij nabij Apeldoorn om het leven na te zijn beschoten door een geallieerd vliegtuig, zo luidt althans de lezing van de Duitse autoriteiten.

    Joop der Weduwen werd op 17 mei 1902 geboren in Aalten. Hij studeerde aan het Gymnasium te Doetinchem, later aan de Universiteit te Utrecht, waar hij zijn arts-examen deed en promoveerde daarna tot doctor in de medicijnen. Hij toonde zich een waardig opvolger van zijn vader en vestigde zich hier als arts.

    Vanaf het begin van de oorlog raakte Joop der Weduwen betrokken bij het verzet in de Achterhoek. Hij bood actief hulp aan mensen die door de Duitsers werden gezocht. In zijn gezin waren twee jongemannen opgenomen die de arbeidsdienst weigerden. Als er Engelse vliegtuigen werden neergeschoten en de bemanning gewond raakte bood hij hen medische bijstand. Voor een overval op het distributiekantoor in Borculo werd zijn auto ‘gestolen’. Hij hielp joodse onderduikers op diverse boerderijen in de omgeving. Hij speelde ook een rol bij het te vondeling leggen van de joodse baby ‘Wíllem Herfstink’ bij het huis van verzetsleider ‘Ome Jan’ Wikkerink.

    Hulp aan dwangarbeiders

    In de laatste oorlogswinter voelde Joop der Weduwen zich nauw betrokken bij de dwangarbeiders die met name in Kamp Rees onder onmenselijke omstandigheden hun slavenwerk moesten verrichten. Dat kamp lag net over de grens in Duitsland. Als vertegenwoordiger van het Nederlandse Rode Kruis onderhandelde hij met Peter Röhrig, de commandant die bekend stond als de beul van Rees om zieken en gewonden weg te halen.

    Hij probeerde zoveel mogelijk mensen over te brengen naar Aalten waar ‘Huize Avondvrede‘ aan de Hogestraat als noodhospitaal was ingericht. Ook werden velen met de auto van de huisarts vervoerd naar het Noodziekenhuis in Harreveld. Sommige zieken verbleven tijdelijk bij hem thuis en doken vervolgens onder.

    Op 19 januari 1945 vertrok dokter Der Weduwen, vergezeld van twee SS-ers uit het kamp Rees, naar Den Haag voor een ambtelijk overleg met hoge Duitse officieren en de burgemeester aldaar. Namens het Rode Kruis pleitte hij voor betere omstandigheden voor de dwangarbeiders van wie er velen uit Den Haag en Rotterdam kwamen. De mannen moesten de nachten doorbrengen op de kale vloeren in tochtige en vochtige houten schuren, hadden schamele kleding en kregen nauwelijks te eten. Om hun onmenselijke bestaan enigszins te verbeteren vroeg hij onder andere om strozakken.

    Noodlottige terugreis

    Tijdens de terugreis naar Aalten, op 23 januari 1945, werd de auto waar hij in zat rond vijf uur ‘s middags nabij Apeldoorn onder vuur genomen door een geallieerd jachtvliegtuig, zo luidde althans de lezing van de Duitse autoriteiten.

    Zijn ontzielde lichaam werd zwaar verminkt gevonden in een droge sloot, waar hij geprobeerd had dekking te zoeken. Hij had veel bloed verloren en was ter plekke overleden. De auto was onbeschadigd. Er waren sterke geruchten dat de Duitsers een bewuste aanslag op hem hebben gepleegd omdat hij te lastig was geworden. Joop der Weduwen is 43 jaar geworden.

    Willem van Houtum, Apeldoorns oorlogs-chroniqueur, schreef er op 23 januari over in zijn dagboek:

    “Een dokter uit Aalten, die zich veel bemoeide met de toestand van de gedeporteerden te Rees, is door Duitse onverschilligheid gestorven. De dokter vertrok verleden week vrijdag met twee Duitsers in een auto naar Den Haag. Hij wilde daar bij hoge instanties pleiten voor de verbetering van de behandeling van onze landgenoten in Rees enzovoort. Het baatte niet. Daardoor keerden zij dinsdag weer terug. Zij werden op de betonweg bij Hoog Soeren door een Engels vliegtuig beschoten. De dokter stapte ijlings uit de auto om dekking te zoeken maar zakte zwaar gewond neer. De beide Duitsers haalden hem de portefeuille, portemonnee enzovoort af en reden door naar de Ortskommandant in Apeldoorn. Deze weigerde de arts te vervoeren omdat het een burger was. Zodoende reden de beide moffen door naar Aalten en overhandigden de portefeuille enzovoort aan de vrouw van de dokter. Deze kon op haar beurt ook niet voor vervoer zorgen. Zij riep de hulp in van een familielid in Apeldoorn. Deze slaagde er met behulp van de politie in het lijk (de arts was aan te groot bloedverlies overleden) naar Aalten te doen overbrengen. Door de vele beschietingen heet het betongedeelte van de Amersfoortseweg bij Hoog Soeren in de volksmond al ‘Dodenweg’.”

    Politierapport

    Dinsdag 23 Januari 1945, 17.00 uur, rapport no. 23. 
    Geeft Zegers te Nieuw Millingen kennis dat door zoo juist een manspersoon door boordwapens is doodgeschoten. Ook staat er een auto in brand. Recherche, Feldgendarmerie, Pol. Officier en L.B.D. kennisgegeven. Door de L.B.D. (= Lucht Beschermings Dienst) wordt het lijk opgehaald en overgeplaatst naar het ziekenhuis aan de Sprengenweg.

    Woensdag 24 Januari 1945, 17.45 uur, rapport no. 24.
    M.b.t. mutatie 17.00 uur van het rapport van de orde politie van 23-01-1945 rapporteert rechercheur Adema, dat het lijk van bedoelde persoon is opgehaald door de L.B.D. en opgebaard is in het lijkenhuis van het ziekenhuis aan de Sprengenweg. Het is geïdentificeerd, als Dr. Johan der Weduwen, wonende Landstraat 4, te Aalten. Zijn zwager Wissink, wonende Stationsstraat 25 alhier, is met een en ander op de hoogte gesteld, die zorgt voor waarschuwing van de familie en de begrafenis.

    Begrafenis

    Op zaterdag 27 januari werd Joop der Weduwen onder grote belangstelling ten grave gedragen naar begraafplaats Berkenhove in Aalten. De stoet telde zeker 1000 mensen. Tevoren was er een rouwdienst gehouden in de Oude Helenakerk onder leiding van Ds. J.D. Stegeman, emeritus predikant te Aalten. Namens de dwangarbeiders sprak de heer Dijkgraaf uit Den Haag een woord van dank en afscheid.

    Vrienden, patiënten en dorpsbewoners lieten een speciale gedenksteen voor zijn graf maken uit dankbaarheid en om hem te eren. Op het monument staat de tekst: “Zijn overtuiging deed hem hulp bieden aan onderdrukten – verzet – gedeporteerden.”

    Zijn naam staat ook vermeld op de gedenksteen voor de gevallenen in het georganiseerd verzet aan de Markt in Aalten, naast de Oude Helenakerk.

    Op 31 maart 2023 is er een Stolperstein gelegd voor het huis waar Joop der Weduwen woonde, Landstraat 41 in Aalten.

    Bronnen


  • ‘Ome Jan’ Wikkerink

    ‘Ome Jan’ Wikkerink

    Verzetsleider

    Hendrik Jan Wikkerink (30 juni 1896 – 18 januari 1981), alias ‘Ome Jan’, was in de Tweede Wereldoorlog een belangrijk verzetsleider in Aalten. In zijn huis aan de Patrimoniumstraat in Aalten werd in 1942, onder andere met ‘Tante Riek‘ uit Winterswijk de LO opgericht: de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers.

    Verzetswerk

    Ome Jan was de hele oorlog betrokken bij het verzet. Hij hielp ontsnapte krijgsgevangenen en neergeschoten piloten ontvluchten via België naar Engeland. Ook regelde hij onderduikplaatsen voor Joden en Nederlanders die niet voor de Duitsers wilden werken.

    Met de hulp en moed van veelal boeren gaf hij de onderduikers onderdak. De LO regelde adressen en voedselbonnen. Bekend is het verhaal van de joodse baby Willem Herfstink. Het pasgeboren kind was de zoon van de Aaltense rabbi Jedwab. Het echtpaar zat ondergedoken in Lintelo, maar het jongetje kon niet op dat onderduikadres blijven. Met medeweten van Ome Jan werd het voor zijn huis te vondeling gelegd. De in scene gezette vondst had tot resultaat dat de inmiddels genoemde Willem bij de familie Wikkerink onderdak kreeg.

    Ome Jan overleefde de oorlog ternauwernood. Op 15 oktober 1944 werd hij met twee onderduikers in zijn eigen huis door de Duitsers opgepakt en gevangengezet in de marechausseekazerne aan de Ringweg. Diezelfde middag nog werd hij door knokploegen bevrijd en dook hij onder bij een boer in Vragender. Twee dagen later koelden de bezetters hun woede op de woning van de ‘terrorist’. Zij gooiden handgranaten naar binnen, waardoor brand uitbrak in het huis. De brandweer wist de schade echter te beperken.

    Onderscheidingen

    Door zijn respectvol optreden en zijn diepe overtuiging van waarden was hij onbetwist een leidend figuur, ook na de oorlog. Na de bevrijding bracht koningin Wilhelmina een bezoek aan het echtpaar Wikkerink om hen persoonlijk te bedanken voor hun dappere moed en trouw. In Nederland werd hij geridderd. Hij kreeg ook eremedailles van de Franse president De Gaulle en de Amerikaanse president Eisenhower. In 1978 werden Hendrik Jan Wikkerink en zijn vrouw, Dela Gesina door Yad Vashem erkend als ‘Rechtvaardigen onder de Volkeren’. Niet voor niets staat zijn borstbeeld in de hal van het Nationaal Onderduikmuseum in Aalten.

    Ome Jan Wikkerink ligt begraven op begraafplaats Berkenhove.

  • Bernardus Gerhardus Vaags

    Bernardus Gerhardus Vaags

    Maatschappelijk betrokken ondernemer

    Bernardus Gerhardus Vaags werd geboren op 19 juni 1855 aan de Dijkstraat 9 in Aalten, als zoon van Gerrit Willem Vaags en Willemina Geertruid Becking. Hij was mede-oprichter van de pijpenfabriek Becking & Vaags en bekleedde daarnaast diverse maatschappelijke functies. Hij overleed op 5 mei 1936.

    Op 20 augustus 1891 trouwde hij in Aalten met Hermanna Johanna Petronella ten Dam. Het echtpaar vestigde zich aan de Landstraat 12. Uit het huwelijk werden drie kinderen geboren: Gerrit Willem (1893), Elisabeth (1896) en Abraham (1902).

    Vaags was mede-oprichter van de pijpenfabriek Becking & Vaags in Aalten, die zich ontwikkelde tot een bloeiende onderneming binnen de – voor Nederland unieke – hoornindustrie. Toen de exportmogelijkheden van het bedrijf na de Eerste Wereldoorlog afnamen, werd de onderneming geliquideerd.

    Naast zijn zakelijke activiteiten was Vaags maatschappelijk zeer actief: hij was bestuurslid van het Departement Aalten van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen en jarenlang penningmeester en vertegenwoordiger bij de algemene vergaderingen. Hij vervulde eveneens de functies van voorzitter en secretaris van de plaatselijke Leesvereniging en droeg de Volksbibliotheek een warm hart toe.

    Eveneens zette hij zich in voor de Ten Hietbrink’s Bewaarschool, en was hij agent voor de Nederlandse Maatschappij voor Brandverzekering te Tiel, een functie die hij meer dan 45 jaar vervulde.

    Bernardus Gerhardus Vaags overleed in Aalten op 5 mei 1936 op 80-jarige leeftijd. Zijn begrafenis vond plaats op de Oude Begraafplaats aan de Varsseveldsestraatweg.

    Bronnen


  • Gerrit Heersink

    Gerrit Heersink

    Veldwachter

    Gerrit Heersink werd op 13 mei 1846 geboren in Hummelo, als zoon van dagloner Jan Willem Heersink en Berendina Eenink. Hij trouwde op 8 mei 1873 in Aalten met Aleida Gesina Prinsen. Uit dit huwelijk werden negen kinderen geboren.

    Heersink was bijna vijf decennia veldwachter in Aalten. Hij woonde met zijn gezin op de Kattenberg, aan de tegenwoordige Berkenhovestraat. Zijn broer Lammert had op steenworp afstand een bakkerij.

    Begin 1920 verhuisde Gerrit Heersink naar Haaksbergen, waar hij op 27 december 1920 overleed op de leeftijd van 74 jaar.

    Gerrit Heersink (1846-1920) te Aalten. Hij draagt hier het 'lintje', hem in 1912 verleend wegens zijn 40-jarig dienstjubileum als veldwachter
    Gerrit Heersink (1846-1920). Hij draagt hier het ‘lintje’, hem in 1912 werd verleend wegens zijn 40-jarig dienstjubileum als veldwachter
    Gerrit Heersink in 1912, ter gelegenheid van zijn 40-jarig ambtsjubileum als veldwachter in Aalten
    Gerrit Heersink in 1912, ter gelegenheid van zijn 40-jarig ambtsjubileum als veldwachter in Aalten
  • Monasso: Italiaanse terrazzowerkers in Aalten

    Monasso: Italiaanse terrazzowerkers in Aalten

    Terrazzowerk-mozaiek gemaakt door de familie Monasso

    Al meer dan een eeuw maken leden van de familie Monasso terrazzovloeren in de Achterhoek. De familie kwam in 1915 in Aalten terecht, na een vlucht uit het Duitse Bocholt tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hun oorsprong ligt in de Noord-Italiaanse regio Friuli.

    De familie is afkomstig uit het bergdorp Travesio, in de regio Friuli. Het was een arme streek met een slechte bodem, aardbevingen, overstromingen en hoge belastingen. Veel inwoners trokken weg om elders werk te vinden. Friulanen stonden bekend als bekwame handwerkslieden – bosbouwers, timmerlieden, steenhouwers en terrazzowerkers.

    De eerste generatie

    In 1868 trouwde Pietro Monasso in Travesio met Maria Bortolucci. Ze kregen drie zonen en vier dochters. De zonen leerden alle drie het terrazzoambacht in de Italiaanse steden. Een van hen, Felice Monasso, was als jongen eens bezig trappen te repareren aan de San Marco in Venetië. Hij kreeg van de juist arriverende paus Leo XIII een bankbiljet ter waarde van ongeveer twintig gulden, voor toen een geweldig bedrag. Hij gaf het niet uit, maar bewaarde het als een relikwie.

    De drie broers waren Giovanni (1869–1939), Felice (1871–1962) en Antonio (1876–1967). Zij verlieten Friuli op jonge leeftijd: Giovanni en Antonio op elfjarige leeftijd, Felice op zijn veertiende.

    Werk in Duitsland

    Giovanni trok met dorpsgenoten mee naar de Balkan om het timmermansvak te leren. Felice werkte eerst in Frankfurt, onder andere bij het grote bedrijf terrazzobedrijf Odorico, dat honderden Friulaanse arbeiders in dienst had. Giovanni en Antonio voegden zich later bij hem in Duitsland.

    Vanuit Frankfurt gingen de broers naar Münster, waar hun neef Bortolucci een terrazzobedrijf had. Ze werkten daar als meesterknecht en er was veel werk in Westfalen en Nederland. Op aanraden van hun baas vestigden ze zich in 1896 in Bocholt, net over de grens bij Aalten. Daar begonnen zij samen een terrazzofirma.

    De onderneming floreerde. Het was de tijd dat rijke textielbaronnen in Bocholt grote huizen lieten bouwen. Met hun terrazzowerk verfraaiden de Monasso’s menige villa aan de voorname Bahnhofstraße. De drie gezinnen woonden samen met hun personeel in een groot pand aan de Münsterstraße in Bocholt.

    De firma ‘Gebrüder Monasso’ had volop werk, ook in de Achterhoek. Zo legden zij al in 1897 een terrazzovloer in de katholieke Sint Georgiuskerk in Bredevoort.

    Giovanni Monasso trouwde op 22 november 1899 in Italië met Angela Chivilò (1879–1951). Samen kregen zij vier zonen en twee dochters.

    Vlucht naar Aalten (1915)

    Op 28 juli 1914 begon de Eerste Wereldoorlog. Italië koos de kant van de geallieerden en de Duitsers zagen dit als verraad. In Duitsland ontstond een anti‑Italiaanse sfeer. Italiaanse arbeiders werden uitgescholden en soms zelfs mishandeld op de bouwplaats. De drie families Monasso besloten te vluchten naar Aalten, net over de grens in het neutrale Nederland. In feite waren ze dus asielzoekers.

    Het was een trieste stoet die op 19 mei 1915 voor dag en dauw uit Bocholt vertrok naar Aalten. Met paard en wagen vol huisraad, met daarachter twintig Italianen. Drie kinderen bleven in Bocholt achter, twee omdat ze te ziek waren om te reizen en één omdat hij zijn jaar op het gymnasium wilde afmaken.

    In Aalten brachten zij de eerste nacht door in het logement van Vultink aan de Dijkstraat. De volgende dag betrokken Giovanni en Antonio een woning aan de Landstraat en Felice aan de Bredevoortsestraatweg. Antonio en zijn vrouw vonden kort daarna een woning aan de Haartsestraat. De toenmalige burgemeester Monnik regelde een vestigingsvergunning. De achtergebleven kinderen voegden zich later bij hun familie.

    Een nieuw bestaan in Aalten

    Giovanni toonde zijn ondernemersgeest door zich binnen enkele dagen in te schrijven bij sociëteit Schiller, waar lokale zakenlui elkaar ontmoetten. Zijn broers volgen een week later. De Monasso’s hadden binnen korte tijd weer werk. Ze legden vloeren in woningen, winkels, scholen en kerken in Aalten en omgeving en haalden vakbekwame terrazzowerkers uit Italië als personeel.

    Machines en elektrisch gereedschap gebruikten ze nog niet; alles werd met de hand gemaakt. Terrazzovloeren werden ter plaatse gelegd en dat was zwaar werk. Trappen, aanrechten en andere onderdelen werden in de werkplaats met behulp van mallen gemaakt en werden dan naderhand in keuken of hal aangebracht.

    Rond 1920 vestigde Giovanni zich met zijn bedrijf aan de Parallelweg in Aalten. Midden jaren 1950 verhuisden ze naar de aangrenzende Staringstraat, waar in 1969 een nieuwe toonzaal werd geopend.

    Felice vestigde zich in 1922 met een terrazzobedrijf in Winterswijk; Antonio volgde in 1932 met een vestiging in Doetinchem.

    Latere generaties

    Ook de tweede en derde generatie bleef actief in het ambacht. In de decennia na de Tweede Wereldoorlog namen zonen en kleinzonen het werk over. Alle vier zonen van Giovanni werden terrazzowerker en trouwden met Nederlandse vrouwen.

    Tientallen jaren gingen de zaken voor de wind. In de jaren 1960 en 1970 nam de vraag af door de opkomst van kunststofvloeren en stalen aanrechten. Toch bleef het familiebedrijf bestaan. De Monasso’s combineerden traditionele technieken met moderne middelen en specialiseerden zich behalve in vloeren ook in werkbladen, dorpels, vensterbanken en restauraties.

    Huidig bedrijf in Aalten

    In 1982 nam Richard Monasso, kleinzoon van Giovanni, het bedrijf in Aalten over. Het bedrijf verhuisde naar de Industriestraat. In de 21e eeuw werd terrazzo opnieuw populair. Richard Monasso werkt inmiddels aan exclusieve projecten in binnen- en buitenland; zijn werk is onder andere te vinden in een warenhuis in Londen, een restaurant in Parijs en een villa in Griekenland.


    Willem Monasso

    In 1996 vertelde Willem Monasso, zoon van Giovanni Monasso en Angela Chivilò, over zijn jeugd:

    Wilhelm Franz Joseph (Willem) Monasso (1916–2001) werd geboren in Aalten, maar ging als kind met zijn moeder terug naar Italië. Ze woonden bij een oom die druivenplantages had. Hij bezocht daar hij de lagere school. Daar leerde hij geen Italiaans, maar het zogenaamde Furlan, een streektaal die daarvan evenveel verschilt als Fries van Nederlands.

    Op tienjarige leeftijd keerden ze terug naar Nederland. Terug in Aalten moest Willem weer in de eerste klas beginnen. Na de vierde klas ging hij van school, het terrazzovak in.

    Aan moeders kant had de familie Monasso een wijnbottelarij en een zijdeplantage. Ze lieten regelmatig vaten met witte wijn uit hun streek van herkomst in Italië overkomen. Het eerste vat ging altijd naar de Aaltense pastoor.

    In de Tweede Wereldoorlog was Willem de enige Aaltenaar die een radio mocht hebben, omdat hij de Italiaanse nationaliteit had. Natuurlijk mocht hij er van de bezetter niet mee naar de Engelse Oranjezender luisteren, maar dat deed hij in het geniep toch, samen met de halve buurt.

    Over zijn vroegere werk kon Willem Monasso boeiend vertellen in perfect Aaltens dialect. Aanvankelijk werden aanrechtbladen ter plekke gemaakt in een bekisting, die een timmerman maakte. Later gebeurde het in de werkplaats en werden ze met een vrachtwagentje naar de plaats van bestemming gebracht. De terrazzotechniek vergt groot vakmanschap en is ontzettend arbeidsintensief. In de omgeving liggen in kerken, ziekenhuizen, kloosters, scholen en scholtenboerderijen nog heel wat prachtige vloeren van Monasso.

  • Wilhelm Albertus Lammers

    Wilhelm Albertus Lammers

    De Kippenschilder van Aalten’

    Wilhelm Albertus (Willem) Lammers (Aalten, 1857 – Ginneken, 1913) was een Nederlandse kunstschilder met een opvallende specialisatie: taferelen met pluimvee. Tot aan het einde van de 19e eeuw werd er nauwelijks aandacht besteed aan de leefomstandigheden van pluimvee. Kippen sliepen doorgaans in een boerenschuur of in bomen. De schilder wist dit levendig op doek vast te leggen.

    Levensloop

    Lammers werd op 3 april 1857 geboren op boerderij Schulenkamp in de buurtschap Dale bij Aalten, als zoon van Albertus Lammers en Theodora Huls. Het gezin verhuisde meerdere malen binnen Aalten—eerst naar de Kerkstraat, daarna de Dijkstraat en de Hoekstraat. Willem Lammers was aanvankelijk schoenmaker van beroep. In 1880 vertrok hij naar Gaanderen en enkele jaren later woonde hij in Amsterdam.

    In 1887 veroordeelde de Krijgsraad te ’s-Hertogenbosch hem wegens desertie tot vier maanden militaire detentie. Bij zijn registratie werd als beroep schilder genoteerd, zijn gezindte rooms-katholiek, lengte 1,66 m, met blond haar, blauwe ogen en een krullende baard.

    Op 24 juli 1890 trad Lammers in Breda in het huwelijk met Wilhelmina van den Akker. Het echtpaar woonde kort in Aalten (Dijkstraat) en verhuisde in april 1891 naar Breda. Daar werden acht kinderen geboren: zeven dochters—van wie één doodgeboren—en één zoon. Lammers overleed op 4 februari 1913 in Ginneken (gemeente Breda).

    Kunst

    Als kunstenaar was Lammers auto-didact. Hij werkte vooral in olieverf op doek of paneel, meestal in klein tot middelgroot formaat. Zijn voorstellingen tonen kippen, kuikens en hanen in hun dagelijkse omgeving: rond de voederplaats, bij de hooiberg of in een schuurinterieur. Hij signeerde zijn werk als “W.A. Lammers”, “W. Lammers” of met het monogram “W.L.”.


    Galerij

    Een selectie uit het werk van Wilhelm Albertus Lammers:

  • Herman Driessen

    Herman Driessen

    Textielfabrikant

    Herman Anton Frans Carl Maria Driessen (Aalten, 22-09-1831 – Aalten, 20-05-1911) was een textielfabrikant met een grote betekenis voor de Aaltense textielgeschiedenis. Hij was een zoon van textielfabrikant Anton Driessen en Isabella Dees. In 1862 trouwde hij in Neuenkirchen bij Rheine (D) met koopmansdochter Anna Maria Theodora Mühren.

    Rond 1863 betrokken hij en zijn vrouw een nieuw gebouwd huis op de hoek van de Landstraat en de Hoekstraat, op de plek waar zijn vader van 1827 tot 1862 een katoenspinnerij had.

    In 1893 trok Herman Driessen zich terug uit de directie van de Gebroeders Driessen. Hij stichtte met zijn zoon Joseph op ‘het Blik’ aan de Hofstraat een moderne stoomweverij met 34 weefgetouwen: de NV Stoomweverij Herman Driessen & Zoon, vaak afgekort als HDZ. Naast de fabriek verrees tevens Herman’s nieuwe huis: de statige villa Beukenhof.

    Herman Driessen is begraven op de oude R.K. begraafplaats aan de Piet Heinstraat in Aalten.

    Hermann A.F.C.M. Driessen - Aaltensche Courant, 24-05-1911
    Aaltensche Courant, 24 mei 1911
    Hermann A.F.C.M. Driessen - De Maasbode, 24-05-1911
    Maasbode, 24 mei 1911
  • Landloper uit Bredevoort voor straf naar Veenhuizen

    Landloper uit Bredevoort voor straf naar Veenhuizen

    Bernardus Hendrikus Bloemers, opname Veenhuizen I, 22-06-1896

    Bernardus Hendrikus Bloemers werd op 12 maart 1845 geboren in Bredevoort, huisnummer 7a, in de omgeving van de Misterstraat en Bekendijk. Hij was een zoon van Johannes Arnoldus Hendrikus Bloemers en Theodora Sessink. Het gezin woonde korte tijd aan de Ambthuiswal, maar vertrok in december 1847 naar Terborg.

    Bernards leven ging niet over rozen. In 1896 werd hij opgepakt wegens landloperij en als straf opgenomen in de Rijkswerkinrichting Veenhuizen I in Drenthe.

    Zwervend bestaan

    Uit het bevolkingsregister blijkt dat Bernard bepaald geen honkvast leven leidde. Vanaf zijn zestiende verbleef hij op tal van plekken, in zijn jongere jaren afgewisseld met tijdelijke terugkeer naar het ouderlijk huis in Terborg:

    • 1861–1862: ‘Esheren in Pruissen’ (Esserden bij Rees?)
    • 1862–1864: Vethuizen, gemeente Bergh, als knecht op een boerderij
    • 1867: Tegelen, Limburg
    • 1867–1868: Beek bij Sterkrade in Pruissen (tegenwoordig Duisburg-Beeck)
    • 1869: opnieuw naar Sterkrade
    • 1870: werkzaam als ijzervormer in de buurt van Ulft, daarna vertrok hij naar Isselburg
    • 1872: Luik, België.

    Rond 1873 trouwde Bernard, vermoedelijk in Dinslaken, met Johanna Francina Kok, geboren op 21 januari 1848 in Oer bij Ulft. In 1877 werd hij als “Bernardus Hendrikus Blummer” vermeld in het bevolkingsregister van Oosterhout bij Tilburg, waar hij met zijn gezin woonde, met als beroep zandvormer. Enkele jaren later woonden ze in Nijmegen, aan de Steenstraat.

    Het echtpaar kreeg voor zover bekend vier zonen:

    1. Johannes Hermanus (Dinslaken, 1874 – 1876)
    2. Johannes Arnoldus (Dinslaken, 1875)
    3. Johannes Hermanus (Oosterhout, 1877 – Rotterdam, 1962)
    4. Bernardus (Nijmegen, 1880 – Rotterdam, 1949).

    In december 1883 vertrekt het gezin naar Breda, en slechts een maand later alweer naar ’s-Hertogenbosch. In het bevolkingsregister staat achter Bernards naam een moeilijk leesbare aantekening, mogelijk: “berecht van 9 oktober 1884 van Utrecht”. Later duikt het gezin op in Rotterdam, waar het zich definitief lijkt te vestigen. Johanna overlijdt daar in 1909.

    Opvallend is dat Bernard in 1895 opnieuw in Nijmegen opduikt — zonder zijn gezin, afkomstig uit Zwolle. Waarom hij zijn gezin verliet, blijft gissen. Vermoedelijk speelde armoede een belangrijke rol. De frequente verhuizingen wijzen mogelijk op een onzeker bestaan, waarbij men steeds zocht naar betere vooruitzichten — of juist vluchtte voor schulden en problemen.

    Hoe dan ook, Bernards leven ging niet over rozen, en dat hij aan lager wal was geraakt wordt snel daarna bevestigd.

    Opname in Veenhuizen

    Op 22 juni 1896 werd Bernard opgenomen in Rijkswerkinrichting Veenhuizen I wegens landloperij. Bij binnenkomst werd een signalementskaart opgemaakt, voorzien van foto’s, vingerafdrukken en een nauwkeurige beschrijving van zijn uiterlijk.

    Ook wordt vermeld dat hij op dat moment geen vaste woon- of verblijfplaats had (als laatste woonplaats stond Nijmegen genoteerd). Zijn beroep was ‘ijzervormer’, hij had geen identiteitspapieren en was ongehuwd (!). Hij was veroordeeld wegens landloperij in ‘s-Hertogenbosch. Hij was toen al tweemaal eerder veroordeeld voor hetzelfde feit.

    De signalementskaart bevat een gedetailleerde omschrijving van zijn uiterlijke kenmerken, waaronder zijn lengte (1 meter 51,9). Zijn neus was breed, vooruitstekend, ‘van onder veel bloeddoorschijnend’ en met een litteken op de rechtervleugel.

    Wat er daarna met Bernard is gebeurd, blijft onbekend. We weten niet of hij Veenhuizen ooit heeft verlaten, noch waar en wanneer hij is overleden.

    Verblijf in de Rijkswerkinrichting in Veenhuizen

    Rijkswerkinrichting Veenhuizen 1 (het Eerste Gesticht) was een gesloten strafinrichting voor mannen die waren veroordeeld wegens bedelarij of landloperij. In dit grootschalige complex stonden tucht en arbeid centraal.

    Het doel van de inrichting was niet alleen vergelding, maar ook het effectief “landlooperij en bedelarij tegengaan” door de samenleving te zuiveren van personen die als overlastgevend werden beschouwd en hen via dwangarbeid discipline bij te brengen.

    Het dagelijks leven was strikt en sober onder een militair regime. Overtredingen van de interne regels werden bestraft met een verblijf in de strafcel of een beperking van het rantsoen. De bewoners, aangeduid als verpleegden, droegen verplichte gestichtskleding, sliepen in grote gemeenschappelijke zalen en werden zes dagen per week tewerkgesteld. De arbeid bestond uit zware landontginning op de heide of binnenarbeid in werkplaatsen, zoals het vlechten van matten en het herstellen van postzakken.