Aaltense legionair in het Franse Vreemdelingenlegioen

Willem Johan Marinus Anton Massen, roepnaam Willem, werd geboren op 2 maart 1908 aan de Köstersbulte te Aalten, als zoon van Marinus Massen en Johanna Heinen. Nog vóór Willems eerste verjaardag verhuisde het gezin naar de Prinsenstraat 25.
Hij had een moeilijke jeugd. Zijn ouders waren uit de ouderlijke macht ontzet. Willems vader overleed op 4 maart 1926. In augustus 1927 werd Willem door loting geselecteerd om in 1928 zijn militaire dienst te gaan vervullen in het Nederlandse leger (de Nationale Militie).

Franse Vreemdelingenlegioen
Willem Massen had blijkbaar avontuurlijk bloed en hij liet zich door een kennis overhalen om te tekenen voor het Franse Vreemdelingenlegioen, een elite-onderdeel van het Franse leger, bestaande uit militaire huurlingen van over de hele wereld. Wanneer een Nederlander dienst nam in het Vreemdelingenlegioen verloor die de Nederlandse nationaliteit en werd statenloos.
Van 1930 tot 1935 diende Willem in het legioen, een periode waarin de eenheid vooral werd ingezet voor de ‘pacificatie’ en grensbewaking in de Franse koloniën in Noord-Afrika, met name Marokko en Algerije. Het legioen was een smeltkroes van internationale vrijwilligers die vaak hun verleden wilden ontvluchten en onder een nieuwe identiteit een hard, disciplinair bestaan leidden in het ruige woestijn- en berglandschap.
Terugkeer naar Nederland

Waarschijnlijk diende Willem Massen zijn contract van vijf jaar uit, want in 1935 keerde hij weer terug naar Nederland. Op 10 januari 1936 berichtte de Aaltensche Courant in de rubriek ‘Ingekomen personen’ dat Willem Massen uit Algiers was gekomen. Hij vestigde zich aan de Admiraal De Ruyterstraat 84, het adres waar zijn moeder woonde.
Op 22 maart 1943 berichtte het Twentsch Nieuwsblad dat Willem zich voor de rechter moest verantwoorden omdat hij textiel had gekocht zonder de wettelijk verplichte rationeringsbonnen, een strafbaar feit in het door de Duitse bezetter gecontroleerde rationeringsstelsel.
AALTEN
Zonder bon. — De Aaltensche voeger W. J. M. A. Massen was Vrijdag te Zutphen voor den economischen rechter gedagvaard omdat hij 1 tafellaken, 3 lakens, 3 kussensloopen en 47 handdoeken zonder punten gekocht had. De Officier van Justitie vorderde 4 maanden gevangenisstraf, benevens een geldboete van f 200. De rechter veroordeelde Massen bij verstek tot 1 maand hechtenis plus f 200 boete subs. 40 dagen hechtenis en verbeurd verklaring van het in beslag genomene, met vrijspraak van den opzet.
„De schrik van den Achterhoek”
Onder deze kop verscheen op 1 april 1947 het volgende verslag van een zitting bij de Zutphensche rechtbank in het “Zutphensch dagblad voor Achterhoek en Veluwezoom”:
In den zomer van 1946 werd de Achterhoek telkenmale verontrust door inbraken en diefstallen. Dat veranderde toen een paar Aaltensche ingezetenen, die als „zware jongens” bekend stonden, waren gepakt en in October in het Huis van bewaring te Zutphen werden ingesloten. Dit tweetal had zich Vrijdag voor de Zutphensche rechtbank, gepresideerd door mr. A. H. van der Giesen, te verantwoorden. In de dagvaarding werd hun ten laste gelegd dat zij tesamen en in vereniging een partij stof, in totaal ter lengte van 600 m, plm. 700 rollen pepermunt en 20 pakjes vet, een partij garens en twee coupons manchester, resp. toebehorende aan de N.V. Bontweverij te Bredevoort, F. J. W, J. D. Meijnen en de N.V. Confectiefabriek v/h D. Kamphuis en J. H. Platter hadden weggenomen.
M. had de diefstallen terstond bekend en hij bleef ook voor de rechtbank volhouden dat hij het alleen had gedaan. Zijn kameraad B. K. hield eveneens vol dat hij aan deze diefstallen niet had mee gedaan. Er waren echter vele aanwijzingen dat ook K. bij deze diefstallen een rol had gespeeld.
Daar was in de eerste plaats de verklaring van den wachtmeester Klein Geltink, dat één man onmogelijk de 600 m stof had kunnen vervoeren. Voorts verklaarde de kooper van deze stof, J. S. uit Aalten, dat M. in gezelschap was geweest van B. K. En de man die de goederen verborgen had gehouden, J. A. K. uit Aalten, bleef bij zijn verklaring, afgelegd aan de politie, dat M. en K. samen de 600 m stof bij hem hadden gebracht en dat dan de een en dan de ander gedeelten van den voorraad waren komen weghalen. Hij had voor zijn bemoeiingen f 50 ontvangen. De officier van justitie, baron mr. Van der Feltz, eischte tegen M. en K. een gevangenisstraf van 3 jaar; tegen J. S. ½ jaar met aftrek en tegen J. A. K. 1 jaar gevangenisstraf, waarbij hij als verzwarende omstandigheid in aanmerking nam, dat de goederen, voor den zwarten handel zouden zijn bestemd. Jhr. mr. W. H. de Jonge trad in de eerste twee zaken als verdediger op.
Z.i. stond het wettig bewijs van diefstal door K. niet vast. Ongetwijfeld heeft de man een rol gespeeld in deze zaak, maar meer dan schuldheling kan men hem z.i. niet verwijten. Voor hem vroeg de verdediger vrijspraak.
De verdachte M., die een ruiterlijke bekentenis heeft afgelegd, verdient z.i. niet die zware straf, door den officier geëischt. Pleiter schetste den levensloop van dezen man. Zijn jeugd is zeer moeilijk geweest. Zijn ouders waren uit de ouderlijke macht ontzet. Hij was op een weverschool geweest, maar hij had blijkbaar avontuurlijk bloed en zo had hij zich door een kennis laten overhalen te tekenen voor het Vreemdelingenlegioen. Vijf jaar had de man in Marokko gediend en daardoor zijn Nederlanderschap verloren. Het was hem zeer moeilijk gevallen werk in ons land te krijgen. PI. begrijpt dat de rechtbank hem een zware straf zal opleggen, maar spr. verzocht ten eerste de preventieve hechtenis in mindering te brengen en ook overigens een mildere straf dan de officier eischte, te willen opleggen.
De officier van justitie vond dat de verdediger de zaak niet gunstiger moest voorstellen dan ze was. Deze man stond bekend als „de schrik van den Achterhoek”. Hij heeft 12 veroordelingen op zijn strafblad staan. Wel wilde de officier rekening houden met het door mr. De Jonge gedaan verzoek om de door de rechtbank op te leggen straf te doen ondergaan in een rijkswerkinrichting. Uitspraak over 14 dagen.
Eerder, op 27 maart 1947, had het Algemeen Handelsblad een korter verslag van deze zitting gepubliceerd onder de kop “De Schrik van den Achterhoek voor rechtbank”. Daarin werd vermeld dat M. 39 jaar oud was en uit Aalten kwam. Op basis van zijn te herleiden geboortejaar en plaats van herkomst was M. dus Willem Massen.
Dit kon bevestigd worden op basis van de 14 dagen later gepubliceerde uitspraak van de rechtbank waarin dit keer alle initialen van de voornamen van Willem Massen vermeld werden.

Naturalisatie
In 1965 diende Willem Massen een verzoek tot naturalisatie in. Zijn memorie van toelichting luidde:
17 Massen, Willem Johan Marinus Anton, geboren te Aalten (Gelderland) 2 maart 1908, voeger, wonende te Aalten, provincie Gelderland:
Willem Johan Marinus Anton Massen, voorgedragen onder 17, werd in 1908 te Aalten als Nederlander geboren. Hij verloor zijn nationaliteit door in 1930 zonder Koninklijk verlof dienst te nemen bij het Franse Vreemdelingenlegioen. Sedert 1935 woont hij weer in Nederland. Zijn vrouw en kinderen bezitten het Nederlanderschap. Als voeger voorziet hij in het onderhoud van zich en zijn gezin.
In 1967 woonde hij aan de Haartsestraat 56 in Aalten. We hebben vooralsnog geen nadere informatie over zijn gezin of wanneer hij is overleden. Heeft u meer informatie dan horen wij het graag!
Ale Douma
Willem Massen was niet de enige inwoner van Aalten die in het Franse Vreemdelingenlegioen diende. In 1950 diende Ale Douma, woonachtig in Aalten, een verzoek tot naturalisatie in. Douma werd op 10 augustus 1908 geboren in Dronrijp (Friesland) als zoon van Sjerp Douma en Elisabeth Schuurmans. Hij diende in dezelfde periode in het legioen als Willem Massen (1930–1935).
Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef Douma in Duitsland, waar hij tweemaal in concentratiekampen werd opgesloten vanwege zijn hulp aan Franse krijgsgevangenen. Ale Douma overleed op 12 januari 1986 en ligt begraven op begraafplaats Berkenhove.
