Het Feestgebouw in Aalten stond op de plek waar tegenwoordig de parkeerplaats is van De Hofnar, voorheen activiteitencentrum De Pol.
In 1906 vonden de arbeidersbeweging, onder anderen vertegenwoordigd door de heren Joh. Obrink en G.J. Winkelhorst, en de schuttersvereniging ‘Eendracht Maakt Macht’ elkaar in een groots en gedurfd plan tot oprichting van de ‘N.V. Feestgebouw’.
Prominente plaats in de gemeenschap
Financiële middelen vond men door het uitgeven van aandelen. Er werden 750 aandelen van elk 10 gulden uitgegeven. Op deze manier kwam er 7500 gulden binnen. Voor die tijd een flink bedrag. De ‘rijkeren’ onder de Aaltense bevolking kochten een vel met liefst tien aandelen, een zogenaamd ’talon’ (coupon of dividendblad van aandelen). Deze kon men later verzilveren. Er zijn aandeelhouders geweest die dit niet hebben gedaan. Het bedrag werd als het ware geschonken om de bouw van het feestgebouw mogelijk te maken.
Nog in datzelfde jaar kwam het plan van de grond en medeoprichter Theodoor Driessen werd de eerste president. Het indrukwekkende grote gebouw, zeker in verhouding tot een kleine plaats als Aalten toen was, paste geheel in die tijd. Het ontwerp kwam van architect J.J. Post uit Winterswijk. September 1907 nam men het gebouw in gebruik. Het zou het bijna zeventig jaar lang een prominente plaats innemen in de Aaltense gemeenschap.
Onderdak voor Franse vluchtelingen
Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog kwam er vanuit Noord-Frankrijk een vluchtelingengolf op gang van voornamelijk Franse, maar ook Belgische burgers. Op 26 oktober 1918 ontving de burgemeester van Aalten bericht dat in zijn gemeente, evenals in andere plaatsen in Gelderland, een groot aantal vluchtelingen moest worden ondergebracht.
Besloten werd dat de mannen in gebouw ‘Elim’ en de vrouwen en kinderen in het Feestgebouw zouden worden ondergebracht. Voorts werden de nodige maatregelen getroffen, om de vluchtelingen van eten en drinken te voorzien. Het Feestgebouw werd voor de gelegenheid omgedoopt in ‘Salle Maréchal Foch‘, naar Frankrijk’s befaamde opperbevelhebber.
Films en muziek
Vroeger werd er kermis gehouden achter het Feestgebouw. In de jaren dertig van de vorige eeuw werden er al films vertoond in het Feestgebouw. Dit was toen niet zonder gevaar. Het filmmateriaal bestond uit nitrocellulose, een zeer brandbaar materiaal. Bij de vertoning van films waren daarom altijd een aantal brandweerlieden aanwezig in het Feestgebouw.
Het Feestbouw was ooit ook de poptempel van Aalten. Vanaf de jaren zestig werden er in het Feestgebouw vele legendarische concerten georganiseerd door onder andere Fly In, Nirwana en Attica. Bands als Earth Wind and Fire, Herman Brood en His Wild Romance, Kayak en de popgroep Normaal hebben er opgetreden.
Het Feestgebouw werd in 1977 gesloopt, om plaats te maken voor activiteitencentrum De Pol, inmiddels omgedoopt in De Hofnar.
Aandeel Feestgebouw AaltenFeestgebouw Aalten, 1912“Réfugiés Français et Belges, Salle Maréchal Foch, Aalten (Hollande), 22-11-1918”Draaimolen op de kermis achter het Feestgebouw, jaartal onbekendSloop Feestgebouw Aalten, 1977
Krantenberichten
Aaltensche Courant, 31 januari 1903
Aaltensche Courant, 9 december 1905
Nieuwe Winterswijksche Courant, 24 maart 1906Aaltensche Courant, 13 juli 1907
De Westerkerk in Aalten werd in 1891 gebouwd, enkele jaren na de Doleantie van 1886. Het gebouw diende als gereformeerde kerk en stond bekend als Kerk B, terwijl de Oosterkerk de naam Kerk A kreeg. De kerk is ontworpen door architect H. van der Brand, die er een zogeheten schuurkerk van maakte: een eenvoudig, functioneel kerkgebouw.
In 1928 werd aan de straatzijde een portaal toegevoegd, omdat de ruimte in de kerk onvoldoende was. De kerk is gebouwd in neoclassicistische stijl, met in de voorgevel diverse rondboogvensters. Op het dak staat een kleine torenspits.
Oorlogsjaren
Op 30 januari 1944 hielden Duitse SS’ers een razzia in twee Aaltense kerken, waaronder de Westerkerk. De bezetters wisten dat kerkdiensten druk bezocht werden, ook door jonge mannen en onderduikers die zich onttrokken aan de arbeidsinzet of niet terugkeerden van verlof. Meer dan veertig mannen werden hierbij opgepakt.
Latere geschiedenis
In 1999 werd de Westerkerk verkocht aan de Euregio Christengemeente Euregio Christengemeente Aalten-Bocholt, die het gebouw sindsdien in gebruik heeft. De Westerkerk is aangewezen als gemeentelijk monument.
De statige villa ‘Zonneheuvel’ in Aalten was decennialang het karakteristieke woonhuis van burgemeester Monnik (1879-1951), die van 1910 tot 1945 burgemeester van de gemeente Aalten was. De villa werd circa 1911 gebouwd en in 1968 afgebroken.
In 1910 werd Monnik benoemd tot burgemeester, een functie die hij 35 jaar vervulde. Het gezin Monnik woonde in villa Zonneheuvel aan de Bredevoortsestraatweg. Voor de woning liep de tramlijn van de G.W.S.M. (Lichtenvoorde–Bredevoort–Aalten–Bocholt).
De villa stond op een ruim terrein. Bij zijn afscheid als burgemeester bepaalde Monnik dat deze gronden ter beschikking moesten worden gesteld aan de Aaltense bevolking. Zo werd er kort na de oorlog een gezondheidscentrum gebouwd met badhuis.
In 1957 kwam de woning in eigendom van de stichting ‘Protestants-Christelijk Verpleeghuis Aalten’, met de bepaling dat de weduwe Monnik er tot het eind van haar leven mocht blijven wonen. Na haar overlijden in 1963 ging men aan de slag met plannen om er een verpleeghuis te vestigen. De provincie gaf hiervoor echter geen toestemming omdat er al verpleeghuizen waren in Varsseveld en Winterswijk.
In 1969 besloot men een overdekt zwembad op het terrein te realiseren. In 1972 opende het zwembad onder de naam ‘Zonneheuvel’.
Villa Beekhuize herinnert aan de bloeiperiode van de textielnijverheid in het dorp Aalten.
Textielfabrikant Anton Driessen woonde sinds zijn komst in Aalten aanvankelijk bij Meijerink in de Kerkstraat. Later kocht hij een pand aan de Landstraat. In 1833 wilde Anton Driessen een nieuw woonhuis bouwen. Hij had daartoe aan het einde van de Landstraat – de tegenwoordige Dijkstraat – van de erven Degenaar een huis gekocht. Hij wilde dat huis afbreken en op die plaats een nieuw modern huis bouwen met pakhuis, schuur en stalling. Daarvoor had hij echter meer ruimte nodig dan de bestaande huisplaats bood. Anton Driessen diende vervolgens een plan in bij het gemeentebestuur.
Voor dit plan moest zowel de beek als de straat worden verlegd. Bovendien moest er een nieuwe brug komen. Omdat de palen van de oude brug bijna waren vergaan, was de bouw van de nieuwe brug niet alleen hoogst noodzakelijk maar de verplaatsing volgens Driessen ook minder kostbaar. Naast de verlegging van de beek en de bouw van een nieuwe brug had Driessen voor zijn plannen ook grond nodig. Hij ruilde daartoe een stuk grond met de gemeente. De onderhandelingen over bovengenoemde zaken duurden enige jaren. In maart 1835 ging de bouw van start.
Behalve Anton Driessen bouwde ook zijn neef Heinrich een huis aan de toenmalige Landstraat. Heinrich Driessen plaatste meer richting centrum een royaal woonhuis, waarvoor zijn oudste zoon Theodoor op 29 juni 1837 de eerste steen legde. Sindsdien werd er in de volksmond gesproken over ‘d’n veursten’ en ‘d’n achtersten Dreessen’.
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1832
I-1231 I-1233
Jan Berend Lohuis
199 m² huis & erf 2.250 m² tuin
Bewoners
1813
Aalten 37
Johannes Degenaar (Aalten, 25-10-1779), wever zoon Evert Degenaar (Aalten, 10-05-1744), wever vader
De Ds. Stegemanschool werd in 1922 opgericht en heette aanvankelijk Nederlands Hervormde school. In 1955 werd de school vernoemd naar Ds. J.D. Stegeman. De school werd gesloopt in december 2005. Tegenwoordig staat hier woonzorgcentrum Stegemanhof.
Hotel De Roskam ‘van Voorderman’ in de Landstraat, met veranda, begin 20e eeuw.
Het pand aan de Landstraat 13-15 in Aalten kent een rijk horecaverleden: al in 1823 werd het vermeld als logement De Roskam. In datzelfde jaar stond Evert van Eerden er geregistreerd als kastelein. Na het overlijden van zijn ouders in 1837 en 1839 nam zoon Abraham van Eerden het stokje over.
Volgens een lijst van 1850-’60 overnachtten in De Roskam veel zakenmensen. Vaste passanten waren bijvoorbeeld de Zwolse azijnfabrikant Schaapman uit Zwolle en meelfabrikant Van der Lande uit Deventer. Ook Duitse zakenlieden kenden het adres.
In 1870 nam Pieter Oosthout uit Rotterdam het logement over. Deze bleef echter niet lang, want in 1876 wordt De Roskam overgenomen door Karel Gustaaf Avenarius. In een advertentie beveelt hij het logement “minzaam aan in de aandacht van het reizend publiek”.
Voorderman
Eind april 1890 vertrok Avenarius en vestigde zich hier Martinus Voorderman uit Brummen.
Hotel De Roskam, vanaf dan ook wel kortweg ‘Voorderman’ genoemd, was een plek waar niet alleen overnacht en vergaderd werd. Er werd ook goed geborreld. Vooral met de Meimarkt, de Kermis en de Sint-Nicolaasmarkt op 6 december was het er erg vol. De veemarkt in Aalten werd destijds gehouden tot één uur in de middag, waarna de boeren naar Voorderman gingen. ’s Middags gingen de jongelui naar de warenmarkt. Op alle hoeken in de cafés klonk muziek. De jongens trokken in groepen langs de kramen, evenals de meisjes en men probeerde tot elkaar te komen voor afspraakjes.
Wie voor de Meimarkt of Kermis al een afspraakje had weten te maken om er samen naar toe te gaan, had “d’n schadden al dreuge”. Op de markt deden ook de kwakzalvers en kiezentrekkers goede zaken. De meisjes die geen aanzoek hadden gekregen trokken alleen huiswaarts. Een verstokte vrijgezel en een late feestganger wipten dan nog even bij Voorderman binnen.
In september 1891 werd in Aalten een Landbouwtentoonstelling gehouden. In Hotel De Roskam konden de aanwezigen deelnemen aan een open tafel à ƒ 2,25 per couvert, inclusief een halve fles wijn. De Roskam was naast hotel ook een stalhouderij. In 1919 verscheen een advertentie waarin de mogelijkheid tot het stallen van paarden werd aangeboden.
Einde van Hotel De Roskam
Martinus Voorderman overleed in 1912. In april 1919 verkocht zijn weduwe de volledige hotel-inventaris, inboedel en stalhouderij. De veranda werd in mei van datzelfde jaar gesloopt en het pand werd verbouwd tot twee winkelhuizen: Landstraat 13 en 15.
Op nummer 13 vestigde zich vervolgens G.J.J. Degenaar met een drogisterij. In 1930 opende hij er tevens een lunchroom (modern woord!), ingericht als “Oud-Hollandsche taveerne”. Op de verdieping erboven werd het museum van de Oudheidkamer ondergebracht en de drogisterij kreeg zijn ingang aan de Hogestraatzijde. In 1934 werd de drogisterij overgenomen door C. van Nood. Begin jaren 70 werd het drogisterij Kwakkel en tegenwoordig is het een restaurant/pizzeria.
Op nummer 15 vestigde zich B.A. Veldhuis, manufacturier. In 1933 vinden we er het delicatessenhuis van G.A. Wieland en in 1967 de delicatessenzaak van B. Buesink. Tegenwoordig is het deel van modezaak Klein Entink (Landstraat 17).
Muurschilderingen
In 1988 ontdekten Marianne Kiwitz en Martin Finkenflügel muurschilderingen op de eerste verdieping van het pand Landstraat 13 (destijds drogisterij Kwakkel). Bij het verwijderen van behang kwamen in meerdere kamers wandversieringen tevoorschijn, waaronder in de woonkamer aan de Landstraat twee prachtige en goed bewaarde natuurtaferelen. Deskundigen van het Museum Frerikshuus concludeerden dat de decoraties dateerden uit de tijd dat het pand een hotelfunctie had.
De twee schilderingen in de woonkamer waren gesigneerd met “W.J. Rave”, en op één van de decoraties stond de toevoeging “Bred”. Dit wijst vermoedelijk op de schilder W.J. Rave uit Bredevoort, die Hotel De Roskam destijds van wandversieringen voorzag.
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1832
I-1395
Evert van Eerden
370 m² huis & erf
1846
I-1395
Abraham van Eerden, logementhouder
370 m² huis & erf
1873
I-1395
Pieter Oosthout, logementhouder
370 m² huis & erf
1877
I-1395
Karel Gustaaf Avenarius, logementhouder
370 m² huis & erf
1884
I-3882
Karel Gustaaf Avenarius, logementhouder
370 m² huis & erf
1891
I-3882
Martinus Voorderman, logementhouder
370 m² huis & erf
1921
I-5806 I-5807
Gerrit Jan Johannes Degenaar, schilder Gerhard Flint, manufacturier
211 m² huis & erf 159 m² huis & erf
1934
I-6629 I-6628
Gerrit Jan Johannes Degenaar, schilder Gerhard Flint, manufacturier
220 m² huis & erf 155 m² huis & erf
1957
I-8121 I-8122
Cornelis van Nood, drogist Bernard Buesink, kruidenier
Fragment kadastrale kaart, 1884 (perceel I-3882)Nederlandsche Staatscourant, 19 juli 1823Zutphensche Courant, 19 september 1876De Graafschapbode, 3 december 1881De Graafschapbode, 9 september 1891Briefhoofd Hotel De Roskam, jan. 1919Museum ‘Oudheidkamer’, lunchroom ‘De Geldersche Keuken’ en beddenzaak ‘De Duif’Interieur van lunchroom-restaurant “De Geldersche Keuken”Nieuwe Aaltensche Courant, 2 december 1921Marianne Kiwitz en Martin Finkenflügel bij één van de muurschilderingen van het voormalige hotel De Roskam‘Drogisterij van Nood’
De voormalige pijpenfabriek Becking & Vaags in de Hoekstraat was van 1885 tot 1925 actief in de voor Nederland unieke hoornindustrie in Aalten. Het bedrijf produceerde pijpenstelen en later ook messenheften.
De fabriek vindt haar oorsprong bij twee vakmannen: Wessel Becking en Willem te Gussinklo leerden het pijpendraaien bij Gerrit Peters. Beiden vertrokken op ‘Wanderschaft’ naar Duitsland zich in hun vak te verdiepen.
Na hun terugkeer in 1880 begonnen zij een eigen zaak, eerst in een huis op de Kattenberg en vanaf 1883 in het gebouw naast de meubelzaak van de heer Vreede. Dat pand met het karakteristieke klokgeveltje is rond 1959 gesloopt.
Op onderstaande kadastrale kaart is te zien dat de twee percelen aan de Landstraat en de Hoekstraat in elkaars verlengde liggen.
Becking en Te Gussinklo werkten korte tijd samen, maar gingen in 1884 ieder hun eigen weg.
In 1885 startte Becking met Bernardus Gerhardus Vaags, neef en naamgenoot van Bernard Vaags, de firma Becking & Vaags. De fabriek maakte pijpenstelen en later ook messenheften. Toen de verkoop van Duitse pijpen terugliep, ging de fabriek korte bruyèrepijpen produceren.
In 1907 kreeg de fabriek haar huidige aanzicht: naar ontwerp van gemeentearchitect Jan Brill. werd het gebouw uitgebreid met een machinekamer, bergplaats, werkplaats, kleedkamer en privaat.
Na de Eerste Wereldoorlog liep de handel met Duitsland terug. In 1921 werd de fabriek enige tijd stilgelegd; later werd de productie hervat, zij het slechts nog drie dagen per week. In september 1925 was de firma Becking & Vaags nog te vinden als exposant op de Leipziger Messe. Niet lang daarna werd het bedrijf geliquideerd.
In de jaren vijftig deed het pand enige tijd dienst als kleuterschool, totdat de nieuwe Beatrixschool aan de Oosterkerkstraat gereedkwam.
Het gebouw aan de Hoekstraat staat er nog steeds en is aangewezen als gemeentelijk monument. De schoorsteen is wel verdwenen.
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1891
I-3707
½ Bernardus Gerhardus Vaags, pijpenfabriekant ½ Wessel Johannes Becking, fabriekant
230 m² pijpenfabriek, erf
1909
I-5311
½ Bernardus Gerhardus Vaags, pijpenfabriekant ½ Wessel Johannes Becking, fabriekant
346 m² fabriek & erf
1934
I-6619
Hendrik Jan Vreede e.c., meubelmaker
405 m² huis, fabriek & erf
1946
I-7458 I-7459
Hendrik Jan Vreede, meubelmaker Hendrik Willem Vaags, bakker
355 m² huis, fabriek, erf 105 m² schuur, erf
1984 1967
I-11203 I-7459
Hendrik Jan Meerdink, horlogemaker Janna Hermina te Paske e.c., wed. H.W. Vaags
Pijpenfabriek Becking & Vaags, met schoorsteenFragment kadastrale kaart, 1909 (perceel I-5311)De Graafschapbode, 21 januari 1903Algemeen Handelsblad, 21 februari 1925Arnhemsche Courant, 18 april 1921De Tijd, 14 juli 1925De Graafschapper, 17 juli 1925Aaltensche Courant, 22 mei 1931
Voormalige borstelfabriek, rond 1950 opgericht aan de zuidzijde van de Hogestraat, op het terrein van het boerderijtje Hogestraat 69 II. Dit boerderijtje en het omliggende terrein waren in bezit van borstelfabriek Luva (Luvink –Aalten).
In de bedrijfsruimte achter de boerderij werden tot 1970 borstels gemaakt. Het bedrijf verhuisde naar het industrieterrein en de fabriek aan ’t Dal heeft jarenlang leeggestaan. Inmiddels is voormalige fabriek verbouwd tot woning, waarbij de oorspronkelijke hoofdvorm en karakteristieke industriële uitstraling grotendeels behouden bleef. Mede door de forse bouwmassa neemt het een prominente plaats in binnen het beeld aan dit gedeelte van ’t Dal.
’t Dal 6 is het huidige adres. Vóór 1955 hoorde de fabriek bij het toenmalige adres Willemstraat 1 (tegenwoordig Hogestraat 69-II).
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1959
I-8266
vof M.J.J. Lurvink
1.239 m² huis, fabriek, erf
1987
K-1636
Martinus Wilhelmus Johannes Lurvink, borstelfabrikant
1.190 m² fabriek, erf
De geschiedenis van borstelfabriek Lurvink
Borstelfabriek Lurvink is een familiebedrijf in Aalten met een geschiedenis die minstens twee eeuwen teruggaat. Uit archiefonderzoek blijkt dat er al vanaf het begin van de 19e eeuw allerhande soorten borstels werden gemaakt.
Jan Lurvink (1747–1823), een kleermaker uit Aalten, had samen met zijn vrouw Willemina Wenderink (1763–1832) tien kinderen. Uit diverse aktes van de burgerlijke stand en notarissen blijkt dat vijf van hun zoons het beroep van borstelmaker kozen. De eerste officiële vermelding is te vinden in de huwelijksakte van Arnoldus Lurvink (1789–1876), die in 1813 trouwde met Johanna Geertruid Feldkamp. Hij werd op de akte aangeduid als borstelmaker. In 1820 trouwde zijn jongere broer Frederikus Reinirus Lurvink (1793–1842) met Maria Wilhelmina Joanna Balster. Ook hij werd in de huwelijksakte vermeld als borstelmaker.
Familiebedrijf aan huis
Toen Jan Lurvink in 1823 overleed, woonden nog drie zoons thuis: Gerhardus (1796), Bernardus (1799) en Henricus Bernardus (1805). Zij oefenden allen het beroep van borstelmaker uit. Vermoedelijk waren zij hiermee al vóór het overlijden van hun vader begonnen. In mei 1823 verkochten Jan en Willemina hun huis aan hun zoon Gerhardus. In de notariële koopakte werd Gerhardus aangeduid als borstelmaker. Ook op zijn huwelijksakte uit 1828 met Joanna Oostendorp werd dit beroep vermeld.
Registratie en generatiewissel
In 1823 begon Aalten met de aanleg van een bevolkingsregister. Willemina woonde toen met haar drie zonen op het adres ‘Aalten 136’, tegenwoordig Hoekstraat 4. Alle drie stonden geregistreerd als borstelmaker.
Gerhardus Lurvink (1796) was de eerste die stopte met het ambacht. In 1836 droeg hij zijn bedrijf over aan zijn broer Bernardus (1799), die in datzelfde jaar trouwde met Hendrika Scheerder (1801). Zij kregen geen kinderen. Op de huwelijksakte van 10 februari 1836 traden de broers Henricus Bernardus, Arnoldus en Gerhardus op als getuigen, allen aangeduid als borstelmakers.
In 1843 kreeg Henricus Bernardus Lurvink een zoon, die hij Bernardus noemde. Op diens geboorteakte werd zijn vader als borstelmaker vermeld. Zoon Bernardus, geboren in 1843, kwam rond 1862 als leerling-borstelmaker in dienst bij zijn oom Bernardus (1799), zoals blijkt uit het bevolkingsregister.
Een nieuwe locatie voor de fabriek
In 1861 kocht Bernardus Lurvink (1799) via een veiling een pand aan de splitsing Willemstraat/Hogestraat voor 960 gulden. Hier vestigde hij zijn borstelfabriek. In zijn testament benoemde hij zijn neef Bernardus (1843) als erfgenaam en vermeldde hij dat deze als borstelmaker bij hem werkzaam was.
In 1876 droeg Bernardus (1799) het bedrijf over aan zijn neef Bernardus (1843). Deze was in 1872 getrouwd met Johanna Wilhelmina Berendsen. In 1880 werd hun zoon Martinus Johannes Joseph Lurvink geboren. Ook op diens geboorteakte werd de vader aangeduid als borstelmaker.
Op 18 november 1897 werd het bedrijf ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.
20e eeuw
In het bevolkingsregister van 1900-1910 werd Bernardus (1843) vermeld als “borstelmaker baas”, en twee van zijn zoons, Martinus Johannes Joseph (1880) en Wilhelmus Gerhardus Johannes (1886), als borstelmakers in dienst bij hun vader.
Op een wisselbrief uit 1905 en een betaalbewijs uit 1911 stond de naam ‘B. Lurvink en Zonen’. In een briefkaart uit 1913 werd die naam nog steeds gebruikt.Wanneer Martinus Johannes Joseph Lurvink (1880) de leiding van zijn vader overnam is niet exact bekend, maar uit een orderbevestiging uit 1926 blijkt dat de fabriek toen werd aangeduid als ‘M.J.J. Lurvink – Machinale Borstelmakerij’.
Martinus richtte later de ‘Vennootschap onder firma M.J.J. Lurvink’ op. Op 2 januari 1961 trad zijn kleinzoon, Martinus Johannes Joseph Lurvink (1945), in dienst. Hij was de zoon van Gerhardus Johannes Bernardus Lurvink (1913).
Aaltensche Courant, 14 november 1947
Verhuizing en voortzetting
In 1972 verhuisde de Fa. M.J.J. Lurvink naar de Tweede Broekdijk, op bedrijventerrein ’t Broek in Aalten.
In 1975 werd de Besloten Vennootschap “Borstelfabriek M.J.J. Lurvink B.V.” opgericht. Bij de oprichting werden onder anderen Gerhardus Johannes Bernardus Lurvink (1913) en zijn zoon Martinus Johannes Joseph Lurvink (1945) als comparanten vermeld.
Op 3 juli 1987 werd Martinus Lurvink (1945) benoemd tot directeur. Zijn zoon, Martinus Johannes Gerhardus Lurvink (1984), trad in 2010 toe als eigenaar van de fabriek. Daarmee is hij de jongste generatie uit de Lurvink-stamboom die het familiebedrijf voortzet.
In dit dubbele woon/winkelpand waren ooit boekhandel ‘De Graafschap’ (links, nr. 19) en sigarenmagazijn Dick Fries (rechts, nr. 21) gevestigd. Tegenwoordig zit Pearle opticiens op nummer 21 en staat nummer 19 leeg.
Sigarenmagazijn Dick Fries
De sigarenwinkel van Dick Fries (1924-2002) en zijn vrouw Leis (1931-2004) aan de Landstraat was een begrip in Aalten. De winkel lag centraal en het echtpaar was nauw betrokken bij het wel en wee van het dorp. Velen kwamen er om rookwaren te kopen, maar ook voor een praatje. Jarenlang organiseerden Dirk en Leis Fries rookwedstrijden, waarbij het er om ging wie de langste askegel rookte. Prins Bernhard ontving jaarlijks op zijn verjaardag een doos goede sigaren. Daarom kreeg de winkel het predikaat ‘hofleverancier van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard’.
Zoals in vele middenstandsgezinnen bepaalde de winkel het ritme van de dag en de week. De zaak was zes dagen in de week en op koopavonden geopend. Ook buiten de officiële openingstijden kon een klant bij Fries terecht. ’s Avonds werd de administratie gedaan.
Gedurende het 65-jarig bestaan van de sigarenwinkel was er in de inrichting en het assortiment vrijwel niets veranderd. Dit kwam omdat Dick Fries blind was. Omdat alles op dezelfde plek bleef, kon hij de weg goed vinden. Zijn visuele handicap belette hem niet om in de jaren zestig nog een kruidenierswinkel en een restaurant aan de Duitse grens te openen. Deze zaken, waarin familieleden werkten, werden na een aantal jaren weer afgestoten. Tot kort voor zijn overlijden stond Dick Fries in zijn sigarenwinkel. De zaak bleef nog bestaan tot 2004.
Landstraat 19-21 (geheel links), ca. 1910. Ansichtkaart uitgegeven door C. van Bennekom.Briefhoofd Boekhandel Ant. Lammers vh. De Graafschap, 1951Dick Fries in zijn winkel
De ‘Ark van Noach’ was een eeuwenoud pand aan de Hogestraat in Aalten. Waar deze naam precies vandaan kwam, is niet bekend. Mogelijk verwees deze naar de vorm van het gebouw en zagen sommigen er iets van een schip in? Een andere verklaring is dat er ooit een kinderrijk gezin woonde. Bij families met veel kinderen werd vroeger wel gezegd: “dat is er eentje uit de Arke Noachs”.
Minder bijbelvaste Aaltenaren spraken ook wel van ‘De Olde Kaste’.
In 1936 werd het pand onbewoonbaar verklaard. Een jaar later namen de padvinders het pand in gebruik als clubhuis voor de net opgerichte ‘Welpenclub’. Het pand is vermoedelijk rond 1950 afgebroken.
Op deze plek kwam daarna de schoenenzaak van Rozema. Tegenwoordig is hier bakker Heyerman gevestigd.
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1832
I-1391
Antonij Vreede
157 m² huis & erf
Bewoners
Bevolkingsregister 1823-1837
Aalten 122
Antonij Arnoldus Vreede (Aalten, 28-04-1796), leerloyer 1) Aafke Radsma (Hempens, 30-12-1801), d.v. Tjeerd Radsma 2) Isabella ten Dam (Aalten, 20-02-1802)
Bevolkingsregister 1838-1851
Aalten 125
Antonij Arnoldus Vreede (Aalten, 28-04-1796), leerlooyer Isabella ten Dam (Aalten, 20-02-1802)
Bevolkingsregister 1850-1861
“Hoogestraat”
Aalten, 125
Isabella ten Dam (Aalten, 20-02-1802)
Volgende bewoners:
Henry Wood (Wilmslow/UK, 24-06-1830), fabriekbediende Helena Gaskill (Lancaster/UK, 06-08-1828)
Bevolkingsregister 1860-1870
Aalten, 125
Henry Wood (Wilmslow/UK, 24-06-1830), fabriekbediende Helena Gaskill (Lancaster/UK, 06-08-1828)
De Graafschapper, 27 maart 1936Graafschapbode, 12 november 1937 – Tekening: Piet te LintumAaltensche Courant, 30 december 1947Aaltensche Courant, 15 april 1949
In het centrum van Aalten bevindt zich een kleine, goed gerestaureerde en mooi ingerichte synagoge, die bijna een eeuw het centrum van Joods leven vormde in deze Achterhoekse gemeente. Het gebouw is thans eigendom van een stichting, Vrienden van de Aaltense Synagoge.
Halverwege de 19e eeuw was de Joodse gemeente in Aalten zozeer in getal gegroeid, dat een woonhuis te klein werd voor de wekelijkse sabbatsvieringen. Men wilde een eigen sjoel, niet alleen voor de godsdienstoefeningen, maar ook voor het onderricht aan de jongeren. Daarom bouwde men in 1857 een synagoge. Het was een eenvoudig rechthoekig gebouw zonder architectonische bijzonderheden, doch functioneel voor de nog steeds niet rijke, maar wel orthodoxe Joodse gemeente in Aalten. Over een architect is niets bekend.
De synagoge werd het centrum van een levendig gemeenschapsleven, dat voortduurde tot de ramp, die alle Joodse gemeenschappen trof in de jaren van de Duitse bezetting. De leden van de gemeente die niet op tijd konden onderduiken werden weggevoerd en vermoord.
Tweede Wereldoorlog
Tijdens de bezetting zijn er twee pogingen gedaan om de synagoge in brand te steken. De synagoge werd grotendeels leeggeroofd en uitgebroken om het gebouw geschikt te maken voor de opslag van munitie. Het interieur van het gebouw was vernield, maar de Tora-rollen en de rituele objecten zijn op tijd verborgen en zodoende behouden. Na de oorlog werden de wetsrollen weer in het gebouw teruggebracht. De synagoge werd hersteld, betaald van de opbrengst van het huis van de chazzan (sinds 1948 kon de gemeente het salaris voor een voorganger niet meer opbrengen).
Een groot deel van de gemeenteleden die de oorlog hadden overleefd verhuisde echter naar elders, waardoor de Joodse gemeente niet meer de kans had om op te bloeien. Het vereiste aantal mannen (minjan) voor het houden van diensten haalde men steeds vaker niet meer. De synagoge raakte in onbruik en dreigde te vervallen.
Restauratie
In 1984 werd het gebouw verkocht aan de Stichting Vrienden van de Aaltense Synagoge. Deze stichting nam de verantwoordelijkheid op zich voor een grondige restauratie. Op 29 december 1986 werd de synagoge met een plechtige chanoekaviering opnieuw ingewijd.
Aan zowel de binnen- als aan de buitenzijde zijn elementen die het bezichtigen waard zijn. Aan de binnenzijde zijn dit onder andere de heilige arke, vier thorarollen, de stenen tafelen, de neer-tamiet, de menora, de chanoekia, de bima, de vrouwengallerij en het mikwe. Aan de buitenzijde zijn dit de tekst boven de deur, de mezoeza en de plaquette aan de rechterzijde op de buitenmuur.
De Aaltense synagoge is in de zomermaanden regelmatig te bezichtigen.
Midden in Aalten staat al eeuwenlang de Oude Helenakerk. Het is het oudste en meest markante gebouw van Aalten. De laatgotische pseudobasiliek met romaanse toren is een monument van onschatbare historische en emotionele waarde. Talloze Aaltenaren zijn er gedoopt, getrouwd, hebben er troost gevonden en zijn vanuit deze kerk naar hun laatste rustplaats gebracht.
Geschiedenis
Rond het jaar 800, toen de Saksen door Karel de Grote werden onderworpen, gelastte hij dat iedere gemeenschap een zogenaamde hoofdhof ter beschikking stelde voor de bouw van een kerk. In de nederzetting Aladna, de oude naam van Aalten, was dat waarschijnlijk een stuk grond van de latere Havezate de Ahof.
Het eerste kerkje op deze plek was vermoedelijk gebouwd in Karolingische stijl, een voorloper van de romaanse architectuur. De kerk werd gewijd aan de heilige Helena, de moeder van de Romeinse keizer Constantijn de Grote, die zich bekeerde tot het christendom.
In de 12e eeuw werd aan dit eerste kerkje een laatromaanse toren toegevoegd. De romaanse bouwstijl kenmerkt zich door zware, massieve muren met kleine rondboogvensters. In tegenstelling tot de latere gotiek kent de romaanse bouwkunst weinig versieringen. De toren is geheel opgetrokken uit tufsteen, een zacht vulkanisch gesteente dat men destijds in deze contreien veel gebruikte voor de bouw van kerken en burchten. De torenspits heeft de vorm van een zogenoemde ingesnoerde naaldspits.
Tussen 1470 en 1483 werd het driebeukige schip van de kerk gebouwd, eveneens uit tufsteen. Dit deel van de kerk werd uitgevoerd in de laatgotische stijl, kenmerkend voor de 15e eeuw, met grote vensters voorzien van spitsbogen die als het ware naar de hemel wijzen. Het hogere koor aan de oostzijde van de kerk dateert uit de periode tussen 1440 en 1450. Eind 15e en begin 16e eeuw werden op de gewelven en muren muurschilderingen aangebracht.
Reformatie
Tot het einde van de 16e eeuw viel de parochie Aalten onder het bisdom Münster. Met de verovering van Bredevoort, het bestuurscentrum van de gelijknamige heerlijkheid waartoe Aalten behoorde, door Prins Maurits op 8 oktober 1597, bereikte de Reformatie ook deze streek.
In die tijd bediende pastoor Theunissen, geboortig uit Bocholt, de Aaltense kerk. Hij verzette zich fel tegen de hervorming. Volgens overlevering moest hij echter in 1601 vluchten naar het klooster Burlo, volgens anderen naar Rhede. Hij stierf later in Warendorf, waar de weliswaar niet grote maar waardevolle monstrans, welke hij uit Aalten had meegenomen, nog tot in het midden van de 19e eeuw aanwezig zou zijn geweest.
Vermoedelijk zijn kort na 1597 ook de stenen kruiswegstaties verwijderd die de lijdensweg van Christus uitbeeldden. De staties, vermoedelijk rond 1530 gemaakt door de Westfaalse beeldhouwer Heinrich Brabender, verdwenen maar werden in de 19e eeuw teruggevonden. Tegenwoordig zijn ze te bewonderen in het Museum Catharijne Convent in Utrecht.
De toenmalige kapelaan van Aalten, Anthonius van Keppel, afkomstig uit Doetinchem, werd in 1602 genoemd als eerste predikant van de pas naar het protestantisme overgegane kerkgemeenschap van Aalten. Hoe kwam dit tot stand? Om de reformatie uit te breiden tot het platteland had men de medewerking van de roomse geestelijken aldaar nodig. In 1598 werden velen van hen opgeroepen om op de classicale vergadering te Zutphen te verschijnen. Ook de geestelijken uit Aalten waren aanwezig. Op deze vergadering werd van de aanwezige pastoors en vicarissen verlangd, dat zij de katholieke godsdienst zouden verlaten en dat zij zouden belijden, dat de gereformeerde religie de ware was.
In de classicale vergadering van 1603 te Zutphen verklaarden de deelnemers uit Aalten, Winterswijk en Zeddam zich bereid te conformeren met de hun gestelde conditiën. In 1633 was het aantal lidmaten al voldoende om over te kunnen gaan tot de instelling van een kerkenraad.
Gedeeld gebruik
Na de verovering van de Achterhoek in 1672 door troepen van de bisschop van Münster werden de kerken van Aalten, Winterswijk en Dinxperlo door de bisschoppelijke commissaris aan de Minoritenpaters gegeven. De gereformeerde gemeente te Aalten sloot een overeenkomst met de bezetters. Deze afspraak hield in dat de katholieken en de gereformeerden de kerk te Aalten afwisselend konden gebruiken. Maar korte tijd later werd het gebruik van het kerkgebouw aan de gereformeerden verboden. Deze toestand duurde evenwel niet lang. Pinksteren 1674 verlieten de Münsterse troepen Aalten en de kerk kwam weer ter beschikking aan de gereformeerden.
Beroeringen
Begin 1750 werd het rustige Aalten opgeschud door een reeks opvallende religieuze verschijnselen. Tijdens kerkdiensten barstten mensen in tranen uit, zuchtten luid of zakten in elkaar alsof ze het bewustzijn verloren. Sommigen vertelden zelfs over ontmoetingen met engelen of over aanvallen van de duivel. De gebeurtenissen leidden tot landelijke aandacht en zouden de geschiedenis ingaan als de Aaltense beroeringen.
Doleantie
In 1834 kreeg de beweging van de zogenaamde Afscheiding, zich manifesterend door het uittreden van Ds. H. de Cock en de kerkenraad van Ulrum (Gr) uit de Ned. Hervormde Kerk, in Aalten enige aanhang. In 1840 was de kring te Aalten zodanig gegroeid, dat men een gemeente stichtte. Enkele tientallen jaren later ontstond in de Ned. Hervormde kerk de beweging van de zogenaamde Doleantie.
Restauraties
In 1973 werd de pleisterlaag in de kerk gerestaureerd. Onder de zes tot zeven lagen witkalk bleken bijzondere schilderingen schuil te gaan. Onder deze schilderingen bevinden zich afbeeldingen van de twaalf apostelen, een voorstelling van het Laatste Oordeel, de kroning van Maria en, zeer uniek in West-Europa een afbeelding van keizer Constantijn de Grote, samen met zijn moeder Helena, de naamgeefster van de kerk. De schilderingen werden gerestaureerd.
Grafkelder
Eveneens in 1973 stuitte timmerman Henk Heijnen tijdens werkzaamheden op een grafkelder onder het koor, met daarin drie kisten met menselijke resten. De grafkelder werd op last van het kerkbestuur snel weer gesloten, maar voordat dat gebeurde was Heijnen er al ingeklommen en had alles nauwkeurig nagemeten en gefotografeerd. In 2019 voltooide hij een houten replica van de grafkelder.
Overluiden
Al eeuwenlang luiden de klokken van de Oude Sint Helenakerk in Aalten op gezette tijden om de bevolking op de hoogte te stellen van sterfgevallen, het zogenaamde ‘overluiden‘.
Eigenaren
Overzicht is niet volledig.
Jaar
Perceel
Eigenaar
Omschrijving
1832
I-1498
de Hervormde Kerk van Aalten
3.060 m² kerk & erf
1862
I-2640
de Hervormde Kerk van Aalten
2.966 m² kerk & erf
1882
I-3735
de Hervormde Kerk van Aalten
2.924 m² kerk & erf
1911
I-5447
de Hervormde Kerk van Aalten
2.938 m² kerk, cathechisatielokaal & erf
1914
I-5613
de Hervormde Kerk van Aalten
2.720 m² kerk & tuin
1959
I-8339
de Hervormde Kerk van Aalten
3.085 m² kerk, huis & erf
1963
I-8941
de Hervormde Kerk van Aalten
2.925 m² kerk, huis, erf, plantsoen, ged. verenigingsgeb., weg
Fragment kadastrale kaart, 1862Tubantia, 16 maart 1887Oude Helenakerk, Aalten, tekening door Piet te LintumInterieur Oude HelenakerkMuurschildering Oude Helenakerk
Deze website gebruikt cookies voor een optimale ervaring en analyse van bezoekgegevens. Ga je hiermee akkoord? Zonder toestemming werken sommige onderdelen van de site mogelijk minder goed.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door je Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.