Auteur: Oud Aalten

  • Lugubere aankomst in New York

    Lugubere aankomst in New York

    Aaltense emigranten naar de VS

    Tussen 1845 en 1880 vestigden zich honderden emigranten uit Aalten en Winterswijk in Clymer, een plaatsje in het westen van de staat New York. In 1854 vertrokken ook Berend Hendrik Legters en zijn gezin naar de Verenigde Staten, met Clymer als eindbestemming. Over hun reis doet binnen de familie nog steeds een luguber verhaal de ronde…

    Berend Hendrik Legters werd op 18 januari 1827 geboren op Klein Goorhuis in de Aaltense Heurne. Medio jaren 30 verhuisde het gezin naar Nieuw Hoornenborg op de Haart. Na het overlijden van zijn moeder, hertrouwde zijn vader in 1845 en verhuisden ze naar boerderij Koks in Ratum.

    Op 18 juni 1847 trouwde Berend Hendrik, wever van beroep, met Anna Catharina Hellekamp (Miste, 31 augustus 1810). Zij gingen wonen op haar ouderlijk huis, Hellekamp in Miste. In juni 1854 vertrokken zij met hun twee jonge zoons naar Amerika, samen met het echtpaar Oonk-Kortschot, dat ook op Hellekamp woonde.

    De overtocht naar New York duurde lang en was zwaar. Voor Anna Catharina werd het te veel; na 30 dagen op zee overleed zij, slechts enkele dagen voordat ze in New York zouden aankomen. Berend Hendrik had gezien wat er met de lichamen van overleden passagiers gebeurde: die kregen een zeemansgraf. Dat lot wilde hij zijn echtgenote besparen. Dus bedachten hij en zijn reisgenoten een list. Zij deden net of Anna ernstig ziek was en verborgen zo het feit dat ze was overleden. Ondanks ziekte werd er op je gerekend met het eten. Bijkomend voordeel was dus dat ze nu zelf een extra portie hadden!

    Eenmaal aangekomen in New York moesten ze via de loopplank het schip verlaten. Ze hielden de overledene tussen hen in en legden haar armen over hun schouders heen. Voorzichtig schopten ze tegen haar benen aan zodat het leek alsof ze zelf liep. De truc lukte en zo wisten ze haar veilig van boord te krijgen.

    Op de eerste begraafplaats die ze tegenkwamen lieten ze haar begraven, met de bedoeling haar stoffelijk overschot later over te laten brengen naar hun eindbestemming, Clymer. De eerste jaren hadden ze hier echter niet de middelen voor. Toen ze eindelijk genoeg geld hadden gespaard keerden ze terug om haar op te halen. Maar helaas, ze konden het graf niet meer terugvinden…

    Nadat weduwnaar Berend Hendrik zich met zijn twee zoontjes in Clymer had gevestigd, vroeg hij de dominee wat hij moest doen. Op zijn advies hertrouwde hij met Gesina Berendina “Minnie” Schreurs (Barlo, 20 april 1820), weduwe van Gradus Kobus. Zij overleed in 1865 en Berend Hendrik trouwde nog een keer, nu met Geertruida JohannaKate” Schreurs (Winterswijk, 13 december 1840). Berend Hendrik (Henry) Legters overleed op 25 januari 1910 in Clymer.

    Bovenstaande weergave van dit verhaal is gebaseerd op de hieronder genoemde bronnen. Deze bronnen bevatten echter uiteenlopende informatie over de gang van zaken. Wij hebben de (volgens ons) meest aannemelijke informatie gecombineerd tot bovenstaande versie. Aanvullingen/correcties zijn welkom!

  • Aalten ‘vereenigingspunt van wegen’

    Aalten ‘vereenigingspunt van wegen’

    De Grondwet, 24 januari 1854

    De Grondwet, 24-01-1854 - Aalten knooppunt van wegen

    Aalten, 21 Jan. Het bestuur dezer gemeente heeft een besluit uit ’s Gravenhage ontvangen, waarin bepaald wordt, dat ons Gouvernement en dat van Pruissen overeengekomen zijn, om een kunstweg te leggen van Aalten naar de stad Bocholt in Pruissen.

    Dankbaar voor de onvermoeide pogingen van den Burgemeester en eenige leden van het Bestuur zal nu nog in den loop van dit jaar dit aanzienlijk dorp, hetwelk ruim 7000 zielen telt als het ware een vereenigingspunt van kunstwegen worden zooals van het Pruissische stadje Ödink over Winterswijk, Aalten en verder naar Arnhem, welke weg bereids af en reeds geopend is.

    Verder van Overijssel en Zutphen over Groenlo, Lichtenvoorde en Aalten naar de Pruissische steden Bocholt en Wezel, waarmede men thans reeds druk aan het werk is en dan nog tevens van Aalten met een zijtak over Dinxperlo en Anholt naar de Stations, die vermoedelijk niet verre van de laatste stad zullen komen, om van daar naar de beide koningrijken per spoortrein te kunnen reizen.

    Inderdaad zeer belangrijk voor de ingezeten dezer Gemeente, die de twee kunstwegen tot het Winterswijksche en Varssveldsche gebied voor eigene rekening hebben daargesteld niet alleen, maar nog daarenboven vrijwillig van de Provinciale subsidie ad ƒ 4000 ten behoeve van de gemeente Wisch hebben afgestaan, dat zij nu voor hunne belangrijke opofferingen ook eindelijk zijn geraakt en nu nog meerder zullen geraken, in een genot waarvan zij tot dusverre verstoken zijn geweest.

    Aalten is in den volsten zin om hare ligging gezond, en aangenaam in de conversatie en daar nu door de gemakkelijke communicatie te plaatsen, als het ware digter bij elkander komen, zoo zal het voor nieuwe inwoners, welke al van lieverlede komen, veel genoegen opleveren.

    Bron


  • Kiesdistrict Aalten

    Kiesdistrict Aalten

    Van 1852 tot 1919 was het kiesdistrict Aalten één van de zestien Gelderse kiesdistricten voor de Provinciale Staten. Het district omvatte de gemeenten Aalten, Winterswijk en Dinxperlo en telde drie zetels.

    Na de grondwetsherziening van 1848, die onder censuskiesrecht (stemrecht voor mannen die aan een bepaalde inkomenseis voldeden), voor het eerst rechtstreekse verkiezingen van Provinciale Staten mogelijk maakte1 – en de Provinciewet van 1850 werd Gelderland in 1852 in zestien districten verdeeld, waaronder Aalten.2

    Met de invoering van algemeen mannenkiesrecht in 1917 en de Kieswet van 1919 koos men bij de verkiezingen van 10 april 1919 voor het eerst via evenredige vertegenwoordiging in één provinciebrede kieskring, waarna het kiesdistrict Aalten ophield te bestaan.3

    Oorsprong en achtergrond

    Tijdens het bewind van koning Willem I (1772–1843) waren provinciebesturen benoemde organen, waarin adel en lokale notabelen zonder verkiezing zetelden. Pas met de grondwetsherziening van 1848 konden de leden van de Provinciale Staten rechtstreeks worden gekozen, zij het nog op basis van censuskiesrecht.1

    Instelling van het kiesdistrict Aalten

    In 1850 trad de Provinciewet in werking, waarin onder meer werd bepaald hoe de leden van de Provinciale Staten werden gekozen. Twee jaar later legde de Wet houdende regeling van de verdeling der provincies in kiesdistricten van 5 november 1852 (Staatsblad nr. 197) de definitieve indeling vast: Gelderland werd opgesplitst in zestien kiesdistricten, waaronder Aalten.2

    Opheffing en overgang naar evenredige vertegenwoordiging

    De grondwetsherziening van 1917 introduceerde algemeen mannenkiesrecht en luidde de afschaffing van het districtenstelsel in. De Kieswet van 1919 maakte een einde aan de kleine kiesdistricten en voerde in alle provincies één provincie-brede kieskring in met evenredige vertegenwoordiging. Bij de Gelderse verkiezingen van 10 april 1919 werd dit systeem voor het eerst toegepast, waarbij het kiesdistrict Aalten ophield te bestaan.3

    Afgevaardigden

    Enkele bekende Statenleden namens het kiesdistrict Aalten: 1

    1853–1860: Mr. Rudolph Willem graaf van Lynden (1808–1876)

    1853–1877: Bernhard Jan Boland (1804–1888)

    18531882: Mr. Bernard Andries Roelvink (1818–1882)

    1853–1892: Mr. Wilhelm Arnold Roelvink (1822–1917)

    1860–1885: Jan van der Zande (1819–1885)

    1877–1885: John Bernard William Maitland (1826–1894)

    1886–1892: Jacobus Wilhelmus van Hopbergen (1817–1913)

    1892–1898: Georg Ludwig Carl Heinrich Baud (1858–1921)

  • De Pier van Amsterdam, Sheboygan

    De Pier van Amsterdam, Sheboygan

    Visserspier bij Amsterdam, Sheboygan, circa 1930 (Foto Sheboygan County Historical Research Center)

    Visserspier bij Amsterdam, Sheboygan, circa 1930 (Foto Sheboygan County Historical Research Center)

    De pier van Amsterdam in Sheboygan County, Wisconsin, werd rond 1851 aangelegd en was ooit een belangrijk overslagpunt voor hout, landbouwproducten en vis. Met een lengte van circa 300 meter bood hij toegang tot het diepe water van Lake Michigan. Rond de pier ontstond een levendige gemeenschap van Nederlandse immigranten, vissers en handelaren. Na de komst van de spoorlijn in 1872 raakte de pier in verval. Tegenwoordig resteert slechts een park aan het water.

    De aanleg van de pier

    Wie precies de pier van Amsterdam in 1851 bouwde is onzeker; sommige bronnen noemen de Walvoords, andere Gilbert Smith. De pier reikte 300 meter uit in het Meer van Michigan vanaf wat nu Amsterdam Road heet, en had op het einde een diepte van ruim 6,5 meter — voldoende voor de schepen van die tijd. Aanvankelijk diende de pier voor de export van hout, maar al snel ook voor landbouwproducten en vis. Het dorp telde veel vissers die hun bestaan ontleenden aan het meer.

    De Nederlandse immigrant Hendrik Walvoord, een van de beheerders van het bedrijf, en zijn zoon Garrit Jan Walvoord kwamen in 1849 met andere familieleden naar het gebied. De familie Walvoord opende een kruidenierswinkel, waar ze levensmiddelen en algemene handelswaar aanboden in ruil voor lokale producten zoals brandhout, tonnenhout en vis.

    Tragedie en tegenslagen

    Op 11 juli 1856 vond een tragedie plaats. Volgens verschillende bronnen was Garrit Jan Walvoord die ochtend ofwel onderweg naar een baggerschip dat was ingehuurd om de pier uit te diepen, of hij was brandhout aan het opmeten. Tijdens deze werkzaamheden viel hij van de pier, mogelijk doordat het hout in beweging kwam terwijl hij er overheen skraggelde. Hij werd onder water bedolven toen enkele boomstammen bovenop hem vielen en overleed. Zijn vrouw Anna Maria Engel Nolton en zijn vader zetten de winkel nog een tijd voort.

    Maar het noodlot bleef niet uit: in januari 1857 werd de winkel van Walvoord volledig door brand verwoest en werd niet herbouwd. Begin juni 1858 ging ook de stoomzagerij van Thompson, Tinsler en Watser in vlammen op.

    Groei en neergang

    Ondanks deze tegenslagen lijkt Amsterdam decennialang te hebben gefloreerd. Op het hoogtepunt waren er minstens twee winkels, een smid, een herberg, een kuiperij en een school. In 1872 veranderde alles: de Milwaukee, Lake Shore & Western Railway werd aangelegd, maar deze liep landinwaarts via Cedar Grove. Hierdoor verloor Amsterdam haar transportfunctie. Door het verdwijnen van de houtvoorraden en de komst van het spoor verhuisden veel inwoners naar Cedar Grove. Sommigen bleven, met name de vissers.

    Naast de familie Smith begonnen ook andere gezinnen visserijbedrijven. Namen die verbonden zijn met deze bedrijvigheid zijn onder andere: De Witt, De Zoute, Grotenhuis, Huibregtse, Ingelse, Kobes, Kolste, Moennig, Nath, Roerdink, Smies, Stokdijk, Van Der Jagt, Van Drieste, Weiskamp, Westerbeke en Zuurmond.

    Redding op het water

    Op 18 maart 1906 redde kapitein Delos Smith samen met zijn bemanning op de vissersboot Tessler meer dan 60 mensen van de brandende stoomboot Atlanta. Ze slaagden erin het schip aan land te trekken net ten noorden van Amsterdam. Alleen matroos Michael Hickey overleefde het niet: hij sprong mis tussen beide schepen en verdronk.

    De ondergang van de visserij

    Naarmate de houtvoorraden slonken, werd de visserij de belangrijkste economische activiteit. In het begin werd er dicht bij de kust gevist met zeilboten en sleepnetten. Later schakelde men over op pound-nets in dieper water, eerst met stoom- en later met benzinemotoren. Witte vis en steur waren aanvankelijk overvloedig aanwezig, maar later werden vooral haring, spiering en forel gevangen. De visstand daalde echter sterk na de komst van de zeeprik in de jaren 1930. Hierdoor stortte de ooit bloeiende visserij langzaam in.

    Het Amsterdam van nu

    Van het vroegere dorp Amsterdam is vandaag weinig meer over. Op de voormalige locatie bevindt zich nu een klein park met een speelplaats, picknickplaats en een boothelling. Wat ooit een bruisend handels- en vissersdorp was, is nu een stille herinnering aan de Nederlandse pioniersgeschiedenis van Wisconsin.

  • Bodedienst Aalten-Zutphen in de 19e eeuw

    Bodedienst Aalten-Zutphen in de 19e eeuw

    In de 19e eeuw waren bodediensten onmisbaar voor handel en communicatie tussen dorpen en steden. In 1849 begon Jan Hendrik Heijink (1816-1888) een bodedienst tussen Aalten en Zutphen. Heijink was eigenaar van een boerderij die nog altijd dezelfde naam draagt en gelegen is aan de daarnaar vernoemde Heijinkdijk. Van deze dienst is een kasboek bewaard gebleven. Wie de inhoud met aandacht bestudeert, voelt het verleden bijna tot leven komen.

    Achter het kleine, vergeelde handschrift doemen mensen op en krijg je een indruk van het leven halverwege de 19e eeuw. Je ziet de bode met zijn wagen over de toen nog grotendeels onverharde Achterhoekse wegen trekken. In de zomer, als de zon uitbundig scheen, leek het soms een plezierreisje. Maar ’s winters was hij vaak blootgesteld aan regen en hagel, en voerde de tocht soms over modderige wegen, waar de wielen diep wegzakten in de wagensporen.

    Centrum van handel

    Voor je zag je mensen die goederen aanvoerden voor transport: kleine ondernemers die hun producten naar de ‘hoofdstad’ van de Achterhoek lieten vervoeren, en grotere handelaren die maandelijks balen, pakken, kisten en vaten aanleverden om die via Zutphen verder te laten transporteren. Winkeliers ontvingen balen koffie, zakken zout, kisten thee en vaten stokvis, terwijl notabelen op deze manier wijn en boeken lieten bezorgen.

    Halverwege de 19e eeuw was Zutphen de belangrijkste stad van de Achterhoek en een centrum van handel en transport. Vanuit Zutphen werden Achterhoekse producten verder vervoerd richting het westen van het land. Tegelijkertijd kwamen via de rivieren goederen uit het westen naar Zutphen.

    Kasboek

    Heijink noteerde doorgaans eens per week een rit “Na Zutphen”. De afstand tussen Aalten en Zutphen bedroeg zo’n acht uur gaans. Aan het eind van het jaar maakte hij een overzicht van de kosten die met deze dienst gemoeid waren. Onder de noemer “Betaald voor het vaaren in 1849” vermeldde hij regelmatig de kosten van “verteering” onderweg:

    “10 Januarij Door mij op reis 3.80; 17 Januarij Door mij op reis 5.75; Den 7 Februarij Door mij op Rijs 7.00; Den 12 Februarij Door Mij op Rijs 10.21.”

    Deze bedragen zijn opvallend hoog in verhouding tot de tarieven die Heijink zijn klanten in rekening bracht. Zo rekende hij voor het vervoer van vijf kisten thee f 1,60, voor “100 kan olij” f 1,00 en voor een vat siroop van 360 pond f 1,40. Op basis hiervan is het aannemelijk dat hij in Zutphen overnachtte en pas de volgende dag met een nieuwe lading terugkeerde naar Aalten.

    Ook de paarden hadden voer nodig, en soms ging de reis met twee wagens. Dan moest “Jentink voorspannen”. Een andere keer was het Hiddink of Drenthel. Heijink noteerde bijvoorbeeld:

    “Den 7 Februarij Jentink voorspannen Na Groenlo 1.20; Den 19 Februarij Hiddink voorspannen 1.00; Twee wagens verteering Haver op Rijs 14.00; Den 27 Februarij Door mij verteerd en haver tezaamen 12.00.”

    Daarnaast maakte hij uiteraard nog andere kosten:

    “Den 5 Januarij Bussink twee paarden ijzers verlegt 1.35; Den 16 Januarij Bussink een paar nieuw ijzers en een paar verlegt 0.85; Den 20 Januarij Voor Bussink een paar nieuwe hoepels op de Voor raden en aan de kleine Leeren en de Raden aan de Stortkarren te zaamen bet. 21.10; Den 25 Januarij Gebr. Hoopman een paar nieuwe hoepels op de Achterraden Kronen Banden en voor de Achterbanden te zamen betaald 25.50; Den 5 Maart Voor een nieuw Kleed op den wagen betaald 0.50; Voor het maken 0.50.”

    De middenstand

    De klanten van Heijink bestonden grotendeels uit lokale neringdoenden, wat ons een interessant beeld geeft van de Aaltense middenstand in het midden van de negentiende eeuw. Levensmiddelen en gebruiksvoorwerpen vormden het merendeel van de aangevoerde artikelen. Koffie en suiker werden toen nog niet geleverd in pakken van 250 of 500 gram, zoals tegenwoordig. Deze en ook andere producten werden in balen aan de winkeliers geleverd, die zelf de gewenste hoeveelheden afwogen voor hun klanten.

    Hieronder volgt een opsomming van goederen die Willem te Gussinklo, winkelier aan de Markt, via bode Heijink liet aanvoeren:

    “7 Maart 5 Leidsche kazen; 12 Maart 2 vaten visch, 1 kistjen Vaarzen (bedoeld zal zijn: vazen), 2 manden Aardewerk; 16 Maart 2 baalen rijst, 3 baalen Koffij, 1 vaatje Rozijnen, 2 mandjes Vijgen; 18 April pakje manufacturen; 19 april 3 zak Lijnzaad; 25 april 1 vat zuiker, 2 mandjes Candij, 1 vat krinten, 2 baalen Koffij, drie pakken papier.”

    Zout werd in zakken geleverd, terwijl stroop, olie, soda, blauwsel, cichorei en zeep in vaten werden aangevoerd. Tabak kwam zowel in vaten als in balen, pakken of manden. Opvallend is de vermelding 3 stroo Bocking”. Mogelijk waren de bokkingen, in een bepaald aantal of gewicht, verpakt in stro.

    Vlasteelt en raapolie

    vlas

    Het belang van de vlasteelt in deze streek blijkt duidelijk uit de grote hoeveelheden lijnzaad die winkeliers in het voorjaar van 1849 in voorraad namen: in maart en april ging het om 27 zakken en 3 vaten. Bij één van de afnemers is het gewicht van drie zakken vermeld: vijfhonderd pond. Daarnaast zullen boeren ook zaaizaad hebben gewonnen uit hun eigen vlasoogst. Men zaaide het vlas in het voorjaar en oogste in de zomer. Na de nodige bewerkingen werd het gesponnen en vervolgens geweven. Van de beste kwaliteit maakte men lakens en hemden. Wanneer het werd gebruikt voor bovenkleding, zoals een jak of kiel, werd het eerst geverfd bij de zwart- of blauwverver.

    Andere producten, die het hele jaar door werden aangevoerd, waren raapolie en patentolie, dat vooral gebruikt werd voor verlichting. Raapolie diende daarnaast als bakvet, onder meer voor vingerdikke boekweitpannenkoeken.

    Klanten

    Fabrikant Heinrich Driessen maakte wekelijks gebruik van de bodedienst voor de aanvoer van balen katoen, garen, potas, machinerieën en nu en dan een anker wijn. De geweven stoffen werden naar Zutphen gebracht om vandaar verder te worden vervoerd.

    Onder de klanten van Heijink bevond zich ook de Aaltense heel- en vroedmeester Servaas van Leuven, die goederen als een kistjen, een mandjen, een vaatjen en een pond kurken” liet vervoeren.

    Winkeliers

    Tot de belangrijkste afnemers behoorden de winkeliers in levensmiddelen Willem te Gussinklo en zijn broer Bernardus Engelbartus te Gussinklo, Gerrit Willem Vaags, Bernardus Hendrikus Becking en Hendrikus Brethouwer, die vaak samenwerkte met Burchard D.G. Muller.

    Het is niet altijd eenvoudig om de geleverde artikelen bij de juiste klanten onder te brengen. Zo wordt naast Bernardus Hendrikus Becking ook Hendrik Jan Becking genoemd, evenals Gebr. Becking en J. Becking. Het kasboek vermeldt geregeld alleen de achternaam.

    Datzelfde geldt voor de naam Vaags. Naast Gerrit Willem Vaags komen ook ‘Draaijer’ Vaags en Lodewijk Vaags voor, maar vaak ook enkel ‘Vaags’. Lodewijk Vaags was bakker en woonde aan het begin van de Gasthuisstraat, de huidige Haartsestraat. Hij ontving uitsluitend meel, soms gruttemeel. Een andere bakker was Degenaar, aan wie eveneens alleen meel werd geleverd. ‘Draaijer’ Vaags was stoelendraaier – hij ontving geregeld bossen biezen om stoelen van nieuwe matten te voorzien.

    Gerrit Willem Vaags: ‘Gerrit van Alles’

    Gerrit Willem Vaags woonde aan het begin van de Dijkstraat. Volgens de familiestamboom stond hij bekend als graanhandelaar, maar ook als ‘Gerrit van Alles’ – een bijnaam die verwijst naar de veelzijdigheid van zijn assortiment. Een blik in het kasboek bevestigt dit beeld: daaruit blijkt dat hij onder meer Leidsche kazen, kistjes kaarsen, balen koffie, pakken papier, vaatjes blauwsel, een vat siroop, 400 raapkoeken, een mand spijkers en een mandje kandij liet aanvoeren. Ook pijpen, potas, kruiden, azijn, tabak, zinkdraad, almanakken, kurken en cichorei maakten deel uit van zijn assortiment. Met recht ‘van alles’, dus.

    Bron


  • Pioniers in Wisconsin – Wevers

    Pioniers in Wisconsin – Wevers

    Aaltense emigranten naar de VS

    In de 19e eeuw emigreerden duizenden Achterhoekers naar de Verenigde Staten, op zoek naar land, vrijheid en nieuwe kansen. Onder hen bevond zich Harmen Jan Wevers (1833–1905) uit Barlo. Hij was een van de vroege Nederlandse pioniers die zich vestigden in de grotendeels onontgonnen wildernis van Sheboygan County, Wisconsin.

    Harmen Jan Wevers werd geboren op 20 april 1833 op boerderij Oonk in Barlo, als zoon van Derk Wevers en Johanna Bloemers. Hij had een broer en drie zussen.

    Emigratie en beginjaren in Amerika

    In april 1849 vertrok hij op zestienjarige leeftijd vanuit Rotterdam naar de Verenigde Staten. De overtocht duurde 64 dagen. Na aankomst in New York reisde hij via Buffalo, Pittsburgh, St. Louis en Chicago naar Sheboygan County in Wisconsin.

    Harmen Jan kwam op hetzelfde schip naar Amerika als Henry Walvoord, bij wie hij vervolgens drie jaar als knecht werkte. Walvoord vestigde zich na aankomst in de VS in Holland Township. Gedurende dertien winters verbleef Harmen Jan bij deze pionier, terwijl hij in de zomer werkte of naar school ging.

    Nadat hij voldoende had gespaard kocht hij een span ossen en verdiende de kost als voerman, onder andere met het vervoeren van hout naar de pier van Amsterdam (Wisconsin).

    Eigen boerderij in Holland Township

    In 1854 kocht Harmen Jan een stuk land van veertig acres (ruim 16 hectare), grotendeels ongerept bos. Met veel inzet wist hij dit terrein te ontginnen en veranderde het in een goed lopend boerenbedrijf. Later breidde hij zijn bezit uit tot zeventig acres (bijna 28,5 hectare).

    Op 27 december 1856 trouwde hij met Berendina Gerharda te Slaa, geboren op 14 oktober 1834 op boerderij De Heuvel in Lintelo. Samen kregen ze acht kinderen, van wie er vier in 1894 nog in leven waren:

    Harmen Jan zag hoe zijn nieuwe thuisregio veranderde van een ruige wildernis tot vruchtbaar landbouwgebied. Door hard werken, volharding en toewijding wist hij als eenvoudige immigrant een bloeiend boerenbedrijf op te bouwen. Hij groeide uit tot een gerespecteerd burger en bestuurder in zijn gemeenschap.

    In 1894 waren van het gezin nog twee kinderen in leven: Harmen Jan en zijn zus Johanna Geertruid (1828–1912), die getrouwd was met Albert Clanderman uit Sheboygan.

    Geloof en toewijding tot het einde

    Harmen Jan Wevers was een actief en gewaardeerd lid van de Dutch Reformed Church in Cedar Grove. Politiek was hij aangesloten bij de Republikeinse Partij. Hij vervulde jarenlang de functie van Supervisor (gemeentebestuurder).

    Van arme emigrant wist hij zich op te werken tot zelfstandig boer en gerespecteerd burger. Binnen Holland Township stond hij bekend als een van de oudste en meest betrouwbare pioniers van de regio.

    Harmen Jan Wevers overleed op 19 maart 1905, op 71-jarige leeftijd. Hij werd begraven op Walvoord Cemetery in Holland, Sheboygan County.

  • Stoomspinnerij P. Driessen & Zoon

    Stoomspinnerij P. Driessen & Zoon

    Hogestraat, Aalten (verdwenen)

    De Stoomspinnerij P. Driessen & Zoon werd in 1849 opgericht door Heinrich Driessen en gold als de eerste stoomspinnerij in de Achterhoek. Het gebouw werd in 1859 door brand verwoest en nadien niet herbouwd.

    In 1849 richtte textielfabrikant Heinrich Driessen aan de Hogestraat in Aalten, ter hoogte van de huidige huisnummers 89–95, als eerste in de Achterhoek, een stoomspinnerij op. De spinnerij werd al spoedig uitgebreid met enkele powerlooms (door stoom aangedreven weefgetouwen).

    In de nacht van 19 op 20 augustus 1859 werd de fabriek echter door brand verwoest en niet meer opgebouwd.

    Heinrich verlegde zijn aandacht namelijk naar Leiden. Daar had hij in 1846, samen met zijn neef (zoon van zijn zus), de zeepzieder Ignatz van Wensen, de verlopen textieldrukkerij en -ververij De Heyder & Co. gekocht, later bekend als de Leidsche Katoenmaatschappij.

    Het voormalige fabrieksterrein aan de Hogestraat in Aalten was vervolgens ruim zeventig jaar in gebruik als bouwland.

    Rond 1933 werd op deze locatie een dubbele woning gebouwd en vestigde Derk Jan Winkelhorst er zijn garagebedrijf.

    Bronnen


    • Delpher
    • ‘Geweven goed. De textielgeschiedenis van Aalten en Bredevoort’, H. de Beukelaer en J.G. ter Horst
    • Kadaster
  • De ramp met de Phoenix (1847)

    De ramp met de Phoenix (1847)

    In 1847 vertrok een grote groep Achterhoekers naar Amerika, in de hoop op een beter leven. Onder hen bevonden zich ook tientallen Aaltenaren. Vlak voordat zij hun eindbestemming bereikten vloog hun schip ‘Phoenix’ in brand op Lake Michigan. Naar schatting 250 tot 300 personen vonden daarbij de dood.

    Pas twee jaar oud was de prachtige houten boot genaamd ‘Phoenix’, die op 20 november 1847 met zo’n 175 Nederlanders, 23 bemanningsleden en een onbekend aantal andere opvarenden, opstoomde naar de westkust van het Michiganmeer. De landverhuizers aan boord kwamen uit Winterswijk, Aalten, Varsseveld, Apeldoorn, Holten en diverse andere plaatsen. Een dag later zouden ze in Sheboygan hun Beloofde Land bereiken na een afmattende bootreis. Kinderen werden voor het laatst in de hutten te slapen gelegd.

    Op 11 november was de Phoenix vertrokken uit Buffalo om via Lake Erie en Lake Huron naar Lake Michigan te varen. Slechts dertig mijl van hun bestemming verwijderd, voer de Phoenix de haven van Manitowoc binnen. Er werd wat lading aan land gezet, maar toen de kapitein merkte dat de weersomstandigheden te stormachtig waren, hield hij zijn schip in de haven tot het meer zou kalmeren. De bemanning ging aan land. Sommigen beweerden dat ze bij terugkomst dronken waren.

    Om één uur ’s nachts, het meer kalm, de nacht overspoeld met sterren, vertrok de Phoenix voor het laatste deel van de reis naar Sheboygan. Door de zware last raakten de stoomketels oververhit, maar de bemanning deed er luchthartig over. Tegen vier uur ’s nachts kwam er echter een dikke rook en stank van smeulend hout uit de machinekamer en werd alarm gegeven.

    Verbranden of verdrinken

    Vergeefs werd aan boord van de Phoenix nog getracht met emmertjes water de brand te doven. Maar het houten vaartuig brandde al gauw als een fakkel. Twee reddingsbootjes werden te water gelaten, waarmee 43 opvarenden de vijf mijl naar de kust wisten te overbruggen, de een met een klomp als roeispaan, vijfentwintig van hen waren Nederlanders.

    De overige passagiers hadden twee opties: verbranden of verdrinken. Ze sprongen in het water, maar maakten daar geen schijn van kans. Het water was ijskoud en ze raakten binnen minuten onderkoeld. Als men al kon zwemmen, dan nog was iedere poging om de kust te bereiken zinloos.

    Naar schatting tweehonderdvijftig tot driehonderd personen vonden de dood, inclusief bijna 100 kinderen. Het is verbazingwekkend hoe het handjevol overlevende landverhuizers er toch nog in geslaagd is een nieuw leven te beginnen. Ze moesten wel.

    Oud-Aaltenaren op de Phoenix

    Midden vorige eeuw trokken veel Achterhoekers om geloofsredenen weg. Het waren veelal afgescheidenen van de Ned. Hervormde gemeente, die zich hier vanwege hun vrijzinnig denken niet meer thuisvoelden. Zo ook de Achterhoekse opvarenden van de Phoenix, onder wie de Aaltenaren Brusse, Navis en Krajenbrink uit de buurtschap Lintelo.

    Uit overlevering zijn de namen van veertien personen uit Aalten bekend, die slachtoffer van de ramp werden. Over anderen tast men in het duister. Ze vertrokken op 16 augustus 1847 uit Aalten, samen met 78 anderen. Maar naar voorzichtige schatting zijn wel vijftig tot vijfenzeventig Aaltenaren omgekomen.

    Een lijst met (mogelijke) passagiers van de Phoenix en welke de ramp waarschijnlijk wel en niet hebben overleefd staat op de website dutchgenealogy.nl van Yvette Hoitink.

    Podcasts en documentaire

    Eind 2020 stuitte de Winterswijkse podcastmaker Joske Meerdink van Omroep Gelderland bij toeval op het verhaal over de ramp met de Phoenix. Het verbaasde haar dat ze het verhaal niet kende en merkte dat de ramp met de Phoenix bij haar dorpsgenoten ook vrij onbekend was. Daarop besloot zij in het verhaal te duiken.

    Tijdens haar zoektocht bracht Joske samen met documentairemaker Diny van Hoften een bezoek aan Sheboygan, waar ze spraken met nabestaanden van overlevenden van de ramp. Ook stapten ze aan boord bij een shipwreck hunter om te zoeken naar overblijfselen van de Phoenix (en vonden die ook!).

    Haar zoektocht resulteerde in een serie podcasts en een tweedelige documentaire. Deze zijn te beluisteren en bekijken bij Omroep Gelderland.

    Hier is ook de documentaire te zien die Omroep Gelderland begin 1998 uitzond over de Phoenixramp. In de documentaire, gemaakt door Sacha Barraud, wordt een groep Achterhoekers, waaronder Aaltenaar Evert Smilda, gevolgd die eind 1997 naar Sheboygan, afreist om de 150-jarige herdenking van de Phoenixramp bij te wonen.

    Emigratie naar Noord-Amerika

    In de loop van de 19e eeuw verlieten duizenden mensen de Achterhoek om een nieuw bestaan op te bouwen in de Verenigde Staten. Ook vanuit Aalten vertrokken veel inwoners, op zoek naar vrijheid, land en nieuwe kansen.

    Rotterdam emigratie 19e eeuw
  • Het zeilschip ‘Kath Jackson’ (1847)

    Het zeilschip ‘Kath Jackson’ (1847)

    Aaltense emigranten naar de VS

    In 1847 emigreerde een grote groep Aaltense emigranten per schip naar de Verenigde Staten. Zij maakten deel uit van een grotere emigratiestroom uit de Achterhoek in de 19e eeuw. Eén van de schepen waarmee deze emigranten naar Amerika reisden, was het zeilschip Katherine (Kath) Jackson, dat in dat jaar vanuit Amsterdam vertrok.

    De Kath Jackson was een driemaster met een vierkante spiegel en een lengte van circa 38 meter. Het schip werd in 1833 gebouwd door Fickett & Thomas in New York.

    Het schip voer eind augustus 1847 uit en had 171 passagiers aan boord. Volgens de passagierslijst was ongeveer driekwart van de passagiers – 131 personen – afkomstig uit Aalten. De overige passagiers kwamen onder meer uit Eibergen, Zutphen, Winterswijk, Leiden en uit Duitsland.

    Na de inscheping in Amsterdam verliet het schip Nederland via het Nieuwediep bij Den Helder, vanwaar de overtocht over de Atlantische Oceaan begon. De kapitein van het schip was W.W. Stafford. Op 28 september 1847 arriveerde de Kath Jackson in New York City.

    Het jaar ervoor had de Kath Jackson al een kleinere groep Aaltenaren naar Amerika gebracht, namelijk de familie Grootendorst / Scheenk.

  • Pioniers in Wisconsin – Duenk

    Pioniers in Wisconsin – Duenk

    Aaltense emigranten naar de VS

    In de 19e eeuw emigreerden duizenden Achterhoekers naar de Verenigde Staten, op zoek naar land, vrijheid en nieuwe kansen. Onder hen bevonden zich Evert Jan Duenk en Willemina Rensink uit de Aaltense buurtschap IJzerlo. Zij behoorden tot de vroege Europese pioniers die zich vestigden in Sheboygan County, Wisconsin.

    Evert Jan Duenk werd geboren in Aalten op 7 oktober 1797, als zoon van Hendrik Deunk en Aaltjen Siebelink. Hij trouwde op 12 juli 1818 in Aalten met Joanna Bernardina te Winkel (Bocholt, 1790), dochter van Joan Gerhard te Winkel en Theodora te Beest. Zij woonden op boerderij (Groot) Essink in IJzerlo.

    Kinderen uit het eerste huwelijk:

    • Derk Jan Duenk (1820–1898), trouwde op 23 juli 1847 in Aalten met Johanna Christina Hilbelink (1824–1907), geboren op boerderij Lensink in IJzerlo, dochter van Arent Jan Hilbelink en Hendrika Hoopman.
    • NN Duenk (1820–1820), levenloos geboren tweelingbroer van Derk Jan.
    • Gerrit Hendrik Duenk (1825–1883).
    • Johanna Engelina Duenk (1828–1829).

    Op 25 april 1829 overleed Joanna Bernardina. Een jaar later, op 6 mei 1830 hertrouwde Evert Jan in Aalten met Willemina Rensink (1809, geboren op boerderij Groot Rensink in Lintelo op 31 maart 1809, dochter van Jan Willem Rensink en Elisabeth Liesen.

    Kinderen uit het tweede huwelijk:

    Emigratie

    Op 16 augustus 1847 verliet het gezin de boerderij in IJzerlo en emigreerde naar de Verenigde Staten. Daarbij verzuimde Evert Jan echter de pacht op te zeggen. Ook had hij het vee en alle spullen op de boerderij verkocht. Hij werd daarvoor in Nederland gedagvaard en bij verstek veroordeeld.

    Evert Jan en Willemina, met hun zeven kinderen, vertrokken gingen in Amsterdam aan boord van het schip de Kath Jackson en arriveerden op 28 september 1847 in New York City. Op de lijst met emigranten van Aalten staat hij geregistreerd als landbouwer, minder gegoed. Het gezin vestigde zich in Sheboygan County.

    Sheboygan Vooruit

    We vonden enkele vermeldingen van Evert Jan Duenk in de Sheboygan Nieuwsbode, “Orgaan der Nederlanders in Noord-Amerika”:

    Huwelijksproblemen

    Op een gegeven moment konden Evert Jan en Willemina niet meer met elkaar overweg. Dit blijkt uit een advertentie die Evert Jan begin maart 1860 plaatste in de Sheboygan Nieuwsbode:

    “Naardemaal (omdat, red.) WILLEMINA DUENK, mijne huisvrouw, zich zoodanig heeft gedragen, dat ik niet langer met haar in vrede leven kan, verbied ik alle personen haar voor mijne rekening te huisvesten of te borgen, daar ik geene schulden zal betalen, die zij na dezen dag maakt. E.J. DUENK.
    Gibbsville, 3 Maart 1860.”

  • Pioniers in Wisconsin – Hilbelink

    Pioniers in Wisconsin – Hilbelink

    Aaltense emigranten naar de VS

    Gerrit Jan Hilbelink werd geboren op 19 februari 1813 op boerderij Lensink in IJzerlo, als zoon van Arend Jan Hilbelink (1787–1865) en Hendrika Hoopman. Op 1 oktober 1840 trad hij in het huwelijk met Garritjen te Bokkel, geboren op 27 februari 1820 op boerderij Groot Tammel in Lintelo, dochter van Arent Jan Derk te Bokkel en Janna Tammel.

    Emigratie en vestiging in Holland Township

    In augustus 1847 vertrok het gezin Hilbelink vanuit Rotterdam naar de Verenigde Staten. Na een overtocht van circa vier weken kwamen zij aan op Staten Island. Van daaruit reisden ze verder via Buffalo en de Grote Meren naar Sheboygan (Wisconsin). Daar verbleven ze slechts één nacht, om de volgende dag per ossenkar door te reizen naar Holland Township, waar ze zich vestigden in sectie 27, op een stuk land dat later eigendom werd van Gerrit Jan te Lindert. Op deze boerderij hebben ze ongeveer negen jaar gewoond.

    Het gebied bestond destijds nog volledig uit ongerept bos, bewoond door wilde dieren zoals wolven, beren en herten. De eerste jaren waren zwaar: het land moest volledig ontgonnen worden. Er waren maar weinig buren, al was er wel regelmatig contact met de lokale inheemse bevolking. In deze ruige omstandigheden bouwden Gerrit Jan en Garritjen een nieuw bestaan op.

    In 1853 volgde ook Gerrit Jans vader het gezin naar Amerika. Hij vestigde zich in Lima, waar hij zijn laatste levensjaren doorbracht.

    Boerderij en gemeenschap

    In 1850 kocht Gerrit Jan een stuk grond van 40 acres (ca. 16 hectare) in sectie 26, waar het gezin zich vestigde. Het terrein was opnieuw dicht bebost en moest geheel ontgonnen worden. Ze bouwden er een blokhut waarin hun kinderen opgroeiden. Later breidde hij zijn bezit uit met nog eens 40 acres. Hoewel hij later een deel verkocht, groeide het uit tot een goed functionerende boerderij met een woonhuis en diverse schuren. Gerrit Jan droeg ook bij aan de ontwikkeling van de lokale infrastructuur, zoals wegen, en andere voorzieningen.

    Nageslacht

    Gerrit Jan en Garritjen kregen samen veertien kinderen, waarvan vier in Nederland en tien in de Verenigde Staten werden geboren. De vier in Nederland geboren kinderen overleden op jonge leeftijd, evenals één van de kinderen in Amerika. Negen kinderen bereikten de volwassen leeftijd:

    • Hendrika (1849) trouwde met Arent Jan Rensing in Newkirk, Iowa
    • Aren Jan Derk (1850) beheerde het ouderlijk bedrijf, trouwde met Janna Gesiena Sikkink
    • Jan William (1853), timmerman in Newkirk, trouwde met Agnes Koolbeck
    • Jane (1855), trouwde met Derk Rose
    • Grada Gesina (1856), trouwde met Tony Walvoord
    • Gerrit Jan Jr. (1858), timmerman in Milwaukee, trouwde met Jane Smies
    • Hannah (1860), trouwde met John W. Rauwerdink, boer in Holland Township
    • Gertie (1863), trouwde met Jacob Leenhouse, timmerman in Milwaukee
    • Aleida (1866), trouwde met Gabe Ringoldus, eveneens in Milwaukee

    Gemeenschap en overlijden

    Gerrit Jan en Garritjen waren lid van de Dutch Reformed Church in Cedar Grove, en behoorden tot de eerste leden van deze gemeente. Politiek gezien was Gerrit Jan aanhanger van de Republikeinse Partij.

    In 1894 waren Gerrit Jan en Garritjen respectievelijk 80 en 73 jaar oud. Beiden verkeerden toen nog in goede lichamelijke en geestelijke gezondheid, en genoten van de vruchten van hun lange en harde leven als pioniers in de Nieuwe Wereld.

    Gerrit Jan Hilbelink overleed op 17 april 1898, zijn vrouw Garritjen op 5 april 1912. Beiden werden begraven op Cedar Grove Cemetery.

  • Pioniers in Wisconsin – Stronks

    Pioniers in Wisconsin – Stronks

    Aaltense emigranten naar de VS

    In de 19e eeuw emigreerden duizenden Achterhoekers naar de Verenigde Staten, op zoek naar land, vrijheid en nieuwe kansen. Onder hen bevond zich de familie Stronks uit Dale. Zij behoorden tot de vroege Europese pioniers die zich vestigden in Sheboygan County, Wisconsin.

    Jan Willem Stronks werd geboren op 27 april 1817 op boerderij Brunink in Dale, als zoon van Garrit Jan Stronks en Garritjen Graven. In 1846 emigreerde hij naar de Verenigde Staten. Jan Willem had aanvankelijk onvoldoende middelen om door te reizen naar het westen, en werkte daarom tijdelijk in de werkplaatsen van de spoorwegen in Schenectady, New York. Kort daarna trok hij verder naar Wisconsin.

    Daar ontmoette hij Grada Snoeijenbosch, eveneens uit Aalten. Grada werd geboren op 21 februari 1825 op boerderij Snoeijenbosch op de Haart, als dochter van Harmen Snoeijenbosch en Elizabeth Winkelhorst. In 1847 kwam zij met haar familie naar Sheboygan. Rond 1850 trouwden Jan Willem en Grada.

    Als een van de eerste Nederlandse pioniers vestigden zij zich in Holland Township, waar zij twintig acres (ongeveer acht hectare) bosland kochten. Het perceel was nog volledig onontgonnen. Door hard werken en spaarzaamheid wist Jan Willem zich op te werken tot een welvarende boer. Zijn gezondheid had echter zwaar te lijden onder de fysieke arbeid, en hij overleed in 1883 op 64-jarige leeftijd. Grada overleed in 1898 op 73-jarige leeftijd. Beiden waren trouwe leden van de Dutch Reformed Church.

    Een nieuw leven voor de kinderen

    Van hun negen kinderen overleden er drie op jonge leeftijd. Zes kinderen bereikten de volwassen leeftijd:

    • Garrett John (1852–1908), ondernemer in Cedar Grove
    • Herman Elbertus (1854–1946), koopman in Baldwin, WI
    • John William (1857–1941), winkelier in Alton, Iowa
    • Edward (1858–1940), eveneens koopman in Baldwin
    • Caroline (1860–1956), gehuwd met Henry Meengs, winkelier in Cedar Grove
    • Hannah (1865–1943), gehuwd met Henry Ramaker, ook uit Cedar Grove

    Garrett John Stronks: van boer tot ondernemer

    Garrett John werd op 21 maart 1852 geboren in Holland Township. Hij groeide op op de boerderij van zijn vader. Door de broze gezondheid van Jan Willem nam Garrett al op veertienjarige leeftijd de leiding over het boerenbedrijf op zich. Zijn scholing was beperkt; in totaal ging hij niet meer dan een jaar naar school. Na zeven jaar besloot hij het boerenleven achter zich te laten en zich te richten op de handel.

    In het nabijgelegen Oostburg kapte hij zelf hout uit het bos om een winkeltje te bouwen van 18 bij 28 voet (ca. 47 m²). Het startkapitaal leende hij van zijn vader: 700 dollar. Hij wist niets van handel, zijn ideeën over wat en hoeveel hij moest kopen waren nogal vaag, maar ondanks deze hobbels was hij vastbesloten om door te zetten.

    Hij kocht in Milwaukee twee keer zoveel goederen als hij kon betalen en plotseling drong de situatie tot hem door: hij had hoge schulden, geen klanten, geen ervaring en rekeningen die betaald moesten worden. Toen hij de stand van zaken overzag, raakte hij zo moedeloos dat hij zich voorgenomen had nooit meer iets te kopen, als hij tenminste kon verkopen wat hij had.

    Maar vanaf het begin bloeide zijn bedrijf; de mensen hadden vertrouwen in hem en steunden zijn onderneming. De inwoners van Oostburg hadden vertrouwen in hem en steunden zijn onderneming. Binnen twee weken was Garrett weer terug in Milwaukee om meer goederen in te kopen.

    In 1875 verhuisde hij zijn zaak naar Cedar Grove, waar hij de tweede winkel van het dorp opende. Daar dreef hij zeventien jaar lang een succesvolle winkel. Vanaf 1979 begon hij ook met graanhandel, waar hij zich vanaf 1892 volledig op toelegde. Naast een eigen graanpakhuis en ander onroerend goed, bezat hij ook 12 hectare landbouwgrond aan de rand van Cedar Grove.

    Op 21 oktober 1885 trouwde Garrett John Stronks met Jessie Blanche Smith, dochter van Gilbert H. Smith. Zij kregen vijf kinderen.

    Gemeenschap en overlijden

    Garrett was actief binnen de Republikeinse Partij en diende tijdens het presidentschap van Benjamin Harrison als postmeester van Cedar Grove. Hij werd beschouwd als een van de meest vooraanstaande burgers van zijn gemeenschap. Zijn levensverhaal is dat van een selfmade man: begonnen met niets, maar door inzet, moed en ondernemerszin uitgegroeid tot een gerespecteerd en welvarend inwoner van Holland Township.

    Garrett John Stronks overleed op 29 februari 1908 en werd net als zijn ouders begraven op Cedar Grove Cemetery.

    Graf J.W. Stronks & G. Snoeijenbosch, Cedar Grove, WI
    Graf Jan Willem & Grada Stronks in Cedar Grove, Sheboygan
  • Het zeilschip ‘Hector’ (1846)

    Het zeilschip ‘Hector’ (1846)

    Aaltense emigranten naar de VS

    In 1846 emigreerde een grote groep Aaltense emigranten per schip naar de Verenigde Staten. Zij maakten deel uit van een grotere emigratiestroom uit de Achterhoek in de 19e eeuw. Eén van de schepen waarmee deze emigranten naar Amerika reisden, was het zeilschip Hector, dat in dat jaar vanuit Rotterdam vertrok.

    Het schip voer eind augustus 1846 uit en had 190 passagiers aan boord. Volgens de passagierslijst waren 114 passagiers afkomstig uit Nederland, onder wie minstens 43 uit Aalten. Daarnaast bevonden zich 72 passagiers uit Duitsland, drie uit Frankrijk en één uit Denemarken aan boord.

    De kapitein van het schip was Alfred G. Spencer. Op 17 september 1846 arriveerde de Hector in New York City.

  • Pioniers in Wisconsin – Haartman

    Pioniers in Wisconsin – Haartman

    Aaltense emigranten naar de VS

    In de 19e eeuw emigreerden duizenden Achterhoekers naar de Verenigde Staten, op zoek naar land, vrijheid en nieuwe kansen. Onder hen bevond zich de familie Haartman uit Aalten. Zij behoorden tot de eerste Europese pioniers die zich vestigden in de grotendeels onontgonnen wildernis van Sheboygan County, Wisconsin.

    De familie Haartman woonde op de gelijknamige boerderij in de buurtschap Haart bij Aalten. Het gezin bestond uit vader Derk Jan Haartman, moeder Hendrika te Bokkel, vijf zoons en een dochter. In 1846 vertrokken ze met het schip Hector vanuit Rotterdam naar Amerika. De overtocht duurde 46 dagen en op 17 september kwamen ze aan in New York City.

    Na een kort verblijf van zes weken in Rochester (New York) reisde het gezin via de Grote Meren verder naar Milwaukee in Wisconsin. Daar kocht Derk Jan Haartman zestien hectare onontgonnen land. Kort daarna sloeg het noodlot toe: ziekte trof de familie, en moeder Hendrika, drie zonen en de dochter overleden.

    Vestiging in Sheboygan County

    Samen met zijn twee overgebleven zonen, Evert en Derk Jan jr., trok Derk Jan sr. verder naar Sheboygan County. In Wilson Township kochten zij een stuk bosgrond in sectie 32, voor drie dollar per hectare. De grond was nog nooit eerder door blanke kolonisten bewoond en moest vanaf nul worden ontgonnen.

    Het pioniersleven was zwaar. Ze hadden weinig te eten, nauwelijks kleding, en geen enkel comfort. Het eerste onderkomen van de familie was een eenvoudige blokhut met een planken vloer en een kachelpijp als schoorsteen. In het gebied woonden nog veel inheemse Amerikanen, die doorgaans geen overlast veroorzaakten, maar soms kwamen bedelen.

    Overleven in de wildernis

    Milwaukee was het dichtstbijzijnde handelscentrum, maar telde destijds slechts vijfhonderd inwoners. Sheboygan had drie kleine winkels en er waren nog geen kerken of scholen. De omgeving bestond uit dichte dennenbossen en de wegen moesten door de kolonisten letterlijk worden vrijgekapt.

    De kolonisten hadden regelmatig proviand nodig. Evert Haartman liep eens naar Milwaukee met het geld dat hij in de buurt had verzameld. Daarmee kocht hij drie vaten meel, wat vlees en boekweitmeel. Bij zijn terugkeer werden deze levensmiddelen zuinig verdeeld onder de bewoners van de nederzetting. De enige handelswaar die ze zelf konden aanbieden, waren as en cederhouten shingles, die ze in Milwaukee ruilden voor levensmiddelen.

    Familie en nakomelingen

    Evert Haartman, geboren op 15 mei 1824, trouwde op 12 mei 1855 in Wilson Township met Janna Berendina (“Jane”) Beskers, geboren op 25 juli 1830 op boerderij Haverland in Henxel bij Winterswijk. Zij kregen tien kinderen; twee zonen en acht dochters. Het gezin bewoonde een boerderij van bijna 100 hectare, gelegen op vier kilometer van het dorp Oostburg en dertien kilometer van Sheboygan.

    Evert werd in de omgeving gerespecteerd als een man van principes en toewijding. Hij diende meerdere keren als Township Supervisor, en ondersteunde initiatieven ter bevordering van onderwijs en de gemeenschap. De familie was lid van de Dutch Reformed Church in Wilson Township, en Evert hielp bij de bouw van drie kerken. Zijn eerste stem als Amerikaans staatsburger bracht hij uit op Abraham Lincoln; sindsdien bleef hij trouw aan de Republikeinse Partij.

    Derk Jan Haartman jr., de oudere broer van Evert, werd geboren op 18 juli 1821. Hij trouwde op 2 oktober 1855 in Wilson Township met Aleida Gesiena Kortschot, geboren op 20 september 1838 op boerderij Roerdink Kortschot (Roerdinkpoorthuis) in het Woold bij Winterswijk. Ook zij kregen tien kinderen, vier zonen en zes dochters.

    Laatste rustplaats: Hartman Cemetery

    Vader Derk Jan Haartman overleed in 1860. Derk Jan jr. stierf in 1889, Jane Beskers in 1896, en Evert zelf in 1910. Zij allen werden begraven op de Hartman Cemetery in Wilson Township, een kleine familiebegraafplaats waar ook andere nazaten en aangetrouwde familieleden hun laatste rustplaats vonden.

  • Emigranten familie Navis

    Emigranten familie Navis

    Aaltense emigranten naar de VS

    De bakermat van de Achterhoekse familie Navis ligt in de Aaltense buurtschap Lintelo. De oudst bekende vermelding van de naam is in 1529, als Hendrik Naeves uit Lintelo twee tijnshoenderen levert aan zijn kasteelheer van Anholt. Boerderij Navis werd in 1997 al acht generaties door de familie Navis bewoond. Stamouders Jan Navis en Hermken te Bokkel pachtten de boerderij in 1730 als kerkeplaats van de NH kerk in Aalten.

    Onder de vele landverhuizers die in de afgelopen eeuwen onze streek hebben verruild voor verre oorden (met name Noord-Amerika), bevonden zich ook diverse afstammelingen van Jan en Hanneken Navis. Hierna volgt een samenvatting van wat wij weten van deze telgen uit het geslacht Navis.

    Christiaan Navis

    De eerste bekende emigrant uit het geslacht Navis was Christiaan Navis (Aalten, 12-02-1797), zoon van Jan Navis en Sophia Blekking. Hij huwde op 11-02-1824 te Winterswijk met Johanna Hendrika Linzij (Oeding (D), 13-11-1803). Ze kregen tussen 1824 en 1841 zes kinderen. Ze woonden in 1844 op ‘Tiggeloven’ in de buurtschap Dorpbuurt onder Winterswijk en vertrokken in dat jaar naar Noord-Amerika, waar ze op 27-07-1844 te New York met het schip ‘De Hoop’ aankwamen. Christiaan gaf als beroep op: steenhouwer.

    Hun oudste kind, Jan Willem Navis (1824), ging niet mee naar Amerika, maar vertrok naar Pruisen. Hun tweede kind, Janna Sophia Navis (1826), vertrok volgens het bevolkingsregister naar Aalten, maar is daar niet terug te vinden. Wellicht heeft zij zich bedacht en sloot ze alsnog aan bij de reis naar Amerika. Ongeveer 1846 huwde zij namelijk in Clymer, NY met Jan Willem Bekerink (Ratum, 1821). Ze overleed in 1892 en werd begraven in Fontanelle, Iowa.

    Dochter Christina Navis (1829) huwde ca. 1855 in de VS met Jan Hendrik Verink (Kotten, 1810) en overleed in 1895 in Muscatine, Iowa, waar zij ook werd begraven. Van de overige drie kinderen is vooralsnog niet bekend hoe het hen is vergaan.

    Ze kochten 25 acres land in Clymer, NY aan de Clymer-Sherman Road, lot 60. Dit verkochten ze later aan hun schoonzoon Jan Willem Bekerink. Deze staat in 1854 voor 15 dollar een kwart acre grond af om daarop de Clymer Hill Church te bouwen. Op 13 september 1854 werd de kerk ingewijd.

    Later vertrok de gehele familie naar Muscatine, Iowa.

    Janna Geertruid Elisabeth Navis

    Zij werd op 20-01-1808 geboren in Lintelo, dochter van Hendrik Jan Navis en Antonetta Elisabeth Hoftijzer. Zij huwde op 25-08-1831 in Varsseveld met Lammert Rademaker (1806) en overleed op 20-01-1888 te Milwaukee, Wisconsin.

    Kinderen van Hendrik Jan Navis en Janna Liefting

    Burning of the Phoenix
    De ramp met de Phoenix op Lake Michigan, 1847

    Willemina Navis, geboren op 20-03-1794 in Lintelo, weduwe van Derk Jan Navis, hertrouwde in 1827 met Roelof Doornink en zij vertrokken in november 1846 naar Noord-Amerika.

    Derk Willem Navis, geboren op 26-07-1801 in Lintelo, huwde op 08-07-1826 in Aalten met Johanna Rexwinkel (1802). Zij vertrokken met hun zeven kinderen en zijn toen al bijna 80-jarige moeder Janna Liefting in augustus 1847 naar Noord-Amerika. Op 21-11-1847 kwamen zij allen om op Lake Michigan, bij de ramp met de propellerstoomboot Phoenix.

    Evert Navis, geboren op 04-02-1809 in Lintelo, weduwnaar van Willemina Janssen, hertrouwde op 29-05-1845 in Aalten met Berentjen Navis, zijn nicht, geboren op 30-04-1813 in Lintelo (Marode) en dochter van Geert Navis en Harmina Lammers. Zij vertrokken in oktober 1846 naar Noord-Amerika.

    Berend Hendrik Naves

    Geboren op 05-06-1839 in Lintelo (Marode), zoon van Arent Naves en Dersken Tieltjes (neef van Berentje, Derk Willem en Evert Navis). Hij huwde op 13-05-1869 in Aalten met Willemina Johanna Ormel (1847) uit De Heurne en in september 1869 vertrokken zij naar Noord-Amerika.

    Arent Jan Navis

    Geboren op 01-12-1828 in Lintelo (Nieuw Navis), zoon van Garrit Jan Navis en Johanna Geertruid Heesen en aangetrouwde neef van Willemina Navis via vaders kant. Hij trouwde op 06-12-1851 in Dinxperlo met Aleida Theodora te Kampe (1820). Ze vertrokken samen met hun éénjarige dochter Theodora Johanna in 1854 naar Noord-Amerika.

    Kinderen van Berend Hendrik Navis en Johanna Huenink

    Arend Jan Navis, (1841-1924), vertrok op 17-12-1859 naar Pruisen waar hij in 1869 te Wertherbruch trouwde met Elisabeth Blecking. Zij stichtten een Duitse tak onder de naam Naves.

    Gerrit Jan Navis, geboren op 13-02-1854 in Aalten, vertrok in september 1869 van boerderij Den Bosch op de Haart naar Noord-Amerika. Hij huwde in 1876 in Sheboygan met Hendrica Graven, geboren 1852 in Town of Holland als dochter van eerdere emigranten, namelijk Berent Graven en Aleida Berendina Snoeyenbosch uit Aalten. Zij kregen zeven nazaten in Amerika. Gerrit Jan overleed op 07-11-1927 te Sheboygan.

    Het raadsel rondom Henry Navis

    Bij het samenstellen van ‘The Navis family 1838-1975’, een overzichtsboekje van een Navis-geslacht in Amerika, was het de familie nog onduidelijk wie hun grondleggers Henry Navis en Hendrika Klein Hesseling precies waren of waar ze vandaan kwamen.

    Dit valt te lezen in het volgende fragment uit dit boekje, vertaald uit het Engels:

    “Henry Navis, kwam als jongeman vanuit Europa. Het jaar, hoe oud hij was of waar vandaan is onbekend. Hij was een zwerver en niemand leek te weten wat hij deed toen hij in Wisconsin, Minnesota en Iowa en andere staten was.

    Hij trouwde Hendrika Klein Hesseling, maar hun trouwdatum is ook onbekend. Ook de ouders van Hendrika Klein Hesselink zijn onbekend. Wat wel bekend is dat er Klein Hesselings in deze staat waren die het woordje Klein lieten vallen en dat er een band is.

    Het is niet bekend hoeveel broers en zusters Henry had of wie zijn ouders waren. Dit is in het kort de geschiedenis van de man en vrouw die deze geweldige generatie van Navissen hebben gestart.”

    Raadsel opgelost

    Tussen 1982 en 1983 werd het raadsel rond de afkomst van Henry Navis en zijn vrouw Hendrika Kleinhesselink door genealogisch onderzoek opgelost en aan de nazaten in Amerika meegedeeld. Zij waren dolenthousiast, dat er na zoveel jaren duidelijkheid was gekomen over de afkomst van hun grondleggers in de VS.

    Henry Navis was op 30-09-1838 geboren als Gerrit Hendrik Navis in de Binnenheurne bij Varsseveld, als zoon van Gerrit Willem Navis en Dersken ter Horst. Zijn grootouders waren Geert Navis en Hermina Lammers, broer en schoonzus van Hendrik Jan Navis en Janna Liefting (zie voorgaande emigranten). Zijn vader Gerrit Willem overleed in oktober 1856, toen Gerrit Hendrik 18 jaar was. Kort daarna verdween hij uit huis en werd als ‘afwezig’ gemeld in het bevolkingsregister van Varsseveld. Hij overleed op 16-06-1922 in Amerika.

    Hendrika Kleinhesselink werd op 03-07-1830 geboren te Dinxperlo, als dochter van Jannes Kleinhesselink en Theodora ter Horst. Haar vader overleed in 1850 en zijn weduwe vertrok met haar acht kinderen in april 1856 naar Noord-Amerika. Hendrika Kleinhesselink overleed op 29-09-1903 in Amerika. Via de nazaten in de VS is bekend, dat Henry, na het overlijden van zijn vrouw weer ging zwerven.

    Kinderen van Gradus Navis en Dersken Vreemen

    Gerrit Jan Navis, geboren op 10-07-1845 in Lintelo, vertrok in april 1882, ongehuwd, naar Noord-Amerika. Hij werd in juli van datzelfde jaar gevolgd door zijn broer met zijn gezin en zijn zus met haar zoon:

    Bernardus Navis, geboren op 13-04-1841 in Lintelo, op 01-06-1876 in Aalten gehuwd met Berendina Frederika Fukkink (1857) met hun zonen Gradus Theodorus (1877) en Arent Jan (1881). Arent Jan huwde in de VS met emigrantendochter Minnie Voskuil (1881).

    Hendrika Johanna Navis, geboren op 16-01-1837 in Lintelo, ongehuwd moeder van Jan Willem Navis (1858). Jan Willem huwde in 1887 in Kansas met Dina Johanna Harmelink (Lintelo, 1864).

    De hele familie woonde tot hun emigratie bij elkaar op ’t Boske, met uitzondering van Jan Willem, die was knecht op ’t Spieker. Gerrit Jan huwde in 1884 in Wisconsin met Janna Aleida Krozenbrink (Barlo, 1861). Hij overleed in 1915 en werd begraven in Baldwin, Wisconsin.

    Naoorlogse emigranten

    In 1948 vertrok Derk Willem Navis (1917-2003), zoon van Johan Albertus Navis en Dela Nijman (uit de tak Arend), samen met zijn vrouw Antonia Wubbels (1918-1999) en twee kinderen naar Amerika. Hij was marechaussee geweest en vestigde zich in Wyoming, Minnesota als verkoper van bouwmaterialen. In Amerika werden nog twee kinderen geboren.

    Bronnen


  • Jachtpalen landgoed ’t Walfort

    Jachtpalen landgoed ’t Walfort

    Dale/Haart

    Tussen Aalten en Bredevoort ligt landgoed ’t Walfort. Het hoort van oudsher bij Havezathe ’t Walfort en omvat bossen, houtwallen en houtsingels. De grenzen van het landgoed werden gemarkeerd door zogenaamde jachtpalen. Tegenwoordig zijn er nog 13 van deze palen te zien; één daarvan staat op de voormalige oprijlaan naar de havezate en dus niet op de grens van het jachtterrein. Vermoedelijk hebben er oorspronkelijk meer palen rond ’t Walfort gestaan.

    Volgens de heringevoerde jachtwet in 1814 moest een jachtterrein afgebakend worden met palen met daarop de tekst “private jagt van” gevolgd door de naam van de eigenaar. De jachtpalen markeerden zijn jachtterrein.

    Een beschrijving van het Gelders Genootschap vermeldt dat de jachtpalen rond 1837/1838 geplaatst zijn door toenmalig eigenaar Baron Jan van Pallandt van Walfort (1776-1844). Deze woonde in Arnhem op het landgoed Klarenbeek en kocht in Arnhem ook Angerenstein en Rennenenk. Hij was ook lid van de Gedeputeerde Staten van Gelderland.

    De jachtpalen zijn vervaardigd van rode zandsteen, vermoedelijk afkomstig uit groeven in de omgeving van de Weser of de Main. De totale lengte is 2,5 à 3 m. De palen zijn rechthoekig (ca. 25 x 20 cm) met afgeschuinde hoeken. De bovenkant is een vierzijdige piramide. Qua afwerking zijn ze gefrijnd: horizontaal geribbeld. Aan één zijde bevindt zich een rechthoekig glad afgewerkt veld met de tekst: “Havezate Walvoort of Walfort Privative Jacht”. Diverse van de nog aanwezige palen zijn beschadigd danwel ingekort.

    De jachtpalen zijn door de gemeente Aalten als gemeentelijk
    monument benoemd.2

    Alle jachtpalen op een rij

    De nummers van de foto’s corresponderen met de nummers op bovenstaande kaart.

    1
    1
    2
    2
    3
    3
    4
    4
    5
    5
    6
    6
    7
    7
    8
    8
    9
    9
    10
    10
    11
    11
    12
    12
    13
    13
  • De Belgische Opstand (1830-1832)

    De Belgische Opstand (1830-1832)

    Nadat de geallieerde mogendheden in 1815 Napoleon definitief hadden verslagen, werden de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden samengevoegd. Het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden werd geregeerd door Koning Willem I. Al snel ontstonden er problemen tussen het zuiden en het noorden. Politiek, economisch, cultureel en godsdienstig waren er grote verschillen.

    Oproep Nationale Militie

    Het Provinciaal Blad van Gelderland publiceerde op 15 februari 1827 een Besluit waarin 460 Geldersen, waaronder twaalf Aaltenaren, werden opgeroepen om op 27 februari om 08.00 uur in Arnhem bij het ‘Gouvernements-gebouw’ te verschijnen als reservist van de Nationale Militie. Per 1 maart moesten zij zich ‘onder de wapenen bevinden’. Een aantal van hen zou niet levend terugkeren.

    De opgeroepen Aaltenaren waren:

    7e Afdeling Infanterie

    13e Afdeling Infanterie

    Er hebben nog meer Aaltenaren gediend, getuige de naderhand uitgereikte onderscheidingen (zie verderop in dit artikel). Daarvan hebben wij vooralsnog echter geen compleet overzicht. Meer informatie is dus welkom.

    Tiendaagse Veldtocht

    In augustus 1830 kwamen de Belgen in opstand. Eind september werd er vanuit het Noorden een legermacht gestuurd om de orde te herstellen. Het Belgisch verzet bleek hardnekkiger dan gedacht en na een paar dagen moest het leger zich uit Brussel terugtrekken.

    Om deze nederlaag te wreken stuurde koning Willem I op 2 augustus 1831 een grotere hoeveelheid troepen naar België. Frankrijk besloot in te grijpen en stuurde een leger van 40.000 man naar de Zuidelijke Nederlanden. Hierop trok Willem I zijn leger terug. Al met al had de strijd 10 dagen geduurd.

    De Tiendaagse Veldtocht vond plaats van 2-12 augustus 1831. De militaire operatie stond onder leiding van prins Willem van Oranje (de latere koning Willem II), die na de overgave van Leuven door de Belgen op 12 augustus 1831 instemde met een wapenstilstand. In de week daarop trokken de Nederlandse troepen terug naar Noord-Brabant. Alleen de Citadel van Antwerpen bleef onder leiding van Chassé (‘generaal bajonet’) bezet tot de capitulatie in december 1832.

    In 1937 schreef G.H. Rots in de Aaltensche Courant over de Tiendaagse Veldtocht:

    “De vrede kwam, en de bevolking toog weer aan den arbeid. Maar nog zou het niet altijd vrede blijven. De strijd tusschen de Noordelijke en Zuidelijke gewesten ontbrandde, en bekend onder den tiendaagschen veldtocht moest er weer gestreden worden. Weer marcheerden Aaltensche jongemannen af om aan den strijd deel te nemen. Bijzonder bloedig is die strijd niet geweest, en de meesten keerden weer gezond naar hunne haardsteden terug.

    Zij, die aan dien tiendaagschen veldtocht hadden deelgenomen, ontvingen een medaille. In onze jeugd waren er te Aalten twee veteranen, die dit onderscheidingsteeken droegen. Als er een nationaal feest was kwamen zij in een landauer te zitten, bespannen met twee paarden, en namen de eereplaats in in den optocht. De namen dezer laatste Aaltensche oud-strijders waren Lorijn en Loohuis. De medaille van laatstgenoemde is nu in ’t bezit van den heer J.S.S. Prins.”

    Citadel van Antwerpen

    Kort na de opstand in 1830 was een deel van de Nederlandse militairen op Antwerpen teruggetrokken. Generaal Chassé concentreerde hen eind oktober in de citadel. Dit garnizoen werd na augustus 1831 versterkt. Op 24 december 1832, gaf generaal Chassé zich na zware artilleriebombardementen en een beleg van 25 dagen over aan het Franse leger, dat door de Belgen te hulp was geroepen.

    De Franse maarschalk Gérard eiste ook de belangrijke Scheldeforten Lillo en Liefkenshoek op. Deze stonden niet meer onder bevel van Chassé zodat daarover niet kon worden onderhandeld. Gérard bood toen de keuze tussen overgave der forten danwel medevoering der militairen als krijgsgevangenen naar Frankrijk. Alleen Willem I kon uitkomst bieden. Hij weigerde.

    Krijgsgevangenen

    Op 29 en 30 december 1832 vertrokken ruim 4500 Nederlandse militairen als krijgsgevangenen naar Noord-Frankrijk. Maar omdat Frankrijk en Nederland niet met elkaar in oorlog waren, waren zij in feite gijzelaars. De tocht voerde in acht dagmarsen langs Zwijndrecht, Melsele, St.-Niklaas, Lokeren, Deinze, Desselgem, Kortrijk, Menen, Ieper, Vlamertinge, Poperinge, Steenvoorde en Cassel. Op 5 januari werd via Arck Sint Omaars bereikt. Een deel van de Infanterie ging door naar Bethune, een ander deel met de Artillerie en Genie naar Hesdin en de Marine naar Air.

    Op 21 mei 1833 kwam door de Conventie te Londen een gedeeltelijke opheffing van de oorlogstoestand tot stand. De krijgsgevangenen zouden worden vrijgelaten. Op 8 juni vertrokken van Duinkerken vier Franse fregatten, drie corvetten en één brik onder zeil naar Vlissingen. Een dag later werd in Vlissingen voet aan land gezet en werd nog dezelfde dag naar Middelburg gemarcheerd.

    Het zou nog tot 1838 duren voordat de Nederlandse koning Willem I mokkend de handdoek in de ring wierp. Met de ondertekening van het Verdrag van Londen in 1839 werd de afscheiding van België een feit.

    Onderscheidingen

    Allen die onder de wapenen waren geweest en geacht werden deelgenomen te hebben aan de krijgsverrichtingen tijdens de Tiendaagse Veldtocht werden onderscheiden met het Metalen Kruis. Deze erepenning, ook wel bekend als het ‘Hasselt-kruis’, werd uitgereikt als erkenning voor hun bewezen trouw aan koning en vaderland. De bronzen kruisen zijn geslagen uit het metaal van de kanonnen die buitgemaakt waren op het Belgische Maasleger tijdens de slag bij Hasselt op 8 augustus 1831.

    Per Koninklijk Besluit van 31 mei 1833 werd door koning Willem I der Nederlanden de Antwerpsche Medaille 1832 ingesteld. Deze zou worden toegekend als “beloning aan hen, die tijdens het beleg der Citadel van Antwerpen in het tijdvak van 28 november tot en met 24 december 1832, in de citadel en onderhorige forten (Vlaamsche Hoofd, Burcht, Zwijndrecht en Austruweel), alsmede op de flottille op de Schelde voor Antwerpen, hebben gediend”.

    Onderscheiden Aaltenaren

    Van een aantal Aaltenaren is bekend dat zij zijn onderscheiden met het Metalen Kruis (MK) voor hun deelname aan de Tiendaagse Veldtocht en/of de Citadel-Medaille (CM) voor de verdediging van de Antwerpse citadel. Hieronder staan de namen en onderscheidingen die tot nu toe bij ons bekend zijn.

    • MK: Jan Anthonij Bekink (1812-1898), woonde in de Peperstraat.
    • MK: Joan Henricus (Jan Hendrik) Bennink (1807-1832), woonde aan de Prinsenstraat. Hij was flankeur bij het 2e Bataillon der 14e Afdeling Infanterie toen hij overleed in een hospitaal te ‘s-Hertogenbosch.
    • MK: Dirk Jan Hoornenborg (1807-1876), geboren op Nieuw Hoornenborg op de Haart, woonde sinds ca. 1845 in Gorssel en overleed in Kring van Dorth.
    • MK: Johannes Christianus Kötcher (1807-1876), woonde in Bredevoort.
    • MK: Hendrik Jan Loohuis (1812-1905), woonde de laatste jaren van zijn leven in Rusthuis Avondvrede.
    • MK: Petrus Bernardus Smit (1807-1876), woonde aan de Hogestraat.
    • MK+CM: Tonij Stapelkamp (1807-1889), woonde aan de Hogestraat.
    • CM: Paulus Lorijn (1811-1899), kwam in 1844 uit Wageningen naar Aalten en woonde achtereenvolgens op de Piepert, Heurne en het RK gasthuis aan de Hogestraat.
    • CM: Roelof Somsen (1808-1891), woonde op boerderij Pennings in Dale.
  • De Franse tijd (1795-1813)

    De Franse tijd (1795-1813)

    In 1937 beschreef G.H. Rots in een serie artikelen hoe het er in vroeger tijden in Aalten aan toeging. Zo schreef hij over de Franse bezettingsjaren:

    “In den Franschen tijd heeft Aalten de zegeningen (?) van de Fransche overheersching genoten. De leus “Vrijheid Gelijkheid en Broederschap” deed toen opgeld, te Aalten op de Markt werd de vrijheidsboom geplant. Een nieuw gemeentebestuur werd aangesteld, nieuwe wetten en verordeningen werden gemaakt, in één woord: er waaide een andere geest door de regeeringsgebouwen. De Bataafsche Republiek werd gesticht, en Oranje had afgedaan.

    Fransche soldaten werden ook te Aalten ingekwartierd, met al de onheilen daaraan verbonden. Hoewel in meerderheid Oranjegezind, durfde men niet voor zijn meening uitkomen, en werd het nieuwe bewind aanvaard. Van 1795 tot 1799 duurde die toestand. Heimelijk verfoeide een groot deel der bevolking de Fransche overheersching.

    Valse hoop

    Toen, in 1799, deden de geruchten de ronde, dat een Nederlandsche edelman, A.R. van Heeckeren, ook wel Suideras genoemd, aan het hoofd van een groot leger als bevrijder de Oostergrenzen was overgetrokken en zegevierend de Franschen uit de dorpen verdreef.

    Ook in andere deelen van het land waren invallen van Engelschen en Russen, welke met de Franschen, en dus ook met de Bataafsche republiek in den oorlog waren gewikkeld. De Oranjeklanten kregen weer moed, en toen Suideras op 5 September Winterswijk binnenrukte, de Oranjevlag weer van den toren liet wapperen, maakte zich ook Aalten gereed, den bevrijder te ontvangen.

    Een groote opwinding maakte zich meester van de bevolking. Een zekere Jan Derk Hoopman kwam met een bijl en begon reeds den vrijheidsboom om te hakken. In den namiddag kwam Suideras te Aalten. De klokken werden geluid. Een groote menigte haalde zingend en dansend den bevrijder binnen. Men tooide zich met Oranje, en men meende dat het leed weer geleden was. Het bleek een valsche hoop te zijn geweest, want de Franschen lieten zich maar zoo niet door Suideras onder de voeten loopen.

    Reeds den volgenden dag hoorde men dat er een Fransch leger in aantocht was, en jawel, de Fransche generaal Girod kwam met zijn leger te Aalten. Jan Derk Hoopman nam de vlucht, en waarschijnlijk zullen meerderen de beenen genomen hebben, want huiszoekingen werden gedaan en zware straffen werden uitgedeeld. De vreugde was dus van korten duur geweest. Hooge belasting moest worden opgebracht, en de verdiensten waren weinig.

    De predikanten hielden godsdienstoefeningen in de open lucht. Zoo klom Ds. Westerbeek van Eerten op een boerenkar, en sprak zijn geloofsgenooten moed in, die bij den huize ‘De Pol‘ waren samengekomen.

    Een toestand van verval trad in. De druk der Fransche overheersching werd al zwaarder en zwaarder. De jongelieden moesten loten voor den Franschen dienstplicht, en toen Napoleon soldaten noodig had voor zijn tocht naar Rusland, moest ook Aalten een contingent leveren. Zij zijn gegaan om nooit weer terug te komen. Hun gebeente rust onder den grond der Russische steppen, of zij zijn omgekomen in het koude water der Beresina.

    Bevrijding

    Tot 1813. In den volkerenslag bij Leipzig was Napoleon verslagen. De Pruisen trokken ons land binnen. De Prins van Oranje kwam vanuit Engeland in ons land, en weer was het ‘Oranje boven’. In Aalten was er weer een jubel. Weer werden de klokken geluid, en nu zou de Oranjevlag blijven wapperen.

    Eén der Oranjetelgen, Prins Frederik, was in Berlijn op school. Gehoord van de omwenteling in Nederland, reisde hij per postkoets naar Den Haag. De route werd genomen over den grooten postweg, door ons reeds eerder beschreven. De grensoverschrijding had aan de Heurne plaats, en toen de bevolking hoorde dat Prins Frederik door Aalten zou komen, ging men het rijtuig tegen, spande de paarden er voor heen en trok men onder luid gejuich de koets door Aalten tot aan den Zelhemschen weg, tot de plaats waar de Lindeboom staat. Welnu, die boom is toen geplant als aandenken aan dat feit, en later is de lindeboom als officieel wapen van Aalten vastgesteld.

    Nog eenmaal zouden de Aaltensche jongens tegen de Franschen moeten optrekken. Toen Napoleon ontsnapt was van Elba en een groot leger uitrustte om zijn ouden roem te heroveren, moest Nederland zijn leger met de bondgenooten tegenover hem stellen. Ook Aaltensche jongelieden hebben toen in den slag van Waterloo meegevochten. Wij weten wat het lot van Napoleon toen is geworden. Het was zijn laatste stuiptrekking geweest.”

    Bron


    • ‘Uit Aalten’s verleden’, door G.H. Rots, Aaltensche Courant, 11 maart 1938 (via Delpher)
  • Oud-Rechterlijk Archief Bredevoort

    Oud-Rechterlijk Archief Bredevoort

    Het Oud-Rechterlijk Archief (ORA) van de Heerlijkheid Bredevoort omvat de archieven van het lokale recht en bestuur en bestrijkt grofweg de 16e tot en met de vroege 19e eeuw (tot de invoering van het Franse/bestuurlijke stelsel rond 1811) en is de belangrijkste bron van informatie over rechtshandelingen, vermogenszaken en lokale rechtspraak in dit gebied.

    De Heerlijkheid Bredevoort omvatte het stadje Bredevoort en de dorpen Aalten, Dinxperlo en Winterswijk. De drossaard of richter zat beurtelings ten gerichte in Bredevoort, Aalten en Winterswijk met gerichtslieden (keurnoten) ter plaatse. De Dinxperlose zaken werden te Aalten behandeld.

    Het ORA bevat de registers van het rechterlijk archief van de Heerlijkheid, waaronder:

    • Volontaire protocollen (vrijwillige rechtspraak)
      Akten die burgers vrijwillig lieten registreren: transporten van onroerend goed, hypotheken/obligaties, boedelbeschrijvingen en -scheidingen, huwelijkse voorwaarden, testamenten, volmachten, voogdij/curatele.
    • Civiele procesdossiers
      Contentieuze (burgerlijke) zaken tussen partijen, met dagvaardingen, verklaringen, producties en vonnissen.
    • Fiscale procesdossiers
      Zaken rond accijnzen/impost en handhaving (o.a. smokkel, inning), met stukken van de fiscaal en gerelateerde verhoren en beslissingen.
    • Proces- en strafdossiers
      Overige contentieuze en strafrechtelijke zaken; geven inzicht in werking en praktijk van het gerecht.
    • Repertoria (verwijzingsregisters)
      Contemporaine indexen op namen/onderwerpen met verwijzingen naar folio’s/akten in de hoofdseries (o.a. ook Winterswijk op de keerzijde in een deel).
    • Tuteele & Curateele
      Registraties van voogdij en curatele (benoemingen, machtigingen, rekeningen/kwitanties).
    • Breukenprotocol (boeteregister)
      Overtredingen van keuren/plaatselijke regels met opgelegde boetes (“breuken”).
  • Mysterieuze moord in het Münsterland

    Mysterieuze moord in het Münsterland

    Het tragische lot van Gesina te Winkel

    In de nacht van 28 oktober 1799 werd het levenloze lichaam van de 47-jarige Gesina te Winkel gevonden op de heide, bij de grens tussen de Aaltense buurtschap Haart en het Duitse Barlo. Ze lag op slechts enkele minuten van haar huis en had meerdere steekwonden. Wat was er met haar gebeurd?

    Gesina te Winkel werd op 30 april 1752 in Aalten gedoopt als dochter van Barent te Winkel en Enneken Dierkink.1 Op 20 april 1777 trouwde ze met Adolphus (Alof) Lensing2, die later ook te Winkel werd genoemd. Het echtpaar woonde op Gesina’s ouderlijk huis, boerderij ’t Winkel op de Haart, slechts 800 meter verwijderd van de grens met het toenmalige bisdom Münster, dat tegenwoordig deel uitmaakt van de Duitse deelstaat Nordrhein-Westfalen.

    De verdwijning

    Op zondag 27 oktober 1799, rond vier uur in de middag, vertrok Gesina alleen van huis met een boterham in de hand. Ze was op weg naar de familie Möllers om enige kledingstukken op te halen. De Möllers woonden net over de grens in het Münsterland, op ongeveer een kwartier lopen van ‘t Winkel.

    Toen het donker begon te worden en Gesina nog niet was teruggekeerd, begonnen haar man Alof en hun kinderen zich zorgen te maken. Waar bleef ze toch? Alof besloot naar het huis van de familie Möllers te gaan. Hij trof er drie vrouwen aan bij het vuur, die hem vertelden dat ze Gesina die dag niet hadden gezien.

    Terugkerend naar huis vroeg Alof zich af of zijn vrouw onderweg iemand was tegengekomen of wellicht een buur had bezocht. Bij thuiskomst bleek ze nog steeds niet terug te zijn. Hierop ging hij opnieuw op zoek, ditmaal op de heide. Toen hij haar daar niet kon vinden ging hij nogmaals naar Möllers huis. De bewoners waren al naar bed en toen Alof aanklopte en opnieuw naar zijn vrouw vroeg, riepen de man en vrouw hem uit ’t bed toe dat zij van Gesina niets vernomen hadden en dat zij daar die dag niet was geweest.

    Alof betrok zijn naaste buurman Hendrik te Kolste en de knecht van zijn broer aan Drenthel Schoppe, Harmen Swietink, bij de zoektocht. Samen gingen zij nogmaals de heide op om Gesina te zoeken.

    De vondst

    Het was inmiddels pikkedonker op de heide en ze konden bar weinig zien. Rond middernacht ontdekte een van hen plotseling iets wits. Het bleek Gesina’s muts te zijn, met ernaast haar levenloze lichaam. Ze lag op haar zij, haar voeten waren nog warm, maar de rest van haar lichaam was koud. Ze werd gevonden op slechts vijf à tien minuten van haar huis. Alof liet een kar halen en bracht haar lichaam daarop naar huis. Hij dacht dat ze onderweg waarschijnlijk onwel was geworden en daaraan was overleden.

    Heide bij nacht
    Heide bij nacht – Foto: J. Iedema 4

    Het gerechtelijk onderzoek

    De volgende ochtend, maandag 28 oktober, meldde Garrit Rensink, wonende op boerderij Beestmans Huisje op de Haart, bij het gerecht van de Heerlijkheid Bredevoort dat de vrouw van zijn buurman Alof te Winkel in de voorgaande nacht dood was gevonden op de heide.

    Hierop begaf het gerecht zich, vergezeld door chirurgijn Steven Schaars, naar ’t Winkel. Bij onderzoek op ’t lichaam werd vastgesteld dat de vrouw meerdere steekwonden had – drie aan haar linkerzijde en twee aan haar rechterzijde, vermoedelijk toegebracht met een bajonet of een driekantig voorwerp.

    Blijkbaar was men nog niet geheel overtuigd van de doodsoorzaak, want twee dagen later toog het gerecht nogmaals met Schaars naar ’t Winkel voor nader onderzoek. Daarbij werd de overledene, die al gekist was, weer uit de kist genomen en onderzocht, waarbij Schaars vaststelde dat de onderste ribben aan de rechterzijde gebroken waren en dat de haar toegebrachte wonden haar dood hadden veroorzaakt.

    Tijdens verhoor verklaarden Alof, Hendrik en Harmen dat zij aanvankelijk dachten dat zij Gesina’s lichaam op Nederlands grondgebied hadden gevonden, maar ook dat zij dat door de duisternis niet goed hadden kunnen bepalen. Bij nadere herinnering was men echter vrijwel zeker dat het op Münsters grondgebied moest zijn geweest.

    Hendrik en Harmen verklaarden verder dat, zover zij wisten, Alof te Winkel en zijn vrouw een goede relatie hadden en dat er geen sprake was van onenigheid of ruzie. Ook verklaarden zij dat Gesina nooit met iemand ruzie had, en dat zij “schoon op haare jaaren er zeer wel uitzag”.

    Arnoldus Obrink, kuiper in de Hoekstraat te Aalten, verklaarde dat hij Gesina die bewuste zondagmiddag rond vier uur nog had gezien. Hij liep op de weg van Hunink naar Aalten en Gesina ging de weg naar ’t Münsterland op, omtrent 300 trad van haar huis. Hij had zelfs nog kort met haar gesproken, terwijl zij een boterham at. Verder had hij niemand in de buurt gezien.

    Een onbevestigd gerucht

    Al snel ging het gerucht rond dat Gesina die zondag wel degelijk bij ’t huis van Möllers was geweest. Volgens de verhalen had een 13-jarige zoon uit het gezin onvoorzichtig met een geladen geweer gespeeld, waarna het per ongeluk afging en Gesina had geraakt. Er werd zelfs beweerd dat sporen van het schot nog in de schoorsteen of bij de haard te zien waren. Bewijs voor dit gerucht was er echter niet.

    Dossier naar Bocholt

    Omdat het sterke vermoeden bestond dat de gewelddadige dood van Gesina op Münsters grondgebied had plaatsgevonden, stuurde de drost van Bredevoort, Willem Paschen, een kopie van het dossier naar het gerecht van Bocholt, zodat zij deze zaak verder konden onderzoeken.5 Helaas is ons niet bekend hoe deze zaak is afgelopen. De tragische moord op Gesina te Winkel blijft een mysterie.

    Begrafenis

    In het Begraafboek van de Nederduitsche Gereformeerde Gemeente te Aalten staat vermeld onder oktober 1799: “den 28 overleden – Alof te Winkel zijn vrouw – begraven den 31” 6